Hiermede worden aangeduid de eerste weken van het huwelijk; de tijd, dien de Friezen de wiggewiken, - moanen, de Engelschen de honeymoon, de Franschen la lune de miel (It. luna di miele), de Duitschers de Flitterwochen, Honingmonat oder Stutenwoche (Reuter 109; Schrader 406); die Käsewochen (Wander II, 1163); de Zwitsers de Trütlerwochen (troetelweken) en de Zuidnederlanders dial. de zoetemelksweken (De Cock2, 132) noemen. In Limburg zegt men: de witte hen zit nog op 't dak ('t Daghet XII, 1762)). Wij willen met deze benaming aanduiden den tijd waarin alles nog een feestelijk aanzien heeft en alleen wittebrood opgedischt wordt. Wittebrood (van tarwebloem gebakken, in tegenstelling van zwart brood, roggebrood) wil hier zeggen iets lekkers, iets heerlijks, eene beteekenis, die het in de 16de eeuw had, blijkens Kiliaen: Witbrood, wittenbrood, panis candidus, primarius; Anna Bijns, Nieuwe Refr. 99:
Deze bet. heeft wittebrood ook in de in Noord-Nederland verouderde en in Zuid-Nederland nog springlevende uitdr. zijn wittebroodje vóór eten, in zijne jonkheid goed en onbezorgd leven, en later moeilijk aan zijn brood komen (vgl. no. 12451)) en in een wittebroodskind, d.i. een bedorven kind, eig. een kind, dat alleen lekker eten krijgt. 2) Eerst bij Hooft ontmoette ik wittebroodsweken; zie Ged. II, 398:
Zie verder J. ter Gouw, Volksvermaken, 547, Volkskunde XXI, 158, en het Nieuw Nederlandsch Taalmagazijn II, 123). Vgl. no. 2112.