terug  begin  verder

<december 1914>

1 december.

Ik heb, 't geen men noemt: erop geslapen en nu staat het vast - ik ga naar Holland! En nu 't besluit genomen is, ben ik maar beangst voor de hinderpalen en vraag mij af: zullen wij er komen als 't zo moeilijk is gelijk men wel beweert?! Het werkmeisje heb ik kunnen overhalen en zij heeft haar broer overhaald om hier samen te komen thuiswachten terwijl ik vertrokken ben. Dat is een hele toer en 't kost donders veel moeite eer men 't van iemand gedaan krijgt baas te komen spelen in een verlaten huis. In hun eigen woonst zijn de mensen niet bang, maar in andermans woning, zijn ze geen cent weerd! en 't is al maar: de vrees dat er zouden soldaten komen! met wie ze moeten huishouden! En 't ongeluk is: er komen soldaten! Ik heb heel de dag neerstig bezig geweest met de toebereidselen voor de reis en alles viel zo goed mee, maar nu, tegen de avond, komen een 300 ruiters op de gemeente. In een paar minuten zijn ze ingekwartierd bij de burgers met de boodschap dat ze er verblijven voor een volle maand. De overheden1 zijn bij pastor Verriest en als ik ga zien op 't dorp, is alles gedrild2 en afgelopen.

Ik ben er dus van bevrijd en dat er soldaten op 't dorp

[p. 276]

zijn is hoegenaamd geen reden voor mij om thuis te blijven, integendeel, nu kan ik geruster dan ooit vertrekken, want nu ze er zijn, loop ik geen kans dat er hier in huis zullen komen.

Ik ga gerust te bed vast in 't voornemen, morgen uit te zetten!

Ik ben nog maar juist in slaap als er op de deur geklopt wordt, maar geklopt om de deur in te leggen. 't Is wonder, als er reden bestaat om bang te zijn, word ik integendeel uiterst kalm en vastberaden. In één wip ben ik er uit en in mijn vliegend hemd naar beneden. Zonder aarzelen trek ik 't bovendeel der voordeur open. Ik heb een soldaat voor mij die tamelijk bars vraagt: ‘Sind hier keine soldaten?’ Ik zeg hem dat er op 't dorp zijn maar hier in huis niet! - De kerel dringt aan, alsof hij me niet geloven wilde. Ik doe hem 't voorstel te komen zien. Hij gromt iets binnensmonds en blijft staan. Eindelijk vertrekt hij zonder een woord. - ‘Merci!’ roep ik hem achterna want nu word ik door die handelwijze enigszins ontstemd, maar ben toch blij dat het zo afloopt en ik weer in de dekens kan. Het was de conducteur van de bagage die in de nacht zijn manschappen moest komen opzoeken! Ook geen plezierig postje!

 

***

 

Als het een roman was dat ik schrijf in plaats van een dagboek, zou ik hier een nieuw hoofdstuk moeten beginnen met een afzonderlijke titel. ‘Een reisje naar Amsterdam’ zou ik het kunnen noemen als 't in vredestijd was. Maar van een pleziertochtje als in de verlofdagen kan nu allerminst sprake zijn! Nu komt er veel meer sensatie bij te pas - iets als: ‘Een gewaagde tocht’ of ‘Van duisternis tot licht!’ met als motto 't geen koning David weleer zong: In exitu Israël de Aegypto... Dat er iets gewaagds aan is, weet ik heel zeker en men moet eerst enige maanden onder de druk, in afzondering en eenzaamheid, in 't gevaar en in 't donker gezeten hebben om te weten wat het betekent: een kans om eruit te komen, in 't vrije te geraken, weg van de oorlog, in een land waar mensen hun gewone, normale leven voortzetten! Voeg er dan nog bij: 't verlangen om

[p. 277]

vrouw en kinderen terug te zien, nieuws te vernemen hoe ze het ginder stellen en wat zij doorgemaakt hebben om er te geraken...

2 december.

Heel de voormiddag gaat voorbij in 't nemen van schikkingen, orde brengen, raad geven, voorzorgen en aanwijzingen mededelen. Het meeste moeite heb ik mijn huiswakers te overtuigen dat ik niet voorgoed heenga en wel besloten ben terug te keren. Ze kunnen maar 't kwade vermoeden niet kwijt geraken, dat mijn voorgewend bezoek een middel is om er vandoor te trekken en hen hier met 't last te laten. Ik kan niet meer dan tien dagen loskrijgen en dat schijnt hun al een eeuwigheid. Ik moet hen trachten te overhalen met te bewijzen: dat ik vier à vijf dagen nodig heb om in Amsterdam te geraken, evenveel om terug te keren en een paar dagen om ginder te vertoeven - minder kan het toch niet. Het blijft erbij, als ik in de veertien dagen niet terug ben, dat ze dan maar 't boeltje in de brand mogen laten en hun taak als afgelopen moeten beschouwen. Daar blijft ook nog de hoop dat ik over de grens niet kom - dan ben ik hier overmorgen reeds terug! Dat geeft de doorslag en al betrouwen1 ze 't nog niet te zeer, toch krijg ik de ‘toelating’ te vertrekken. Het werkmeisje is flink genoeg en onverschrokken en haar broer een sterke kerel die wel zijn man zou staan, maar, gelijk alle dienstplichtige jongelingen, draagt hij een geheimzinnige vrees in 't lijf om door de Duitser gevat te worden en te moeten gaan vechten tegen zijn eigen volk. Er komt nog bij: dat alle mensen nu veel stouter zijn in hun eigen huis dan in een vreemde woning en niet geern verantwoordelijk gesteld worden voor 't geen gebeuren kan. Die twee hier houden er bij elkaar de moed in - het meisje beweert dat zij haar broer wel wegstoppen zal in tijd van nood, maar dat hij haar bijstaan moet als 't slecht gaat. Ik help er hen nog wat bij met te zeggen dat: zo gauw er gevaar is, zij alles moeten in de steek laten en naar huis vluchten - dat zij desnoods de dieren maar moeten meenemen.

[p. 278]

Nu is het tijd geworden. Een laatste oogslag over heel de omgeving en ik kan uitzetten. Ik voel mij als de kapitein die zijn schip verlaat en 't bestuur in onbedreven handen moet toevertrouwen. Ik heb het vermoeden dat ik hier misschien nooit meer terugkeer, of liever, dat ik wellicht het huis niet meer weervinden zal gelijk ik het verlaten heb. 't Is alsof de hond en de kat 't vermoeden dat er een afscheid gebeurt, want zij bezien mij alsof 't de laatste maal was. De aandoening duurt echter maar heel kort; zo gauw de hofpoort1 achter mij is dichtgevallen, voel ik mij van alles ontdaan, - als een schoolknaap die het voor 't eerst wagen zal iets op eigen hand uit te voeren.

Om aan geburen en dorpelingen de schijn niet te geven dat ik op reis ga, heb ik alle voorzorgen genomen en er mij opzettelijk naar aangekleed, draag noch koffertje noch pakje. Met mijn regenjas, slobkousen, pet op en wandelstok, kan niemand enige achterdocht opvatten dat ik zo 't land uitga. Ik heb aan niemand gezegd dat ik naar Holland reis, want dan geloofde er zeker geen dat ik nog terugkeer en het wekt altijd opschudding en angst als iemand de streek verlaat; alsof het een verraad gold tegenover zijn medemensen als iemand zijn eigen persoon wil in veiligheid brengen. Neen, maar men is geruster en men voelt zich veiliger hier op 't dorp, zolang dezen er blijven die zouden kunnen vertrekken. Daarom wil ik alles vermijden wat onrust zou kunnen verwekken onder de dorpelingen. Gelukkig is 't op de noen2 en ik ontmoet niemand. ‘Hab ich den Markt und die Strassen doch nie so einsam gesehen!’ Van de ingekwartierde soldaten zie ik er enkel een paar die hun paarden te drinken geven. 't Is alsof de Duitsers hier alleen gebleven waren en al de inwoners vertrokken zijn. Over heel de lange steenweg naar Vichte, niets. Van hier voort echter verandert het uitzicht. In de herbergen bij de tramstatie krielt het van soldaten - 't zijn zwaar gelaarsde Huzaren die in en uitlopen en... eten. De een heeft een haring, de andere een stuk vlees en allen knabbelen neerstig. In de herbergen heeft men het druk met 't bedienen van bier, koffie, borrels, 't geen de soldaten alles dooreen naar

[p. 279]

binnen gieten. Overal luidt het: dat 't regiment hier een paar maanden zal verblijven en de dorpelingen maken daarbij de bemerking: dat intussen alles zal opgegeten zijn en wij zelf van honger zullen omkomen. 't Is inderdaad een bedenkelijk vooruitzicht en van hieruit beschouwd, ziet het er akelig uit - 't is alsof mijn huisje, dat ik zo pas verlaten heb, aan de willekeur van de vreemdeling is overgeleverd... Is het geen vermetelheid nu juist te vertrekken als het krielt op de streek van vijandelijke soldaten? Was het besluit niet te lichtzinnig genomen? Is het niet jammer om nu te laten verloren gaan 't geen men zo lang in triestigheid heeft bewaakt en heb ik dan niet heel die tijd om niets verbeurd in de eenzaamheid? Neen, want het waren toch andere redenen die me hier deden blijven! En wat geef ik er nog om alles te verliezen! Ik voel het als de asceten en wijsgeren, die 't zo ver hebben gebracht zich te onthechten van al 't geen hen omringt en geen ander schatten kennen dan 't geen ze in zich dragen! Al 't andere is nu van minder belang - mijn persoon geldt voor alles en 't geen ik ginder ga terugvinden bindt mij meer dan al 't geen ik hier achterlaat. 't Besluit is genomen - er is geen spoor van twijfel.

De tram brengt me in Kortrijk.

Een maand is 't dat ik in de stad niet meer geweest ben en ze is er sedertdien niet op verbeterd! Alles ziet er versleten uit en verslordigd; de straten zijn vuil en nog vuiler de huizen. Winkels van eetwaren en tabak lijken uitgeplunderd, maar ik vermoed dat de koopwaar opgeborgen blijft en men liever bijhoudt dan te verkopen. Arm Kortrijk! Waar men vroeger rondliep en kennissen had als op eigen dorp, schijnt alles nu vervreemd. Overal ziet men soldaten; ze lopen over en weer; militaire auto's rijden in de straten; de markt staat vol kanonnen en voertuigen en 't is aan de burgers verboden het plein over te steken. Auto's snorren voorbij zonder waarschuwing of teken te doen en over het gaanpad1, langs de huizen geraakt men moeilijk vooruit, zo druk is er het verkeer. Men kan het de mensen aanzien dat ze leven onder de druk en in gedurige angst om 't geen kan gebeuren. De twaalf gijzelaars vertoeven nog altijd op 't

[p. 280]

stadhuis. Bij de vrienden waar ik binnenval wordt men het best gewaar, hoe 't leven hier gaat en hoe verschillend en elk volgens aard en karakter men zich schikt naar de omstandigheden. Men krijgt er voortdurend de grootste verrassingen. Een gemis aan consequentie kon men bij de mensen al bestatigen1 in vredestijd, maar nu, dat de waardeverhoudingen, waarop 't gewone leven gesteund was, weggevallen zijn of geheel verplaatst, - nu de mensen hun gewone houvast missen, waarop heel hun handeling en al hun daden gericht waren, krijgt men niets dan verrassingen en 't valt moeilijk vooruit te zeggen in welke gesteltenis men zijn beste kennissen aantreffen zal. Mijn vriend A. kende ik als een zachtaardig en toegevend man. Sedert zeven weken heeft hij Duitse officieren in huis en hij heeft ze nog niet eens gegroet - hij wil ze niet zien. Hij stuurt er zijn knecht op af telkens er iets moet verhandeld worden. Mijn vriend A. kan niet begrijpen, dat men inkwartiering op andere wijze uitoefent en hij tempeest op zijn geburen, die Duitse soldaten als vrienden-van-den-huize behandelen. Ik geef het hem toe en de manier van mijn vriend A. is de enige en beste wijze om vijandelijke soldaten te behandelen ... bijzonderlijk als men beschikt over een ruime woning, waarvan men, zonder zichzelf te verongemakken2, enige kamers kan afstaan en men er enige bediening op nahoudt die 't u mogelijk maakt uwe logés niet te ontmoeten of te woord te staan.

Ik kom bij Mr. en Mevr. X. - zij zijn niet méér Duitsgezind dan mijn vriend A. Ze hebben zelfs twee zonen in 't Belgisch leger, waarvan één reeds gesneuveld; zij hebben ook een Duitse officier met zijn oppasser, zeven weken in huis. Die officier is een gemoedelijk, bejaard man, hij eet met Mr. en Mevr. X. aan tafel, wordt er behandeld en is er waarlijk geworden als een vriend des huizes. Nu juist is het bevel gekomen, dat hij moet optrekken naar 't front; Mevr. X. is er zodanig door aangedaan dat zij haar man gelast haar afscheidsgroet aan de officier over te brengen.

‘Ik zou 't niet kunnen!’ zegt zij, ‘het pakt me te zeer;

[p. 281]

zo'n goede, brave kerel is dat. Hij heeft me zoveel verteld van zijn vrouw en kinderen en hij verstond zo goed hoe 't met ons gesteld was...’ We praten er verder over en ik doe haar uitschijnen hoe ongerijmd en ongewettigd zulke genegenheid is tegenover een soldaat van het vijandelijke leger... iemand die misschien haar eigen kind zal ontmoeten! Ik haal haar het voorbeeld aan van Mr. A., die zij goed kent. Mevrouw X. glimlacht droevig.

‘De vijand!’ mompelt zij, ‘wat hebben wij ons daarvan aan te trekken? Die Duitser is zulk een ingoede, beste kerel, hij verfoeit de oorlog al zo zeer als wij zelf - hij is gedwongen te komen vechten en 't gedacht dat die man kan sneuvelen, maakt mij ziek - ik zou 't niet kunnen uitstaan hem te zien optrekken!’

Zo zijn de mensen. Mijn vriend A. ziet in elke Duitser de vijand. Mr. en Mevr. X. zien in de vijand telkens de mens. Ik weet niet wie van de twee gelijk heeft - het karakter en de geaardheid spelen hier de grote rol - maar de aandoening van Mevr. X., die haar eigen verdriet vergeten kan om zich 't lot aan te trekken van een vijandelijk officier, heeft me ontroerd. Ik waardeer de kranige houding en het correct gedrag van mijn vriend A., maar 't belet niet dat mijn bewondering gaat naar de goedhartige Mevr. X. Bij mezelf bemijmer ik de ingewikkelde verscheidenheid der vaderlandse plichten en deugden. Het geldt b.v. als een wet dat men alle weerbare mannen van het vijandelijke leger moet verachten en in princiep de dood doen inlopen, omdat de neerlaag van de vijand maar met de dood of de vernietiging te bewerkstelligen is - alle menselijk gevoel mag of moet men buitensluiten - geen sentiment komt hier nog te pas. Maar zo gauw diezelfde vijandelijke soldaat nu maar gekwetst geraakt, wordt het menselijk gevoel weer toegelaten - de deugd van liefdadigheid mag men weer toepassen en voor de wereld haalt men er alle eer van, als men vijandelijke soldaten, die hun rol gespeeld hebben, verzorgt, oppast, van al het nodige voorziet en met barmhartigheid behandelt, al had hij ons eigen zonen gedood en al zal hij er nog doden na zijn genezing! Wie wordt er uit die officiële deugden en ondeugden wijs? Maar wie zal er ooit in lukken, de drang van het menselijk

[p. 282]

gemoed iets op te leggen dat strijdt met de natuur van het gemoed?

Mijn mijmering was uit, want ik ontmoette mijn vriend Viérin die mij algauw zijn tevredenheid betuigt omdat ik gekomen ben en heb kunnen besluiten morgen met hem te vertrekken. Op één punt blijven we in onverschil: hij wil mij nl. overhalen voorgoed in Holland te blijven, maar dat gaat niet en ik breng hem al mijn redens bij, waarom ik wil terugkeren en hier verblijven binst1 de oorlog. Doch we zijn nog zover niet - eerst zien in Holland te geraken, newaar2! In stad neemt de drukte der troepenbeweging nog altijd toe - het gelijkt een echte optocht door al de straten tegelijk, hele stoeten ruiterij, voetvolk, artillerie... en ik merk met een zekere onrust hoe hele zwermen de richting van Harelbeke inslaan - benden die langs ginder misschien naar Oudenaarde moeten en te Ingooigem zullen aanlanden en verblijven? De algemene overtuiging onder de bevolking is: dat de aftocht begint; dat het front zal verlegd worden; dat het leger van de IJzer wegtrekt om een tweede verdedigingslijn te bezetten boven Gent, Antwerpen, Halle, Mons, Maubeuge. Dat er iets op-handen is, valt niet te betwijfelen en dat wij misschien nu in 't kort iets zullen beleven, is hoogst waarschijnlijk. De mensen zien elkaar aan met bedenkelijk gezicht en willen van iedereen uitleg over 't bedied3 der gebeurtenissen krijgen, waartoe iedereen zich bevoegd acht doch enkel volgens eigen inzicht uitspraken doen kan. Van redeloze vrees echter of eigenlijke angst valt nergens iets te bespeuren. Bij iedereen is er 't verlangen om, kost wat kost, een ontknoping te zien, al moest er een bombardement der stad het gevolg van zijn. 't Is zelfs maar heel in 't geheim dat sommige bewoners enige voorzorgen nemen en hun kelders inrichten. Een staaltje van de geestestoestand der bevolking is al te merken aan de straatjeugd. Bij de brug van de ijzerenweg4 waar hele zwermen jongens op de trapleuning te kijken staan naar de treinen die propvol soldaten voorbijrijden, roepen de kleine deugnieten: Nach Paris, hé!! Nach Paris!! en ze

[p. 283]

maken een neus naar de Duitsers die achter de traliën in de beestenwagens naar buiten gluren. Later op de dag neemt de toevoer van troepen ontzettend toe. Op verschillende wijken zijn de straten totaal versperd. Zware kanonnen en caissons1 ratelen met oorverdovend gedruis van ijzer over de straatstenen; elders is 't de geschandeerde2 mars van honderden zware laarzen... Opeens wordt de doorgang belemmerd, alles houdt stil - een kort bevel, een kreet die met vreemd keelgeluid, als een vloek over heel de lijn herhaald wordt en de stoet rommelt weer vooruit. Aan elke deur, in alle straten ziet men soldaten afzonderlijk of in groepen aankloppen om inkwartiering. Het lijkt een overweldigende stroom die over de stad is losgebroken. Wie weet, kunnen we morgen nog een voet verzetten en geraken wij er uit?

Gelukkig is er voor onze eigen inkwartiering gezorgd bij onze vriend De Coene. Op de Bethunelaan komen we heel buiten 't gedrang en 't schijnt dat er betrekkelijk maar weinig soldaten langs hier de weg gevonden hebben. Hoe deugdelijk3 is 't in dees tijden bij vrienden samen te komen! Men moet eerst maanden als een kluizenaar geleefd hebben in de klamme ongezelligheid van een onbewoond huis, met alle slag stoffelijke en geestelijke ontbering om te weten wat het te zeggen is, midden in de weelde te vallen van helder verlichte en goed verwarmde vertrekken, in een talrijke familie van opgetogen vriendelijke mensen. Dat alles maakt op mij de indruk alsof ik uit een lange gevangenschap ineens weer in de kring van bekenden ware getoverd. Hier heb ik voor 't eerst weer eens hartelijk horen lachen, want bij mijn gastheer geldt de spreuk: In schlimmer Zeit sei Heiterkeit die beste Hygiene. Hier wordt men niet eens gewaar dat de stad vol Duitsers is; niemand ook die zich stoort aan de verordeningen van de oorlogspolizei. Na het eten blijven we in zalige gezelligheid doorpraten en roken tot laat in de nacht. Als enige voorzorg nemen de aanwezigen die nog naar huis moeten een paar sigaren mede ... pour forcer la consigne en de arme schildwacht

[p. 284]

plezier te doen. Door de nevelen van de thee-en-tabaks-damp en telkens ik Viérin zie zitten zo kommerloos aan 't praten met de gastvrouw, als een Rajah1 uitgestrekt in zijn zetel, schiet het mij te binnen: wat er ons morgen te wachten staat, - of we de avond misschien niet zullen doorbrengen in een gracht gescholen of ergens... in een amigo2 op de planken?

We moeten er morgen heel vroeg uit, willen we met de eerste tram vertrekken; daarom krijgen we elk een wekker mede naar bed en in de keuken zijn de schikkingen genomen voor ons ontbijt. We zullen dus maar nu afscheid nemen van't gezelschap om morgen vroeg niemand te storen.

Terwijl ik in het dons neerlig, roezen de ongewone geruchten en de drukte nog door mijn hoofd en ik denk hoe we hier liggen en slapen zullen te midden een vijandelijk leger. De verbeelding doet haar werk en tovert alle mogelijke gebeurtenissen vóór de geest - een aanval, een oproer, een moordnacht gelijk er te Leuven een plaats had... Ik kan de dwaze begeerte niet afwenden om er eens werkelijk in te zitten; 't vergaat mij als met de knaap... der auszog das Fürchten zu lernen! - 't verlangen bekruipt me te weten of ik bang zou zijn en hoe ik me gedragen zou in een paniek; want 't blijft mijn overtuiging dat moed en onverschrokkenheid aangeboren hoedanigheden zijn, dingen die men niet op bevel van de wil teweeg brengt... en dat niemand weet of zeggen kan: wat hij waard is, zolang hij 't ding niet heeft medegemaakt.

Gelijk ik hier lig, ware er eigenlijk maar weinig vandoen om de gruwel mee te kunnen maken - neem nu maar dat er een geschil ontstaat tussen burgers en soldaten, of tussen soldaten ondereen en dat men overhoop3 begint te moorden!...

3 december.

We zijn werkelijk heel vroeg te been en vóór 't aangeduide uur, wachten wij onze tram aan de standplaats. Maar de tram komt niet en als we op inlichtingen uitgaan, vernemen we dat, sedert de oorlog, de tram niet meer tot

[p. 285]

hier aanlegt, maar wel aan de Menenpoort! Hier hebben we onze kostelijke tijd staan verspillen met wachten en 't is maar bij een mogelijke vertraging dat we nog kans zien hem te halen... met lopen door de stad tot aan de Menenpoort. Op gevaar af om als deserteurs of spionnen aangehouden te worden, zetten we aan1, maar tevergeefs, de tram is vertrokken. Onze eerste inzet is lelijk mislukt en dat wekt een grote ontstemming en spijt - een halve dag is verloren, ons vroeg opstaan is voor niets en welk een slecht voorteken?! De volgende tram vertrekt eerst om half twaalf. We kunnen nu maar uitzien hoe de tijd te doden met slenteren, vrienden bezoeken, om onze tegenslag te klagen. Telkens opnieuw moeten we onze spijt en ergernis uitdrukken bij 't gedacht dat we nu reeds een heel eind ver hadden kunnen zijn inplaats van hier te drentelen! 't Is het ongeduld om de onzekerheid van 't geen ons aan de grens te wachten staat, dat ons zenuwachtig maakt.

De troepenbeweging is intussen weer volop aan gang; uit alle huizen lopen soldaten uit en in; hele regimenten trekken in slagorde door de straten, in onbekende en vooral tegenstrijdige richtingen. De kennissen die we ontmoeten en aan wie wij 't voornemen van onze reis mededelen, raden het ons af en weten ten stelligste: dat niemand meer toegelaten wordt aan de grens - dat het vergeefse moeite is, enz. Schoon vooruitzicht! Maar wij hebben reeds zoveel horen praten en ondervonden dat het er meestal heel anders uitziet als men ter plaats komt dan 't geen men op een afstand voorspiegelt, dat we er ons niet aan gelegen laten en het toch maar wagen zullen. Toch is ons vertrouwen op de goede uitval wat geknakt. Onze heel lange voetreis zal misschien ook al verloren moeite zijn, maar we nemen toch maar onze voorzorgen en zullen naar levensmiddelen uitzien, want honger is een lastige kameraad op reis. Nu echter ontwaren we dat de winkels ontriefd2 zijn alsof heel de stad was leeggeplunderd. Naarmate we verder zoeken worden we al mindereisend, zodat we eindelijk in een bakkerijtje terecht komen waar we een

[p. 286]

tarwebroodje kunnen bemachtigen. In het kroegje waar we onze koerier moesten ontmoeten, zagen we bij toeval een reusachtige hesp liggen op de toonbank en daar gerieft men ons van enige schellen, die wij tussen de tarwesneden van ons broodje leggen.

En nu op Gods genade vooruit. Op de tram vernemen we dat Dr. Lauwers zoëven aangehouden is en opgebracht. De reden of 't verloop zullen we waarschijnlijk eerst in de Hollandse bladen kunnen lezen als we daar aangekomen zijn. 't Lijkt ons almeer dat het hier minder pluis wordt en we best doen naar 't Beloofde Land te trekken. Van uit de raampjes van onze tram zien we, over heel de streek langs de Leie, Duitse recruten aan 't oefenen en loopgrachten aan 't maken - 't is alsof we door een echt slagveld reden.

Door de reizigers worden alle soort bedenkingen uitgesproken over de betekenis van die werkzaamheden, waarbij de veronderstelling van een versterkte verdedigingslijn met als gevolg 't beschieten van Kortrijk de algemeen aangenomene blijkt.

In vredestijd bracht de sneltrein ons in een uur van Kortrijk naar Gent. Nu echter zullen wij er een grote halve dag aan besteden en na veel wisselvalligheden, laat in de avond te Gent aankomen. Niettemin heerst er een opgewekte stemming onder de reizigers, met dit groot verschil bij1 vroeger, waar iedereen afgetrokken en zwijgzaam in zijn dagblad placht verdiept te zitten, er nu ongewone gespraakzaamheid heerst; vertrouwelijk worden de gevaarten en ondervindingen in 't gemeen medegedeeld en iedereen is bereid zijn buurman in alles te helpen. Te Aarsele moeten we eruit en in groep, als een karavaan van Cook, in de grilste mengeling, stappen heren, juffers, kooplieden, marktloopsters ondereen. Men schikt zich in 't gezelschap zonder onderscheid van rang of staat - door toeval samengebracht, knoopt men op de stond kennis aan, omdat men weet een halve dag samen, dezelfde lotgevallen te moeten delen. De weg die wij te voet moeten afleggen is anderhalf uur ver; over Kanegem naar Ruiselede. Een streek, die ik, dank zij de oorlogsnood, voor 't eerst te zien krijg en waar

[p. 287]

wij - Viérin en ik - gelegenheid vinden een beste vriend te kunnen bezoeken, die ons met veel hartelijkheid ontvangt en ons met raad en daad bijspringt, verrast als hij is door dat onverwachte bezoek.

Van hier gaat het weer per tram naar Ursel, waar wij nog eens te wachten hebben om over te stappen en eindelijk in de avond Gent bereiken. In vergelijking met Kortrijk maakt Gent op ons de indruk van een weeldestad. De winkels zijn helder verlicht en opgepropt van koopziende1 levensmiddelen; in de restauraties zijn de gasten - meest militairen - degelijk aan 't smullen en we doen er geredelijk aan mede; terwijl loven wij de praktise geest der Gentenaren die eerst voor 't noodzakelijke weten te zorgen. Toevallig ontmoeten wij hier Fons Sevens, altijd even opgetogen en druk in de weer - hij is een genootschap van bakkers aan 't voorzitten! - Van hem vernemen we al het plaatselijke nieuws aangaande gekende Vlamingen. Hier voor 't eerst hoor ik dat er een soort minachting bestaat voor dezen die gevlucht zijn en ginder in Holland de held afgeven. Voor de doeleinden van onze reis weet Fons menige goede en kostelijke raad; hij heeft bekenden en vrienden in elke streek en hij wijst ons nl. de ingezetenen der grensdorpen die meedoen aan Vlaamse beweging en die ons met genoegen zullen helpen. We zien ons alzo verrijkt met een aantal adressen van Vlaamsgezinde geneesheren, notarissen, pastors en... veldwachters, voor wie 't noemen van onze naam alleen, de grootste aanbeveling zal zijn. Wij krijgen er moed op en komen tot de overtuiging dat men ter plaats zelf moet zien zijn man te vinden om raadgeving te krijgen - en aan hulp zal het ginder wel niet ontbreken! Een hele toer is 't nu logement te krijgen, daar men ons in de hotels, waar wij gewend waren te vernachten, overal de deur wijst, omdat de Duitse militairen al de plaats hebben ingenomen. Eindelijk gelukken we erin één kamer te bemachtigen voor ons tweeën en terwijl we ons neerleggen, maken we de beschouwing: of we morgenavond op een bed zullen liggen op Hollands grondgebied,... of wel onverrichterzake hier terug... of wel nog erger?...

[p. 288]

Ons besluit staat echter vast: als 't langs de ene kant niet gaat, beproeven we 't langs de andere, al moesten we boven Antwerpen de Kalmthoutse heide oversteken!

4 december.

In het nuchtere schemeruur van die winterse morgen ziet de stad er veel sjofeler uit dan gisteravond in de schitter-schijn der electrische verlichting. Het veldgrijs der Duitse uniformen geeft hier ook al de overwegende toon aan het uitzicht en men merkt wel dat hier, al evenmin als te Kortrijk, aan straatreiniging gedaan wordt. We haasten ons om eruit te komen, maar we hebben weer te veel tijd en kuieren stilletjes naar de Dampoort waar we toch veel te vroeg aankomen. De lijn Gent-Terneuzen is misschien de enige in 't bezette land die niet onder Duits beheer staat en waar de burgers vrij als voor de oorlog, kunnen gebruik van maken. Over de formaliteiten echter om langs de controle te Zelzate, over de grens te geraken, hebben wij van alles gehoord. Dat men er tot op het hemd uitgekleed wordt, zijn geld afgenomen en voor 't minste redentje verdacht wordt en naar Duitsland gestuurd. Alwie niet van een ordentelijk pasport voorzien is, stopt men in de trein en moet terug naar Gent, zonder beroep op herbeginnen! Daarom is 't dat wij - die van geen papieren voorzien zijn! - het zo ver niet wagen zullen en aan een vorig station uitstappen om langs particuliere weg het aanknopingspunt over de grens te bereiken, waar wij te Sas-van-Gent de volgende trein zullen nemen om in Terneuzen te geraken.

't Is eerder gezegd dan gedaan, doch:... waar er een wil is, is er een weg! Het station is een onooglijk gebouw, slordig en vervallen buiten en binnen en ongerieflijk aangelegd. In de onderaardse gang, die we door moesten, trappen neer en trappen op om aan 't perron te komen, kregen we iets te zien dat eerder bij Edgar Poe en Hoffmann thuis hoorde dan hier te Gent.

Viérin geeft me een stoot in de lendenen en we blijven alle twee stommelings1 staan het schouwspel aanstaren. Vóór ons, in de deemstering van de gang, die slechts bij

[p. 289]

't andere eind enige klaarte doorliet, schuiven een aantal stompe gedaanten geruisloos voort; langs ons komen er andere bij. Het zijn kloosterzusters, elk in een wijde falie1 van bruine stof gewikkeld -; elke gedaante vormt iets als een blok duisternis, uitwijdend naar onder als een hooiopper, die op onzichtbare voeten voortschuift. De kloosterzusters zetten waarschijnlijk uit voor een verre reis; want ze zijn met have en goed beladen en pakken en koffers steken hoekig onder de mantels uit. Hun gelaat krijgen we niet te zien, het lijken gemaskerde gedaanten die vrijwillig en met inzicht de blik ingekeerd houden en niets van de omgeving wensen te zien. Wie weet hoeveel jaren misschien zij van de wereld afgezonderd leefden, in een cel opgesloten, en worden er nu uit verdreven om heel ver een toevluchtsoord te zoeken? Het schijnt dat er heel oude onder zijn, halve blinde die tastvoetend de treden van de trap zoeken en malkander moeten helpen. We staan nog altijd getroffen door het vreemde vertoog van die donkere schimmen als achter ons een akelig geluid door de gang opklinkt. Een groep van drie komen de trappen af - twee zusters die tussen haar een zinneloze stevig vasthouden. Wij zien het op de stond, eerst aan de verwilderde uitdrukking van het gelaat, maar veel meer omdat, telkens haar voeten de grond geraken, zij een sprong geeft in de hoogte en daarbij een schreeuw uitstoot als een ekster. Ik krijg er kippenvel van en zie maar hoe we uit de weg zullen geraken om die furie te ontwijken. De twee geleidsters echter zien er vastbesloten uit en met de ogen neergeslagen, zonder elkaar of de zinneloze aan te kijken, dalen zij de trappen af. Het lijkt alsof zij een godsdienstige plechtigheid helpen uitoefenen. Een stonde is 't station, de stad Gent, de oorlog en heel onze reis als weggevaagd uit mijn geest en 'k voel mij verdoold in de wandelgangen of crypten van een middeleeuwse abdij, waar de nonnen als verkeersels2 uit haar graf zijn opgestaan om er een laatste keer bedevaart te houden. Als we boven komen zijn de zwarte spookgedaanten verdwenen, of onzichtbaar geworden,... of zijn ze veranderd in een

[p. 290]

peleton soldaten, die op het plein aan de instructie zijn?... Voor ons is 't hier een beslissend ogenblik, want we vreesden dat er zou naar pasporten gevraagd worden om op de trein te komen, maar niets: de reizigers stappen vrij in en niemand ziet naar ons om. Nu krijgen we voor 't eerst gelegenheid kennis te maken met het materiaal van de vennootschap Gent-Terneuzen waarvan de heer Nestor Wilmart zo meesterlijk de zaken bestuurd heeft! Wel 't ziet er lief uit - 't is eenvoudig een abominatie, zo vuil, zo slordig, zo ouderwets en versleten zijn de karooien1 die vóór de zondvloed schijnen dienst gedaan te hebben. 't Is te zien dat de bestuurder meer zijn luxepaarden en zijn aandelen bezorgde dan zijn rollend tuig!

Er is veel volk op de trein, maar het is de reizigers goed aan te zien, dat ze allen op avontuur uit zijn en niet allen een gerust geweten hebben. Enigen die er al gewend schijnen omdat ze meermaals de tocht meemaakten, met anderen die over een goed pasport beschikken, voeren het hoge woord, geven raad en spreken hun oordeel uit over de voorgelegde gevallen. Anderen - waaronder wij b.v. - die voor 't eerst de voet zetten... dans cette galère..., luisteren met aandacht omdat elke inlichting haar nut kan opleveren. Sommigen zitten met beangstigd wezen en kunnen maar geen besluit nemen om de overtocht op eigen hand te wagen, ze betrouwen zich op de goedertierendheid der bedienden te Zelzate. Er heerst iets als een geest van verstandhouding onder de aanwezigen; hier gelijk elders voelt men zich onder landgenoten die voor dezelfde vijand staan en door dezelfde moeilijkheden moeten komen en daarom op wederzijdse bereidwilligheid en behulpzaamheid mogen rekenen. Aan 't station te D. wippen Viérin en ik eruit en we laten onze reisgezellen aan hun lot en aan de goede gunsten der Duitse grenswachten over. Nu is 't dat 't gewaagde begint, we zijn bij de grens en lukt het, dan geraken we misschien binnen een paar uren op neutraal grondgebied - wat het te zeggen is kunnen we nu eerst beseffen en ons hart klopt van verlangen naar de uitslag van ons pogen.

De dag is prachtig opgeklaard, we hebben een anderhalf

[p. 291]

uur te gaan eer we 't dorp zullen bereiken - een plezierig wandeltochtje door een prachtige streek. We stoppen een pijp en lustig en opgewekt zetten we aan, vol moed, vol hoop op een goede uitval.

Ik weet niet ooit aangenamer wandeling gemaakt te hebben - de lucht is zoel als in de lente en het landschap heeft voor ons de bekoorlijkheid van alles wat vreemd is en met het bekende verschilt. Er is bos en wei met vruchtvelden1 en huisjes in eigenaardige bouwtrant; iets dat denken doet aan weelderige plekjes uit het Kempenland en aan streken uit de Hollandse polder - het gemoedelijk rustige met degelijke welstand gepaard. Wij ontmoeten geen mens en, 't geen ons vooral opvalt: geen enkel soldaat, zodat wij ons stilletjes de illusie opdringen dat er hier misschien geen zijn?! Overal elders, over heel de doortocht, op elk dorp was het er vol van, zodat we nu eerst een gedacht kregen van 't geen een ‘bezetting’ eigenlijk is! In die heerlijke omgeving vergeten wij 't gewoel en de drukte van Kortrijk en Gent en van 't geen er te huis nu gebeuren mag, daar denken we in 't geheel niet meer aan! We voelen ons vrij als vogels, los van alles, met dat ene ding vóór ons: de grens!

Te D. op de dorpsplaats zien we aan 't gemeentehuis een auto staan met, naar men ons bevestigt, een generaal en zijn officieren die de nieuwe regeling der grenswacht komen inrichten. 't Lijkt ons al een veeg teken als we vóór hetzelfde gemeentehuis een lading prikdraad2 zien liggen. Het schrikt ons echter niet af, want, eer die prikdraad gespannen is, zijn we lang reeds de grens over. Hier te D. heb ik kennis met een dichter bij wie wij eerst om raad en advies zouden gaan, maar... de dichter is ook al naar Engeland gevlucht. Wij komen dus maar bij zijn broer terecht, die ons wel helpen wil maar verklaart: dat we een dag te laat komen! Gister was het nog te doen, maar nu is de wacht van 50 man op 150 gebracht en langs de binnenwegen mag geen mens het meer wagen - alleman moet over Zelzate het bureel langs! men bracht daar zoëven het bevel. Nu maak

[p. 292]

ik Viérin het verwijt dat we gister te Kortrijk onze tram misten, dat we er anders een dag vroeger bij waren...

Nutteloos gezeur. De broer van onze dichter weet er nog iets anders op, en hij geeft ons een schriftelijke aanbeveling mede voor de dokter te Z. Het past goed, van Fons Sevens kreeg ik ook juist het adres van die zelfde dokter te Z., een bekend en vurig Vlaamsgezinde! Dus maar vooruit een anderhalf uurtje verder, als aanhangsel van onze wandeling. We laten het ons niet verdrieten om die tegenslag, want de streek is prachtig, de zon schijnt heerlijk en er is geen kanon dat ons hier nog aan de oorlog herinnert. Het wekt te meer onze moed daar we nu in de richting der grens naderen en zodoende de weg korten die naar het doel leidt. Te Z. vinden wij ook Duitse soldaten en vóór 't gemeentehuis de spiksplinternieuwe prikdraad. Hier is hij dus ook nog niet gespannen, merken we tot grote troost. Wij zoeken onze Vlaamse dokter op en worden er door mevrouw gulhartig ontvangen. De dokter is echter niet thuis en zal eerst tegen de middag te spreken zijn. Zal 't hier ook al slecht aflopen? Geduld maar, we zullen wat rondwandelen op 't dorp. We zoeken naar een middel om er niet op 't ongelegen middaguur binnen te vallen, maar 't vooruitzicht dat de dokter ons misschien seffens een middel aan de hand kan doen, en de haast en 't ongeduld waarmede wij bezeten zijn om er gauw te komen, doet ons alle plichtmatigheid vergeten en we bellen maar aan als indringers. Nu is 't de dokter zelf die ons verwelkomt en ons als oude vrienden ontvangt, verklarend dat hij zich vereerd voelt door ons bezoek. Van zijn vrouw vernam hij reeds waarom het gaat en hij wil en zal ons helpen op één voorwaarde: 't is dat we met hem blijven noenmalen1. 't Was allerhartelijkst gemeend en van onzentwege dankelijk2 aanvaard, maar 'k moet bekennen dat ik, in de gegeven omstandigheden, liever had als de dokter ons zonder eten de straat opzond met een middel om over de grens te komen - het werd een bezetenheid en ik zou liever met grote honger, nog een half uurtje ver gelopen hebben, om dubbel smakelijk in Sas-van-Gent al ware 't maar een Hollandse haring te eten! Er viel echter niet aan te praten,

[p. 293]

we moesten de kostelijke waterzooi1 proeven met 't geen er meer nog, als oorlogskost, werd opgediend. Ik moet bekennen dat ik nooit zo gauw een nieuwe vriendschap heb gesloten als hier aan tafel met dokter B. Wat een beste, gulle kerel die ons maar op de naam af als vereerde vrienden beschouwt, met wie hij over alles praten kan in 't volste vertrouwen. Als oude kennissen die elkaar na lange tijd op 't onverwachtst weerzien, hadden we elkaar veel te vertellen. Hier aan tafel vernam ik o. a. 't geen de dokter gezien en ondervonden had bij de aftocht van ons leger na de val van Antwerpen. Het was voor mij een echte maar akelige en gruwbare veropenbaring. Van 't geval had ik enkel de naam gehoord en er dan verder ook niets bij gedacht in 't vermoeden dat alles ordelijk en gewoon was geschied. Daaruit blijkt alweer in wat voor wonderlijke tijden we nu leven, de een afgezonderd van de andere, waar men al naar 't toeval wil, met de gebeurtenissen bekend geraakt of er totaal buiten blijft.

Na de koffie deed onze gastheer door de gemeentesecretaris twee stukken opmaken, waarin verklaard stond, dat wij op de gemeente verbleven (als gasten van de dokter!) en begeerden naar Holland te reizen ten einde er ons bij vrouw en kinderen te vervoegen om ze terug naar België te brengen. De stukken werden opgemaakt, door de burgemeester ondertekend en ons ter hand gesteld. En nu naar de Kommandantur2 waar men over ons lot beslissen zou. - ‘Als 't gister geweest was zou ik er voor instaan dat ge er doorkomt’, merkte de dokter. ‘De commandant heb ik hier weken lang bij mij ingekwartierd gehad en van hem kan ik alles verkrijgen. Zijn opvolger heb ik maar even deze morgen gesproken en hij ziet er een heel inschikkelijk mens uit - als er nu maar geen nieuwe verordeningen in de weg staan!...’

De Kommandantur is ingericht in 't huis van de vrederechter - die gevlucht was - en we komen langs de hof bij een veranda die nu als bureel dienst doet. Daar vinden we eilaas een vijftigtal mensen die ons voor zijn en er te

[p. 294]

wachten staan naar hun pasport. Het zijn allen fabriekwerkers die voortaan niet meer langs de kortste weg over de grens naar hun werk mogen, maar gedwongen zijn een omweg van anderhalf uur langs 't bureel van Zelzate te doen. 't Was over die zaak dat de dokter de Kommandant had aangesproken om hem al het lastige tijdverlies van die arbeiders voor te leggen; er werd hem beloofd dat men er iets op vinden zou - maar voorlopig moesten hun papieren toch in orde gebracht worden. En alzo zouden wij ook hier een kostelijke tijd verliezen met onze beurt af te wachten, want de dokter wilde niet vooruitdringen, dat streed tegen zijn democratische gevoelens. Men vorderde wanhopig traagzaam en als 't zo voortduurde zouden wij hier t'avond nog staan en 't bureel gesloten zien eer wij aan de beurt zouden komen. Wij konden niets anders doen dan kijken wat er in de veranda gebeurde. De Kommandant en zijn broer, die sprekend op elkaar geleken, waren twee flink opgeschoten jonge mannen, met bleekblond, rechtopstaand vlokhaar en donkerblauwe ogen. Het viel mij bijzonder op; omdat ik zelden zulk soort blonde kleur en zulk blauw gezien had - zo bleek was het ene en zo donker het andere. Oversten en bedienden schenen geen haast bij 't werk te hebben; tussen lustig gepraat gaven zij bescheid of tekenden de stukken. Maar nu slaat de commandant toevallig de blik door de grote spiegelruit over de koer waar wij in de menigte te wachten stonden en hij merkte er de dokter. Hij doet teken dat hij zou binnenkomen! Wij hadden op voorhand afgesproken dat de dokter het woord zou voeren in onze naam, nu echter kwamen wij er zelfs niet bij te pas en de zaak zou zonder ons afgehandeld worden. Wij verroerden geen zier, bleven onverschillig staan praten met de werklieden, maar 'k vraag u of we zijlings uitkeken naar 't geen in de veranda gebeurde. Tot nu was het de dokter die druk bezig was; onze stukken werden ingezien en achteloos op tafel gegooid en terwijl de overste schijnbaar over onverschillige dingen met de dokter bezig was, nam een bediende de stukken op, vulde ze in en bracht ze terug, waar de commandant, met 't gebaar van een minister, altijd maar pratend - over 't geval van de fabriekwerkers, vermoed ik - zijn handtekening neerschreef. Viérin gaf mij

[p. 295]

een deuk in de lendenen, trok met de ene helft van zijn gelaat een ondeugende gesp1 terwijl de andere helft strakernstig bleef als een stenen masker. Ik voelde 't op de stond2 dat we gered waren, maar kon of mocht niet beseffen wat er aan 't gebaar van die handtekening al gelegen was. De dokter zwaaide de papieren en alle drie waren we de straat op.

‘En nu breng ik u zelf over de grens’, verklaarde onze redder. 't Werd met zoveel gulle welgezindheid aangeboden, dat er geen plichtpleging of weigeren bij te pas kwam. In gezelschap van onze vriend wandelden wij de weg op naar Sas-van-Gent. We hadden nog zoveel te bepraten dat we aan de grens gekomen waren eer we 't al wisten. Daar hadden we inderdaad de grenswachter die er stond als een boeman. Voor ons echter niet, want wij hadden niets te vrezen. Met de overmoed van mensen die 't geweten in orde hebben, traden wij erop af met de papieren in de hand. Maar als enig antwoord, kregen we:

‘Hier mag niemand door - order gekregen niemand door te laten’.

Als onze dokter er niet bij geweest was, geloof ik dat we verbluft keerom zouden gemaakt hebben, want 't viel als een steen op ons hart. Maar de dokter was daarmede niet uit zijn lood te slaan.

‘'t Handteken van uw commandant is toch wel sterker dan de consigne’, zegde hij, ‘zie, dat stuk komt hij pas te tekenen...’

't Was de soldaat die uit zijn lood geslegen scheen en tegen die redenering niet op kon. 't Is wellicht de eerste dag dat hij hier wacht houdt, hij is zonder ervaring, heeft niemand om raad te vragen en de Hollandse wacht, die enige stappen verder 't spel aanstaart, schijnt er zich niets van aan te trekken. Wat kan de landweerman anders dan de dokter gelijk geven en ons laten gaan?! We zijn dus de laatste en onverwachtste hinderpaal voorbij. Wij houden ons nog op ons respect, gaan zonder omzien als wandelaars, maar in ons oog blinkt er iets dat ik nog gezien heb bij schooljongens die de meester een lelijke streek hebben gelapt. Inhouden

[p. 296]

nog, want de vrees blijft ons bij dat men ons terugroepen zou of dreigen te schieten en 't duurt vrij lang eer ik geloven durf dat alle gevaar geweken is en wij op Hollandse bodem niets meer te vrezen hebben. 't Eerste wat mij invalt is een tuimelboom1 te maken of op mijn kop te gaan staan met de benen in de lucht. Wij laten het uit menselijk opzicht en om ons fatsoen niet te verliezen, maar we weerhouden het toch niet, Viérin en ik, om een flikker te slaan2. We vervolgen onze weg langs de vaart en de dokter brengt ons in het ‘Café de la Bourse’ waar we een schiedam binnen lappen om onze gemoedsaandoeningen neer te spoelen. Het café met zijn Belgisch uithangbord ziet er binnen toch echt Hollands uit - degelijk ingericht, net en we vleien ons in de rieten zeteltjes vóór het brede raam waar wij maar dadelijk gelegenheid hebben verschillende grote dagbladen in te kijken - een echte buitenkans voor mij. 't Doet echter de indruk alsof ik een hoofdstuk uit een roman zou te lezen krijgen waarvan ik de samenhang niet snappen kan... omdat ik de voorgaande hoofdstukken niet gelezen heb. 't Is nu ook het geschikte ogenblik niet en ik voel me niet gestemd me te verdiepen in oorlogsbeschouwingen - ik zal er wel meer gelegenheid toe vinden.

Terwijl we hier zitten krijgen we reeds een oorlogstoneeltje te zien. Er heeft een vergadering plaats van Belgische staatsbedienden, die hier hun loon uitbetaald worden. 't Is alsof we iets uit het vaderland hadden meegebracht, zo vreemd doet het in die achterhoek van Holland het Mechels, het Gents en Antwerps te horen praten; men verwacht telkens in de menigte, bekende gezichten te zien en we spreken iedereen aan alsof 't onze dorpsgenoten zouden zijn. Wij hebben nog een paar uren te wachten op onze trein, maar onze dokter moet vertrekken. Wij bedanken hem nog eens hartelijk, beloven elkander weer te zien en nemen afscheid. We zijn zo waar reeds vrienden geworden en zullen hem ons leven lang erkentelijk blijven en iets uitzoeken om hem te vergelden voor 't geen hij ons zo bereidwillig bewezen heeft. Het aandenken zal ons

[p. 297]

immer genoegelijk blijven en we weten het: zonder Dr. B. waren we er niet gekomen!

We moeten het ons altijd opnieuw voorhouden en herhalen: dat we niet meer in 't bezette land zijn en dat we met de oorlog niets meer te maken hebben. We denken er nu eerst aan, dat post en telegraaf hier nog bestaan en wij er ons van bedienen kunnen. Niet beters hebben we te doen tenzij onze vrouw en kinderen met een telegram te verrassen! Nooit in mijn leven heb ik er inderdaad meer deugd in gehad de bediende het papiertje over te reiken, waarop ik geschreven heb: We zijn op Hollandse bodem - morgen avond weerzien in Amsterdam! Nu ze ginder verwittigd zijn, valt ons ongeduld ineens weg en kalm flaneren wij als toeristen door 't deemster1 langs de kaai en verder op door 't verlaten landschap. We zijn moe in de benen maar verkiezen het toch hier de tijd af te wachten liever dan in een herberg naar 't uurwerk te staren. Eindelijk wagen we ons in 't station, maar hier binnen is 't niet uit te houden. De wachtkamer is stikheet gestookt en propvol soldaten die roken, kaartspelen, boeken lezen of te praten zitten.

Voor de zoveelste maal lopen we dus maar de baan op en sukkelen over alle soort hinderpalen heen, tussen betenhopen2, in de nabijheid van een suikerfabriek. 't Begint te regenen; 't geen we door 't deemster in de omtrek te zien krijgen is wanhopig treurig en lelijk; de tijd wil maar niet vooruit, maar niets van dat alles is bij machte ons te ontstemmen - we dragen de blijheid in ons...

Met een half uur vertraging komt de trein toch eindelijk aan en we nemen plaats in 't zelfde onooglijk bakje dat ons te morgen uit Gent op de baan bracht naar hier. Een schraal olielampje laat ons toe elkaar te verkennen3, juist genoeg om een gesprek te kunnen voeren met de buurman. Geen conspiratiegeest meer onder de reizigers, geen angst of onzekerheid meer - al de aanwezigen hebben de gevaarlijke evenaar overschreden en we houden ons allen zoveel mogelijk als gewone reizigers op neutraal grondgebied. Er is nu alleen nog kwestie om in Terneuzen een geschikte gelegen-

[p. 298]

heid te vinden onder dak te komen. Wij luisteren maar achteloos naar de inlichtingen die bereidwillig gegeven worden want wij hebben besloten het logement te gaan opzoeken, waar onze smokkelaar uit Kortrijk zijn makkers pleegt te vervoegen. Ik stel het me voor iets als een rovershol waar wij ongewone dingen zullen bijwonen.

Aan 't station wachten ons een grote hoop wervers1 die reizigers aanklampen, om ze naar hun woning mee te krijgen en een kamer te bezorgen. Terneuzen is niet rijk voorzien van gasthoven en daar er duizenden vluchtelingen huisvesting kregen en nog altijd veel reizigers langs hier over en weer van België naar Holland trekken, valt het zeer lastig onderdak te vinden. De kleine burgers echter zien er een winstgevend zaakje in, hun huis, hoe klein ook, tot logement in te richten. Wij dringen door de menigte en zoeken onze weg naar 't hotel X. dat ons door de koerier werd aanbevolen. Op 't eerste gezicht doet het me aan als een ontgoocheling; inplaats van het romantische rovershol of toch tenminste iets van verdacht voorkomen, ziet het eruit als een fatsoenlijk burgerhotelletje. Binnen komen we in een schitterend verlicht café met in de diepte de eetkamer waar de lange tafel gedekt staat. De lage zoldering en de warme kachel geven een indruk van gezelligheid. We zullen 't hier goed hebben naar 't schijnt en we wagen ons maar gauw naar de baas die in zijn welvoorziene tapkast, zonder spreken of opzien, aanhoudend borreltjes en biertjes op de toonbank plaatst. Op onze vraag of er middel is twee kamers te krijgen voor de nacht, antwoordt hij met een grol en een kopschudden als een kwade buffel. We dringen niet aan en vertrekken. Buiten staan we nog te dralen om een richting te nemen als de deur van de gelagkamer weer opengaat en de waardin ons met een vloed van woorden er weer inhaalt met de bewering dat er wel plaats is, maar dat het stom stuk vent, die niets van de zaken af weet... enz. Bij de toonbank krijgt de baas de rest van het standje zonder dat hij er alevenwel zijn bedaardheid bij verliest. In een wenk hebben wij begrepen hoe de echtelijke verhoudingen zijn in 't hotel X. en waarom de koerier ons alleen van

[p. 299]

Madam gesproken had en mijnheer niet vernoemde. We worden neergezet en intussen ratelt de stem van madam maar door, drenzerig1 en recto-tono2 alsof ze heel de reek3 van buiten kende en als een fonograaf, mechanisch afrollen moest. Heel haar figuur heeft eigenlijk iets van een automaat: in gang en beweging en haar poezelig lijf - 't schijnt dat haar peignoir met boomwol4 is volgestopt en op wieltjes voortrolt inplaats van op voeten. De uitdrukking van haar wezen heeft iets stars en haar zwarte oogjes en dunne lippen schijnen eeuwig en niets anders dan dezelfde glimlach van onverstoorbare tevredenheid uit te geven. Zij praat voortdurend en bij voorkeur een soort Frans dat ik niet goed thuis wijzen kan. Een aanzittende klant lost echter het raadsel op en verklaart op mijn vraag, dat madam X. van Molenbeek afkomstig is. De gasten hier aan tafel zijn voor 't merendeel Walen uit Charleroi, Mons en Brussel; lustige kerels die hier twee drie maal in de week vernachten en er genoegen in vinden madam X. aan de gang te houden. Het is een raketspel5 van guitige uitvallen en fijne spot, maar de waardin blijft altijd even kalm; met een imperturbabel6 masker zegt zij haar alleenspraak voort, is bezorgd om de gasten meer te doen eten dan hun bekomst en wel van 't geen zij 't liefst kwijt schijnt te zijn. Wat die waardin zich moeite gegeven en zich ongemakkelijk gemaakt heeft omdat Viérin van haar verse kabeljauw en opgelegde paling niet proeven wilde en maar losliet op mijn verklaring: dat mijnheer nooit vis gebruikte. Het was ten andere 't wonderste eetmaal dat ik ooit heb meegemaakt; de tafel stond vol pottekens en schaaltjes met alle soorten bijgerechten die te zwemmen lagen of overgoten waren met verdachte sauzen; - 't geen daarbij werd opgediend kwam in heel verkeerde orde of zonder dat 't ene bij 't andere hoorde. 't Belangrijke echter waren de heren die te vertellen zaten van hun gevaarten7 en tegenkomsten aan de grens, want nu hadden we hier niets anders dan nieuwsoortige smokke-

[p. 300]

laars die er een stiel1 van gemaakt hebben brieven over en weer naar België te brengen en ze daar te bestellen of af te halen. Na het eetmaal gingen zij aan 't werk, elk aan zijn tafeltje; de brieven werden geschift bij honderden - de ene helft van postzegels voorzien en de andere in pakjes gebonden en elk volgens bestemming aan de koerier overhandigd, die ze moest ronddragen op zijn streek. Later in de avond werden een ander soort mannen aangemeld; vissers of matrozen en landknechten zien het eruit, meestal jonge kerels die hier niet thuis horen en op hun ongemak schijnen in het helder verlicht café. De smokkelaars gaan er afzonderlijk mede in gesprek en ik verneem dat het tweede soort zich gelasten de vreemde smokkelaars de weg te wijzen en over en weer door 't grensgebied te loodsen. We krijgen hier gelegenheid kennis te nemen met heel de ingewikkelde inrichting der clandestine posterij die onder de stilzwijgende hoede van madam X. functioneert. We vernemen met welke spitsvondige middelen men de grenswachten in de doeken doet... of uitkoopt. Men moet het opgeven te geloven dat een bezetting in staat is een grens af te sluiten zodat bespieders en smokkelaars er niet door geraken. Als al die brieven tot spionage moesten dienen zou het er voor de oorlogvoerende partijen lief uitzien! Het zijn echter meestal tijdingen van beangstigde ouders die nieuws verlangen van hun kinders, verstrooide huisgenoten die elkaar opzoeken, enz. Zo verrichten die gewetenloze smokkelaars dan toch een werk waarbij veel bedroefden vertroost worden en angsten gestild. Het was heel belangrijk en ik heb er 't grootste deel van de avond aan besteed de omslagen dier brieven te bezien en de adressen te lezen. Ik beloof u dat er veel uit te raden viel.

Het was zo wat rond middernacht toen madam X. ons met een onschuldig gezicht kwam melden: dat er in haar hotel feitelijk geen kamers meer beschikbaar waren voor ons, maar dat ze een heel goede gelegenheid wist, bij nette lieden bij wie zij gewoonlijk het trop-plein2 van haar klanten uitbesteedde, - ze zou iemand medezenden om ons de

[p. 301]

weg te wijzen. Dit was nu inderdaad een minder aangename verrassing. We waren doodmoe en om nu nog, door regen en wind, de straat op te lopen om iets onbekends te gaan vinden, zo laat in de nacht, dat lokte ons niet zeer aan. Maar wat konden we doen tenzij onze leidsman volgen en berusten?! Na een lang eind lopen, genoeg om weer zoppende nat1 te worden, kwamen wij aan een klein huizetje, waar de leidsman klopte en ons staan liet. We werden binnengelaten, kwamen door 't donker van een nauwe gang eindelijk in een achterkeukentje waar we tussen tafel en kachel met moeite plaats vonden. Het waren twee ouderse jongedochters2 bij wie we ingekwartierd werden. We vroegen om maar gauw onder de dekens te komen en met een brandend kaarsje klauterden wij de steile trap op. 't Eerste wat mijn vlammetje belichtte was het behaarde wezen van een logé, die een bed betrokken had op een open plaatsje bovenaan de trap. Wij kregen elk een kamertje zo nauw en klein dat er juist plaats was voor het ijzeren beddetje. Geen stoel, geen wasgelegenheid of mantelhaak - we moesten ons maar schikken, zonder opmerking. In 't afscheid knipte Viérin me een oog dat meer zegde dan veel woorden. Ik zag maar3 dat ik er gauw onder kwam om te slapen. Maar 't was er wel mede! Vlak tegen mijn rug had ik een venster waartegen de wind beukte en de regen kletterde; mijn ijzeren beddetje wakkelde4 zodanig op zijn schrale poten, dat ik mij niet uitstrekken dorst5 noch omdraaien. De koude wind speitte6 tegen mijn rug en het waterstof gispte7 door de vensterruiten over mijn aangezicht. Ik daverde onder mijn deken en kreeg de indruk, dat heel het huisje, dat uit planken opgetimmerd scheen, als een kermistent, zou ineenstorten. Het raam lutterde8 op maat van de windstoten, iets als een sarrend deuntje dat gedurig herhaalde: tok, tokke, tok, tok tok... Geen middel om in slaap te geraken alhoewel de vermoeienis mij herhaaldelijk in druiling9 bracht, maar de koude en 't gerucht hielden mij wakker. En toch beklaagde ik mij om niets

[p. 302]

- integendeel, ik loofde in een verheven beeldspraak de voorzienigheid die mij madam X. had doen ontmoeten, want ik voelde mij weeldig als een prins en wat kon het mij schelen van koude en wind en hier slapeloos te liggen, want gedurig herhaalde 't in mijn hoofd: we zijn de grens over! En de dag van morgen scheen me heel en al heerlijkheid!

5 december.

Niet te verwonderen dat we er 's morgens vroeg uit waren om onze boot niet te missen. Schemerduister en plasregen. Terneuzen zag er akelig uit, maar terwijl we in de gispende1 wind uit te staren stonden over het watervlak van de Scheldestroom, waar de vuile mist over woog, dacht ik die indruk van verlatenheid meer ondergaan te hebben. Die streek hier had ik tevoren nooit gezien, kende ze alleen van horen noemen en 'k weet niet uit welke oorzaak de namen Terneuzen, Sas-van-Gent, enz. me altijd de indruk hadden gemaakt van nat, killig, slordig, verlaten en vuil - iets als de Franse grensstreek - de omgeving van Moeskroen, Roubaix, Mont-a-Leux... De indruk die ik hier nu opdeed bij mijn eerste bezoek, kwam precies overeen met 't geen ik me in mijn verbeelding had voorgesteld. Koude en regen, met die rilling tot op de beenderen die ik op het zolderkamertje had opgedaan, waren er ook wel voor iets bij, meen ik. Het uitzicht over die verlaten streek, aan de doodse oever van de wijde stroom, met water zonder einde, onder een zware lucht, was iets als de triestigheid zelf; - 't was alsof ik me hier bevond aan de grens waar alle leven ophoudt, waar alles vergaan zal in een nieuwe watervloed. De Schelde zelf is me nooit en nergens zo zielloos treurig voorgekomen als die uchtend; - ze scheen me nu de onoverkoombare hinderpaal die Holland van ons afsloot - veel erger dan de Duitse grenswachten. Wat een verschil bij vroeger, toen we over Antwerpen, gemakkelijk in de trein gezeten, zonder hort of stoot, de grote moerdijkbrug onder ons voelden zonder dat de vaart maar vertragen moest, - terwijl we hier nu met jobsgeduld mogen uitzien over 't water waar nergens een boot te bespeuren valt.

[p. 303]

- Als de mist te zwaar wordt, komt er geen boot, had ik gister al horen zeggen. En dan is al onze onrust, ons vroeg opstaan, ons natte kleren, verloren moeite. Het ongeduld, de drang om er te komen, om vooruit, tovert ons de hinderpalen uit de grond. Alhoewel we nu toch de volle zekerheid hebben dat we er komen zullen, en de angst voor de grens voorbij is, worden we nu bereden door de koorts en een jacht om spoed te maken, om de tijd vooruit te ijlen en het punt te genaken waar ons verlangen heen vliegt. En toch blijkt het dat alles op zijn tijd komt. Daar is inderdaad onze boot waaraan wij niet meer geloofden. Een brutale hoornstoot doet ons opschrikken - 't is alsof de nevels openscheuren door 't keelgeluid van het monster dat ontzaglijk groot en statig nadert en aanlegt tegen de kaai. Het schamel troepje mensen en een kudde koeien, treden in haast de valbrug over. Beneden in het warme vertrek smaken wij de deugd van een zitplaats en we strekken er ons uit met het zalig gevoel van bereikt te hebben wat we na veel moeite en zorg betrachtten. Een kopje geurige Hollandse koffie kwam het genot volmaken en ons gemoed helemaal weer opfrissen. Laat de schroeven nu maar draaien; - de regen klettert tegen de ruiten, maar we voelen ons warm en veilig als in een onderzeeër die zijn weg weet door de golven.

'k Geloof dat we er een paar uur op gevaren hebben, maar 't gevoel dat we vooruitgaan, de weg inkorten, stelt ons tevreden en we vragen niets beters. Op de tafeltjes onder onze hand, liggen de Hollandse kranten, maar 't oorlogsnieuws belangt ons allerminst - 't geen ginder gebeurt achter ons in 't land dat we verlaten hebben, raakt ons niet meer - 't is alsof de strijdlijn in Patagonië gelegen ware en nu we toch weten dat de bladen niet melden dat onze boot op een mijn gelopen is, kan 't andere nieuws ons voor 't ogenblik niet belangen.

In de haven van Vlissingen wacht er ons echter een nieuwe geduldsproef. Onrustbarend getromp, stilleggen om beurtelings een eindje voor en weer achterwaarts te varen. De stuurman scheen ons onbesloten en de scheepslui hadden er geen haast bij. Een grote boot nam de plaats in waar wij moesten aanleggen... en niemand die daardoor

[p. 304]

geërgerd scheen of korzelig werd. De passagiers stonden op het dek in wind en regen, gereed om aan land te wippen, maar omdat het spel niet vorderde, trokken zij gelaten weer binnen om te schuilen. Wat mijn maat daar gesakkerd heeft op die ‘kalme’ Hollanders die zich in alles schikken en vooral tijd schijnen te hebben en hoe zijn zuiderlijk bloed in opstand kwam zodanig dat hij 't mij wijten wilde, omdat ik kalm blijven kon en mijn geduld bewaarde. Ik dacht maar hoe wij, na zulke gunstige overtocht, op enige meters van de kaai, toch gevangen bleven op ons schip en hoe het schipbreukelingen vergaan moet, die, met de kust in 't zicht, de prooi der golven worden.

Hoeveel regelmatiger gaat het reizen toch te lande! Als 't nu maar een trein was die vlak voor de ingang van 't station stilhield, we zouden er kalmpjes uitwippen en de afstand te voet afleggen. Intussen wrochten de kettingen aan de kranen en zwaaiden balen en kisten door de lucht, van de kaai op de boot die in onze weg lag. De stuurman gaf altijd maar bevelen en 't scheen ons dat hij de boot alleen maar in beweging wilde houden om zijn bedrevenheid in 't vak te laten zien. Een half uur, drie kwart over tijd -een achterstel1 dat met niets in te winnen was, iets dat ons onwederroepelijk ontstolen werd en door niemand kon vergoed worden. Stomme slordige inrichting! Om iemand korzelig te maken. Tot mijn eigen verwondering echter, bleef ik mijn kalmte behouden - ik wist dat we er komen zouden en dat stelde mij gerust. En we kwamen er. De dwarsligger was volladen en kwam in beweging; en nu stevenden wij zogauw vooruit om de plaats in te nemen die hij verlaten had. Wat een schorming2 nu om eerst over de loopplank te komen. Niemand die nog naar de koeien omzag die te scherrebenen3 stonden op de glibberige planken van het dek.

Op de kaai wachtte ons de broer van Viérin die ons met zijn auto naar Middelburg zou voeren. De natte klinkaard4 geleek een ijsbaantje waarover we gleden als door de wind

[p. 305]

gedreven; vlugger dan men 't zeggen kan, waren we op de markt lijk getoverd. Hier zouden we afscheid nemen. Viérin vertrok met zijn broer naar het buitengoed Ipenoord dat zij samen bewoonden te Oostkapelle. Ik had hier nu een paar uren te wachten op mijn trein en zou er beginnen aan de vijfhonderd boodschappen die ik van vrienden uit Vlaanderen had meegekregen.

Middelburg, het anders zo vriendelijke stadje, was vol beweging en drukte. Ik meende veel last te hebben met 't opzoeken van al die verschillende adressen waarmede mijn zakboekje was volgeschreven, maar 't viel echter heel tegen mijn verwachting uit. Ik was nog geen halve straat ver, als ik onder de vele paraplu's der voorbijgangers, altijd nieuwe kennissen ontmoette. Ik kreeg er de indruk ergens in een stad van Vlaanderen te zijn in plaats van in Holland. Het ‘Informatiebureau voor Belgische Vluchtelingen’ kon ik hier best missen. Er was maar één ding: dat ik te weinig tijd had om iedereen te woord te staan, want telkens kreeg ik een hele geschiedenis te aanhoren; - iedereen had zoveel te vragen en te vertellen; - ik moest overal gaan zien hoe men er als vluchteling was ingericht en altijd maar nieuwe boodschappen aannemen voor 't Vaderland. Daar er niet te denken viel om brieven mee te nemen over de grens, moesten al die dingen in hiërogliefen op het zakboekje.

Wie ik hier al ontmoet heb van kennissen en vrienden uit Vlaanderen, ware niet te noemen - 't docht1 mij dat er hier meer Vlamingen waren in Middelburg dan Hollanders. Allen om 't even waren ze 't eens om hun bewondering te uiten over de goede ontvangst, de zorg, de voorkomendheid en de onbaatzuchtige en mildste betrekkingen waarmede de vluchtelingen hier behandeld worden.

Onder andere vrienden trof ik hier de heer Joseph Verriest - een neef van pastor Verriest - die hier met zijn vrouw, twee tanten en zijn veertien kinderen verbleef. Voor een spotprijs had hij een groot huis gehuurd en, alles wat hij voor zijn talrijke familie nodig had van meubels, huisgerief en beddegoeds, hadden de geburen, van alle kanten bijgebracht. Met achttien aan een lange tafel, heb ik daar

[p. 306]

het middagmaal gebruikt en werd daarna door een talrijke vriendenstoet vergezeld, naar het station en op de trein gebracht waar ik afscheid nam met de belofte: in 't terugkeren het bezoek te hernieuwen. Al de mensen die ik daar ontmoet heb, zagen er welgezind uit, blij dat ze in veiligheid waren en een degelijk onderkomen hadden gevonden; - van hun thuis, van hun goederen, hun handel, hun bestaan, werd met geen woord gewaagd, - men was maar alleen benieuwd te weten hoe het met de vrienden en bloedverwanten, die in 't vaderland gebleven waren, gesteld was.

Mijn trein stoomde door de liefelijke streek die ik zo dikwijls 's zomers op pleziertochtjes bewonderd had en die ik nu voor 't eerst in de verlatenheid van 't winterseizoen, overzopt1 door watervlakken, te zien kreeg. Arnemuiden, Goes, Bergen-op-Zoom, heel Zuid-Beveland, door tot Roosendaal, waar ik in rechte lijn op Amsterdam zou stomen. Hier echter wachtte mij een nieuwe tegenslag. Alle treinen waren propvol soldaten, zodat nergens nog plaats te vinden was, maar 't ergste: nu moest ik van de conducteur vernemen dat ik niet mee mocht met de trein over Den Haag en er werd me een andere aangewezen die over Utrecht naar Amsterdam ging. Zonder argwaan of overleg, had ik in Middelburg een kaartje gevraagd voor Amsterdam, zonder meer en daar had de beambte me van S.S. bediend in plaats van H.IJ.S.M. In gewoon geval zou 't me eigenlijk niets schelen maar nu moest de zaak erbarmelijke gevolgen hebben, - te weten: dat ik een half uur later en nog wel aan W.P.-station in Amsterdam zou aanlanden; - een felle ontgoocheling dus voor dezen die ik van mijn komst verwittigd had en die mij op gesteld uur aan 't centraalstation zouden afwachten. Dat ongeval brak ineens heel mijn opgetogenheid omdat de triomfantelijke intocht en de plechtigheid van het weerzien, niet geschieden zou gelijk ik 't me had voorgesteld. Terwijl ik mijn spijt te herkauwen zat, kwam me ineens het gedacht een laatste en uiterste poging te beproeven om hen van mijn ongeval te verwittigen. Een soldaat die uitstapte te Tilburg, was zo

[p. 307]

vriendelijk het telegram af te geven, maar een heer die zag wat er gaande was, verzekerde dat het vergeefse moeite zou zijn omdat, beweerde hij, ik vroeger in Amsterdam zou aankomen dan mijn telegram. - Het geeft een herrie van belang tegenwoordig met die mobilisatie en de dienst is geheel ingenomen door het leger, verklaarde hij. Dan maar afwachten en berusten.

Het was donker geworden en de regen kletterde al maar door tegen de ramen. De trein stoomde altijd verder de duisternis in, zonder dat ik me nog rekening geven kon van afstand of plaats. Een geschikte tijd om pijpen te roken en in een hoekje te zitten suffen. Altijd maar de gebeurtenissen vooruit, met de voorstelling van het weerzien. Het gedacht dat de afstand van het zo verlangde ogenblik niet meer dan hoogstens een half uur bedroeg, bracht er telkens weer de opgewektheid in. Het was niet alleen de vreugde voor mezelf, maar veeleer het bewustzijn van 't verlangen van dezen die mij ginder opwachtten; dat verschafte mij nu een vreugde van heel eigenaardige aard. Ik verbeeldde het mij als twee stromingen die uit verschillende richting op elkander aanliepen en dat de aanraking bij het kruispunt, het geluk naar beide kanten zou uitstralen. Ik zag hoe 't verlangen zich ook van hen had meester gemaakt, - het straalde in de trekken van hun wezen, door de uitdrukking van hun gelaat, in de klank van hun stem. Hoe hadden ze 't nieuws opgenomen en hoe stelden ze zich het weerzien voor na die lange afwezigheid? Hoe zou ik hen ginder terugvinden? Het bleef voor mij nog altijd een kommerlijk raadsel te weten hoe zij ginder gehuisvest waren? Hoe ze er 't leven geleid hadden? En hoe ze zich in die heel nieuwe omgeving hadden weten te schikken? - zij die nooit langer dan een dag hun dorp en hun eigen woonst verlieten? Hoe hadden zij het doorgeworsteld om in die verschrikking van vluchtelingen hun weg te vinden? Uit de weinige brieven die mij van ginder uit bereikt hadden, kon ik zo weinig opmaken hoe 't met hun hartsaangelegenheden gesteld was en nu prikkelde 't mijn nieuwsgierigheid zo aanstonds uit hun mond te zullen vernemen 't geen de pen geweigerd had aan 't papier toe te vertrouwen - naar dat eerste vertrouwelijk onderhoud was 't dat ik zo ongeduldig verlangde. Zie, nu

[p. 308]

op dat eigenste1 ogenblik, stonden ze mij op te wachten - de trein stoomt het station binnen, de ogen doorzoeken de menigte, - vreemde wezens allemaal... niets dan vreemde wezens... Hartkloppingen van verlangen; - op dat uiterste ogenblik mengt zich de vreugde met ongeduld, angst, hoop en twijfel... Tot de laatste man voorbij is en dan is 't de ontgoocheling, de leegte, de teleurstelling om het terugkeren dat men zo heel anders verwacht had ... Nu zijn ze elkaar aan 't troosten met uitvluchtsels en zoeken elkaar te overtuigen en een reden te vinden voor de bedrogen verwachting: een trein gemist...? opgehouden...? Maar wie zal er de spijt verdrijven? wie de teleurstelling goed maken? Wie vindt een reden om de onrust te verjagen? Het feestelijke van de ontvangst is mislukt - de verwachting bedrogen en met niets meer weg te praten, want men staat opnieuw voor het onzekere en weeral beginnen de gissingen in 't blinde. 't Krijzelt2 in mij van spijt, - hoe stom toch dat een kleine onoplettendheid in staat is alles in de war te sturen. En welk een zotte inrichting die u noodzaakt door 't nemen van zulk een kaartje, om over Utrecht in Amsterdam te komen in plaats van over Den Haag?...

Nicht raisonieren Kamerad... Maar als mijn telegram hen dan toch eens op tijd had bereikt? Er bleef mij nog altijd die kleine kans; - misschien kwam alles nog wel terecht? Een flauwe hoop, een gunstig voorgevoel, een tweestrijd hield me bezig: zou ik bekende wezens vinden bij mijn aankomst - blijde kinderstemmen horen en zouden we opgetogen samen door de stad naar huis trekken?... of zou ik er alleen en verlaten staan en op mijn eentje de weg moeten zoeken? Zogauw zou het lot beslissen, want de gloeilichten glommen veelvuldig in de verte en de huizen reekten3 aaneen waar we voorbijreden. Andere treinen kruisten langs de baan en ik kon de drukte raden der grote stad waar wij binnenliepen.

Het W.P.-station is er eigenlijk geen, want al wat ik ervan te zien kreeg was niets dan een open hangar of grote

[p. 309]

loods waar het vreselijk in tocht en waar men zonder overgang of enig afsluitsel, buiten op een open straatplein terecht komt. Het spaarde mij de moeite om in een afwachtende menigte te zoeken en ik was medeen1 van de twijfel en de hoop ontdaan hier iemand te ontmoeten. Eer ik het wist stond ik in het stadsgewoel gemengd, verloren in de menigte, wat verbijsterd door het al te hevige licht dat weerkaatste in de plasseltjes2 en de natte kasseien3 van het grote, ruime plein waar de electrische trams uit alle richtingen aankwamen en heengleden...

Ik stond er dus wel alleen, maar in plaats van te weeklagen en te zuchten zou ik maar trachten zo gauw mogelijk aan te komen waar ik zijn moest.

In mijn geheugen huisde er iets van een vage herinnering aan het barse en norse van de Hollandse politieman - een ondervinding die ik hier voortijds eens moest opgedaan hebben en me nog altijd onvriendelijk gestemd hield tegenover de hollandse schabletters4. Nu wilde ik eens van de gelegenheid gebruik maken om te weten of het met de oorlog niet veranderd was; - ik wilde aan den lijve ondervinden wat er waar was van die zogezegde voorkomendheid waarmede de Belgen overal behandeld werden. Ik stapte dus maar recht op mijn man af en met een tikje aan de boord van mijn pet, vroeg ik in plat Westvlaams: welke lijn ik nemen moest om 't gemakkelijkst op de Keizersgracht te komen?

- Waar ergens? Welk nummer moet u wezen?

Ik zag dat mijn gewestspraak haar volle uitwerksel had. Met de meeste gedienstigheid werd mij alle uitleg gegeven zodanig dat de politieman zijn post verliet om me op de aangewezen tram te brengen en met een militaire groet en een glimlach waar de hartelijkheid doorstraalde, van mij afscheid nam. Dat was mijn eerste verwelkoming in het gastvrije Amsterdam; - die beschouwde ik als een goed voorteken. Bij een aankomst kan een eerste ontmoeting op het vreemde, een mens ineens opbeuren of teneerslaan. Ik was er dus heel gelukkig mee en ik houd het gebaar van de

[p. 310]

Amsterdamse agent met de uitdrukking van zijn vriendelijk gelaat, in het hoekje van mijn goede herinneringen geborgen.

Van op mijn propvolle tramwagen die mij door de drukte der straten veilig heenvoerde, kon ik al merken dat hier ook oorlogsstemming heerste. Het geroep der krantenventers, de uitstalling aan de winkels waar een nieuwsgierige menigte te kijken stond, de reusachtige landkaarten met de dubbele strijdlijn van het west- en oostfront, de vele spotprenten en oorlogstaferelen, - dat alles gleed in een zwong1 als een futuristisch schilderij, aan mijn verbaasde blik voorbij. Op het voetpad, in de tramhuisjes, overal, waren de lezers verdiept in hun dagblad; men voelde de koorts der gespannen belangstelling in de wereldgebeurtenissen. Hier bij de mensen die zelf in veiligheid waren, heerste dezelfde spanning om tot in de minste bijzonderheden de ontknoping te volgen van de gruwelijke mensenmoorderij. Ik voelde 't aan mezelf, hoe ik, met 't kanongedaver nog in de oren, en van de oorlogslucht doordrongen, ik die in één vaart van dicht bij de strijdlijn kwam, hier zou aangekeken worden en opzien moest verwekken, hadden de mensen het maar kunnen raden aan mijn wezen2... Van eerstenaf merkte ik dat de bevolking hier feller onder de indruk stond dan wij die aan de verschrikking gewend geworden waren, omdat wij ze van dichtbij hadden gezien en meegeleefd. Ik was er geenszins op gesteld hier het belang van het publiek gaande te maken, integendeel, want ik had al mijn aandacht gespannen om het stadsbeeld die avond zo volledig mogelijk in me op te nemen en gauw aan te komen waar ik zijn wilde en verwacht werd. En nu wist ik eigenlijk nog altijd niet waar ik mijn huisgenoten moest gaan vinden.

Uit de brieven had ik wel vernomen van een 80-tal vluchtelingen die bij de uitgever L.J. Veen, beneden gehuisvest waren, en er ook enkele bij hem boven woonden, maar of het bij hem aan huis was of in het oude huis dat hij onlangs verlaten had, of op een der verdiepingen van zijn kantoor...??? Ik wist niet beter of dat mijn vrouw zich tot

[p. 311]

hem had gewend om een geschikte woonplaats te vinden met het inzicht ergens afzonderlijk te kunnen wonen, waar zij haar eigen pot kon koken en haar eigen levenswijze voortzetten. Hoe dat nu uitgevallen was en waar op een van deze drie plaatsen zij verblijf gekozen had, wist ik geenszins. Daarom besloot ik maar best te doen op inlichtingen uit te gaan naar het kantoor. Het was echter na kantoortijd toen ik daar aankwam en ik vond er alleen nog een loopjongen die aan 't opruimen was en gereed ook te vertrekken. Baas en bedienden waren er niet meer en ik vernam algauw dat hier in heel het gebouw geen vluchtelingen gehuisvest waren. Toen juist bracht men daar het telegram binnen dat ik uit Tilburg verzonden had en dat ik nu zelf kon meenemen.

Het kan een mens soms raar vergaan met zijn gewaarwordingen. Als men na veel last en moeite en tegenslag, op het punt is te bereiken 't geen men zo angstig begeerd heeft en de wens en 't verlangen staat om verwezenlijkt te worden, gebeurt het dat men dat verlangen en het ongeduld en de gejaagdheid plots voelt wegvallen alsof men stond voor iets dat heel gewoon is. Naarmate men het doel of de verwezenlijking der begeerte ziet naderen, vervalt ook de reden der onrust en de gejaagdheid. Zo moest ik het ondervinden terwijl ik met de jonge bediende die mij naar zijn meesters huis zou brengen, door de stad liep. Die laatste tegenslag waardoor het weerzien nogeens was uitgesteld, wekte in mij geen ontgoocheling of wrevel; ik liet het nu maar gaan gelijk het kon. Ik was alleen maar bezig met de vraag: in welke omgeving zal ik vrouw en kinderen weerzien? Zal er niet te veel drukte mede gemoeid zijn? Alle gejaagdheid en ongeduld echter waren weg - een uur vroeger of een uur later, wat kon het toch eigenlijk geven als men aangeland is? Ik vond het alleen vervelend straat in en straat uit te moeten lopen zonder te weten waar en wanneer men er zijn zal; - telkens als men verwacht te mogen stilhouden aan een zekere deur met een: 't is hier en dat men altijd maar voort verder lopen moet, nieuwe straten in die wanhopig lang schijnen. En dan komen er plots weer van die ongeduldsvlagen bij 't bedenken dat men ginder opgewacht wordt, dat men er nog altijd in 't onzekere gissingen

[p. 312]

aan 't maken is over het onberedende1 uitblijven; - dat er lastige stonden voorbijgaan terwijl men zich martelt met zotte veronderstellingen over ingebeelde ongelukken ... dat men er eindelijk de moed verliest en alle hoop opgeeft en berusten gaat in de ontgoocheling met de zekerheid dat 't verlangen toch niet zal vervuld worden. Wat men zich al opwindt en toestanden inbeeldt... Middelerwijl2 was ik maar aldoor aan 't gesprek met de gedienstige jongen die mij zover op de weg bracht, en nog wel over de onverschilligste zaken.

't Geen ik hier opschrijf is nog maar enkele dagen geschied, men zou denken dat het levende vers3 in 't geheugen ligt omdat het zulke sterke indruk heeft gemaakt - en toch moet ik me goed bedenken om me te herinneren hoe alles gegaan is... Het staat me voor als een gebeurtenis uit een sprookje; - ik het me maar blindelings leiden, zonder - dat ik nadacht hoe het zou aflopen, met de gelatenheid om effenaan4 de dingen te nemen gelijk ze zich voordeden.

We waren aangekomen in het nieuwe stadsgedeelte - ik verkende mij aan het Concertgebouw, de IJsclub; - verder was het de duisternis, waar alle lichtpunten ophielden - de onbebouwde en onbewoonde uitgestrektheid dus - het einde. Hier ergens moest het dus wel zijn, want verder kon het niet.

Het huis waar de jongen aanbelde stond in de duisternis doch ik kwam in een hel verlichte vestibule ingericht als de ingang van een modern, groot hotel, met concierge, poortier, telefoon enz... Een jongen in livrei bracht mij in de lift naar boven op een andere vestibule, drukte er op een electrische deurknop en, na een militaire groet, verdween met zijn lift weer in de diepte.

Op de stond ging de deur open en ik werd er door een jonge juffer met verukkelijke gulheid ontvangen en verwelkomd. Hoe ze mij verkende of opwachtte was mij een raadsel. Met een spontaan gebaar echter, vatte zij mij bij de hand en, als de fee uit het sprookje, leidde ze mij opgetogen

[p. 313]

verder, zonder me maar gelegenheid te laten me te ontdoen van pet of regenjas. Eer ik al bekomen kon uit de verbazing stond ik te midden een ruim salon waar het overvloedige licht mijn blik verbijsterde zodat ik op de stond niemand verkende van al de aanwezigen die me daar opwachtten.

't Geen volgde is heel gauw beschreven. Men stelt zich voor dat het iets heel omslachtigs worden moet, en integendeel, in twee minuten is het afgelopen. Ik weet alleen nog dat ik een stonde gevreesd heb niet recht op de benen te zullen blijven - zodanig werd ik bestormd en ik kan niet zeggen met hoeveel er me ineens aan de hals hingen die trokken om me op de grond te krijgen.

Als we al kalm neergezeten waren, en de thee al geurig in de kopjes te dampen stond, ontdekte ik nu nog mensen die ik vergeten had te groeten - zo ordeloos en tegen alle regels in, geschiedde de plechtigheid van het weerzien. Van 't geen ik me had voorgesteld dat er na de eerste uitbundigheid, een kalm relaas volgen zou waar ordelijk en punt per punt, we elkaar alles zouden mededelen en aanhoren wat er gebeurd was, kwam er ook niets terecht. Het was ook al een wonder ogenblik, want ik viel hier te midden van het kinderfeest en ware ik een half uur vroeger gekomen - was het niet van die fatale vergissing met de trein, - dan had ik Sinterklaas hier in hoogst eigen persoon ontmoet. Nu was mijn eerste werk om de geschenken te bewonderen en tot mijn vreugdige verbazing moest ik ondervinden dat de heilige kindervriend me ook indachtig was geweest.

Nooit gelijk dat eerste half uur heb ik zo genoten om veilig en warm neer te zitten in gezellige kring, waar men niet anders ontwaart dan welgezindheid, - als alle verlangens voldaan zijn, zodat geen enkele gedachte nog uitstraalt in de verte, maar integendeel, alles samengetrokken blijft en verinnigd in de nauwe kring door 't licht van de kroonluchter beschenen en door de wanden van de kamer omsloten. Voor ernstige mededelingen en beschouwingen was er nu tijd noch gelegenheid; - hoeveel aangenamer was het en beter nu maar te luisteren naar het ijdel gesnater der kinderen die vrolijk en opgetogen hun gang gingen alsof ze in 't aards paradijs waren bezig geweest. We waren ten andere op dit ogenblik te zeer ontheven van 't geen ons niet

[p. 314]

persoonlijk aanging, - te weeldig1 met ons samenzijn; - het gesprek diende voorlopig maar als afleidsel, iets voor de vorm, omdat het zo hoort en er altijd veel en vlug gepraat wordt in opgetogen gezelschap.

Onder de ontroerendste gewaarwordingen die mij op de eerste stond van het weerzien 't meest getroffen hadden en mij 't onderscheidelijk gevoel gaven waar vreugde en wee gemengd schenen, was er de indruk of 't vermoeden namelijk dat vrouw en kinderen van mij vervreemd waren, - dat er door 't verblijf in het vreemde land en in de nieuwe omgeving, iets van hun aard was weggevallen dat onherroepelijk verloren zou zijn. Op de stond2 gaf ik mij al evenwel3 rekenschap van de oorzaak die het vermoeden bij mij deden ontstaan. Mijn vrouw zag ik voor 't eerst met dat nieuwe kleed dat ze zich hier had moeten aanschaffen... en Paul en Paula die met de kinderen van hun gastheer nu twee maanden lang hadden omgegaan, spraken het zuiverste Hollands, alsof ze hier waren geboren en grootgegroeid. 't Was danig lief om horen en toch was 't mij een onaangename verrassing, omdat ik op die stond bevroedde wat het aan moeder en kinderen gekost had eer ze zich dat vreemde hadden aangepast. Wat zullen ze al gezucht hebben en geweend om 't geen ze gedwongen verlaten hadden en 't geen de weeldeomgeving, de liefderijke genegenheid van gastvrouw en vrienden hen hier niet geven kon...

Even gauw echter was alle gevoelerigheid weggevaagd door 't gedacht: dat men nu alle wee en treurnis in de gezamenlijke beker bij de oorlogsrampen storten moet en dat wij in elk geval de grote bevoorrechten zijn die niet uit nood, maar veeleer uit voorzichtigheid onze voorzorgen genomen hebben.

Die avond stond er mij nog iets te wachten dat ik me lange tijd had moeten ontzeggen en schier vergeten was: het slapengaan der kinderen. Het hartelijke afscheid, de plotse overgang van de druistigheid4 en 't geweld naar de rust en de stilte - nadat alle verlangens voldaan zijn, alle lusten uitgevierd en ze moe en afgemat, begeven met de

[p. 315]

uitdrukking der onschuld op 't gelaat en 't vertrouwen in de goedheid aller dingen in het hart, zich neergevleid hebben met de hoop op nieuwe vreugd voor morgen. Hoe schoon toch een slapend kind kan zijn op wiens wezen de straal van 't geluk verspreid ligt!

Lange tijd zaten we daarna getweeën nog vertrouwelijk te praten op de rand van het bed en ik weet nog hoe het me opviel hier kennis te maken met al die vreemde dingen op de kamer waar mijn huisgenoten lang vertrouwd mee waren... 't is alsof ik een hele tijd niet meegeleefd had en ik nooit meer op de hoogte zou kunnen gebracht worden van 't geen in mijn afwezigheid was gebeurd. Maar met die beschouwingen werd de vermoeidheid me de baas. Ik had inderdaad een zware dag achter de rug - ik was als de reiziger die afgemat van het dompelen1, zich neerstrekt met 't goede gevoel van aangekomen te zijn en nu genieten mag van een welverdiende rust.

6 december.

Die rust had ik me voorgesteld als iets heerlijks, die hierin zou bestaan: enige dagen gezellig samenzijn, kalm in ons eentje zitten praten en vertellen en vernemen alles wat we van weerkanten in onze afwezigheid ondervonden en beleefd hadden; - bergen nieuws hadden we ondereen te verleggen. Verder wat wandelen, vrienden opzoeken, en met de kinderen bezig zijn. Men had er hier echter anders over beschikt. Van die eerste zondagmorgen herinner ik me alleen nog het heerlijke winterzonnetje en een fijne, doorzichtige mist die als een zilvergaas over de Amsterdamse grachten hing; 't overige was heel en al rumoerigheid en drukte. Buiten mijn wil en weten om, waren schikkingen genomen, eenthoeveel2 kennissen en vrienden van mijn aankomst verwittigd, met 't gevolg dat de twaalf uren van deze eerste dag en de volgende ook, ingedeeld werden als op een programma, met de aanwijzing hoe elk uur te gebruiken was. Op 't vreemde3 laat ik maar altijd begaan en stel me liefst onder voogdij van al wie 't maar

[p. 316]

op zich nemen wil de zaken te schikken als ik dan maar de verantwoordelijkheid ontgaan kan voor mislukte bezoeken en vergeten afspraken en er vermeden wordt dat er twee of meer dingen op 't zelfde ogenblik moeten geschieden.

Op de omgeving maakte ik een beetje de indruk alsof ik uit een wonderland kwam en heel gewichtige tijdingen had meegebracht waardoor ik iedereen moest te woord staan. Van mijn kant, voelde ik mij nog altijd als iemand die verbijsterd is door een te felle lichtschijn, bedwelmd door te veel gerucht en beweging, - werkelijk als iemand die een hele tijd onder de grond heeft gewoond. Rechts en links antwoordde ik er maar op los, ging waar men mij gaan deed en zag altijd maar andere mensen - iets lijk in voortdurende audiëntie. De overgang van de eenzaamheid naar die drukte was te groot en ik had geen tijd tot nadenken, zodat ik me in die felle opschudding, ineens weer wakker voelde en mens worden. 't Geen aan mij voorbij ging, geleek aan de beelden op een schijverende1 film - telkens waren het andere wezens, andere karakters, andere overtuigingen in andere toestanden en omgeving - altijd maar bezoeken krijgen en bezoeken afleggen... tot we eindelijk weer in de huiselijke stemming gerochten en kindervreugd meemaken konden. De vele vrienden hier hadden er voor gezorgd dat Sinterklaas zijn geschenken niet al in één en dezelfde plaats had neergelegd; - het werd iets als een ommegang2 en wat een blijde verrassingen telkens voor de kleinen en wat een ontdekkingen van aandoenlijke genegenheid voor ons; - meer voorwaar dan men denken kan.

7 december.

Bij 't begin van deze reisbeschrijving zocht ik naar een titel om dat afzonderlijke hoofdstuk een naam te geven. Ik had het eigenlijk maar moeten noemen: ‘De veropenbaring’, want een veropenbaring was het waarlijk voor mij. 't Geen ik zelf te vertellen, zelf meegeleefd had en ondervonden, verzonk alles in het niet, vergeleken bij 't geen ik

[p. 317]

hier vernemen moest en anderen beleefd hadden. 't Klinkt een beetje gek, maar 't onwaarschijnlijkste is aan te nemen in oorlogstijd - altijd zeker is 't dat ik naar hier om nieuws moest komen ook over 't geen in mijn omgeving gebeurd was en voorgevallen. Van 't geen ik vroeger geschreven heb zal ik veel hoeven uit te schrappen, want nu moet ik bestatigen1 veelal gehandeld te hebben als een blinde in de beweging, als een dove in 't gerucht - 't zijn mijmeringen van iemand die onder de grond heeft geleefd en als zulkdanig zijn ze dan ook maar als rariteit te beschouwen, bij al het ongerijmde dat de oorlog heeft teweeg gebracht.

Vooreerst kreeg ik hier het volledig relaas van mijn vrouw, hoe zij, na haar afscheid de zesde oktober, uit Vichte in Gent was aangekomen en daar met twee kinderen en beladen met pakken en koffers, op een bestormde trein was gerocht om in Brugge aan te landen, waar zij juist de zegevierende intrede der Engelse troepen hadden bijgewoond - een onvergetelijke gebeurtenis - die echter opgevolgd was door een lamentabel schouwspel: de aftocht van het Belgische leger, afgemat en ellendig... op de hielen gevolgd door de Duitsers... Met, als gevolg, een algemene schrik onder de bevolking, de vlucht en zij ook met de kleinen en mijn broer als leidsman, de lange lijdensweg te voet, over Damme naar... Sluis. Het schouwspel van al die ellende, vermoeienis, honger, koude, onder die tienduizenden vluchtelingen, waar iedereen overdaan door angst, zijn eigen wegen zoekt en een onderkomen voor de nacht;... het gekerm en geween van kinderen in die ijselijke verwarring, heel het kleine stadje door, alle huizen vol niet alleen, maar het ruim der schepen, schuren, hoeken en straten, alles vol met stro - als een stal waar rijk en arm dooreen aan dezelfde ontbering was blootgesteld. En dan 's anderendaags, na die gruwelijke nacht, het vechten om op een tram te komen, het zoeken en afhandelen met een voerman, om in Breskens te geraken; de overvaart naar Vlissingen op een propvolle boot; en hier weer alles verwarring, ellende en gebrek... Hoe zij dan verder op de trein gerochten die 't noorden instoomde en hen tegen de avond in Amster-

[p. 318]

dam bracht, waar alles uitstekend was ingericht om de verdwaalde vluchtelingen te ontvangen en te herbergen. Wat er op die tocht is geleden geworden, wat een schrikbeeld van ellende en droefheid het geweest is, - de duizenden die het meegemaakt hebben, zullen het nooit kunnen vertellen - zij houden het bij als een visioen uit voorhistorische tijden, toen de wereldcataclysmen hele bevolkingen op de loop dreven en vernietigden.

Hier dus heb ik voor 't eerst kunnen beseffen wat het geweest is die mensenstroom die over Holland gevaren is als een reusachtige zwerm; - en hier ook kon ik eigenlijk waarderen 't geen Holland in een spontaan gebaar van hulpvaardigheid, voor ons arme landgenoten heeft gedaan toen het door die zee van ellende werd overstroomd. Ik veronderstel dat die duizenden die hier geholpen werden, het voor de wereld getuigen zullen en dat de dankbaarheid en erkentelijke genegenheid, zo duurzaam en onuitwisbaar zijn zullen, dat de herinnering aan dit feit alleen, de onverbrekelijke toenadering tussen Holland en België, voor altijd zal teweeg gebracht hebben; - een toenadering die ontstaan is buiten alle diplomatieke inmenging.

Uit het kwaad komt er altijd toch enig goed. - Het schouwspel van dat onzeggelijk wee heeft bij de Hollanders een onbeperkt medelijden gewekt en een toewijding en edelmoedigheid, waarvan zeker weinig voorbeelden in de geschiedenis zijn aan te halen; maar buiten en boven die schone toewijding, acht ik evenzeer 't geen ik nu reeds als het blijvend uitwerksel1 van die ontmoeting noemen zal, te weten: een verinniging en oprechte en diepe genegenheid die de toenadering een edel karakter zal bijzetten. Van weerskanten voelen wij nu beter de verwantschap die ons samenhoudt. En hoe deugdelijk en ontroerend bij ons vooral, is het gevoel dat we uit die ondervinding opdeden: als men in 't ongeluk en de ellende verkeert, dat men hulp en redding en een toevlucht vinden kan bij het broedervolk dat door 't noodlot van de rampen gespaard bleef. Iedereen in 't bijzonder en allen in 't gemeen zullen wij, Zuid-Nederlanders indachtig blijven wat de Noord-Nederlanders voor

[p. 319]

ons gedaan hebben en wat wij hun verschuldigd zijn. De geschiedenis van dees tijden die zwart ziet van de onmenselijkheid, zal toch een glorierijke bladzijde van verheven naastenliefde aan Holland te wijden hebben.

Waar ik nu eigenlijk over mijn persoonlijk geval zou moeten handelen en mijn plicht van dankbaarheid tegenover mijn weldoeners openlijk uitspreken, kom ik voor een moeilijk stuk te staan. Vooreerst is 't de ontroering die me aarzelen doet bij 't gedacht aan 't geen ik er ondervonden heb; - de vrees ook dat ik door onbescheidenheid, iets van de kostelijkheid en de schoonheid der edelmoedige vriendschap zou schenden en te niet doen als ik namen en zaken ga noemen voor de wereld. In ongeluk en tegenslag, leert men zijn vrienden kennen, en dat was voor mij weeral een... veropenbaring. Het is een heerlijk gevoel te ondervinden dat men vrienden heeft op wie men rekenen mag en die het als een geluk beschouwen in de gelegenheid te zijn hun genegenheid te kunnen bewijzen. Ik heb alle reden te vermoeden of wij onze vrienden misschien een grote dienst bewezen hebben met de aangeboden gastvrijheid te willen aanvaarden? 't Geen in zulke voorwaarden geschonken wordt kan men geen onderstand noemen of hulp en er kan ook geen kwestie zijn van verplichting of schuld; - zulke ontmoeting verinnigt de vriendschap gelijk geen andere het zou kunnen - zij laat een verrukkelijke herinnering als de vreugd van een verheven schoonheid die eeuwig in ons bezit zal blijven. Een kostelijkheid die we meedragen door 't leven - iets waaraan men veel denkt, maar waarvan men weinig spreekt, omdat men het gevoel niet in zijn waarde kan uitdrukken.

Veropenbaringen van alle andere aard kreeg ik hier t' allen stonde1. Er waren vooreerst de dagbladen die mij een ruimere blik gaven over de algemene toestand en waaruit ik de stemming kon nagaan die de oorlog onder de gemoederen had gewekt. 't Geen mij hierin bijzonderlijk trof, was de algemene verontwaardiging om het brutale optreden van Duitsland tegenover België. Onder de Hollanders waren er die zich voor, anderen die zich tegen

[p. 320]

Duitsland verklaarden, maar geen enkele heb ik aangetroffen die niet ten volle zijn sympathie uitsprak en zijn bewondering voor de Belgen. De rampspoed en het lijden hadden allerwegen de genegenheid verwekt voor onze landgenoten. Op 't vreemde eerst wordt men gewaar hoe gevoelig men is voor deelneming in onze ellende en belangstelling in ons ongelukkig lot. Meer dan eens betrapte ik mezelf dat ik ging toegeven aan weemoedigheid, alsof de deelneming aan mij persoonlijk was gericht.

't Wonderlijkste van al: dat ik hier moest komen om nieuws te vernemen over mijn eigen streek; - dat ik hier eerst te weten kwam wat er vlak in mijn buurt gebeurd was. 't Schijnt ongelooflijk, dat ik niets wist over de toestand van Ieper en de schrikkelijke ramp die onze schoonste stad van Vlaanderen getroffen had! Men moet in een onzijdig land zijn, waar iedereen zijn vrije mening uitspreekt, waar men alle dagen de uitvoerige beschouwingen krijgt over elke gebeurtenis, om te weten wat een oorlog is. Van hieruit eerst, kan men overzien de eindeloosheid der verschrikking die over de wereld gekomen is. Op een bekwame afstand krijgt men doorzicht genoeg om de slagvelden te overschouwen met de gruwel van brand en bloed en vernieling. Ginder in de nabijheid, vlak achter het front, zitten wij als krijgsgevangen zonder te weten wat er in onze omgeving gebeurt, tenzij 't geen wij vernemen al1 de ene kant door de gecensureerde ‘mededelingen’, dat is de eentonige opsomming van veroverde loopgraven, en tienduizendtallen krijgsgevangenen... en van de andere kant: 't geen er op klandestiene manier als nieuws van over 't front komt en uit vliegtuigen wordt neergeworpen -: 't formele bericht van een onmiddellijke doorbraak en de algehele verlossing. 't Zal niemand verwonderen dat men het ene betwijfelt gelijk het andere als ons vertrouwen zo op de proef wordt gesteld.

De dreun van het aanhoudend zwaar geschut zelfs kan ons geen indruk meer maken want de uitwerkselsel wierden we er nooit van gewaar ... De lucht schijnt verstard die wij inademen - wij hebben nergens een erkenningsteken

[p. 321]

waaraan wij de leugen uit de waarheid onderscheiden kunnen en zo komt men stilaan doch onvermijdelijk, tot een geestelijke apathie waar alle redenering en oordeelkundig doorzicht stopgezet wordt.

Het is niet te zeggen welke geweldige indruk het op mij miek toen ik voor 't eerst de platen van Ramaekers te zien kreeg die hier overal aan de vensters der boekenwinkels ten toog1 lagen. Spotprenten mag men ze niet noemen, ze zijn veelmeer de samenvatting in beeld van de tragische verschrikking der gebeurtenissen van onze tijd. Ik wist aleens niet dat er iets van die aard bestond - een veropenbaring weeral. - En ik ben zeker dat er ginder thuis, in het bezette land, waar het leven zo goed en zo kwaad zijn banale gang gaat, niemand aan denkt de zaken van uit zulk een hoogte op te vatten. Nu eerst voel ik wat het te zeggen is om van alle geestesgemeenschap afgesloten te leven terwijl over het lot van uw land, uw volk en uw leven beslist wordt. Het is alsof er een stolp gebroken werd die mij ineens het uitzicht over de wereld weer opent!

8 december.

Van Amsterdam heb ik altijd heel veel gehouden, maar nu ben ik er waarlijk verliefd op geworden. Ik aanzie het als de schoonste stad der wereld. Vroeger kende ik ze alleen uitwendig en ik kreeg er altijd de historische indruk van 't geen ik aanzag als de aard van de Hollandse ziel en gemoed. Nu ik hier verblijf met al mijn huisgenoten, voel ik er mij ingeburgerd als een vaste inwoner en nu heb ik ook gelegenheid het ‘inwendige’ van Amsterdam te leren kennen. Nu met de oorlog, is er iets heel bijzonders -: 't is alsof er een groot deel van Vlaanderen hier ware overgebracht - men voelt er zich thuis als in een stad van 't Vlaamse land, midden onder bekenden. Er heerst hier iets als een congresstemming - een stille opgetogenheid onder de bevolking en overal vriendelijke tegemoetkoming... en vertrouwelijkheid in de omgang. Er zijn inlichtingsburelen voor Belgen, speciaal Belgische nieuwsbladen, tentoonstelling van Belgisch schilderwerk en een aantal Belgische dingen

[p. 322]

meer. En 't geen de illusie volledigt, 't is dat men overal en op 't onverwachts altijd nieuwe landgenoten en vrienden en kennissen ontmoet. Ge gaat over straat, ge zit in een koffiehuis, in 't station, het theater, ge ziet er bekende wezens en niemand die zich verrast toont of verwondering gebaart1 u hier te ontmoeten; 't is alsof het zo afgesproken was en men van elkanders aanwezigheid wist. Het raadsel werd me eerst later opgehelderd: ja, 't waren de inlichtingsburelen die er voor zorgden dat iedereen hier van malkander wist zelfs eer men iemand had ontmoet; - men heeft er inderdaad maar de lijsten der vluchtelingen na te gaan om precies te weten wie hier aangekomen is en waar hij verblijft - alles is hier inderdaad zo goed en zorgvuldig ingericht dat niemand er kan verdoold lopen.

Telkens men een kennis ontmoet is het weer een vertrouwelijke mededeling van gevaarten2, toestanden en verwachtingen...

En dezen die ik niet ontmoette kwamen me opschellen aan de telefoon zodat ik er geen ogenblik met rust gelaten werd; - dat is de schuld van die goede inrichting die, benevens haar uitstekende voordelen, ook haar ongemak meebrengt.

Voor vandaag had ik een uitnodiging van Frans van Cauwelaert om hem een bezoek te brengen in Scheveningen waar hij zich gevestigd heeft.

In Den Haag trof het mij zoveel Belgen te zien en naar het me scheen, vooral Brusselaars en Walen. Ik heb kunnen merken dat zij er 't leven al de schone kant nemen en er openlijk goede sier maken, alsof ze er maar voor hun plezier waren uitgetrokken. Bij mezelf miek ik de beschouwing over de gevolgen van die... uitwijking; - welke indruk het Haagse leven maken zou op mensen die nooit vermoed hadden dat er nog een andere beschaving bestaan kon dan de Franse?... Zouden die tijdelijke landverhuizers nu niet inzien dat de Vlamingen ook recht van bestaan hebben aangezien er Nederlanders zijn die een eigen beschaving bezitten en het heel goed gedaan krijgen zonder de Franse?? Zou de oorlog nu misschien dàt goede gevolg voor ons

[p. 323]

hebben: dat er tussen België en Holland een ware en blijvende toenadering ontstaat, buiten de letterkunde en Vlaamse beweging om??...

Langs de eenzame Scheveningse weg ontmoette ik een stoet Hollandse artillerie; - hier in de verlatenheid van het stille winterlandschap, kon dat militaire vertoog1 niets anders dan een parade-indruk op mij maken. Alles was met de soldaten in de beste orde, en toch zag men het hun aan dat het geen ernst was - dat het maar een wandeling gold en dat ze niet naar het slagveld trokken; - het leek me veeleer een ontwerp voor een Hollandse schilderstuk, in die omgeving gezien.

De badstad zelf was doods en verlaten, - geen mens aleens2 aan wie men de weg vragen kan.

Bij Van Cauwelaert wachtte mij het vriendelijkste onthaal en een boel openbaringen van heel bijzondere aard. Aan tafel liep het gesprek vooral over de gebeurtenissen te Antwerpen, over de toestand der regering, over onze soldaten in de interneringskampen en over de vele bezigheden waarmede onze volksvertegenwoordiger en Vlaamse leider hier de handen en het hoofd vol had. Frans van Cauwelaert had hier een drukke werkkring gevonden en hij was overtuigd dat hij zich hier langs alle kanten verdienstelijk en nuttig maken kon. En toch was het tussen zijn woorden te raden dat hij spijt voelde en het betreurde niet in het vaderland te kunnen blijven. Hij had het langs alle kanten beproefd om terug te keren, maar al zijn vrienden hadden het hem ontraden, met de bewering: dat de doodstraf hem te wachten stond: men had zijn naam gezien op de zogenaamde zwarte lijst.

Ik kan niet nagaan voor hoever die bewering gegrond is - het valt mij op dat die zwarte lijst hier zulk een grote rol speelt. Iemand die uit het bezette land komt doet hier in elk geval de ondervinding op dat de gevluchte Belgen die hier anders in volle veiligheid leven, banger zijn dan wij die ons vlak achter 't front bevinden en aan 't gevaar zijn blootgesteld. Bij al de gevluchte Belgen die ik hier ontmoet, zit er de schrik nog in die hun bijgebleven is uit de eerste dagen

[p. 324]

der algemene opschudding. In een ogenblik dat de vrees al de gemoederen bemeesterd had, hebben zij toegegeven en, met of zonder reden, zijn zij gevlucht; - niemand zal het hun kwalijk nemen dat een ieder zijn eigen geval nu tracht belangrijk te maken, ware 't maar niet dat men hier over 't algemeen wil doen aannemen: dat iedereen had moeten vluchten en dat 't een soort minderwaardige vaderlandse Belgen zouden zijn die thuis bleven. Zo is 't dat iedereen hier dus op de zwarte lijst staat, ofwel hij heeft Duitse spionnen doen aanhouden of hij vreest vervolgd te worden om 't geen hij gezegd of geschreven heeft tegen de Duitsers. Allen om 't even lopen ze over van uitzinnige haat en verachting tegen al wat Duits is; zodat zij niet kunnen begrijpen of aanvaarden dat er maar een Belg - qui se respecte - in het bezette land kan blijven zonder op de Duitse soldaten te spuwen en te schelden. Er zijn er onder hen die menen dat wij onze plicht niet doen van vaderlander, als we, al naar de gelegenheid zich voordoet, elk zijn man achter een hoekje niet kort en klein maken! Er heerst hier waarlijk zulk een opgewonden stemming; het doet me denken aan de mussen die ‘dief, dief’ roepen naar de kater die onder de boom te blekken1 zit omdat hij het stoute gebroed niet grijpen kan. Ik voorzie dat er veel misverstand ontstaan is en het lange tijd zal duren eer het geschil bijgelegd is tussen de Belgen die gevlucht zijn en dezen die in 't land bleven. De gemoedstoestand bij de twee soorten is totaal verschillend; ze zoeken ten andere niet elkaar te begrijpen integendeel, elk van zijn kant beweert volgens zijn plicht gehandeld te hebben... Als ze 't van elkaar maar wilden aanvaarden, maar dezen die gebleven zijn worden verdacht om te weinig vijandschap te tonen tegenover de overweldiger; en dezen die gevlucht zijn, scheldt men voor lafhartigaards2 omdat zij aan een ongegronde vrees hebben toegegeven en uit gemakzucht verkozen in veiligheid hun kommerloos leventje voort te zetten en hun landgenoten aan hun lot over te laten. Voeg erbij dat de oorlogstijden de geesten en gemoederen ongelooflijk opgewonden en verbitterd hebben, zodat er nergens plaats of gelegenheid

[p. 325]

is voor kalme, objectieve redenering - het schijnt een hoedanigheid die met de toestand eigen is om maar op elkaar los te donderen.

Die beschouwingen zijn me niet ingevallen onder het gesprek met Van Cauwelaert - mijn overtuiging in deze was reeds gevormd door vroegere ondervindingen - we raakten deze zaak enkel eventjes aan en begrepen elkander goed. Naderhand kwam heel natuurlijk de Vlaamse kwestie aan de beurt en er werd me o. a. medegedeeld en besproken, het voorstel en ontwerp van L. Simons om een plaats te laten en een rubriek te vormen in de ‘Nieuwe Groene’ waar de Vlamingen hun belangen zouden bespreken. Die rubriek zou staan onder 't beleid van Van Cauwelaert zelf en zou voor bijzonder doel hebben de Vlaamse krachten te groeperen en te beletten dat er buitensporigheden zouden gebeuren en moeilijkheden te vermijden... Dat ontwerp vond ik uitstekend en ik beloofde dan ook er aan mede te werken.

Aan mijn bezoek bij Frans van Cauwelaert heb ik de beste herinnering bewaard; - hij heeft op mij de indruk gemaakt van een vastberaden, moedig en oprecht regeringsman die het eerlijk meent en die in de omwenteling der gebeurtenissen, de kop gespannen houdt en in de verte ziet hoe hij 't best het goed uit het kwaad zal kunnen redden. Het heeft me deugd gedaan drie, vier uren in onderhoud met hem te zijn om onze inzichten te kunnen uitwisselen; voor 't eerst heb ik nu heel duidelijk ingezien en gevoeld dat we, met alles wat ons aanbelangt en waar we naar streven - tot 't verkrijgen van onze rechten en tot volmaking van onze aard op een keerpunt staan; - dat voor 't ogenblik alle waardegeving geheven is; - dat de toekomst voor ons is iets als een gesloten boek, maar dat we nu, meer dan ooit, voor de kans staan van: alles of niets.

Al ware 't maar om de tegenstelling te ondervinden, als ik in stad verblijf, wil ik het stadsleven meemaken. In een variété-theater kregen wij onder andere variéteiten, een onnoemlijk flauwe klucht die dan nog het mobiliseren tot onderwerp had, - 't geen naar mijn gesteltenis misplaatst scheen in deze tijd en in een land waar men al zoveel wist van de oorlogsgruwel. Verder waren er vooral de veldslag-

[p. 326]

films die veel bijval kregen. Die avond deed ik hier twee ondervindingen op. Ten eerste: dat humor een ding is vooral van lokale aard. Voor de zogezegde Hollandse moppen, bleek ik totaal ongevoelig en ik geloof wel dat men de kluchten die hier zo goed insloegen, onmeedogend zou uitgefloten hebben in een volkstheater te Brussel of te Antwerpen. - Ten tweede: ik moest hier weer ondervinden dat niets ontroerender werkt dan medegevoel door vreemden voor ons eigen lijden en ongeluk. Zolang de films voorbijschoven die betrek1 hadden op het oostelijk gevechtsterrein, was er wel belangstelling en nieuwsgierigheid bij 't publiek, meer niet; maar zo gauw we onze eigen streek verkenden2 op het doek - de verwoesting van Leuven, Aarschot, Ieper</