Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden (4de druk)


auteur: F.A. Stoett


bron: F.A. Stoett, Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden. W.J. Thieme & Cie, Zutphen 1923-1925 (vierde druk).  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

2587. Den wind van voren krijgen,

vroeger den wind voor in krijgen; in eig. zin bedoelt men er mee, dat de wind plotseling, zonder voorafgaande waarschuwing, tijdens een bui met groote kracht van voren inkomt4). Vandaar overdrachtelijk een schrobbeering krijgen, een geweldig standje krijgen; fri. hy kriget de wyn fen foaren; oostfri.: he krigt de Wind fan förn. Zie Bontekoe, 60; Paffenr. 38: De vyand die eerst scheen voorspoedig in 't begin raekt hier weer over staek (stag), en krijgt de wind voor in; W. Leevend I, 271: Ik dagt niet dat ik de wind zo van voor zoude gekreegen hebben; V. Janus, 42: Op dit argument kreeg de Burger den wind zoo sterk voor in; Harreb. II, 471 a; Huydecoper, Proeve III, 199; Sjof. 192: Toen kreeg Post den wind van voren; Nkr. V, 27 Mei p. 2: Als ik op die manier gesproken had, kreeg ik gewoonlijk den wind van voren; Het Volk, 5 Nov. 1913 p. 1 k. 4: De heer Lohman kreeg van drie Rotterdamsche afgevaardigden, benevens van een Rotterdamsch wethouder viervoudige wind van voren; 18 Sept. 1914 p. 3 k. 1: Overigens heeft de ‘Manchester Guardian’ daarover geschreven, waarvoor dat blad de wind van voren kreeg; Schakels, 81, enz.