|
|
|
| |
2598. De wittebroodsweken.
Hiermede worden aangeduid de eerste weken van het huwelijk; de tijd, dien de Friezen de wiggewiken, - moanen, de Engelschen de honeymoon, de Franschen la lune de miel (It. luna di miele), de Duitschers de Flitterwochen, Honingmonat oder Stutenwoche (Reuter 109; Schrader 406); die Käsewochen (Wander II, 1163); de Zwitsers de Trütlerwochen (troetelweken) en de Zuidnederlanders dial. de zoetemelksweken (De Cock2, 132) noemen. In Limburg zegt men: de witte hen zit nog op 't dak ('t Daghet XII, 1762)). Wij willen met deze benaming aanduiden den tijd waarin alles nog een feestelijk aanzien heeft en alleen wittebrood opgedischt wordt. Wittebrood (van tarwebloem gebakken, in tegenstelling van zwart brood, roggebrood) wil hier zeggen iets lekkers, iets heerlijks, eene beteekenis, die het in de 16de eeuw had, blijkens Kiliaen: Witbrood, wittenbrood, panis candidus, primarius; Anna Bijns, Nieuwe Refr. 99:
Zijn liefte, het docht mij al witte broodt
| | | |
Deze bet. heeft wittebrood ook in de in Noord-Nederland verouderde en in Zuid-Nederland nog springlevende uitdr. zijn wittebroodje vóór eten, in zijne jonkheid goed en onbezorgd leven, en later moeilijk aan zijn brood komen (vgl. no. 12451)) en in een wittebroodskind, d.i. een bedorven kind, eig. een kind, dat alleen lekker eten krijgt. 2) Eerst bij Hooft ontmoette ik wittebroodsweken; zie Ged. II, 398:
Oock is 't een deun van dujsendt galghen
Te sien een spijtighe malloot,
Die 't hooft comt leggen in de schoot
Van vrijer, die haer schampre streecken
(De wittebroods nieubacken weecken
Wt sijnde) haer louter brengt te pas.
Zie verder J. ter Gouw, Volksvermaken, 547, Volkskunde XXI, 158, en het Nieuw Nederlandsch Taalmagazijn II, 123). Vgl. no. 2112.
|
1)Fr. manger son pain blanc le premier; De Bo, 1606; Antw. Idiot. 1456; Breuls, 84.
2)Nkr. IX, 15 Mei p. 2: Men heeft er tegen gewaakt, dat wij zouden kunnen ontaarden tot de verachtelijke en verwijfde Sybarieten, die wittebroods kinderen geheeten worden.
3)Vgl. ook Mergh. 41: 't Is nieuwe liefde, de korsken kraken noch; Tuinman II, 65 met de verklaring: dit zegt men boertende van liefde, daar 't nieuwtje nog niet af is, terwyl de speelman noch op den vloer zit.
|
|