terug  begin  verder

<oktober 1914>

1 oktober.

Heel de nacht en de dag door vervaarlijke kanonslagen. Nu blijkt het toch dat het op de forten van Antwerpen gericht is. Gewichtige gebeurtenissen zijn ophanden. Twee vliegtuigen heel hoog, ronken in de lucht.

[p. 164]

Onderstaand berichtje stemt mij tot nadenken:

 

DeZeppelinsen hunne bommen,

 

Europa weet nu tot welke lage trap het Duitsche militarisme gevallen is en kent nu ook de laffe wapens waarmede de Pruis strijdt.

Duitschland heeft aan de bondslegers de eerste surprise voorbehouden, deze van de houwitsers 42, die voor de eerste maal eene groote rol spelen en gebruikt werden om de Belgische forten aan te vallen.

De Pruisen beroemen er zich nu op in het bezit te zijn van eene andere uitvinding, van een verschrikkelijk tuig, dat van dienst kan zijn in dezen tijd en wiens uitwerksels1 verschrikkelijk zullen zijn.

Een persoon, die deze proefnemingen heeft bijgewoond, vertelt het volgende; Sedert drie weken, telkens als het zeer donker is, verlaat een Zeppelin zijn hangaar2 van Friedrichshafen (Duitsche oever van het meer van Constance) en verheft zich op eene hoogte van ongeveer 800 meters.

Na eens rondgevlogen te hebben, laat de bestuurbare luchtbal voorzichtig tot op de oppervlakte van het water, eene reeks ronde manden dalen, die onmiddellijk zinken.

Geheel de bewerking dezer vliegmachienen duurt enkele minuten en ieder bestuurbare luchtbal, kan bij middel van kabels, minstens een vijftigtal dezer manden laten vallen, die anders niet zijn dan torpedos.

De ontploffing dezer tuigen is verschrikkelijk; de waterverplaatsing is zoo geweldig dat een schip, dat in de nabijheid is, onmiddellijk zinkt.

De Duitschers steunen zich vooral op deze nieuwe en moorddadige uitvinding en hopen in den nacht, de vijandelijke kusten met deze torpedos te bezaaien en hopen zelfs deze tuigen te midden der Engelse en Fransche eskaders te laten zinken, en hun alzoo buitengewone verliezen toe te brengen. Ziedaar wat de nieuwe uitvinding van de Pruisen en waartoe de barbaren in staat zijn. (De Landwacht).

[p. 165]

Merk wel dat er van Franse zijde reeds lange tijd gemeld werd en spraak is van een nieuw tuig dat verschrikkelijke uitwerkselen zou hebben - ik bedoel de geheimzinnige uitvinding van Turpin, - een soort luchtkanon waardoor men doden zou door verstikking. Deze uitvinding, nota bene, die al zo verschrikkelijk is als de mandjes van de Zeppelin, werd door onze bladen met vreugde begroet en niemand dacht eraan van iets ‘onmenselijks’ te spreken! Als oorlogsmannen over wetten, rechten en bijzonderlijk over menselijkheid beginnen, wordt het vermakelijk. Een landsman zegde me gister nog: als men iemand een oorveeg geeft, krijgt men 25 frank boete; als men iemand vermoordt, wordt men voor zijn leven in 't kot gesloten. En nu, hoe meer men moordt, hoe dapperder men wordt en hoe meer decoraties men krijgt! - Ja, man, de landswetten en de opvatting der moraal in oorlogstijd is 't omgekeerde van 't geen men anders gewoon was. Oorlog betekent: elkander uitmoorden, vernietigen. Dat is de natuurlijke, primitieve wet: gij staat mij in de weg, gij moet verdwijnen! Alle middels die ik daartoe gebruiken kan zijn toegelaten en goed. Het recht van de sterkste zegepraalt. Nu heeft de beschaving echter in die moorderij een soort wetten ingesteld en verordeningen toegebracht. Het is dus niet volstrekt gelijk hoe en met welke middelen men zijn vijand aanvalt. De oorlog is weliswaar negatie van alle wet, het opheffen van alle overeengekomen verplichting, en toch blijft er iets daarboven zweven, iets vaags dat men noemt: menselijkheid. Daarbij verstaat men een hele reeks verplichtingen die men zichzelf en de tegenpartij oplegt, maar waarvan men juist zoveel in acht neemt alsdat men het wenselijk oordeelt, volgens de omstandigheden. Al wie gerechtigd is te helpen moorden in 't groot moet een uniform en de wapens bloot dragen. Men moet onder de bevelen staan van een regelmatige overheid. Dit wordt vereist opdat men soldaten, die gerechtigd zijn te doden, zoude uitkennen1 van de burgerij die niet doodt of mag gedood worden. Onder een of ander voorwendsel wordt de burgerij toch vermoord, of men besteelt ze of men

[p. 166]

hongert ze uit - 't geen op 't zelfde neerkomt. Dat noemt men dan, als een verontschuldiging: de onvermijdelijke gevolgen van de oorlog. En daar de twee oorlogvoerende partijen elkaar van evenveel kwaad en overtredingen weten te beschuldigen, wordt er zero geplaatst bij de uitkomst, na het onderzoek. Maar de middelen nu om elkaar te vermoorden! Van voor de oorlog - in vredestijd dus - houden de mogendheden zich onledig met nieuwe moordtuigen te maken en de oude te verbeteren. Die verbeteringen kijkt men van elkander af en men tracht zich zo veel mogelijk op de hoogte te stellen van de mededinger, dat noemt men: gewapende vrede. Telkens Engeland een nieuw oorlogsschip maakt, wordt er in Duitsland een tegenover geplaatst en men maakt ze zo groot mogelijk. Kanonnen, idem, met de sterkst mogelijke ontploffingskracht en de zwaarste obussen. Van weerskanten heeft men geweren met vijf of zes kogels - in orde! Mitrailleusen, maxim1- en machinegeweren, in orde. Hier echter begint de verwarring! 't Geen men toepassen mag aan een obus, granaat of schrapnel, t.t.z. zijn explosievermogen, wordt niet toegelaten aan de geweerkogel. Dat heet men Dum-Dum2 en zoiets staat aangerekend als onmenselijk! Men gebruikt er toch, of wederzijds beschuldigt men malkaar er te gebruiken, maar men loochent het... et l'honneur est sauf! Een kanon dat met zijn twee wielen op de grond staat, mag schieten overal en op alles, maar een granaat uit een luchtschip geworpen, heet barbaarsheid. En zo is het met elke nieuwe uitvinding op vernielingsgebied: zolang ze niet door wederzijds gebruik geheiligd werd, blijft ze veroordeeld en als schandaligheid aangerekend! Ik vraag me wat er gebeuren zal als men eens de levende soldaten afschaft en vervangen zal door mekanieke die veel juister en sneller zullen schieten en nooit omvervallen of weglopen; - die geen ravitaillement behoeven en de ambulance-dienst kunnen missen omdat ze door een electrische stroom in werking worden gebracht!

[p. 167]

2 oktober.

Verleden zondag was Doornik in volle feest. De Franse troepen waren er ingekomen met Goumiers1, Turco's2 - een echte paradeoptocht! De Tournaisiens konden nu hun hart eens ophalen na al de tribulatiën van de verleden tijd en ze kwamen dan ook toegelopen met tabak, chocolade, fruit en al wat lekkernij heette, moesten de soldaten op zak steken. Aan geestdrift ontbrak het er niet. Het nieuws verspreidde zich gauw in de omtrek en iedereen moest die olijfkleurige Araben zien op hun witte peerdjes en de vrouwen die ze meegebracht hadden om te komen vechten. Het geloop duurde drie, vier dagen en dan was het ineens uit! De Franse soldaten, Goumiers, Turco's, 't was alles vertrokken naar... une destination inconnue! En wat erger was: daar komt de mare van een Duits leger dat in aantocht is, - dat men vecht te St. Maur. - Dat brengt de paniek onder de bevolking en iedereen gaat op de vlucht! Vandaag juist zou ik naar Doornik rijden, als ik onverwachts bezoek krijg van een kozijn die ginder woont en ook gevlucht is! Hij vertelt me de exode en nu spijt het me waarlijk dat schilderachtige vertoog3 niet gezien te hebben!

3 oktober.

Vandaag dus zetik uit met drie makkers van Waregem, om Doornik te bezoeken. Of er nog iets te zien is? Och kom, er is altijd iets te zien, vooruit! Te Avelgem reeds worden we gewaarschuwd over een zeker gevaar; van welk soort echter weet men niet te zeggen. Te Spiere vinden we de burgerwacht van Doornik gecantonneerd4. Zij zijn hier teruggeweken uit hun stad die ingenomen werd door 20 - zegge twintig - Duitse cyclisten. De Doorniknaars zijn de eersten... qui trouvent que c'est plutôt drôle de cèdér comme cela une ville! Zij rigoleren5 over 't geval maar zouden liever thuis zijn dan hier te moeten buiten slapen al is het dan ook maar als oefening bedoeld. Wij bezoeken de hereboer van 't Groot-hof te Spiere en vinden daar 21 vluchte-

[p. 168]

lingen uit Haacht die hier wonen in 't voiturekot1. Er is een huisgezin bij met tien kinderen. De vader, een magere, oude landbouwer, echte Kempeneer, vertelt mij in zijn typisch Brabantse tongval, wat er met hen is gebeurd. Zijn twee oudste zonen zijn in 't leger; de drie andere hebben de Duitsers aan elkaar gebonden en meegenomen; het peerd en drie koeien hebben zij in een put gestopt en met aarde bedekt zodat de beesten alleen met de kop uitsteken - dan hebben zij erop geschoten. De hofstede werd platgebrand met alles wat erin was en dan zijn de bewoners met de kleine kinders 't veld opgejaagd, hebben acht dagen gedompeld tot zij in Gent aangekomen zijn, vandaar op Kortrijk werden gestuurd om eindelijk hier aan te komen. In al hun ellende zien die mensen er gelaten uit en zij vertellen de gebeurtenissen alsof 't dingen waren die met een ander voorgevallen zijn.

Verder op de baan vinden wij de burgerwacht en gendarmen volop in de weer; zij hebben verschansingen gemaakt, kappen schietgaten in de muren van stalling en schuren die op de steenweg uitgeven. De Waalse jongens zijn opgewekt, ze praten luid en lachen.

Wij worden naar onze papieren gevraagd, bedreigd te moeten terugkeren; maar we ontdekken een kennis die ons uit de nood helpt en getuigt dat wij eerlijke Belgen zijn. We mogen dus verder rijden maar krijgen de vermaning op luchtige toon: ‘Evitez les coins et surtout, ne suivez pas les troupes’. Wat de kerel verstaat door ‘coins’ begrijpen we niet te best. Te Pecq moeten we weeral stoppen. Een brigade gendarmen rijdt ons voor. Bij de brug staat de wacht en een gendarm onderzoekt weeral onze papieren. Hij weet er niets op af te dingen, maar schijnt toch niet genegen ons door te laten. - ‘D'où venez-vous? - Où allez-vous? - Qu'allez-vous faire à Tournai?’ - Voir des parents, zegt de ene;... pour mes affaires... zegt de andere;... rejoindre ma femme! waagt er zelfs een van ons, als uiterste beweegreden, alhoewel hij niet gehuwd is! De gendarm alevenwel, die een bezadigd, plichtgetrouw man eruit ziet, schijnt te wankelen om een besluit te nemen. Hij houdt

[p. 169]

onze papieren in de hand, beziet ons één voor één en twijfelt aan de echtheid van onze redenen. - ‘Quelle idée d'aller se ballader à Tournai maintenant!’ zegt hij monkelend. We vragen of er gevaar is. En eer we antwoord gekregen hebben, roept een barse brigadier van bij de brug een gebiedend: ‘Il faut en finir là! Retournez au plus vite!’ - ‘On ne passe pas?’ vragen wij.

Maar voor alle antwoord wordt een gebiedend gebaar gemaakt waaruit we besluiten mogen dat 't ernstig gemeend is. Wij keren terug tot op de markt van Pecq waar wij van burgers vernemen dat er zoëven een Duitse auto voorbij gereden is ... terwijl de patrouilles op ronde waren! Men verwacht dat de auto zal terugkeren want de baan is verder ook door Belgische posten bewaakt. Hier kunnen we dus iets zien gebeuren;- de auto keert echter niet terug en... als we onze reis naar Doornik niet willen opgeven, moeten we voortmaken. Er blijft ons nog de trakelweg1 langs de Schelde, waar we voorzeker geen enkele soldaat zullen ontmoeten. Een pracht van een weg die in wijde slingerbochten de stroom volgt met weiden en hovingen2 omgeven. Te Esquelmes gekomen, van waar wij de grote baan altijd in 't oog houden, zien we waarachtig de Duitse auto die terugkeert. Wij springen op een hoge rand. Hij vertraagt, verdwijnt achter een bosje, komt weer te voorschijn. Zou men 't gevaar vermoeden? 't Is glijden dat hij doet over de baan, recht op de hinderlaag... Dan ineens horen we geweerschoten en de auto verdwijnt. We kunnen terugkeren en gaan zien, maar we wagen het niet en verkiezen stilletjes voort te rijden naar Doornik. Zonder andere tegenkomsten3 bereiken wij de stad. Het is er stil. De weinige mensen die we ontmoeten, bezien ons verwonderd, wantrouwig, - ze nemen ons voor Duitse bespieders. Eindelijk is er een die ons teken doet - een agent in burgerkleding - en die halfluid zegt: ‘On ne roule pas en vélo en ville’. Verdere uitleg geeft hij niet, hij vertrekt. Een vrouw waarschuwt ons: ‘Les allemands ne supportent pas les vélos!’ - ‘Il y a des allemands en ville?’ - Oui, une ving-

[p. 170]

taine... ils ont repris la ville!’ voegt zij er met een schamper glimlachje bij.

Ik hou van de Doorniknaars, zij zijn lustig, spiritueel en vooral vriendelijk en gedienstig. Gister heerste hier een ongehoorde paniek, de sporen ervan ziet men nog overal: mensen keren terug met pakken en koffers en zij worden begroet door de geburen alsof ze van een speelreis1 thuis kwamen. Op straat ziet iedereen ernstig en vordert2 zonder opzien, haastig zijn weg; binnenshuis echter is 't anders gesteld. De waardin en de meisjes van ons hotel zijn volop geestigheden en plagernijen3 aan 't verkopen in haar klankrijk Waals. - ‘Je l'ai dit,’ zegt er ene, ‘pour le moment nous sommes sujets allemands; Tournai, depuis trois semaines, à été ville belge, ville française, ville allemande, ville française, ville allemande... C'est l'Angleterre qui nous manque encore!’

De mensen hier begrijpen er niets van de strategische geheimen, of hoe het komt dat de Franse troepen beurtelings door Duitse vervangen worden en waarom de stad aan de verdelging wordt blootgesteld; niemand echter stoort er zich om. Gister zelfs moet er, binst4 die verwarde vlucht, kostelijke leute5 verkocht geweest zijn, want alle gesprekken lopen er nog over en 't zijn al anekdoten wat men hoort. Moeten de ‘Alboches6’ hier eens de baas worden, ze zullen het Doornikse volk niet rollen7, maar wel... gerold worden!

Men zegt ons dat de Duitsers aan 't station zijn. Wij gaan die kant uit, dineren er in een gasthof, maar worden niets gewaar. Eerst als we, rond 3 uur, onze wandeling hervatten, vinden wij drie soldaten staan aan de ingang van 't station. Een eindje verder ontmoeten wij een officier, die heel alleen, zijn toertje doet per fiets. De burgers bezien hem en hij beziet de burgers. Over het marktplein rijdt er een andere per motor. Bij de mensen heerst de verwachting alsof er iets gebeuren ging; - iedereen haast zich weg, zodat we er alleen staan op de grote markt. Van achter de gor-

[p. 171]

dijntjes bespied men ons alsof we Duitsers waren. Terwijl wij daar nog staan, verschijnt een auto met vier officieren, daarna een tweede. Uit een zijstraat komen een bende ruiters af en als we die straat inslaan om te vertrekken, bevinden wij ons al medeens1 midden in de troepen - de straat is er zo vol van dat er aan doorgeraken niet te denken valt. 't Gelijkt een zwerm bestoven mulders2 die zoëven uit de grond gekomen zijn. Op de ruiterij volgt infanterie. Zij stappen zingend als in feeststoet en moeten zich haasten om de paarden te volgen die voor zijn en achteraan komen. Veldgeschut, mitrailleusen, motor-wagens, fourgons3, ambulancie - er komt geen einde aan en altijd nieuwe dagen er op als de mieren... Zij trekken door de stad in de richting van Rijsel. De burgers blijven op een afstand en niemand waagt zich nader. Hier en daar wordt een spotspreuk of iets misprijzends medegedeeld, onder geburen die elkaar vertrouwen. In ons hotel komen rijtuigen aan en char-à-bancs4 vol mensen die gevlucht zijn uit Péruwelz en Binche en die meenden hier met de trein verder te reizen. Ze staan echter verslagen te zien naar 't station dat gesloten is en door de Duitsers bewaakt.

Wij hebben ons wat lang opgehouden met die intocht en een van mijn drie makkers, die bang wordt, waarschuwt: dat het hoog tijd is en we moeilijk met onze fietsen zullen buiten stad geraken. Soldaten ontmoeten wij in al de straten en 't is waaghalzerij om met een rijwiel buiten te komen. We moeten dus een gunstig moment zien te kiezen en eens dat wij er schrijlings opzitten, komen we gauw buiten stad en 't gevaar hebben we bachten5 de hielen!

't Is een prachtige vooravond met ondergaande zon en de maan reeds aan de hemel. Nu eerst worden wij gewaar hoe gauw de duisternis zal invallen. De weg langs de Schelde is één feërie en we rijden door een mist die als een blauwe sluier uit de meersen6 opstijgt. Wij zijn alle vier om 't even lustig en welgemoed omdat we zo gemakkelijk uit

[p. 172]

de stad gerocht1 zijn; - 't geen ons nog te doen blijft is een feestrit en wij laten 't ons welgevallen. Voorbij Esquelmes gekomen, ontmoeten we de eerste mens op onze baan. - ‘Vous ne passerez pas par là!’ roept hij ons toe, - ‘il y a une centaine d'Allemands qui gardent le pont de Warcoing!’

Dààr! we staan er! en wat nu? De man vertelt ons dat men hem pas zijn fiets ontnomen heeft en dat hij te voet naar huis gaat! Wij vragen inlichtingen, hoe het zit langs de weg van Ronse? - ‘Par là c'est tout plein’, zegt hij. En langs Celles? Te Hérines liggen zevenhonderd soldaten. Op de grote baan van Kortrijk heeft men gevochten en patrouilles rijden voortdurend op en af! We zitten er dus midden in en nergens een uitkomst! Een vreemd gevoel dat men ondergaat als men de avond ziet vallen, vijf uren van huis te zijn en geen kans om er door te geraken! Om ons te overtuigen dat hij wel de waarheid spreekt en ons zoekt van dienst te zijn, toont de man ons zijn papieren en verklaart kantonnier2 te zijn - een staatsbeambte dus en voorzeker te vertrouwen! Er zijn van die mensen die argwaan verwekken door er te hard op te drukken dat ze de waarheid spreken. De man herhaalt maar gedurig: ‘je le dis pour votre bien: n'y allez pas! On vous chipera vos vélos!’

Wij geloven maar al te vast 't geen hij zegt, maar we moeten toch een besluit nemen, we kunnen hier niet blijven staan - 't wordt avond! Al ons plezier is ineens verdwenen. Iemand doet het voorstel terug naar Doornik te keren en daar te vernachten. Goed, maar zal het morgen beter zijn? en men verwacht ons thuis! - Als 't geen oorlogstijd was, zouden wij er niet naar zien een nacht uit te blijven, nu echter zou het opschudding en angst verwekken... Een andere stelt voor onze fietsen hier ergens op te bergen en de weg te voet af te leggen. Ja, maar dan komen we niet voor middernacht thuis en zijn verplicht morgen onze fiets te komen halen! De kantonnier raadt ons te rijden tot Dottignies - 't is de enige baan die vrij is. Maar te Dottignies zijn we nog 5 uren van huis af, dus niets gevorderd!

[p. 173]

Wij besluiten eindelijk aan 't veer de Schelde over te varen en te gaan zien op de grote baan. Elke voorbijganger wordt aangesproken en met de meeste bereidwilligheid worden ons inlichtingen verschaft; op onze beurt moeten wij nieuws geven over 't geen we te Doornik hebben gezien. In zulke omstandigheden voelt men zich aaneengesloten onder landgenoten, bereid elkaar te helpen omdat wij voor de zelfde moeilijkheden staan. Ik heb het mij met deze gelegenheid kunnen voorstellen: wat het zijn moet, ergens door te komen waar de bevolking vijandig is en men bij elke ontmoeting de kans oploopt verraden te worden!

De berichten luiden overal gelijk: 700 Duitsers te Hérinnes; 150 te Warcoing - dat is op de rechteroever van de Schelde. Wij echter bevinden ons nu op de linkeroever, langs de baan waar men aangevallen en gevochten heeft - en waar te morgen de Duitse auto werd opgewacht! - ‘Continuez tout doucement!’ wordt ons eindelijk aangeraden; - ‘on vous laissera peut-être passer?!’ Eindelijk vernemen wij dat er een 20-tal Ulanen links van de steenweg gekampeerd zijn op een hoeve, - dat we gerust onze weg kunnen voortzetten... Maar als we zeggen dat we langs Avelgem moeten, krijgen we 't ontmoedigend bericht: dat al de bruggen over de vaart te Spiere opengedraaid zijn en bewaakt door de Belgen - dat niemand erover mag! Kom, toch maar vooruit; misschien kunnen we nog 't hart van een burgerwacht of van een gendarm vermurwen! Wij rijden zonder spreken. Elk bij zichzelf overweegt de kansen en vooruitzichten: onze fiets ontnomen en gedwongen in een kamp met de Ulanen te moeten vernachten!... In een schermutseling te komen; 't veld oplopen en nagezet... misschien geschoten worden!... Thuis geraken! gelijk hoe, maar thuis geraken, dàt is de enige begeerte. 't Is prachtige maneschijn en zoel, windeloos weer - een echte lust om te rijden! Niemand echter die 't geradig1 vindt er iets van aan te merken; wij rijden... tout doucement, zo dicht mogelijk langs de bomenreeks om niet gezien te worden en we zwijgen uit vrees dat er ons iemand opwacht en horen zou. Wij speuren zo goed en zover vóór ons uit als 't de mane-

[p. 174]

schijn maar toelaat. 't Is en 't blijft over heel de omtrek doodstil. Ik waag het eindelijk luidop de bemerking te maken die de sceptieke gendarm ons te morgen toevoegde: quelle idée d'aller se ballader à Tournai, maintenant!

Het wekt een droog lachje bij de makkers, - nu echter zijn we alle vier overtuigd: dat we beter zouden thuis gebleven zijn... - ‘Of ten minste wat vroeger vertrokken uit Doornik!’ verwijt er een. ‘Ja, dan waren we zeker in de schermutseling!’ beweert een andere. Iedereen haalt nu zijn wijze raad uit... als 't te laat is, en eigenlijk vinden we niets anders om malkaar te troosten en moed in te spreken. 't Ergste toch zal maar zijn: dat we een nacht in 't stro zullen te slapen hebben - al 't andere wordt als gekke fantasie verbannen.

We rijden altijd maar stil vooruit, ontmoeten geen mensen meer aan wie we inlichtingen vragen kunnen; we wagen het ook niet onze lantaarns te ontsteken om te beter ongemerkt voorbij te geraken. Ik geloof niet dat we nog iemand zullen zien, - de Duitsers zijn waar ze zijn moeten en,... waar er Duitsers zijn mag men niet verwachten burgerwachten of gendarmen te vinden. We komen inderdaad aan de plaats waar te morgen al die drukte gemaakt werd om schietgaten te kappen en verschansingen op te werpen - de gaten in de muren en de verschansingen merken wij duidelijk, maar een levende ziel is niet te zien! Een ding staat me nu vreselijk tegen: 't zijn die bruggen over de vaart, die opengedraaid zijn! Die vaart trekt iets als een lijn in 't oneindige die ons van Vlaanderen afscheidt en erover springen gaat niet. Ik zoek naar alle mogelijke middelen om die hinderpaal te overkomen zodat ik er helegans het gevaar bij vergeet waaraan we hier blootgesteld zijn op de baan. Opeens zijn we alle vier van onze fiets af - we hebben hoefslagen gehoord! We waren afgesproken wat we in elk voorkomend geval te doen hadden, moesten ons dus niet meer beraden. Zonder een woord glijden we in de gracht, onze fiets tegen de oever langs de kant der baan en wij tegenaan de stam van een boom, zonder adem te halen. Een twaalftal Duitse ruiters rijden voorbij zonder iets te vermoeden. Wij houden ons stil, zolang tot ze buiten zicht en gehoor zijn en tot de bangste van ons vier durft uitkrui-

[p. 175]

pen! Nu 't goed is afgelopen, ben ik toch blij dat er ons ten minste iets is voorgevallen, - ik was niet bang, omdat ik niet aan gevaar geloofde, maar ik ben fel geschrokken omdat 't zo onverwachts en zo plots is opgekomen en nu voel ik een droogte in de keel, een dorst! - ik zou 10 franken geven voor een pint bier!

We voelen ons verlicht alsof we 't nu al ontkomen waren en rijden weer verder. Ik denk maar altijd aan die vaart! Want ik heb meer reden dan de anderen nog om thuis te komen heden avond! Ik mag er niets van gebaren1, maar, buiten vrees en angst die men thuis om mijn wegblijven zou uitstaan, is er nog iets anders! 't Is vandaag mijn verjaardag en er wacht ons bij de thuiskomst een gezellig familiefeestje! 't Ware dubbel jammer en al te dwaas moesten wij dat door onze schuld verbrod hebben! Dat plaatsje nu, ginder thuis aan tafel, in de gezelligheid van licht en vuur, omgeven door welgezinde gezichten en blijde kinderen, dat schijnt me iets ongenaakbaars en toch zo heel dicht bij - een enkele waterstreep en een opengedraaide brug moet ons beletten thuis te komen!

Een ongeduldig verlangen drijft me naar die brug om mij te overtuigen hoe het ermede staat. Ik rijd voorop om gauw bescheid te weten over mijn lot! Ja, het is zo, de brug staat opgehaald, loodrecht overeind tegen de lucht! We zien het van ver. Als er nu maar iemand - een enkele soldaat in de nabijheid is die zich over ons wil ontfermen! Wij horen stemmen. 't Zijn enige vrouwen aan de overkant en, op 't zwarte water staat een meisje in een kleine boot en roeit weg naar een vaartschip dat ginder vastgemeerd ligt aan de kant. Het meisje heeft een paar mensen overgebracht; zouden we kans hebben op die manier de andere oever te bereiken?! Er wordt geroepen en het meisje schijnt inderdaad te zullen inwilligen, maar nu komt de moeder uit de kajuit van het schip en verbiedt haar dochter nog iemand over te brengen! Wij houden aan, maar 't helpt niet. De moeder weet dat 't streng verboden is en wil geen moeilijkheden oplopen. De dochter echter schijnt om geen klein gerucht verlegen te zijn. Op de waarschuwing van de

[p. 176]

moeder die denkt dat ze misschien met Duitsers te doen heeft, roept ze geruststellend: ‘Je verrai bien leur binette, mère! Si ce sont des Alboches, je les jette à l'eau!’ Wij verklaren zuivere Belgen te zijn met papieren in regel die wij zullen laten zien! De lach van het meisje weerklinkt en haar bootje komt naar ons toe. Als ik zeg dat we gered zijn, is 't slechts bij manier van spreken, want ik heb nooit dichter mijn dood geweest en ik zou liever drie nachten bij de Ulanen doorbrengen dan nog zulk een overvaart te wagen! Bij de inscheping was het al iets vreselijks! De glibberige oever neerterden1 en zonder houvast, met de fiets in de hand, de eerste stap zetten, was al genoeg om het bootje te doen kantelen. Wat was het dan eer we alle vier in die notendop hadden plaats genomen, met het meisje, allen rechtstaand, wijdbeende geschoord2 om 't evenwicht te houden op een vaartuig dat overladen, bij elke beweging kantelen wilde en dreigde water te scheppen!! Ik heb maar altijd dat zwarte vlak bezien, gereed om alles los te laten en erin te springen, als 't nood deed. En wat die overvaart geduurd heeft! Ik meende dat die andere oever altijd maar achteruit schoof en wij hem nooit bereiken zouden. Ik kon enkel de kranigheid van de schippersdochter bewonderen die als een echte nixe3, onverstoord roeien bleef en al maar door rammelde4 alsof er geen gevaar bestond. Eindelijk gerochten wij er en de ontscheping gelukte goed - wij voelden vaderlandse bodem onder de voeten!

In de herberg, waar wij eindelijk onze angstdorst lessen konden, moesten wij onze papieren laten zien aan het meisje... qui ne s'en f... pas mal, de ces choses là! Wij zouden het lustige ding de hemel gereikt hebben en zij werd dan ook voor haar moeite wel beloond. Zij verklaarde aan haar moeder: nog nooit zulk vaargeld voor een overtocht gekregen te hebben. En nu vooruit! De Duitsers hadden wij achter de rug en vóór ons was de baan vrij, zonder hinderpalen! Nu ging het gelijk Faust en Mefisto door de Walpurgisnacht, in razende rit over Helkijn, Bossuit, Outrijve, Avelgem, Otegem, Ingooigem. Geen mens meer

[p. 177]

langs de baan, niets dan maneschijn. Na al die beroering, onzekerheid en angst, deed het dubbel deugd, gezellig aan tafel te zitten en nog nooit hebben wij alzo genoten van het familiefeestje!

4 oktober.

't Is hier kermiszondag op de gemeente - 't geen altijd met zekere plechtigheid gevierd wordt. Nu echter is er geen spraak van! Geen klokkengeluid, geen muziek op de plaats1, geen familiebezoek, niets. 't Blijft er zo stil als op een gewone zondag en de dorpelingen die niet weten hoe de tijd te doden, komen tot hier op de hoogte gewandeld om beter het kanongeschut te horen dat maar aanhoudt ginder in zuidelijke richting. In de namiddag rijden hier twee Belgische gidsen voorbij - een zeldzame verschijning.

5 oktober.

In de vroegte van de prachtige herfstmorgen, ben ik met de fiets uitgezet naar Kortrijk. Te Deerlijk reeds merk ik dat er iets hapert; de mensen staan buiten in groepjes te praten. Waar ik vraag of er iets gebeurd is? antwoordt men: dat er Duitsers opgang zijn! Als 't maar dát is! we moeten er ons niet in verontrusten: ze zijn reeds zolang op gang! Te Harelbeke word ik door een gardevil2 tegengehouden die me meldt: dat wielrijden formeel verboden is en niemand voorbij mag! Ik keer terug tot Deerlijk waar ik de tram neem om in Kortrijk te geraken. Hier ook is er zenuwachtigheid onder de bevolking en niet te verwonderen! De burgerwacht van Doornik - dezelfde mannen die we gister te Spiere hebben aan 't werk gezien! - zijn hier nu gelegerd en aan de stadspoort die zij bewaken, zijn er wagens dwars over de straat opgesteld - als om een aanval af te weren! Dat wekt de ontsteltenis in de stad, alhoewel niemand weet wat er te vrezen is of gebeuren zal. Men vertelt dat er massa's Duitse troepen te Menen liggen, die naar hier zullen afzakken. De stad wemelt van de vluchtelingen uit Mechelen en Lier. Ik bezoek de Hallen, waar er een duizendtal geherbergd zijn. Maar nu komt de onrust

[p. 178]

ook al bij die mensen en zij willen de een alhier, de andere aldaar! Sommige inwoners van Kortrijk vertrekken met pak en zak. Het volk drijft naar de Doornikse wijk om te zien wat er gebeuren zal en de burgerwacht heeft alle moeite om de stroom terug te dringen. Opeens ontstaat er geweldige opschudding. Men hoort schieten! Mensen lopen er heen, andere komen van daar weggevlucht. De schrik verspreidt zich, van eer men weet wat er gebeurd is! Eindelijk krijgen we 't nieuws:

Zeven Duitse ruiters zijn aangekomen van Doornik... de burgerwacht heeft geschoten, zonder iets te treffen tenzij een burger die zich toevallig in de nabijheid bevond. De zeven ruiters zijn ongedeerd vertrokken. Bij die aanval zijn er naar 't schijnt onmogelijke dingen gebeurd met de burgerwacht: velen zijn. weggevlucht en men vertelt bij-zonderlijk van één die een huis is binnengesprongen en zich in de gang heeft uitgekleed zodat de vrouw, toen ze beneden kwam, de kerel daar staan zag in zijn hemd, smekend om een broek en een vest!... Nu de burgerwacht hier ook een ontmoeting gehad heeft met Duitse soldaten, zal men ze weer ergens moeten heen sturen waar minder gevaar is!

De bladen waren tot hiertoe eenparig om de lof te verkondigen en de kranige houding van onze burgerwacht - het geleek een ambtelijk ordewoord! Niemand echter die weet of zeggen kan tot wat ze gediend heeft tenzij om dingen te bewaken waar geen vijand kon omtrent komen en nu dat de toestanden hun tussenkomst noodzakelijk maakt, doet men ze stand houden juist zolang tot er gevaar opdaagt - dan wordt hun bevolen... te vluchten om elders het spel opnieuw te herbeginnen. Er ware een boek te schrijven over de lotgevallen der Belgische Burgerwacht in de oorlogstijd! En nog schijnt hun rol niet geëindigd.

Juist op het punt om met de tram naar huis te keren, verneem ik van een hooggeplaatste vriend, in alle vertrouwelijkheid, het nieuws over de toestand: De Belgische soldaten hebben Antwerpen verlaten en werden vervangen door Canadezen. De buitenste fortenlijn zou reeds begeven zijn en Antwerpen op het punt te vallen, of reeds gevallen! Het Duitse leger zou 63.000 krijgsgevangenen gemaakt hebben op de Fransen en het front zou zich uitbreiden tot

[p. 179]

tegen de zee - er is namelijk kwestie van een raid die de Antwerpse vluchtelingen zou nazetten over Gent, Brugge, Oostende! Dat er Duitsers zijn te Ieper en door heel West-Vlaanderen!...

Ik zit erover na te denken op de tram en vind dat het ogenblik naakt om een besluit te nemen, in geval we voor onze veiligheid willen zorgen. Wij liggen nu immers vlak achter de slaglijn en wie verzekert ons dat wij er eerstdaags niet volop inzitten!? Met mezelf zou ik wel wegweten, maar 't gedacht om te moeten vrezen voor de kinderen, misschien te moeten vluchten, zet mij aan om voorzorgen te nemen. Ik denk aan het wonder toeval dat me op 't laatste ogenblik die vriend deed ontmoeten, anders kwam ik gerust naar huis zonder iets te weten, want de nieuwsbladen waren die dag van een serene kalmte die geen kwade gebeurtenissen liet vermoeden. Die avond dus werd er staatsraad gehouden in de huiskamer en besloten dat vrouw en kinderen morgen, terwijl er nog treinen konden lopen, naar Brugge zouden vertrekken, waar ze verwacht werden bij mijn broer en zuster. Vandaar konden zij, als 't nodig bleek, altijd gemakkelijk Holland bereiken of Engeland. Op de stond werden de toebereidselen gemaakt en voor pasport gezorgd. Het best zal zijn over Gent naar Brugge te rijden, want heden reeds reden de treinen op de Brugse baan niet verder dan Roeselare of Lichtervelde. De kwestie is: nergens onder weg te blijven haperen en ter bestemming te komen zonder grote moeilijkheden. Al deze schikkingen werden besproken met de meeste kalmte, zonder aandoening - 't is alsof er eenvoudig kwestie ware van een familiebezoek dat een acht of tien dagen zal duren - niet meer dan een voorzorgsmaatregel!.

Terwijl ik de toestand te overwegen zit in mijn eentje, valt het mij nu eens te meer op hoe verbazend knap die mededelingen van de militaire overheid zijn samengesteld. Elk woord moet men wegen om er de ware zin uit te halen; er zijn nuances van grote betekenis en waar de argeloze lezer overheen loopt zonder kwaad te vermoeden of er de zin van te snappen! En de hele pers doet er aan mede - het gelijkt een wedijver om door dubbelzinnigheid de ware toestand te verduiken, te bewimpelen en de lezer te ver-

[p. 180]

schalken. ‘Les fort tiennent toujours!’ luidt het bondig en opgewekt; wie zou daar graten in vinden en denken dat het moet zijn: tous les forts tiennent!? Er was lange tijd kwestie dat de linker vleugel van het Duitse leger zou omsingeld worden; 't geen een doorslaande nederlaag aan het leger zou meebrengen.

De bladen spreken, eerst van: nog enige dagen geduld, nu is het: nog enige uren! Generaal Joffre belooft het ons op hoge toon: - ‘La victoire, nous n'avons plus qu'a la prendre!’ Nu echter spreekt men noch van omsingeling noch van zegepraal; integendeel; de bladen melden op de onschuldigste toon: dat de linkervleugel zich al meer uitbreidt ten westen, tot tegen de zee! 't Geen heel iets anders is dan een omsingeling! Aan Antwerpen zou 't Duitse leger nooit durven roeren! Al de bladen waren het erover eens. Er zouden immers 300.000 man nodig zijn om de stad te bezetten en daar zouden zij weten met wie zij te doen hadden! Antwerpen was de sterkste plaats der wereld, met heel modern ingerichte forten, enz.! Nu staat er als een tussenzinnetje zonder betekenis: dat men de gekwetsten uit Antwerpen verwijderd heeft en dat onze soldaten, die wat rust behoefden, door frisse krachten vervangen werden. Voor een oningewijde is zulk bericht zonder betekenis, als men het echter nader bekijkt, kan men er echter in vinden 't geen mijn vriend mij vertrouwelijk komt mede te delen! Een maatregel dus om te beletten dat onze soldaten zouden krijgsgevangen worden, een aftocht voor de overgave der stad!

't Geen we horen schieten in de laatste dagen ten zuidwesten zijn de Duitse kanonnen die vóór Rijsel liggen! In 't korte1 mogen wij ons hier op de streek aan gebeurtenissen verwachten.

6 oktober.

Het verwekt een hele beroering op de gemeente als men ons ziet uitzetten en ik mijn vrouw en kinderen naar Vichte breng van waar zij vertrekken zullen. De mensen geloven aan een onmiddellijk gevaar - iets dat ik alleen weet en niet

[p. 181]

zeggen mag! - Zij staan in beraad over 't geen ze zullen aanvangen en zij aanzien het als 't begin van een algemene uittocht. Ik moet iedereen geruststellen met te zeggen dat ik zelf terug keer en vrouw en kinderen enkel naar Brugge gaan. Te Vichte ook wordt er schikking genomen in enige familiën om te vertrekken. Er is iets dreigends in de lucht en de mensen vermoeden het ergste! Het afscheid aan de trein geschiedt zonder plechtigheid of ontroering, alsof het een gewoon uitstapje geldt en enige dagen afwezigheid. De kinderen hielpen er veel toe om er de stemming in te houden. Zij zijn maar blij dat ze reizen mogen, storen zich verder om niets. Zij zijn de echte filosofen die nemen van 't leven wat het geven kan. Zij verlaten alles wat hun duur-baar is - hun speelgoeds, de hond en de kat, zonder een zucht of treurnis, in de overtuiging dat zij overal hun gerief1 zullen vinden. En 't vertrouwen dat ze stellen in hun ouders, die 't wel ten beste zullen schikken, is vooral bewonderenswaardig!

Aan die ouderdom2 geeft men zich over aan de wil der grote mensen, zonder de minste achterdocht, en als we de kinderen 't gevaar instuurden zouden zij er met dezelfde opgewektheid heengaan! Zij tenminste maken geen beschouwingen over bijzaken of bijhorigheden3. Als wij, grote mensen, heengaan, zitten we met ons hoofd vol kommernissen: of de huisdieren niet van honger zullen omkomen? of boeken, schilderijen en duizend andere dingen in goede bewaarnis en veilig geborgen zijn. Wij ondergaan de onrust om alles wat blootstaat om door vreemde handen verwoest te worden en 't gedacht om bij de terugkomst, niets meer van dat alles terug te vinden, lijkt ons een onherstelbare ramp. Op zulke ogenblikken worden we gewaar dat we van veel dingen houden als van ons zelf en we voelen dat ons leven zich niet beperkt bij onze persoon alleen, maar zich uitstrekt tot de heel onmiddellijke omgeving. Als ik me voorstel mijn bestaan te moeten voortzetten zonder iets van 't geen me nu omringt - om opnieuw alles te moeten herinrichten, schijnt het me de moeite niet meer

[p. 182]

waard en de moed zou me ontbreken. Wij zitten vastgegroeid in 't geen we gewend zijn rond ons te zien en die gekende omgeving maakt deel uit van onze rust en ons geluk. Ik zal dus maar ter plaats blijven om te bewaken en te bewaren 't geen mijn rust en geluk uitmaakt, want ik begrijp de mensen niet die zich wennen en gelukkig zijn gelijk in welke omgeving, voor wie hun eigen persoon het middenpunt uitmaakt van het heelal!...

Zij zijn dus vertrokken en in veiligheid en ik blijf hier alleen. Mijn enige bekommernis nu is dat zij zonder moeilijkheden, te Brugge aankomen. Bij mijn terugkomst op 't dorp schijnt er iets veranderd, - thuis echter ondervind ik het nog meer - er is iets weg en ik voel me vereenzaamd! Ik moet me er aan wennen geen kinderstemmen meer te horen en niemand te hebben met wie men spreken kan. De huiselijkheid is hier voortaan weg en ik houd me in mijn eigen kamer waar ik gewend was alleen te zijn, - zo word ik de vereenzaming minder gewaar. De stilte is niet alleen in huis, maar plots over de hele streek gekomen - 't is alsof een felle wind ineens gevallen was om nooit meer op te staan.

Diezelfde namiddag rijden treinen noch tram, - geen postbode meer! Wij zijn opnieuw afgezonderd van de wereld, als op een eiland! Het blijkt dat vrouw en kinderen van de allerlaatste gelegenheid hebben gebruik kunnen maken om te vertrekken! Duitse troepen worden overal aangekondigd, het kanon bromt in 't oosten. Wat er nu ook gebeure, 't kan me weinig schelen - ik heb voor niemand zorg meer te dragen tenzij voor mezelf en dat stelt me gerust en tevreden.

7 oktober.

Een pracht van een dag. Zonnig herfstweer, windstil als in een sprookje - gestoord echter door hevig kanongebulder - zwaar doffe slagen waarmede Antwerpen bebeukt wordt. In de namiddag ronken er vliegtuigen door de lucht. Duitse troepen liggen te Avelgem, te Vichte, te Anzegem, overal rond, uitgenomen hier! Men doet de rails springen aan de ijzerweg, men snijdt de telegraafdraden door. Waregem wordt beschoten en een fabriek geraakt er in brand. Ik voel me mijn eigen baas; 's avonds echter krijg

[p. 183]

ik de weemoed en heb lust om te huilen - ik weet niet waarom.

8 oktober.

Het formidabelste kanongebulder barst los gelijk we 't nog niet gehoord hebben, - 't is alsof heel de wereld ging instorten. Ten oosten, rond Antwerpen, ten zuiden, boven Doornik en ten westen rond Rijsel, al om ter hevigst, - we zitten in een kring van vuur!

Dat geweld van aanhoudend zware slagen, de dag door verwekt een prangend gevoel dat de keel toehoudt, in de verwachting dat men welhaast de zwarte rook zal zien opstijgen en dat de slagen hier zullen neerregenen in een storm van schroot en vuur! Wij zijn zonder nieuwsbladen en weten niet wat er gebeurt, tenzij van horen zeggen. Heel 't noorden der provincie zit vol Engelsen tot langs de zeekust en de rechtervleugel der Duitsers waarvan wij zolang reeds gehoord hebben als van iets dat heel veraf gelegen was, diep in Frankrijk, rolt maar altijd achteruit zodat het dreigt heel in 't kort hier als een trombe1, ons te overvallen! Het oorlogsmonster vaart vooruit en zal ons met zijn duizend poten omgrijpen.

Tegen de avond houdt alles op - 't is een verademing en de prachtige maannacht, zo helder en stil, doet aan als een wonder. Waar ik hier, vóór mijn venster over de streek heenzie, vraag ik me af: of de oorlog, kanonnen en soldaten, wel dingen zijn die bestaan en nu in werking zijn? - of er ginder nu waarlijk zulk een slachting gebeurde en zoveel lijken liggen, in een streek vol verwoesting? - of dat ding met zijn verschrikking nu naar hier komt afgerold en alles zal beweldigen als onder een onbedaarlijke vloed? 't Lijkt de nare droom van een romanticus - heel veraf en vergeten - iets waarmede de maan en heel de ontzaggelijke sterrenhemel niets te maken hebben: 't is integendeel iets als een avond in de mei, geschikt om aan1 niets tenzij aan tedere en lieflijke dingen te dromen.

9 oktober.

De kanonslagen zijn niet meer zo hevig; - in 't oosten is 't geheel opgehouden. We blijven echter zonder nieuws

[p. 184]

over 't geen gebeurd is. Vliegtuigen varen op verkenning uit. In de namiddag krijg ik bezoek van kennissen die mij om inlichtingen vragen over verblijf in Holland.

Er wordt over en weer verteld 't geen gister voorviel waar de Duitse troepen aangekomen zijn. In de kerk te Anzegem hebben zij vernacht en hun paarden gebonden aan de pilaren en aan de communiebank. Molenaars zijn aangehouden; boeren zijn moeten mede optrekken met peerden en wagens.

10 oktober.

Het kanon heeft helemaal opgehouden. Wij vernemen geen slag meer. Daar we echter zonder enig nieuws zijn over 't geen gebeurd is, verwekt de stilte zelf een nieuwe onrust, zij hangt als een raadsel vol kwade beschikselen2 boven ons hoofd. Werkmensen die naar Frankrijk trokken en terugkeren omdat zij er niet door gerochten3, vertellen van een grote nederlaag der Duitsers. De troepen die hier voorbijgingen zouden reeds gesneuveld zijn en het zit overal vol Engelsen, Fransen en Belgen!... niets bepaalds en veel fantasie!

Tegen de middag rijden hier zeven Duitsers voorbij! Het weer is bewolkt, regenkoud en de eerste kraaien wieken door de lucht; met hun schravende4 kreet kondigen ze de winter aan. Ik loop alleen te wandelen langs de verlaten steenweg, tussen de twee lange rijen, welbekende boomstammen waar nooit iets tenzij vertrouwde dingen te zien waren. Nu echter staat die weg open voor alle soort verrassingen en vreemde verschijnselen. Dat wekt een eigenaardig gevoel; 't is alsof men vervreemd ware van de eigen omgeving, - waar men voortijds heer en meester was in eigen domein. Ik onderga de indruk als een Robinson die, alleen met zijn trouwe hond, een onbekend eiland uitvorsend ben, met de verwachting alle stappen wilden te zien opdagen. Ik fantaseer me de schokkendste gebeurtenissen en avonturen en met een beetje goede wil krijgt men de illusie der werkelijkheid, want, in deze tijdsomstandigheden is

[p. 185]

er maar een stap tussen het gewone en het hoogst avontuurlijke! Zie, daar komt zo waarlijk een Duitse krijger aanrijden. Hij ziet er gejaagd en onrustig uit en kijkt gedurig achter zich alsof hij vreesde vervolgd te zijn. Hij vormt een enkel grijze vlek en draaft vooruit, dicht langs de bomenrij. Wat zal het zijn? Hij is alleen en toch ga ik een beetje uit de weg, want wie weet waartoe een opgewonden germaan in staat is, en die lans is zulk een verraderlijk wapen. Hij doet teken dat ik staan zou. - ‘Bitte, keine Franzosen gesehn?’ - ‘Nein’. - ‘Den Weg nach Zwevegem?’ Ik wijs hem de richting en nu vertelt hij me: dat zijn patrouille aangevallen werd en hij alleen ontsnapt is. Nu moet hij trachten zijn volk te vervoegen. Hij is een flinke, jonge ruiter maar ziet er ontsteld en angstig uit. Ik kan mij ten andere inbeelden hoe men het maken moet, hoog op een peerd gezeten, in uniform en door een vijandelijk land te rijden waar, bachten elke boom, uit elke, gracht een schot kan opgaan dat u neervelt! 't Is altijd indrukwekkend een man te zien in 't bewustzijn van een onmiddellijk doodsgevaar en al doet een vreemde krijger altijd denken aan een heiligschennis, toch kan ik zo iemand geen kwaad toewensen. Ik staar hem lange tijd na, de ruiter die naar zijn dood rijdt en ik wens dat hij behouden zijn makkers mocht terugvinden.

's Avonds zit ik weer eenzaam als een ijsbeer, maar gezellig de voeten op de kachel, te lezen onder de lamp, als de hond buiten opeens heftig begint te blaffen. Zijn ze daar de Duitsers? Ik ga maar kalm de deur openen al ware 't de dood! Integendeel, er wacht me daar een aangename verrassing! Op dat ongewone uur is 't de briefdrager met brieven uit Antwerpen, uit Brugge en drie dagbladen! Een schat! Het lang verwachte bericht dat vrouw en kinderen goed aangekomen zijn is er nog niet bij en toch wekt het een blijde gevoel maar iets te ontvangen dat u nog in betrek1 met de wereld stelt. Er is ook een aflevering bij van Elseviers geillustreerd maandschrift - dat, gelijk alles wat nu uit Holland komt, door de militaire overheid onderzocht wordt. De aflevering draagt er inderdaad de sporen van!

[p. 186]

Militaire censuur heb ik me altijd voorgesteld onder de persoon van een grijsgeknevelde generaal die streng toezicht houdt en met een kort gebaar, doorlaat of wegwerpt. Nu echter ga ik denken dat kleinzielige snotjongens, die er plezier in vinden voorwerpen te beschadigen, met dat toezicht belast zijn! Verbeeld u, die aflevering is ordentelijk ingepakt, het omslag echter is achter en voor kruisgewijs doorsneden. Om welke reden kan ik maar niet gissen! Bij nader onderzoek merk ik dat op de schutbladen advertenties voorkomen van Duitse hotels. Zou zo iets in deze tijden misschien verdacht worden? Erger, op blz. 273 komt een plaat voor die de afbeelding geeft van ‘Hortus Botanicus in het Haarlemse prinsenhof’; op het voorplan staat iets als een obelisk of naaldsteen, wel, dat ding is er met een mes zorgvuldig uit weggeknipt! Ik sta er op te gapen - het ding is van geen belang, maar... het ontstemt me!

11 oktober.

Prachtige herfstmorgen met een gloriezon over het landschap die doet denken aan de symfonie Pastorale van Beethoven. Nergens kan men bespeuren dat er rampen dreigen over een streek die verlicht is als een paradijs.

In de kerk heeft de eerste plechtigheid plaats voor de gesneuvelde soldaten der gemeente. De onderpastor doet een gelegenheidssermoen over de helden die gevallen zijn voor het vaderland.

Onder de toehoorders zitten bloedverwanten, moeders en zusters der gesneuvelden; zij snikken en veel anderen wenen ook. Terwijl zitten de koster en de zangers op 't oksaal te lachen en schijnen met heel andere dingen bezig. Mij doet het de indruk alsof heel dat vertoon enkel uit woorden bestaat en heldenmoed en vaderlandsliefde uitvindsels zijn om van de mensen iets gedaan te krijgen dat ze uit hun eigen natuur niet zouden doen. Die dingen op zichzelf zijn heerlijk, maar niet heerlijk genoeg om er 't leven voor te laten, want het is in onze tijden niet meer mogelijk dat vaderlandsliefde zich nog bij iemand zou voordoen in zijn zuivere idealistische vorm en de redenen waarom men iemand naar het slagveld zendt zijn het nog veel minder! Het doet mij de indruk dat al dezen die gevallen zijn,

[p. 187]

gefopt werden... que les absents ont tort! - En hoe stelt men ons dat sneuvelen weer voor alsof al wie gestorven is het woord ‘Dieu et Patrie’ op de lippen had, gelijk in de roemrijke tijden, toen men nog vocht en elke persoon nog bezield was met die edelmoedige gevoelens! Ik kan me wel de mentaliteit voorstellen van veel soldaten op het slagveld en ben overtuigd dat het alles behalve verheven gevoelens zijn die zij ondervinden op dat uiterste ogenblik.- Gelijk in veel gevallen, gebruikt men hier ook mooie namen om gruwelijke dingen te bedekken. Vooreerst is dat optrekken der moderne helden geen spontane uiting meer van geestdrift - zij trekken op omdat zij gedwongen worden door de omstandigheden - daarom heten zij ook ‘soldaten’! Geestdrift komt er wel bij en vervoering ook, want dat zijn massagevoelens die zich gemakkelijk ontwikkelen als men in talrijke scharen voor 't zelfde doel optrekt. De vrees, de angst voor dood of lijden komen van dieper en uit 't binnenste van 't gemoed; die heel menselijke gevoelens echter moet men onderdrukken en gescholen houden, omdat zij bekend staan in het vak als ondeugden en men de verachting en het misprijzen zou oplopen. Want in 't leger, gelijk in elke afdeling der samenleving, kweekt men bijzonderlijk de deugden aan die 't vak voordelig zijn en weert men af 't geen er kwalijk1 te pas komt. Aan een burger wordt heel zelden de deugd van moed en heldhaftigheid voorgehouden, omdat die twee dingen soms heel veel herrie teweeg brengen in de burgerij, men preekt er veeleer de onderdanigheid aan en de ordelijke spaarzaamheid,, omdat die dingen er beter te pas komen. Met 't geen de soldaat alzo heeft aangeleerd als horend tot zijn vak, schiet hij dikwijls nog te kort, omdat hier 't allerkostelijkste op 't spel staat wat hij bezit, - het leven! en, omdat geen enkele aangeleerde deugd in staat is de krachtige natuurdrang voor 't zelfbehoud tegen te werken, worden dan ook andere middelen gebruikt dan theoretische, om hem te verplichten zijn werk goed te doen. Er is vooreerst het eergevoel met de schande als tegenwicht. De soldaat staat in de rangen - de dood ziet hij voor zich, maar achter zich is 't een onuit-

[p. 188]

koombare verwikkeling van oneer en zware straf. 't Ogenblik is ten andere niet gunstig om te dralen of een keus te doen. Men moet vooruit, men is meegesleurd met de stroom, men doet gelijk de anderen - men denkt aan dezen die zich vrijwillig hebben geofferd om hier te komen strijden! - de roes stijgt op, de vrees is veranderd in een blinde razernij en door de wanhoop heen, bekomt men lijnrecht de doodsverachting.

En er blijft dan nog altijd: de kans om er heelhuids vanaf te komen - ik geloof wel dat elke soldaat op die kans al te fel rekent! - en men heeft het wilde genot te mogen doden alwie u naar 't leven staat - dat verwekt vooral de haat tegen de vijand en 't genot die haat te koelen door 't vechten, moet een buitengewone vergoeding zijn voor 't geen men er zelf bij waagt. Maar als de soldaat nu getroffen is en zieltogend achterblijft, zou hij dan in die uiterste aanraking met de dood, het vaderland soms niet vervloeken en 't geweld dat hem hierheen sleurde om te worden gedood? Ik denk dat weinig soldaten in een moderne oorlog, bij 't sterven nog aan de vijand denken of aan heldenmoed of aan gelijk wat! Zulke gevoelens in de uiterste stond, kunnen zich slechts voordoen als de stervende overbewust is: dat de reden waarom hij sneuvelt hem duurbaarder schijnt dan het leven en dat zijn dood iets bij zal brengen tot het heilige doel - de overwinning! Vaderland en oorlog zijn nu te zeer anonieme dingen geworden, waarin de eenling zich verdoold voelt zonder dat hij nog de zin en de betekenis begrijpt, dat hij er met zijn leven voor betalen moet! Ik kan 't van mij niet verdrijven, maar 't wekt de weemoed, als ik de burgers, na die gelegensheidspreek zie voorbijgaan; -het staat op hun wezen dat zij die herinneringsplechtigheid hebben bijgewoond als een plicht waaraan men niet te kort mag komen; ze menen het goed en verpraten er nog wat woorden aan om de moedige jongens die gestorven zijn te beklagen; - maar 'k speur, 't gevoel van voldane welgezindheid, omdat zij zelf nog leven! en terwijl ze weer naar huis keren om te gaan eten, denken ze met gedoken poenigheid1: Dezen die dood zijn, worden vergeten en wij zijn er

[p. 189]

toch beter aan toe! Gezondmenselijke gevoelens mag men wel afkeuren, maar beletten dat ze ontstaan, dat kan niemand.

De moeder die roodbekreten1 naar huis keert, denkt maar aan haar zoon en hoe hij gestorven is, zonder dat zij hem nog ooit zal terugzien! Hij is haar ontstolen zonder dat zij een reden vinden kan waarom 't juist hij moest zijn die 't lot zou ondergaan. Van enige fierheid omdat haar telg voor 't vaderland gevallen is als een held, kan ik maar niets merken op 't gelaat der arme vrouw. Haar toestand eist ten andere dat zij bekommerd is om 't geen haar maandelijks zal uitbetaald worden, nu zij haar kostwinnaar verloren heeft!

Met de middag is de schone doch bedriegelijke rust weer gedaan. Er drijft een tweedekker door de lucht en aanstonds herneemt met nieuw geweld de dondering van het kanon - over heel de lijn van zuid naar west! Terwijl ik in mijn eenzaamheid te mijmeren zit, gaan er plots een aantal ontzettende slagen heel in de nabijheid. Het galmt door de vallei als reusachtige zweepknallen en waar ik opkijk is de lucht vol zwarte rook en stukken steen of ijzer! Kanonslagen in de verte, daar wordt men gewend aan, maar zo opeens dichtbij, geeft het een ontzettend angstgevoel dat door heel het zenuwstel schokt. De eerste gewaarwording is: 't gevaar uit de verte heeft zich verplaatst nu zal men haastig moeten vluchten en schuiling zoeken voor de ramp van 't overweldigend vuur. 't Angstigste nog is de stilte die volgt na de ontzetting van het verschot2 - de onzekerheid, als men niet weet wat er gebeurd is of staat te gebeuren! Er was geen mens te zien over de hele streek en ik vergeet nooit de indruk van die kalme, serene zondagnamiddag met die felle slagen die ineens als uit de grond zijn losgebarsten en dan weer de stilte, zodat men twijfelen gaat of er wel iets gebeurd is! Een paar uur later verneem ik dat Belgische soldaten te Avelgem een brug hebben doen springen over de Schelde. Dat nieuws stelt ons ineens gerust, maar niettemin blijft de angst en iets als een dreiging in de lucht door 't geen wij ons ingebeeld hebben. De

[p. 190]

mensen bezien elkaar alsof ze vragen wilden: 't geen we vrezen zal ons toch vroeg of laat overvallen?

De zondagavond is gruwelijk verdrietig hier zo alleen, als men gewend is en gesteld is op de huiselijke gezelligheid. Een ogenblik overvalt me de nood om op 't dorp wat verstrooiing te zoeken en in 't horen praten van mensen, mezelf te vergeten, maar op voorhand weet ik dat verstrooiing van die aard ellendiger is en vervelender dan de gruwzaamste verlatenheid. Dan maar liever: Locked the door upon myself en 't heil en troost gaan zoeken in 't land der dromen. Als 't maar altijd door nacht was, en we slapen konden, zolang, tot de dingen in hun normale loop zijn teruggekeerd!

12 oktober.

Vroeg op en naar Kortrijk, alleen maar om uit de eenzaamheid weg te zijn en nieuws te vernemen. Veel volk en beweging in stad. Werkmensen zonder bezigheid die rondkuieren over de markt en staan te praten. Ontelbare vluchtelingen die ook niets doen kunnen tenzij wandelen. Nieuws is er eigenlijk weinig - een enkel centenblad uit Gent is er verschenen, waar niets uit te rapen valt. Hier ook is de postverbinding verlamd. Ik beproef het een telegram te sturen naar Brugge maar het gaat niet -: de dienst is voorbehouden aan de militaire overheid! Vier, vijf lanciers zie ik opleiden en wegbrengen, waarvan één die schrikkelijk bedronken is en struikelt! Men zegt dat ze 't leger ontvlucht zijn en zullen gestraft worden, hoe, weet men niet. Het zijn prachtig, grote kerels, zij zien er kommerloos uit en onverschillig. Wat moet men met hen uitrichten? De twee geleiders zijn lanciers van 't zelfde regiment, zij houden bij 't politiebureau de wacht, terwijl hun misdadige makkers binnen zijn. De één is een jongen van nauwelijks achttien jaar - een vrijwilliger, blozende knaap, lang en slank maar sterk, los in de kleding. Een driehonderd mensen staan errond getroept en ik kan merken hoeveel meisjesogen begerig en bewonderend de jonge lanciers aanstaren.

Ik ga mijn vrienden uit Kortrijk opzoeken, maar verschillende hebben reeds de stad verlaten - o.a. ook mijn

[p. 191]

schilder Viérin! De vriendenkring wordt alzo met de dag enger en men vindt niemand meer waarmede men zijn gewaarwordingen en gevoelens kan mededelen en de toestand bespreken. De enige die met mij was blijven briefwisselen - een vriend uit Antwerpen - kan me nu ook niet meer bereiken. Het wordt een woestenij onder de mensen! Er blijft bijna niets meer over. Van de naaste familieleden zijn er die van 't begin reeds geen teken van leven meer gaven en niet eens vragen: leeft ge nog? Iedereen schuilt in zijn eigen schelp en is alleen om zijn eigen vel bekommerd en men zou achterna gaan denken dat er bij de mensen niets anders meer overblijft dan het heel elementaire gevoel voor zelfbehoud, gelijk men het kende in de ijstijd bij: l'homme des cavernes!

13 oktober.

Grijs, bewolkt, koude regen, vliegtuigen, kanongeschut, eenzaamheid, geen mens langs de baan, geen nieuws hoegenaamd, ook niet van mijn huisgenoten! Ik weet niet of ze in Brugge zijn, in Holland, of in Engeland! Als ze maar thuis waren! Nu kan ik niets anders doen tenzij blekken1 op het weer en pijpen roken, zonder einde! Ik wist niet dat een oorlog zulke verveling kon meebrengen. Om mij wat te verstrooien ga ik mijn oude agenda's te rade en zoek er na 't geen in die zelfde oktobermaanden van de verleden jaren al is voorgevallen. Gelukkige tijd toen wij onbewust van de vrede genoten en niet wisten dat een oorlog kon bestaan! en onze gedachten enkel in de richting van 't open, brede leven opschoten! Wie weet, komt voor ons wel ooit die schone tijd terug?

Ik wil aan de nood voldoen om uit de eenzaamheid weg te komen, mensen te zien en te spreken. Door 't vuile herfstweer, wandel ik naar Tiegem. Daar ook echter wacht mij een desillusie en 't is 't geval2 te zeggen met Thomas à Kempis: Telkens ik bij de mensen ben geweest, ben ik minder mens teruggekeerd! Alles slecht nieuws wat men verneemt over de toestand, vergezeld van klachten en treurnis. Men ziet er niet klaar in en men kan niet raden wat het worden moet! Zijn die Duitsers dan almachtig en onover-

[p. 192]

winbaar dat ze tegen drie, vier landen oprukken en niemand ze tegenhouden kan? Er is geen front of slaglijn meer, - de Duitsers rukken op langs alle kanten. Antwerpen is gevallen en hun formidabele raid, waarvan sprake was, is reeds uitgevoerd. Onze soldaten integendeel zijn ontmoedigd - het was een lamentabele aftocht van Antwerpen tot Duinkerke! een vlucht! Vroeger reeds werd er gefluisterd dat onze officieren niet deugden; nu wordt het luidop gezegd en de brieven van veel soldaten getuigen dat het er heel slecht mede staat - de troepen zijn erdoor gedemoraliseerd! ‘Onze oversten zijn goed om champagne te drinken’, schrijft een soldaat, - ‘ze delen hun bevelen uit van ver, of per auto, en zogauw we in 't vuur komen, zijn ze vertrokken en wij aan onszelf overgelaten. Als we 't niet meer houden kunnen en terugkeren, worden we onthaald met een scheldwoord en een vloek: tas de lâches! roept men dan!’ Een andere schrijft: dat de fout is omdat onze officieren niet voortkomen uit de kaders - 't zijn heren-kinders die nooit aan oorlog hebben gedacht en vol theorie zitten maar verder niets aanhebben tenzij hun gouden epauletten en veel misprijzen voor de eenvoudige piot1! Ze hebben nooit anders gedaan dan sport met peerden- en vrouwenliefhebberij! - De toon waarop de jongens schrijven is bitter en de ontgoocheling straalt door hun woorden. Ik kan 't me genoeg voorstellen wat ze gevoelen en met welke vreselijke ironie ze hun idealen zien verdwijnen. Neem nu maar een gewone boerenjongen die men van zijn werk roept, die alles moet laten staan om te gaan vechten voor iets waarvan hij de reden of de oorzaak niet raden kan. Men stopt hem vol met grote woorden over: heldenmoed en vaderlandsliefde; hij gaat erin op en geraakt in begeestering totdat hij, in volle strijd, de ondervinding opdoet dat de overheid, in wie hij de incarnatie meende te zullen zien der militaire deugden, aan haar plicht tekort komt en schuilen gaat voor 't gevaar! Zulk een jongen gevoelt op de stond dat hij gefopt werd en daar het hier staat op leven of dood, laat hij de moed vallen, wordt ongewillig of wanhopig en betracht niets anders dan ermede gedaan te maken! Wanneer zullen

[p. 193]

we er eens toe komen een sterk verbond te krijgen van mannen die weigeren te doden, zonder dat 't hun als een lafheid wordt aangerekend?! Dan misschien zullen de mogendheden naar andere middelen uitzien om hun geschillen te vereffenen, en de algemene moorderij vermeden worden! Nu en dan voelt een land wel eens de noodwendigheid om de grondwet te herzien, tijd en omstandigheden brengen dat mede, - zou 't niet goed zijn, ook eens, over de hele mensheid de betekenis te herzien en de innerlijke waarde van sommige burgerlijke deugden?

Er zijn woorden waarvan de betekenis door de tijd verandert en verwisselt; zo ook is het gesteld met gevoelens en zedelijke hoedanigheden. Enkele blijven hun innerlijke waarde behouden door de eeuwen heen, waarvan de naam en de zaak overeenkomen; andere echter blijven niets dan hun naam behouden als de innerlijke waarde sedert lang is weggevallen. Alzo sleuren wij dingen mede in onze beschaving die niets zijn dan overblijfselen uit de barbaarsheid, - niets zijn dan nutteloze ballast en idiote anachronismen! Neem nu maar een feit dat enig is in zijn verschijning: een mijnheer die paradeert met goudborduursel aan de klederen, die een mes draagt langs zijn been en die, al naar gelang hij gouden sterretjes heeft op de mouw, zijn morgue1 een graad hoger opblaast en daarom al de burgers die geen goudborduursel op de kleren dragen, voor hem doet uit de weg gaan! 't Is maar omdat we 't zo gewend zijn, dat niemand het belachelijk vindt of barbaars en toch doen de opperhoofden der roodhuiden en der Sioux net het zelfde. De oorlog is misschien een noodzakelijk kwaad, maar dat er in onze tijden en met onze beschaving, mensen in het vak opgeleid worden en er hun eer in stellen, dat is uit de barbarentijd, bij ons overgebleven.

Sommige dingen zijn maar goed als men ze van zeer hoog beschouwt of als men er alleen de literatuur van kent. Veel burgers onderander, laten er zich nog door medeslepen; zij jubelen bij elke victorie die wordt aangekondigd en juichen de heldenmoed toe waarmede er gestreden wordt; maar zich een gedacht vormen van de verschrik-

[p. 194]

king en de ijselijkheid of wat het te zeggen is als men in een blad leest: er zijn 10.000 gesneuvelden, of de strijdlijn heeft zich 15 kilometer verplaats, daar hebben zij geen flauw begrip van en ze denken er niet eens aan - het blijft literatuur voor hen en aan 't blad dat ze in hun hand houden of aan 't berichtje dat hun 't goede nieuws verkondigt, kleeft er gelukkiglijk geen bloed, anders zouden ze omver vallen want zij erbarmen zich en weeklagen soms over 't lot van een muisje dat in de val is gelopen of over een duifje dat men slachten wil! Er blijft een aureool, een schitterschijn om veel dingen die in hun aard niets anders zijn dan gruwelen - en zoiets is de oorlog. Hij wordt opgesmukt met de blinkendste oripeaus1 - en 't geen anders in 't gewone leven laak- en strafbaar was, wordt hier als de hoogste menselijke deugd aangerekend. Als het ding maar op een behoorlijke afstand gebeurt, gaat het nog al om er de roes van op te snuiven.

Men volgt de handelingen van ver, stelt er belang in als bij 't beslechten van een wedstrijd. Veilig en warm gezeten bij tafel, is men in de weer met landkaarten en kleurvlaggetjes die de stand der verschillende legerkorpsen aanduiden. Men vindt het vervelend als er een hele tijd niets bijzonders gebeurt en men juicht als men ineens de lijn een 100 kilometer mag verplaatsen. Niemand die daarbij denkt wat er gebeurt of wat het te zeggen is2 - ook voor de brave burgermensen die hun woning, hun have en goed liggen hebben tussen die 100 kilometers. Een stad wordt beschoten of ingenomen. Men is er alleen mede bemoeid3 te weten of het bericht officieel bevestigd wordt en men stelt zich de uitslag voor als een feest met blijde optocht waar de soldaten als helden begroet, hun blijde intrede zullen doen... het bloed en de verrotting blijven ginder ver - de lijken worden met aarde bedekt en men zal een prachtig gedenkteken oprichten te hunner nagedachtenis met een opschrift: Aan de moedige strijders die vielen voor het Vaderland! Een nieuw hoofdstuk in de leerboek der kinderen waarbij de meester van de gelegenheid zal gebruik maken om de edele

[p. 195]

gevoelens te doen ontwaken bij zijn leerlingen opdat zij, aan de ouderdom gekomen, met eer en blakende moed, het erfdeel van hun vaderen gestand, op hun beurt, hun leven zouden offeren en met fierheid ten strijde trekken. En zo gaat het maar door, terwijl men vredepaleizen bouwt en socialisten schreeuwen tegen dienstplicht en de miljoenen die verkwist worden en de jeugdige krachten verlamd door het ministerie van oorlog! Ik ben maar benieuwd te vernemen hoe onze huidige generatie - de mensen die het ‘théâtre de la guerre’ van nabij hebben gezien, hoe die er zullen over spreken? Hoe zij zullen oordelen over militaire deugden en 't idealisme van de ere-slachterij? Welke gevoelens het zicht van een parade-regiment bij hen zal uitoefenen? Hier ter plaats, waar er nog maar alleen mogelijkheid van gevaar is, kan men al raden wat het worden zal! Men voelt reeds dat 't opperste van 't geen men bezit, - het eigen vel! - bedreigd is! Hier zouden de mensen al 't geen ze bezitten, en zichzelf ermede, onder de grond wensen om aan de vernieling te ontsnappen! Men hoopt en men vreest, want 't geen elders gebeurt, kan hier evengoed gebeuren! Men denkt aan Leuven, Aarschot, Dendermonde, Lier, waar de bewoners ook kalm gebleven zijn en niets vreesden en waar alles nu plat ligt en iedereen op de dompel loopt1. Jammer dat de indrukken van smart zogauw vergeten zijn en bij 't eerste vernieuwen van 't normale leven de mensen weer aan hun genoegens gaan, zonder te denken dat 't geen ze eens geleden hebben zich weer opnieuw kan voordoen, zolang de oorzaak der kwaal niet weggenomen wordt! Men zou denken dat er bij de mensen, natuurlijke grondwetten bestaan, die alleen dienen als eigen straf en waar toch niemand zoekt aan te ontkomen, omdat zij deel uitmaken en vastzitten in de grote, geheimzinnige wereldorde!

Terwijl ik hier bezig ben, gromt het kanon al geweldiger, Rijsel staat in brand. Ik voorzie maar dat we binst de nacht opeens het kanon hier heel in de nabijheid horen en de kogels hier boven onze woning zingen. De Duitsers hoeven slechts enige kilometers achteruit te komen en we zijn er! Reken dan niet op de koelbloedigheid der dorpelingen die,

[p. 196]

om hun eigen moed op te beuren, maar altijd beweren: dat hier niet kan gevochten worden, dat de streep tussen Leie en Schelde te smal is...

In de avond krijg ik 't eerste nieuws van vrouw en kinderen die in Brugge aangekomen zijn! in veiligheid dus. 't Nieuws echter is gedagtekend van 9 oktober. Wat kan er al gebeurd zijn in die vier dagen? Wie zou er ooit gedacht hebben dat alle middelen van verkeer, op zulke kleine afstand, zo moeilijk zouden worden. 't Is of Brugge ineens ergens in een ander werelddeel ware verplaatst! Nu krijgen wij de gelegenheid om te leren berusten en de jachtigheid van onze aard te hervormen naar die van onze voorouders, die nooit expres-treinen, telegraaf of telefoon gekend hebben en daardoor in alle gemoedelijkheid, traagzaam leefden!

In een dagblad krijg ik het relaas over het bombardement van Antwerpen. L'agonie d'une Ville, heet het. Ik denk aan al de kennissen en vrienden die ik ginder wonen heb en die verschrikking hebben medegemaakt - die even als voor een cataclysme gevlucht zijn en alles hebben achtergelaten - het moet iets geweest zijn als de ontzetting waarvan sprake is over de uiterste dag in de Apocalypsis! Schroot en vuur uit duizend monden en bommen uit de luchtschepen die eraan medehelpen om de algemene vernieling te voltrekken! Ik zit hier goed en veilig - alhoewel eenzaam - met de voeten op de kachel buiten 't onmiddelijk gevaar, te denken echter: dat ik hier ook eerstdaags zo iets kan te zien krijgen en beleven! Het vervult me met een gevoel waar de vrees en het verlangen elkaar afwisselen - en de begeerte overblijft naar een hevige aandoening, want ik ben overtuigd dat: alle momenten van hoge tragiek heel dikwijls momenten zijn van allerhoogste schoonheid; - en, als men er maar levend doorheen komt, moet zulk een ondervinding het leven verrijken met ‘a thing of beauty’, dat zeker een heel bijzonder genot voor altijd zou blijven! En als men er in ondergaat?... dan zouden de bladen eenvoudig melden 't geen ze al zo veel gemeld hebben: de gemeente Ingooigem heeft bovenal veel geleden door het kanonvuur - geen enkel huis is gespaard gebleven, veel burgers zijn omgekomen - 't juiste getal zal men eerst later kunnen opgeven!

[p. 197]

14 oktober.

Ik vraag aan de voerman of hij vandaag naar Kortrijk rijdt? - Ja, zegt hij, als er niet te veel mosing1 is langs de baan en die bucht2 wat uit de streken weg geraakt! Daarmede bedoelt de man, de Duitse soldaten. Onze mensen hebben nog niet 't minste besef van wat de oorlog is; ze nemen er enkel van 't geen ze zien in hun omgeving, als de oorzaak dat hun kleine handel stilligt en dat er verwarring is in de gewone gang van 't leven.

Tegen de middag komen hier weer 40 vluchtelingen op 't dorp, die bij de burgers moeten geherbergd worden, en te Kortrijk weggezonden werden omdat men de plaats ginder ter beschikking moet houden voor gekwetste soldaten. 't Zijn over 't algemeen arme dompelaars3 uit Mechelen en Lier en 't doet vreemd aan, tussen de bende, enkele meisjes te zien die beter gekleed zijn en 't uitzicht hebben van juffrouwen!

't Minste ongewoon vertoog4 of gerucht op straat wekt nu alarm en onrust, - de dorpelingen zitten gedurig op de kijkuit5 en in angstige verwachting om iets te zien gebeuren en een gewone wandelaar die men anders niet zou bezien, wordt nu aangesproken en uitgevraagd en men is enkel gerustgesteld als men weet van waar hij komt en waar hij naartoe gaat. Uit natuurlijke behoefte, nadat de mensen al hun vrees aan malkander hebben medegedeeld, spreken ze ook elkaar moed in en de samenspraak wordt veelal gesloten door een lachreden6.

's Namiddags ben ik naar Avelgem de brug gaan bezien die men zondag laatst heeft doen springen. 't Is een vreselijke verwoesting - het zware ijzer ligt gewrongen, de rails steken hoog de lucht in en heel het gevaarte ligt van zijn voetstuk gekanteld, in de Schelde!

Op de gemeente zijn 8 Duitse soldaten, - zij hebben vernacht op een hoeve bij mijn familie. Ik verneem dat zij er met fluiten en zingen, aangenaam de avond hebben overgebracht7. Men moet ofwel een kinderlijk gemoed hebben,

[p. 198]

ofwel alle tact missen om zich op die wijze te gedragen waar men de gastvrijheid geniet in een overwonnen land. Ik heb echter nergens kunnen bemerken dat de soldaten het doen met een slecht inzicht of om iemand te tergen - zij geven eenvoudig toe aan de lust van hun gemoed en denken niet na. Het is een eigenschap van het Duitse karakter om maar zonder nadenken toe te geven aan 't geen in hun gemoed ligt - 't is wellicht daarom dat zij bekend zijn en de naam van Barbaren dragen - zij hebben er de fouten van, maar ook de gaven!

Het kanongeschut nog nooit zo geweldig als vandaag! De slagen volgen elkander op tot een rommeling1. Rond Rijsel moet men hevig aan de slag zijn. God-weet zijn de legers morgen vroeg hier niet in 't zicht?!

Eindelijk kom ik ertoe iets uit te voeren dat ik allang besloten had te doen: een reiskoffertje gereed te maken, met 't uiterst noodzakelijke om, in geval van nood, iets mede te nemen op de vlucht. Dat uiterst noodzakelijke bestaat in: 2 hemden, kousen en een reisdeken. Later worden er nog, als luxe-artikelen, bijgevoegd: zeep, handschoenen, scheergerief, bougie2, een landkaart, schrijfgerief en tabak! 't Is uiterst moeilijk zulk een keus vast te stellen en het kost veel hoofdbrekens eer men ermede klaar is. Men moet zich beperken en alles maar achterlaten of men zou te veel medenemen. Aan kostbaarheden, daar denkt men niet aan want, al die dingen die ons hier kostbaar schijnen, verliezen gans hun waarde als men ze rukt uit het verband van hun omgeving. Men houdt ervan omdat zij een geheel vormen waar alles zijn eigen plaats inneemt die wij gewend zijn; - op zichzelf genomen, valt de bekoring weg en men krijgt 't gevoel dat men best doet er niets van te redden en alles maar samen moet verloren gaan. 't Eenvoudige feit dat men een koffertje klaarmaakt, geeft een naar gevoel, alsof het nu zeker ware dat men 't huis zal moeten verlaten; 't gelijkt iets als bij een zeeramp: men denkt alleen nog om 't leven te redden en niet aan de lading die door de zee zal verzwolgen worden. Later eerst zou de treurnis opkomen om 't geen men verloren heeft en missen moet en ieder

[p. 199]

voorwerp waaraan men denkt, zou een eigen weemoed wekken - zelfs het nietigste ding krijgt een zekere kostelijkheid als men het gedwongen missen moet.

Deze avond is de stemming weer erg weemoedig; 't zicht van een stuk speelgoed der kinderen dat op zijn gekende plaats staat, gereed om gebruikt te worden, wekt een pijnlijk gevoel. Men gaat erbij aan 't fantaseren dat die pop misschien of dat houten paard, erom treuren hier achtergelaten te zijn en te zieltogen in de stilte waar zij de ruwe handeling der kinderen moeten ontberen. Als het te erg wordt met de mijmering, maakt men er een eind aan met te gaan slapen.

15 oktober.

Wat geschut nog in 't westen en dan de stilte. Een tweedekker vaart door de lucht en de streek blijft verder in haar verlatenheid liggen. Een briefkaart ontvangen uit Brugge, meldend hoe de kleine knaap en de meid het ginder stellen met de Engelse soldaten aan wie zij moeten handjes geven en groeten. Wat moeten die twee zich ginder in hun kommerloosheid verzetten met al die beweging van troepen - het zal hun voorstaan als een kermis, later in hun leven.

Hier moet men er de tijd letterlijk doden met in de groentenhof te werken - waar in dit seizoen weinig te werken is! - met pijpen te roken en uit te zien over de twee einden van de straatweg. Van de toestand of gebeurtenissen weten we niets meer! noch officiële berichten noch andere - over Antwerpen geen woord. Ik vraag me af welke de toon is die de kleine Gentse blaadjes nu aanslaan?! Zij deden zo goed hun best om er de moed in te houden en met hun plattegronds-uitdrukkingen van: omverblazen, wegkuisen, gespuis verjagen, - onderhielden zij bij 't volk de mening dat wij alleen, kleine Belgen, het hele Duitse leger tegenhielden en er kortspel zouden mede maken! En nu zien die lezers, die er hun mening naar gevestigd hadden, malkaar bedenkelijk aan; zij missen het steunpunt voor hun mening en staan verdoold en radeloos de toekomst af te wachten. Het is nu ook de volledige stilte; geen enkele stem die nog tot hier doordringt. Geen proclamaties meer van de koning van de bisschop of van de minister; geen

[p. 200]

kamerleden meer op het front om sigaretten uit te delen; - het is voortaan alleen nog de oorlog, ontdaan van alle apparaat, het hideuse1 monster dat zijn grijparmen overal uitslaat en altijd verder uitstrekt in de omgeving. Wij zitten hier in het enige hoekje dat nog gespaard bleef en ongeschonden...

Wat is er gebeurd sedert die grote Franse gazet schreef: wij hebben het geduld gevraagd voor enkele dagen, nu is er alleen nog kwestie van uren! La victoire, nous n'avons qu'à la prendre! Veertien dagen zijn sedertdien voorbij en die uitspraak is iets geworden als een wrede spotternij.

16 oktober.

Een dikke mist hangt over de streek - de bomen zijn erin verdwenen en de lucht is van de grond niet meer verkennelijk2. 't Is het voorspel met het decorum van de winter. Grote druppels leken uit de takken - (men zou van tranen spreken, maar de vergelijking hebben de romantiekers tot op de draad versleten). Geen geschut meer te horen. 't Is alsof de oorlog gedaan ware ofwel, dat na het formidabele geweld van woensdag, iets vreselijks gebeurd is, zodat men van weerskanten op adem moet komen vooraleer te herbeginnen. Gisteravond vertelde men dat de Duitsers hun lijken brachten naar een arm van de oude Schelde bij Doornik, om ze alzo gauw en ineens te begraven.

Vroeg in de morgen zijn hier reeds vreemdelingen op de baan die misschien heel de nacht door te been zijn; zij zien er moe uit en vragen de weg naar Ronse.

Literair werk en letterkunde in 't algemeen kunnen mij niet bekoren. Ik heb zo dikwijls voorgenomen een heel jaar niet te werken en niets te doen tenzij lezen - nu ik echter niets aan 't werk heb, ontbreekt mij ook de lust tot lezen. Men voelt alleen belang voor dingen die rechtstreeks in verband staan met de zekerheid of de onzekerheid van het leven, al 't andere is nutteloze bijkomstigheid. Nu begrijpt men best 't geen ons in de kunstgeschiedenis onderwezen wordt: dat in beroerde tijden en oorlogsjaren, de kunst altijd in verval geraakt en er vaste vrede moet heer-

[p. 201]

sen en welstand eer de kunsten heropbloeien. Kunst is eigenlijk een luxe-artikel, een overtolligheid in 't leven, iets dat voor de geest is, 't geen taart, likeur en sigaren zijn voor het lichaam. En wie denkt nog aan die dingen als er geen zekerheid is dat men het uiterst noodzakelijke brood zal krijgen, waarvan 't leven eigenlijk afhangt? Er was een tentoonstelling van schone kunsten geopend te Brussel in de Cinquantenaire; de tableaus en beeldhouwwerken blijven er opgeborgen en niemand bekommert er zich om 't geen er mede gebeuren zal - de kunstenaars zelf blijven er onverschillig bij. Voor mensen van onze soort is de oorlog iets als de vastentijd in de Roomse Kerk - een tijd van inkeer, meditatie en boetveerdigheid, - heel geschikt om veel grondwaarheden te laten bovenkomen, waarvoor wij in 't jachtig leven geen tijd hadden na te denken! Niemand van ons die er mede bezig is wat boek hij zal schrijven of wat schilderij hij zal maken - 't lijkt eerder of er nooit boeken of schilderijen meer moesten gemaakt worden! Wij bevinden ons omtrent in 't geval van mensen die hun trein gemist hebben en hun tijd moeten doden in afwachting van een volgende trein! En wij schikken er ons naar, al weten we niet wanneer die volgende trein zal aankomen, en of hij nog wel ooit aankomt. Bij de burgerij, en de handeldrijvers is er zoveel berusting niet, maar veel meer zenuwachtigheid. Sommigen blijven stil, anderen zien uit om van de omstandigheden gebruik te maken en in een andere richting de geldwinst voort te zetten. Doch de prachtigsten zijn zeker wel de kleine dorpsrentenierkes, die van hun inkomentje plachten te leven en de opbrengst van enkele huisjes of een reeks bankwaarden. 't Ene lijk 't andere staat stil - de bank is gesloten en de huurders betalen geen cent, kunnen ook niet vervolgd worden of gedwongen. Daar staan die baasjes dan zonder bestaansmiddelen en daar komt nu nog bij dat ze lastig gevallen worden om noodlijdenden te helpen!! De liefdadigheid op een gemeente is ook iets heel bijzonders in deze tijden. Men voorziet dat het iets heel buitengewoons zal worden met de aanstaande winter en iedereen houdt zich op zijn hoede als in een burcht, om niet overvallen te worden door schooiers en dieven.

[p. 202]

De burgerlijke liefdadigheid blijft voorlopig buiten beschouwing - zij wordt ambtelijk uitgeoefend en bevoordeligt de professionele behoeftigen, de ras-armen, juist als in gewone tijd. Maar er is de Christelijke liefdadigheid die ons opgelegd wordt als plicht, die wij beoefenen moeten in de mate van onze krachten en die ons aangerekend wordt als deugd. In gewone tijd maakt men zich daarvan af met wat aalmoezen aan de deur, een bijdrage in Vincentiusgenootschap1 en nu en dan een extra-gift als er een ramp of groot ongeluk is voorgevallen. De renteniertjes en gezeten burgers hebben 't gevoel daarmede hun plicht gekweten te hebben en op de gemeente wordt men gauw beschouwd als een milddadig man. Laat nu echter de algemene beroering eens haar uitwerksels2 hebben, dat men niet meer uitkennen kan wie rijk of arm is en de nood algemeen wordt, zodat men gedwongen is te ‘geven’, en wel te geven zodanig dat men er zijn eigen genoegens door ontzeggen moet - 't geen zoveel bediedt als: de ware liefdadigheid uitoefenen! God! wat zetten de mannetjes van nu al een wezen en hoe vrezen ze voor hun kostelijk bezit! Er komen een 75 vluchtelingen aan op de gemeente, die moeten kosteloos gehuisvest worden en onderhouden. Wie wil er zijn aandeel doen?

De pastor in de mis, haalt er al de schoonheden der christen leering bij te pas en duwt erop3: dat iedereen 't zijne moet doen, - dat we ook in zulke toestand kunnen verkeren... Voor 't eerst nu vat men de betekenis der lichamelijke barmhartigheid die heet: de vreemdelingen herbergen, de naakten kleden... Hier zijn het echter geen vreemdelingen maar wel: hulpbehoevende landgenoten! 't Zal dus niet meer nodig zijn dat de gemeente een algemene maatregel neemt, de burgers zullen er zich mede gelasten?

Er wordt dus aan de godvrezende lieden, die nu al volle 3 maanden niets doen dan bidden en de Heer smeken voor hun eigen tijdelijk welzijn, de gelegenheid gegeven iets te doen voor hun ongelukkige broeder in Xo4. Er is echter

[p. 203]

niemand, geen enkele die zich aangeboden heeft met 't verzoek om vluchtelingen te willen herbergen! In de namiddag, door de regen, komen zij aan, te voet van Vichte, een bende dompelaars, arm volk, mannen met te lange overjassen en grote petten op; vrouwen en kinderen in gemengde kledij, beladen met zware pakken. De pastor is in de weer met een lijst, neemt de namen op. De burgemeester, de secretaris, de schoolmeester, lopen verlaan1. Er worden namen afgeroepen, voorstellen gedaan, afgewezen - het duurt een vol uur eer de 25 mensen uitbesteed zijn. En de uitkomst? Bij de ingezetenen die een groot huis hebben en veel kamers die 't jaar rond ledig staan, komt geen vluchteling! Enkele boeren nemen een man mede die nog werken kan en zijn kost verdienen; de overigen worden gehuisvest bij geringe lieden, die 't met moeite kunnen doen, maar die een medelijdend hart hebben en geen ellende kunnen zien zonder te helpen. Enfin, tout est pour le mieux dans le meilleur des mondes! De kwestie is opgelost en 't gevaar is geweken! Een ingezetene die zich achteruit gehouden had, verontschuldigt zich met te zeggen: als 't nog mensen van rang waren, - maar wat moet men in huis uitrichten met dompelaars van die aard! - Alaboneur2, als 't mensen van rang waren, dan had geen enkele gewone burger kans gezien, iemand te krijgen om te herbergen! Pastor, burgemeester en heel de gemeenteraad zouden gewedijverd hebben om een voornaam heer in huis te nemen. Maar dan ware 't ook geen barmhartigheid meer en wel heel iets anders! Wat wilt ge? Vreemdelingen herbergen is een deugd sedert lang uit de mode gerocht, - de hoteliers en logementshuizen voorzien daar nu in... en Vrouw Armoede, gelijk Franciscus ze beminde, wie kent haar nu nog?

Rond 3 uur zijn een 20-tal Duitse ruiters in draf voorbijgereden in de richting van Vichte.

Een bende van 10 vluchtelingen trekken hier over de straat, die uitbesteed zijn op een hoeve. Onder hen is een beeldschone jonge vrouw. De boer waar zij heen moet is een oude jonkman, gekend om zijn losse doening. Ik ver-

[p. 204]

neem dat het meisje nog maar sedert vier maanden getrouwd is en haar man in 't leger dient. Wat al vreemde toestanden en tot wat al romantische gebeurtenissen zal die oorlog, dat vluchten en uitbesteden, al aanleiding geven! Het leven is waarlijk niet meer banaal in deze tijden en de onverwachtste avonturen heeft men voor 't grijpen.

17 oktober.

Niets, nihil! Mist over de velden, geen nieuws, geen gerucht. Wij zitten ingesloten zonder uitzicht voor lange tijd en weten niets van overwinning of nederlaag. Alle verkeersmiddelen zijn afgesneden en waar we zitten, kan de wereld omver keren, zonder wij er iets van gewaar worden.

In de voormiddag rijden enige Duitsers over de steenweg - 't gelijken schimmen. De soldaten verschijnen, verdwijnen, zonder dat wij er iets van raden kunnen, tenzij dat er ongevallen uit voortkomen en onze rust gestoord worden. Tegen 11 uur, als ik de ogen buiten sla, ontwaar ik plots een hele zwerm voetvolk gevolgd door ruiterij en gespannen met kanonnen en pakwagentjes. 't Einde ervan is niet te bespeuren. Vanwaar komt ons dat nu zo onverwachts op 't' lijf en wat zal het worden? Hier langs het huis houden ze stil en springen uit de zadel. Langs achter en voor, moet ik gedurig uitkijken of niemand 't hof binnenkomt. Bij 't zicht van soldaten verwacht men zich hier nog altijd aan huiszoeking, brutaal optreden en, om de minste reden moedwillige behandeling... De soldaten schijnen echter niet te merken dat het huis hier bewoond is; van de vroegere vrees voor hinderlaag of wantrouwen, is deze keer niets te bespeuren; zij leggen zich in 't gras, roken hun pijp en enigen, wagen het tersluiks de poort te openen, om onder de naastbije fruitbomen een appel of een peer te gaan oprapen. Van nader beschouwd, hebben die soldaten niet hetzelfde overmoedig voorkomen als de verkenners die wij tot hiertoe gewend waren te zien. Het zijn eerder gemoedelijke troepiers1, enigszins op gevorderde leeftijd, tamelijk zwaarlijvig en lomp in de laarzen, met niets van het jeugdige soldateske waarmede het leger bezield was dat te

[p. 205]

Avelgem is voorbijgetrokken. Bevel wordt gegeven en zij rijden voort; andere komen hun plaats innemen of trekken op langs de zijbaan naar Otegem. Ze gaan, ze keren en 't is alsof het gat ginder langs Tiegem altijd maar nieuwe scharen spuwt en er geen einde aan komen zal.

Het duurt de hele namiddag en tegen de avond eerst is de opmars gedaan, de straat is weer vrij. Ik waag mij naar buiten om te zien of 't dorp nog bestaat. Tot mijn grote verwondering vind ik alles in volle bedrijvigheid en verneem dat er 1000 man ingekwartierd blijven! Bij groepjes gaan de soldaten de huizen binnen en waar men verscholen zat en niet uitpiepen durfde, moet men de vreemde krijgers nu herbergen! Ik kan me voorstellen in hoeveel huizen de ontsteltenis gewekt werd en de vrees die echter spoedig geweken schijnt, eens dat men zich aan 't gedacht heeft kunnen wennen! Heel 't dorp is reeds in een kamp herschapen; stro en hooi worden bijgevoerd, paarden gestald en overal op de deuren der huizen staat in krijt geschreven hoeveel manschappen er geherbergd zijn. De overheden en officieren zijn bij de burgemeester, de dokter, de pastor en in de kleine huizen worden al de plaatsen dik met stro gevuld, waarop de gewone soldaten zullen slapen. Te midden de straat, op de knok1 en op de werf der hofstede in mijn gebuurte, wemelt het van soldaten die allen aan 't werk zijn. Vuren worden aangelegd en grote ketels opgehangen. In minder tijd dan men het zeggen kan, worden koeien, zwijnen gerekwireerd2, geslacht, gevild, in stukken gehakt en in de ketel gestopt waar de soep reeds aan 't koken is! De dorpelingen staan er verbabereerd3 op te zien, zij zijn nog onder 't verschot, alhoewel niemand enige vrees laat merken. Iedereen blijft rustig en kalm tenzij enkele vrouwlien4 en meiden die jammeren omdat heel het huis wordt bestormd, uit en in gelopen en alles bevuild, zonder dat zij er iets aan te zeggen hebben. Ik word uitgevraagd door de geburen en ik vraag het mezelf ook af: om welke redenen van strategische aard ik van de inkwartiering ontslagen werd?! En mijn tot wordt fel benijd alhoewel ik er niets voor in

[p. 206]

't werk heb gesteld! De soldaten zijn vriendelijk en inschikkelijk; van wederkanten doet men zijn best om zich te doen verstaan. De oversten echter zijn voor 't algemeen bars, opschietend met hun onderdanen. Men ziet van die uitzinnige aanvallen van gramschap om de minste aanleiding en daarbij komt er een geschetter voor de dag en een schravende1 stem, op een vreemde toon die aandoet als geweervuur en 't gekwetter van eksters. Ik vergeet nooit de toon waarop een officier twee manschappen staanhield met de uitroep: ‘sind Sie verrückt??’ Ik heb niet kunnen uitmaken aan welke verzuimenis die twee zich hadden plichtig gemaakt, maar ik zie nog hoe die grote lummels daar gedwee in positie staan bleven tot het de officier behaagde hun brutaal de rug te keren.

Om een peerd dat uit de rangen gaat, of ongewillig2 is, om een voorval waar niemand schuld aan heeft, wordt er op de manschappen gescholden - en ik heb er zelfs zien slaan als schooljongens, zonder dat zij de kop durfden rechten! Bijlange is alles nog in orde niet als het reeds begint te donkeren en toevallig, terwijl ik help uitleg geven aan een waardin en een onderofficier, word ik als taalman3 geroepen om een 150 kanonniers te helpen herbergen, die dan met een leidsman optrekken naar de afgelegen hofsteden. Al de boeren van 't dorp worden opgeroepen met peerden en wagens en ik zie er hier voorbijtrekken met hele ladingen ransels, die misschien naar Kortrijk moeten, of verder! Aan hun wezen en gesloten lippen ziet men dat 't gedwongen werk is, dat ze uitvoeren

Heel de nacht wordt er gereden en gerotst4, auto's, wagens, kanonnen, komen aan en keren terug en waar men buiten kijkt, in 't donker, ziet men de mannen met lanteernen hun weg en slaping zoeken. Verder geen kreet, geen gezang of getier - men is moede van 't gaan en de manschappen gelijken eer bejaarde burgers die voor de gelegenheid een soldatenpak hebben aangetrokken. Ik verneem dan ook dat zij deelmaken van een groot reserveleger dat heel in 't nieuw uitgerust, verleden week uit Duitsland

[p. 207]

vertrokken is en met de trein door België gereden tot Ath, Leuze om vandaar te voet langs hier af te zakken... op weg naar Calais! zeggen ze eenparig.

Men gaat ter rust met het nare gevoel dat we vervreemd zijn op ons eigen dorp, alsof we ergens aangeland waren in een verre streek, in de macht van een wilde stam. Er is iets in de lucht dat angstig stemt, zonder dat men er bepaald een reden voor vinden kan; iets dat heel onze zeden overrompelt en de vrees meebrengt dat de minste gebeurtenis aanleiding tot zware rampen kan geven, als men denkt aan 't geen in zoveel andere plaatsen gebeurd is: een alarmkreet in de nachtstilte en de bewering dat: die Civilen geschossen haben! gevolgd door plundering en moord! Bij hun intrede hier op 't dorp, gebeurde er al iets dat erge gevolgen had kunnen hebben. Vooreerst was er een ontmoeting langs de baan van Vichte tussen de voorposten van 't leger die verder op verkenning uitgingen en een auto, waar van beide kanten geschoten werd. De Duitsers beweren dat er Engelse soldaten in de auto waren, burgers van Vichte houden staan dat het Duitsers waren en men bij vergissing op elkaar gevuurd heeft. Vandaar toch een zeker wantrouwen en de molenaars van de streek en de overheid van Anzegem heeft het moeten bekopen. Hier op 't dorp echter waren twee stomme boerenlummels aan 't lopen gegaan toen zij de troepen zagen aankomen. 't Geen voor gevolg had, dat een peloton soldaten hen op de hielen zaten, het speur1 bijster geraakten en daarom al de huizen van de wijk aan de Sterhoek doorsnuffelden. Dank aan de koelbloedigheid van een gewone vrouw bij wie de kerels verdoken zaten onder 't stro, zijn zij ontsnapt en heeft men aan de nazoeking een einde gemaakt - echter niet zonder dat de soldaten de strohoop doorsteken hadden met hun bajonet, zonder de kerels te treffen alevenwel, die er zich koes hielden!

Maar... als er nu deze nacht eens waarachtige Engelse troepen naar hier afkwamen? Misschien zitten we eer 't dag is, volop in de oorlog! Men denkt wel aan 't gevaar en toch slaapt men de nacht door, gerust.

[p. 208]

18 oktober.

Die zondag heeft iets feestelijks in! De nacht is zonder ongeval voorbij en nu klept het klokje voor de vroegmis en 't blijft kleppen ver over zijn tijd, want de parochianen blijven allen buiten op het kerkplein staan zien naar de soldaten die zich bereiden tot de optocht. Wagens worden geladen, paarden gezadeld en er heerst een schilderachtige bedrijvigheid met veel gerucht van rauwklinkende bevelen. Alles gaat kort en met weinig woorden. In de kerk zijn weinig mensen die mis horen. De kapelaan doet de mededeling in zijn preekstoel: dat wij voortaan onder vijandelijke macht zijn - dat wij bijgevolg alles moeten geven en toestaan wat men ons vraagt, maar dat wij daarbij de kalmte en moed niet moeten verliezen en hopen op de goede einduitslag der gebeurtenissen. De mensen vatten die mededeling nog al koel op, zij zijn onverschillig geworden en zien niet meer klaar hoe de dingen weer op hun plooi moeten geraken. 't Geen hen 't meest bekommert voor 't ogenblik, 't is te weten: of de bons die zij in betaling voor de rekwisitie1 ontvangen hebben, geldig zijn en zullen uitgewisseld worden tegen klinkende munt.

De troepen zijn nauwlijks vertrokken of het herbegint en daar komen er al andere weer op. Van hier uit zien we in de verte over de steenweg in de eindopening waar de bomen aan de straatdreef elkander raken, iets als een grijsblauwe vlek die uitwijdt over de glooiing der baan tot het iets wordt in de vorm van een dubbele slang die van weerkanten de steenweg opkomt. En in de verte, waar we niet zien kunnen, gaat 't geratel en 't gerucht van ijzeren wielen op de kassei2 - iets dat gelijkt aan 't gerammel en geronk van veel stoomtuigen die al ineens zouden op gang zijn. Bij de aankomst hier aan de scheiding der wegen, vóór het huis, splitst het leger zich in twee delen waarvan de ene helft over 't dorp heen komt en de andere de baan volgt die neerloopt langs Otegem, naar Zwevegem. Aan de scheiding waar de wegwijzer staat, die echter door de overdreven zorg van de spionnenjagers, zijn aanwijzingen werd uitgewist, ontstaat er telkens hapering onder de aanvoerders.

[p. 209]

De kaart wordt geraadpleegd en inlichtingen gevraagd aan de voorbijgangers. Dat duurt zolang tot een officier er middel in schaft1. Hij staat recht op zijn peerd en met blauw potlood tekent hij op de vleugel die naar 't dorp wijst: Ingooigem; op de andere: Nach Otegem. Om 't vertrouwen te wekken bij de raadplegers, parafeert hij met zijn handteken en 't nummer van zijn regiment.

‘Das haben die Belgier ausgefarbt und das schreiben wir wieder d'rauf!’ zegt hij lachend.

Nu gaat het ononderbroken vooruit, twee getrekken2 nevenseen3 en elk met zes paarden bespannen. Kanonnen, bagage, caissons4, cavalerie, infanterie al opvolgenlijk achter elkaar. De stoet draaft de glooiing neer en verder weer op door de velden waar hij verdwijnt in de gouden herfstmist. In die omgeving en met 't eerste zonnelicht gekleurd, heeft de optocht iets fantastisch dat doet denken aan een grandioos theaterdecor. De ruiters met hun lange grijze mantels, waarbij paard en man één worden, maken prachtig figuur - 't gelijken schimmen op een fries die tonelen voorstelt uit de Germaanse godentijd! Ik denk aan de uitbeelding op grote schaal, van sommige gebeurtenissen uit Wagners zang-epossen.

Nu de Duitse troepen in zo groot getal voorbijtrekken, zonder acht te geven op 't dorp en zijn bewoners, nu er geen kwestie meer is om opgepakt en medegenomen te worden, en nu, bijzonderlijk sedert men de soldaten in huis heeft gehad en ze van naderbij heeft gezien, is de vrees onder de mensen geheel verdwenen. Dat ontzaglijk geweld van gewapende mannen met kanonnen en ander moordgerief, het verbluft nog wel wat door zijn hoeveelheid, maar het wekt eerder de nieuwsgierigheid dan de vrees - het is alsof 't de mensen niet meer aanging en het leger dat hier voorbijgaat, ergens moet vechten in een vreemde streek en niet tegen onze eigen bondgenoten waar er over ons lot zal beslist worden door de overwinning of de nederlaag! De dorpelingen staan dus kalm te zien als naar een feeststoet. Ik maak van de gelegenheid gebruik om die honder-

[p. 210]

den en nog honderden verschillende wezens na te gaan elk met een eigen vorm en eigen uitdrukking op 't gelaat.

Onder de hogere bevelhebbers is het Bismarck-type overheersend, - oude, ingrimmige1 ijsberen, geschoren gelaat met lange bovenlip en kleine oogjes die, als zij een burger aanspreken, twee meter boven zijn kop, in de lucht kijken. Echte bevel-machines! Ik heb er gezien die op end op2 geleken op Rembrandts broeder met de gouden helm. Daarnevens hebt gij de dikke, welgedane kapitein met zijn spekslagershals, kaalgeschoren kop en dikke buik; verwaand en fier, imponerend door de omvang van zijn persoon en de massa benodigdheden die zijn uitrusting volledigen. Ook nog de jonge officier, gesteld op zijn voorkomen en elegantie, welopgevoed, fijn en gemoedelijk, ofwel gepommadeerd, monocle in 't oog en met een morgue3 over 't gelaat waarvoor men omver zou vallen. Sommigen knikken vriendelijk en schijnen erop gesteld een wedergroet te krijgen. Anderen vragen inlichtingen met de meeste voorkomendheid en schijnen verrast als ze in 't Duits antwoord krijgen. ‘Wie kommt es dass Sie deutsch sprechen?’ vragen zij verwonderd. Anderen vinden het ook weer heel natuurlijk en vragen maar boudweg: ‘Wie heisst dieser Ort?’

De mannen in de rangen zien er flink uit, zitten goed in de kleren, allen met splinternieuwe leerzen4 aan, - en wat zij voor gereedschap aan hun lijf hangen hebben is ongelooflijk! Moeten zij ooit op de vlucht gaan, ik beklaag hen! Zij stappen zwijgend en schijnen enkel bezig met de kilometers die zij nog af te leggen hebben. Sommigen bezien niets en niemand, anderen brommen op doffe toon de Duitse morgengroet: Mor-rege! Er zijn er die vriendelijk knikken en verstandelijk teken doen naar mijn pijp en met een oogknipje roept er menigeen: Lekker! Andere groeten ambtelijk deftig en geven de militaire groet. 't Merendeel zien zij er uit als bedaarde huisvaders die niet gewoon zijn zo ver te gaan en als zij hier op de hoogte aankomen en de pinhelm afnemen om hun zweet te drogen, ziet men dat er

[p. 211]

veel kaalhoofdigen bij zijn ofwel die grijze haren hebben! Er zijn er ook bij met zwaar ineengedrongen lijf die doen denken aan Japanse worstelaars, - met dikke kop en kleine schuine oogjes die loens blinken met een uitdrukking van wreedheid. Ik heb er ook enige zwartharigen bij gezien van het Mongools type. Over 't algemeen heeft het onderdeel van de wezens het karakter van de vraatzuchtige en er zijn er die iets in de ogen hebben van de wolf die zijn prooi beloert en gereed is om te bijten.

Als men daar zo een hele dag in verkeert, denkt men niet meer dat al die mannen van top tot teen gewapend zijn en er bij één de inval kan komen om een slag te slaan. Men wordt gerustgesteld door de strenge tucht die onder hen heerst en men krijgt 't gevoel dat men er een uit de rangen zoude mogen beledigen zonder dat hij de stap zou breken om 't u betaald te zetten! Zij gaan altijd maar door en er komen er altijd andere. Over heel de baan is 't één dubbele grijze streep en als er genoeg regimenten voetvolk voorbij zijn, herbegint het weer met caissons en kanonnen. En wat een pracht van paarden, de bereden zowel als de zware trekpaarden - en alles nieuw opgetuigd in helder bruin leer. Men zou denken dat al de paarden van heel Duitsland hier samenkomen; - dat alleen vertegenwoordigt fabelachtige waarde. Gister heb ik een zadel met bijbehoorten zien wegen in een stal - hij woog 32 kilo en de soldaat verklaarde dat elk peerd voor 500 frank gereedschap aan 't lijf heeft!

Gisteren en deze voormiddag waren de gepakwagens1 alle van nieuw model, speciaal voor 't leger vervaardigd, grijskleurig, genummerd en voorzien van opschriften die de inhoud der lading aanduiden; - nu in de namiddag echter, krijgt het vertoog een ander uitzicht. 't Is gedaan met de eentonige reeks grijskleur. Wij krijgen de blauwe uniformen der Beierse soldaten en als de bagage afkomt, wordt het een bonte, schilderachtige stoet - iets als een reusachtige optocht bij een boerenkermis uit de oude tijd! Het gemütliche Germanje! Ouderwetse postwagens, koetsen vreemd van vorm en voorkomen - in de onmogelijkste

[p. 212]

kleuren; Beierse boerenwagens als schuiten op lichte wielen, met 't linnen overspannen op de ronde hoepels en de koetsier voorop in een tenen mandje gezeten. Al de wagens zijn bovendien versierd en gepint1 geweest bij de uittocht en ik kan me voorstellen welke feestelijke aanblik zulk een stoet moet opgeleverd hebben als al die kransen groen met bloemen die nu verslokerd2 en verslensd3 zijn, nieuw en fris waren opgehangen!

De peerden ook zijn zwaarder en aan 't wringen van hun lijven en 't stampen der zware poten, ziet men dat ze gewend zijn in de eerde te werken en de ploeg te trekken. De Beierse jongens in hun donkerblauwe pak zien eruit als gemoedelijke pompiers4 die een paradetocht meemaken voor de leute5! Zij worden weer opgevolgd door grijze van de eerste soort en het duurt tot tegen de avond, eenbaarlijk6 voort, en het zou vervelend worden, ware 't niet dat men hier en daar iets nieuws en onverwachts te zien krijgt en soms wel iets om te lachen. Van die dikke drinkebroers die met hun vier op de caisson zitten te wippen, zodat hun buik en dikke wangen erbij schudderen7 en zij zelf niet laten kunnen te lachen omdat zij weten welk potsierlijk figuur ze maken ginder hoog! ‘La note gaie’ heb ik aangegeven gezien door vier even dikke Duitsers die achter een groep aanstapten en tussen hen een koe dreven. Zij stapten op gelijke afstand, twee vóór die 't zeel trokken en twee achteraan die 't dier voortdreven. Zij schenen bewust dat ze met hun vijf samen hoorden en hadden er hartelijk plezier om.

In de rangen spreekt de soldaat niemand aan, dezen echter die afgezonderd lopen, maken er wel gebruik van om een inlichting te vernemen. Over 't algemeen wisten dezen met wie ik gesproken heb, van niets en te oordelen naar 't geen zij vragen of beweren te weten, zijn zij nog slechter ingelicht dan wij. 't Merendeel verkeerden in de mening dat zij hier in Frankrijk waren en wel op enige kilometer afstand van Parijs! anderen waanden zich in de nabijheid van Calais en verklaarden: zomaar met dezelfde stap naar

[p. 213]

Engeland te trekken!! Aan officieren heb ik zelf op hun kaart, de plaats moeten aanwijzen waar zij zich bevonden. Met 't woord Ingooigem konden zij absoluut geen weg, - ik heb het herhaaldelijk moeten op hun boekje voorschrijven, om het te dicteren zelfs ging het niet! Als ik vroeg van waar ze kwamen, verklaarden zij uit Leipzig vertrokken te zijn, verleden zondag, over Luik, Brussel en Leuze en van ginder voort te voet tot hier toe. Zij zegden een nieuw reserveleger te vormen van 350.000 man... die hier allen over deze streek voorbij moesten, naar Parijs of naar Calais, Londen!... Nach Paris! staat ook op de dekklederen en wanden van hun wagens geschreven. Veel van die dekkleden zijn baches1 van ons ijzerenwegmateriaal2 dat nog 't opschrift draagt: Etat Belge.

Hoe voorder weg hoe moeder man3, zegt het spreekwoord en hier past het bijzonderlijk. De gang van sommige soldaten is pijnlijk, zij terden4 om geen grond te genaken; meest allen zijn bezweet en slepen zich voort. Ik merk dat een bevel op de eerste rangen gegeven door een overheid5, evengauw voortgezet wordt achterwaards van man tot man. En zo loopt de mare6 dat men nog vijf kilometer te doen heeft, 't geen met een algemene zucht wordt onthaald. Men schudt de ransel wat hoger, men verlegt 't geweer op de andere schouder. Enkelen proeven er wat moed in te krijgen door te zingen, maar 't gaat niet. Twee oude, magere mannetjes sluiten de stoet; zij hebben niets militërisch - ze kunnen evengoed hier op 't dorp geboortig zijn. Beiden doen mij hun beklag over de verre reis en over de pijn aan de voeten. Zij zien dat ik een pijp rook en vragen mij een weinig tabak. Ik geef hun elk een sigaar en ze lopen met stramme benen om de achterhoede te vervoegen. Zohaast echter zie ik ze terugkeren, ze drukken mij welgezind de hand en roepen: ‘Wir bleiben hier! wir gehen nicht weiter!’

Wij liggen dus weeral met inkwartiering. Ik ga zien en alles is reeds aan gang. De dokter krijgt de staf te logeren.