Volk3: Godsdienst in oorlogstijd
[Krantenknipsel]:
Kerkelijk nieuws.
Voor de vrede
Opdat wij zo gelukkig zouden wezen de zo zoete vrucht van de vrede te plukken en die alleen aan de boom van het gebed en aan het landschap [!] van het H. Sacrament is gehecht, richten de bestuurleden van het bloeiende genootschap der ‘Jeunesse Adoratrice’ een dringende oproep tot alle gelovigen opdat zij zich zouden vergaderen om de God van de vrede te smeken, hun de zo duurbare stille tijd weder te schenken. 't Is daarom dat het bestuur op donderdag 6 januari (Drie Koningendag) een diep godvruchtige en indrukwekkende plechtigheid inricht. Wij bedanken al deze die met het begin van het jaar tot de tafel van het Heilige Voedsel zijn genaderd om zich te versterken met het leven van de Zaligmaker, maar wij zeggen: ‘Uw getal moet verdubbelen en meermaals.’ En gij duurbare ouders, u ook hopen wij talrijk te zien, en gij zult onze voorsprekers zijn bij uw vrienden, opdat wij bekomen hetgeen wij naar reikhalzen, vrede door onze altaren, voor onze huisgezinnen. Dus donderdag, 6 januari zal de Z.E.H. Kanunnik Van den Gheyn, bestuurder van het genootschap, om 5 uur in de uitboetingskapel van Poortakker, Oude Houtlei 52, Gent, de gelegenheidsaanspraak houden, waarna het plechtig lof zal aangeheven worden, waaronder de schoonste muziek-
stukken van het repertorium zullen uitgevoerd, en de akte van toewijding gelezen worden.
Het Bestuur.
Volk: Eerste bekendmaking
[Krantenknipsel]:
In Belgie.
Verordening
Ter wijziging van de Verordening betreffende de verkoop van suiker en suikerbetenstroop1 gedurende het bedrijfsjaar 1915-16 van 24 september 1915 (Wet- en Verordeningsblad nr 132) wordt de hoogste prijs voor kristalsuiker als volgt vastgesteld: Kristalsuiker, grondslag 100 kg witte kontraktsuiker (sucre blanc de contrat) vrij uit fabriek zonder zak, 45 frank.
Brussel, de 23 december 1915.
der Generalgouverneur in Belgien
Freiherr von Bissing,
Generaloberst.
(Dit bevel geldt niet voor het Etappengebied.)
Vervlaamsing van de Gentse Hogeschool
Wij lezen in een Vlaams Brussels blad:
Brussel, de 29 december 1915
Van bevoegde zijde ontvangen wij de tijding, dat het vraagstuk van het oprichten van een Vlaamse Hogeschool dat na de in de Kamer van Volksvertegenwoordigers gedane voorstellen tot een eis ter vervorming van de Gentse Hogeschool in een Vlaamse geworden was, voortaan - dank zij het besluit des Heren Generaal-Gouverneurs - een beslissende stap heeft vooruit gedaan.
De Heer Generaal-Gouverneur heeft namelijk bevolen, dat in de begroting van het jaar 1916 de sommen worden opgenomen, die voorhands nodig zijn, om de vervorming van de Gentse Hogeschool in een Vlaamse in de hand te nemen. Verder zullen de voor de nieuwe inrichting van dit onderwijs nodige inrichtingsmaatregelen door bevoegde mannen worden voorbereid en ter hand genomen.
Het Volk
[Krantenknipsel]:
Uit 't kortrijkse.
Weerspannige boeren gestraft. - We hebben alreeds 't een en 't ander geschreven over de boeren die weigerden hun graan aan 't Voedingskomiteit af te staan. Alle vreedzame middelen, zo van de heren van het Provinciaal Komiteit als van de gemeentebesturen, konden zekere boeren niet tot inkeer brengen en er bleven weerspannigen die in 't geheel niets willen leveren. Doch aan alles komt een einde, ook aan de koppigheid van boeren en denkelijk zullen sommigen er wel twee keren op denken alvorens in hun koppigheid te blijven volherden. Er komen immers twee boeren uit de omgeving van Kortrijk een welverdiende straf op te lopen. De eerste bekomt 100 mark boet of 20 dagen gevang, benevens verplichting een zekere hoeveelheid, graan en rogge te leveren, wijl de tweede verscheidene duizenden mark boet oploopt. Spijtig dat er eerst doortastend moet opgetreden worden alvorens zekere mensen tot redens te brengen. In alle geval een schone les voor anderen.
Het Volk
[Krantenknipsel]:
Vernietiging van Ieper.
Men meldt uit Le Havre dat de oorlogsraad, te Parijs gehouden, besloten heeft de stad Ieper te vernietigen, om oorlogskunstige redenen, en deze frontsektor aldus te gebruiken dat zijn verdedigers beter zouden beschermd zijn tegen het Duits vuur. Hetgeen van de stad nog overblijft aan kunstschatten zou naar het Petit-Palais van Parijs gezonden worden.
De plaats zou dan door de Belgen en Engelsen ingenomen worden.
schijnen in beraad en niemand durft zijn gevoelens en mening openbaar uitspreken.
Wat gaat er van onze gemeente geworden. Onlangs werd er een geweer ontdekt en duiven - twee misdrijven waarvan we de straf mogen afwachten. En nu komt men een inwoner gevangen nemen beschuldigd van bespieding...???1 Hij werd in een auto weggevoerd (op Driekoningen) en zal misschien doodgeschoten worden?
Te Avelgem richt men vlak bij de statie2 in de fabriek van Durant een munitiedepot in - 't geen de schrik brengt onder de bevolking en een menigte mensen uit de omtrek verhuizen uit vrees voor de gevolgen van een aanslag of ontploffing.
Men vertelt dat de gevechtslijn achteruitschuift - dat de staf uit Wervik naar Kortrijk verplaatst wordt - en dat we in 't operatiegebied zouden komen - met als eerste gevolg het afschaffen van de post enz.
Immer komt de kwamare3 hier en daar over de streek dat er een zoon gevallen is - het nieuws wordt verluid4 en versterft5 en niemand denkt aan de moeders die de wanhoop in 't herte dragen. Zoëven lees ik [in] de vertaling van een Chinees soldatenlied dees uitroep: Ach, der Kinder wurden wenig, und der Toden viele...
Een bezoek aan de vrienden te Oudenaarde die ik in een jaar niet meer gezien heb. Genoegelijk samen gezeten, elkaar opnieuw leren kennen (want [van] al wie men in oorlogstijd niet geregeld ontmoet, valt er op voorhand niet uit te maken of men nog met dezelfde mensen te doen heeft!) We hebben dus gedachten en meningen gewisseld, geredetwist, pijpen gerookt en Oudenaards bier gedronken en zijn tenslotte tot de beschouwing gekomen dat we na ons blamot6 gepraat te hebben, al ons
woorden voor niets dienden tenzij elkaar te overtuigen elk van zijn eigen mening, zonder dat die mening iets aan de daadzaken kon veranderen. Ik beklaag de mensen die het als een gewoonte en noodzakelijkheid hebben aangekweekt om maar alle avonden diezelfde inspanning te doen en al hun verstand en spraakvermogen uit te stellen om maar altijd die mening met drift te herhalen - en onder vrienden te twisten. Er zijn mensen tegenwoordig die menen dat ze 't lot van hun vaderland op de schouders dragen en het van hun uitgesproken overtuiging afhangt of de vijand zal verpletterd worden. Het is toch eigenlijk niets anders dan een ingeboren onschuldige aandrang om gelijk te halen in 't geen men zich als een overtuiging heeft aangepast.
In Oudenaarde zijn er voor 't ogenblik 11 000 soldaten - en de houding van de burgerij is over 't algemeen uiterst op de puntjes. De schoonste, de zuiverste, de edelste maar onberedeneerde vaderlandsliefde vindt men enkel in de huisgezinnen waar er zonen als vrijwilligers zijn opgetrokken naar 't leger. 't Is alsof er iets van de begeesterende heldenmoed van de jongelingen op de overige huisgenoten ware overgegaan - of is 't een gevoel om zich op de hoogte te houden van 't geen de zoon voor 't vaderland heeft willen doen, - dat de overigen aanzet om er de moed in te houden en opgewekt te blijven en hen weerhoudt iets naar buiten te laten van de angst en de onrust om 't gevaar dat de afwezige is ingelopen? Of is het een vooruitgenomen1 deelname aan de glorie waarmede de held bij zijn terugkomst door de menigte zal ontvangen worden en befeest?! Hier ook echter ondervindt men eens te meer dat er niet alleen op 't slagveld geleden wordt en de oorlog ook zijn slachtoffers zoekt ver bachten2 't front. Ik heb de avond overgebracht3 en blijven slapen bij een vriend, in een groot huis, waar hij alleen is met zijn moeder. Zijn 3 broers, waaronder twee vrijwilligers, zijn in de oorlog en zijn zuster is in Holland. In dat grote huis hebben de Duitsers hun casino ingericht - 37 officieren komen er elke avond van 8 uur tot middernacht muziek maken, zingen en zich verlustigen. Bovendien zijn er
twee officieren ingekwartierd waarvan de Burschen1 bij de meid in de keuken bij de kachel zitten. Heel dat grote, prachtige, ordelijke huis is onderst te boven gekeerd, het hoeft niet gezegd hoe het er boven op de kamers en beneden uitziet in de veranda, de eetplaats en de bureau's die als casino dienst doen. Er is nog dit bij: die 37 officiers zijn Pruisen, ze gaan hun gang, zijn meester en baas in de plaatsen die zij voor hun gebruik voorbehouden, en hebben verder met de bewoners niets te maken. Die twee ingekwartierde officieren zijn Wurtenbergers en staan meer op vertrouwelijke voet met de dame en de heer van thuis - maar de Burschen van die officieren verklaren aan al wie 't horen wil hun minachting voor de Pruissische, Duitse beslagmakers2 en om hen de duivel aan te doen hebben ze er iets op gevonden. Terwijl het orkest in het casino de stemmingvolle gevoelerige Duitse melodieën afgeeft, zit de Bursche met een trekorgel3 in de keuken alle geweld te doen om zijn kunstbroeders te overvleugelen. Al goed en wel maar gehoord van in de plaats waar wij zitten wordt dat een cacaphonie van belang - en als ge bedenkt dat elke avond 't zelfde spel herbegint, weet ge wat het te zeggen is.
In de morgen terwijl mijn vriend nog afwezig was, opent zijn moeder haar gemoed - en als ze al het schrijnend wee heeft verkondigd in haar doodsangst om haar 3 zonen en haar dochter, en dan die soldaten in huis, en die muziek moeten aanhoren als ge de schrik in 't hart hebt, voegt ze er nog bij: maar ik houd me kloek, ik overwin het om hem (ze doelt op de enige zoon die haar is bijgebleven) niet te verontrusten - want als hij zien moest wat ik lijd, of dat ik er onder bezwijken zal, is hij in staat een ongeluk te begaan!
Zij is een toonbeeld van de bezorgde moeder, de kloeke Vlaamse vrouw - edel en heilig. Ik ben vol verwondering voor het ras dat nog zulke heldinnen heeft bewaard. En als men verder nadenkt dat er honderdduizenden moeders in 't zelfde geval verkeren!!... en voor wie 't lijden bestendigd moet blijven en de wanhoop haar de dood zal aandoen!...
De ambtelijke verordeningen worden ons nog altijd medegedeeld van op de kerksteen1, de zondag na de mis. Onder andere wetten en geboden, wordt er vandaag door de veldwachter afgelezen: dat het voortaan aan alle herbergiers verboden is op straf van 1000 mark boete, nog sterke dranken te verkopen gelijk onder welke vorm - zelfs in zoete likeur...
Er gaat een algemeen gemompel op onder de toehoorders - en daarmede is het afgelopen.
Zulke dingen geven een gedacht2: hoe de toestanden kunnen veranderen! Voor de oorlog was er de alkoolkwestie3, maar er was ook het parlementarisme en... de politiek - telkens er een eindje4 wet over 't alcoholvraagstuk moest gestemd worden - als er aan de prijs van genever of het patent-recht5 geroerd werd, wachtte men tot na de verkiezing omdat men de macht van de herbergiers ontzag en de 3 partijen uit de zaak hun profijt wilden trekken... Wat heeft6 er al niet geschreven, gejammerd, gedreigd geworden over de ondergang van ons volk door de drank!... zonder dat maar één bestuur doeltreffende maatregelen durfde nemen om de kwaal tegen te gaan! En nu wordt zonder omhaal, zonder voorbereiding, zonder parlementaire discoursen7, zonder waarschuwing of overgang, zonder naar iets of naar iemand om te zien, met één pennestreep de kwestie opgelost - en de verkoop van het nationaal vergift, verboden. En het wonderste van al: iedereen legt er zich bij neer - er wordt niet gedreigd, gescholden, gemord, geprotesteerd of zelfs gemanifesteerd, - men staat voor het feit en men neemt het aan, gelijk men zoveel reeds aangenomen heeft... Dat is de invloed van de oorlog op de burgerlijke bevolking. Ik ken de drijfveren niet die 't Duits bestuur die maatregel heeft8 ingegeven - ik zal niet onderzoeken of ze een ideale9 oorsprong
hebben of het alleen maat een maatregel is van onmiddellijke noodwendigheid - ik houd enkel aangestipt: het feit dat het mogelijk is van hogerhand zonder palliatiefs1 een kwaal weg te nemen waar iedereen het onheil van bejammerde, waar veel over gepraat werd - zonder dat het mogelijk was de koe bij d' hoorns te vatten - omdat de politiek alle doortastende handeling lam sloeg.
Kortrijk
Over de markt schijnt een zoet voorjaarszonnetje. De hele bevolking wil er van genieten en iedereen is aan 't wandelen. In de beweging overal, speiert2 hoog grijs-blauwe toon van Duitse officieren, die onder elkaar aanslaan3 en andere plechtig-ernstige, of vriendelijke beleefdheid en groeten wisselen.
Op de kiosk speelt de Duitse harmonie-kapel Wagnerse4 muziek. 't Geheel heeft een feestelijk uitzicht - maar dat feestelijke juist wekt een ongemak en een vreemd gevoel. Iemand die van de gebeurtenissen niets weet en hier vers5 aankomt zou er niets verkeerds in zien. Dat zonnetje die zondagmiddag, die kalme, bezadigde wandelaars op hun best gekleed, die muziek en die militairen in groot uniform met een paar vaandels6 op de kerktorens - 't is alles goed in éénklank - er is niets ontstemmends in en nergens een contrast. Ik tracht me aldoor maar in te beelden welke indruk dat stadsbeeld maakt op een moeder die haar zoon in de oorlog verloren heeft, en die van uit haar venster die muziek aanhoren moet, en die feestelijke wandelaars gadeslaat die genieten van het voorjaarszonnetje en van hun schone kleren...
Is 't niet precies alsof Kortrijk reeds 10 jaren veroverd was en een garnizoenstad geworden en de oorlog met al het wee, sedert lang vergeten was? Maar hoor daarginder toch, de zwaar-ernstige stem van 't kanon - amper 3 uren hier vandaan, en vliegt daar waarachtig geen oorlogs-vogel boven ons hoofd - die bommen werpen kan en dood en vernieling brengen - gelijk 't hier verleden jaar meer gebeurd is?... Verleden jaar! hoe heel anders was het uitzicht van de stad?! Hoe morsig vuil en
bespetterd1 de gevels en de vensters, - hoe leken de winkels uitgeplunderd, de woningen slordig en vervallen en 'k herinner me nog hoe ik met Viérin2, al de bakkerijen afliep - van koeken of taartjes was er geen kwestie - om eindelijk een half tarwebroodje te vinden - het enige wat we meenemen konden om onze reis naar Holland aan te vangen. En nu? Er zijn ontelbaar nieuwe winkels bijgekomen. Nooit tevoren was er zulk een overvloed en keus van fijne sigaren en sigaretten van alle maaksel en merken. Winkels van luxe-artikels, keepsakes3, alle mogelijke snuisterijen waar in sierlijke en onsierlijke krulletters het woord ‘Kortrijk 1915’ in gesneden, gebrand, gegrift en geschilderd is. Aan de pasteibakkerijen was er nooit zulk een rijkdom aan lekkernij. Kantwerk ziet men aan alle vensters te koop liggen en de vindingrijke speldenwerkers4 hebben hun geest afgesloofd om in 't garen spinneweb5, alle mogelijke ‘couleur locale’ te weven! De goudsmeden hebben ook hun best gedaan om voor geschikte ‘geschenksache’ te zorgen en de zwijnenslachters doen u 't water in de mond komen met hun glanzend opgespannen worsten van alle formaat en alle toon! Bij een antiquair zie ik het stadhuis en de Broeltorens, Jan Palfijn en... de Vlaamse leeuw in lindenhout gesnekkerd6, gereed om als rariteit7 naar Duitsland gezonden te worden... En als ge wilt, hebt ge 't voor kiezen en er is meer dan één winkel waar ge u in spiksplinter-nagelnieuw8 uniform van Duits officier zoudt kunnen verkleden met de minste bijhorigheden... vanaf de verzilverde sporen tot de verschillende gekleurde ordelinten van het ijzerenkruis, incluus9!... Kortrijk herbergt tegenwoordig een 20.000 soldaten, - maar aan 't uitzicht in de straten zou men niet denken dat er meer zijn dan 500... En geen mens denkt er aan, zou men zeggen dat die soldaten in oorlog zijn en dat ze, met de trambaan een kwartier rijdens, op 't slagveld aankomen!10
Opnieuw inkwartiering. Twee ruiters houden hier stil, stappen af, komen binnen en vragen plaats voor een Ritmeister3 de kamer moeten ze zien en ze vertrekken met de boodschap: dat de ritmeister deze middag om één uur zal komen. We zijn het nu een beetje gewend en we verschieten er niet meer in een militair te logeren; maar toch blijft het altijd een last en ongemak en we weten eerst4 hoe gelukkig we zijn als we ons huis vrij hebben en zonder overkomst5 van die aard.
bachten1 een boom langs de straat... Daar zie ik dat er twee zijn met een fiets... Zij zullen zeker een haas gezien hebben of een fezant2 en ze achtervolgen het wild? Nu komt de eerste weer-het hof op, - loopt me bijkans3 omver zonder een woord te spreken en verdwijnt bachten het huis waar hij langs de andere poort weer op straat komt en zich weer bachten een boom verduikt. Ik wil zien wat er gaande is. In de verte, langs de steenweg, staan een bende ruiters. Maar als ik mij omkeer, en langs de andere kant uitzie, staat heel de dorpsplaats vol soldaten. Daar hebben we ze eindelijk.
Maar in plaats van inkwartiering, is het iets van gans andere aard. Op schreeuwende toon worden bevelen gegeven, manschappen sluipen langs de grond, verduiken zich langs de bomen en ik hoor een overste schelden: ‘Loopt toch niet zo ver, ge hebt immers al lang gezien dat de vijand daar is.’ Nu heb ik het vast. 't Is oefening voor een verkenningstocht of zo. Het zullen troepen zijn van Kortrijk misschien. Ik word echter geroepen om naar een andere kant uit te zien. Daar komen een bende Huzaren te peerd met hun lange lansen; die al over stukken4 en velden aanrennen, recht naar gindse molen. Maar zie dan toch ginder. Een troep voetvolk en ginder ook in alle richtingen komen ze aan, als ware 't uit de grond gekropen. Ze zijn er en niemand weet van waar ze er gekomen zijn. Met hees krijtende stem worden bevelen gegeven. Over heel de breedte van het veld hier staan er soldaten ‘en tirailleur’5 in de gracht liggen er van weerkanten de straat en ginder op de hoogte plaatst men twee mitrailleusen. 't Is een kleine oorlog of liever een ‘loze oorlog’ gelijk de mensen zo beeldrijk zeggen. Nu krijgen we eigenlijk in 't klein een gedacht van wat het is ‘er midden in’ te zitten. Over heel de streek, over de kim van al de heuvelingen6, in de dalen, overal zijn troepen op mars en langs grote omwegen, trekken ze in de richting van de molen op de hoogte. Een ogenblik is het huis hier letterlijk omgeven en we vrezen maar dat ze 't spel zullen uitvoeren om hier een stormloop te doen en te gebaren7 dat de vijand hier stelling heeft genomen. Gelijk een wolk in onweerstijd, trekken
de grijze drommen weg; er wordt geschoten met de geweren en in de verte antwoordt het kanon. 't Is maar goed dat we weten wat het te beduiden heeft. Als hetgeen we nu zien had moeten gebeuren in november van '141 als al die maren2 liepen dat 't front was doorgebroken en de Fransen in Doornik verwacht werden, we gingen zeker tot de laatste man op de loop... Nu aanzien we het als een spel en we vinden het een beetje belachelijk dat grote mensen zich zo ernstig kunnen houden bij iets dat toch maar gebarenspel is.
De wereld lijkt wel een vastenavondspel. Vanuit de hoogte beschouwd krijgt men het gruwelijke schouwspel van volkeren die malkander3 uitmoorden; terwijl ze grootsprakig4 frazen uitgalmen over bescherming van kleine volkeren, eerlijkheid, plicht en andere schone woorden, viert de diplomatie en de politiek haar hoogtepunt in cupiditeit en omkoperij...
En als men meer in de nabijheid bekijkt en de dingen afzonderlijk nagaat is 't om te huilen! De Duitsers doen ons een Vlaamse Hogeschool cadeau en eer het ding er al is - eer we de mogelijkheid van de verwezenlijking van het ontwerp kunnen vaststellen - gaat er van Vlamingen een smeekschrift uit om de Gouverneur te bewegen het geschenk terug te nemen5! Ik vermoed dat er van andere Vlamingen een tegensmeekschrift zal uitgaan om het geschenk behouden te zien uitvoeren. En wat moet de brave Gouverneur, tussen die twee partijen in, wel denken van de Vlamingen?! Nu eerst zal het de moeite waard worden de geschiedenis van de Vlaamse Beweging te schrijven!
We krijgen opnieuw een ‘Loze Oorlog’1 met veel geschut deze keer. In brede reeksen worden al de velden afgeketst2 - ik heb nog in heel mijn levensdagen zoveel hazen niet zien lopen. Al het wild van de hele streek is opgejaagd en op de vlucht.
De Duitsers hebben niet alleen de rails en de dwarsliggers van onze trambaan opgebroken en weggevoerd, maar [nu] komen ze ook nog de asse opladen en gebruiken ze waar ze 't goedvinden om wegen of standplaatsen droog te leggen waar zij anders in 't slijk zouden ploeteren. De trambaan is tamelijk smal en ligt tussen twee diepe grachten. Het gebeurt niet zelden dat in 't keren een kar omkantelt of met de wielen in een diepte blijft steken. De soldaten zetten hun peerden aan zover dat ze kunnen met geroep en armzwaaien, maar een enkel vloekwoord heb ik nog niet gehoord. Als 't onze boevers3 moesten zijn die hun peerden moeten aanzetten zou men het horen een kwartier ver, want 't is bij alle voerlieden aangenomen als een noodzakelijkheid: dat men van peerden alleen een uiterste krachtinspanning kan bekomen door luidkeels te vloeken. Het is zodanig opvallend dat een vent die met mij het spel staat te bezien me vraagt: die mannen kunnen zeker niet vloeken?!...
De kluchtige kant van de gebeurtenissen in deze historische tijden - dat zijn wel de nota's en protesten die over Europa heen en weer vliegen! Amerika protesteert, de kleine neutrale mogendheden protesteren en de oorlogvoerende volkeren protesteren al ondereen. Komt het protest van een klein landeke dan neemt men het op als hanengekraai, men antwoordt niet en gaat zijn gang - komt het van een concurrent die min of meer te vrezen is, men stelt hem voor een voldongen feit of men laat de zaak maar slepen terwijl keurig en sluw opgestelde nota's uitgewisseld worden om nog maar een schijn van beweegreden aan de genomen maatregel te geven! Wat zou er nu eigenlijk nog overblijven van het zo ernstig en hoog uitgeroepen ‘Volkerenrecht’?! als men alleen nog het ‘Recht van de sterkste’ gelden ziet! Kluchtspelers met uw ernstige gezichten en de prestige van uw gouden strepen! Wat moet God de Vader zitten lachen ginder hoog!
Kortrijk - De zucht naar vrede openbaart zich overal - waar men het niet verwachten zou.
In een coiffeurswinkel te Kortrijk, terwijl een kerel me inzeepte zag ik op een bordje dat voor mij was opgehangen: Wij wensen de heren allen een Vrede-jaar!
De1 scène bij de coiffeur helemaal reconstrueren -
Staan wachten 3 1/4 uur flauwe praat in tegenwoordigheid van Duitse officier en dan als comble2 geen haar snijden 's zondags.