zijn, en dat het maar windeieren sijn; Spaan, 168: Ik hoop, dat het leugens, en maar een vuile vergadering zal zyn, of op een wind-ei (d.i. niets) zal uitdraaijen. Onze tegenwoordige zegswijze vindt men bij Tuinman I, 177: Dat legt hem geen windeyeren; dit zegt men van iets, dat ymand veel gewin toebrengt; Sewel, 219: Dat zal hem geen wind-eijeren leggen, that will not hurt him, he'll make good profit of it; Harreb. I, 175; Nest, 52: Ze (een bedelares) heeft een bleek gezicht en kan de huik naar den wind hangen en dat legt je geen windeieren; Nkr. VII, 10 Mei p. 2; De Arbeid, 17 Juli 1915 p. 2 k. 3; afrik. dat sal hom nie windeiers lê nie. In het Westvlaamsch zegt men: zwalpeiers broên, slechte zaken verrichten, iets ondernemen dat moet mislukken (De Bo, 1448 b); in het Friesch: dat leit him gjin wynaeijen of deade miten, dat brengt hem geen geringe voordeelen aan; in Drente: dat zal hem gien doove neuten anbrengen (Bergsma, 93); oostfri. wat mit 'n wind-ei betalen (Ten Doornk. Koolm. III, 554 a); Holsteinsch: dat sünt Windeier (Eckart, 568); eng. windegg (letterlijk).