Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden (4de druk)


auteur: F.A. Stoett


bron: F.A. Stoett, Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden. W.J. Thieme & Cie, Zutphen 1923-1925 (vierde druk).  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

2685. Zwart van den honger zijn (of zien),

d.w.z. uitgeteerd en mager er uitzien; een groezelige, vale, bleeke gelaatskleur hebben (vgl. Franc. 9540). Het adj. zwart komt in de middeleeuwen ook met bleek en vaal verbonden voor o.a. bij Maerlant, die van Andromache (Troyen, vs. 5749) zegt:

[p. 551]
 
Andromaca weende ende versuchte
 
Om die sake die sy vruchte.
 
Dat rode blie (gelaatskleur), dat haer stont wale,
 
Wert swert, bleec ende vale.

De uitdrukking dagteekent reeds uit de Middeleeuwen, blijkens Scaecspel, 47: Die een was van groten ellendighen hongher temael verzwert1). V. Moerk. 102: Daer is te eten, noch te breecken, sy sijn zwart van honger; Hooft, Ged. II, 335; Vondel, Sofomp. vs. 678; Olipodrigo, 79: Om haer wou hy honger lijden dat hy zwart wierd; Harreb. I, 323: Hij lijdt honger dat hij zwart wordt; II, 50 b: Hij is zwart van magerheid; Nest, 55: Reken er op, dat de tobberd gebrek lijdt, dat ze zwart wordt; afrik. vaal van die honger wees; Rutten, 295: zwart van colere2), van dorst, van honger, van koude, fel gestoord zijn, grooten dorst hebben, enz.3); Antw. Idiot. 1509: zwart zien van de kou, van honger, van magerheid. Vgl. fri.: swart fen meagerens wêze; eng. black fasting en het syn. scheel van (den) honger zien; Tuerlinckx, 273: grauw van honger zijn; Waasch Idiot. 121: blauw zien van honger.