Een wagen tabak wordt opgeladen en weggevoerd.
Er zijn 1.000 soldaten aangekondigd voor onze gemeente.
In Kortrijk is er veel beweging op straat en de Uhlanen rijden over en weer om het volk uiteen te drijven. Er zijn werkelozen aangekondigd die terugkeren - en al wie zijn volk verwacht is op de benen. Inderdaad er komen werkelozen binnen - ik heb er gezien en gesproken - allen zijn in jammerlijke toestand - ziek of versuft!
Dertienavond2, of Driekoningen, en inderdaad de oorlog en de nijpende nood heeft het oud feestgebruik niet kunnen afschaffen! Waar ik te velde voorbijga langs kortwoonsten en boerderijtjes - tegen [de] avond, stoort3 de geur mij tegen van gebakken vet - menige moeder heeft de schuddepanne4 of 't wafelijzer uitgehaald om hetekoeken5 of wafels te bakken. Wat de mensen nu gedaan hebben om dat klutske6 bloem te verkrijgen kan men wel vatten7...
De eindeloze ellende die over de wereld heerst - het lijden van de menigte die worstelt tegen de dood ginder over het eindeloze oorlogsveld (die verspreid zijn ginder over het eindeloze oorlogsveld) - vervult al ons denken - En het onzekere van 't geen onszelf te wachten staat - onze vrijheid zijn we beroofd - onze tong is gesnoerd, onze voeten zitten in de klem - ons denken en doen ligt vast aan de schroeven die de beweldiger ons aanlegt - al wat we bezitten is ons ontnomen - van ons koper maakt men kartetsen, ons vee uit de stallen geroofd - boter en vlees ontnomen, de eieren van eer1 ze al gelegd zijn - worden geteld en opgenomen (wij zelf dragen een ordenummer - en houden ons gereed om als werkelozen weggevoerd en slafelijk werk2 opgelegd te worden onder de knoet van de beweldiger als slaven, ons pijpke tabak dat we zelf geplant hebben wordt door de vijand opgerookt en wat er nog komen moet moeten we afwachten. Ik zit hier laat in de avond - alleen - de enig wakende op heel de streek - en de Uhlanen die voorbijrijden speuren het verboden lichtstraaltje niet dat spaarzaam naar buiten piept. Bij 't vuur voel ik mij weeldig en bij 't glanzen van mijn lamp zit ik verdiept in geestesgemeenschap met de wijze Faust in 't verleden, met Lamprecht3 in boven 't verleden en 't heden en de toekomst, met Zarathustra4 boven 't heden en 't verleden en de toekomst verheven (ontheven).
Na middernacht neem ik Zarathustra4 en alles rondom over de hele wereld zinkt weg en vergaat dat ik er zon, maan, al de sterren en ook de verschrikkingen van de oorlog bij vergeten kan.
Al de notebomen moeten geleverd worden en op de tramstatie5 gebracht. Daar liggen ze nu ook - de onschuldige slachtoffers van de oorlog die het sieraad uitmieken van menige hof-
Het vredevuur is weeral op een sisser uitgelopen en de mensen moeten maar nieuw geduld opdoen en berusten. Geruchten doen weer de ronde over een algemene aanval voor de lente en meteen ontstaat weer de angst om 't vooruitzicht om te moeten vluchten en alles te zien in stukken schieten.
Te Harelbeke is een groot vliegplein3 aangelegd. De bomen langs de grote baan zijn afgezaagd en grachten gevuld en heel het land effen gemaakt - de boeren moesten zelf het werk uitvoeren.
Te Kortrijk zijn er nu fabrieken van galochen4 ontstaan - door de schaarste aan schoenen die nu 75 à 100 fr. het paar kosten.
Verriest5 wordt uitgenodigd om over Vlaanderen te gaan spreken voor 30.000 krijgsgevangenen in Duitsland.
De onrust om de weggevoerde werkelozen duurt voort - ik heb een aantal briefkaarten gelezen die de ongelukkigen naar huis schrijven - allen vragen om eten - anderen hebben door overeengekomen geheime tekenen te verstaan gegeven dat het heel slecht is. De manier waarop ze dat te kennen geven is
soms heel spitsvondig. Over 't algemeen gebruiken zij de naam van een gekende bakker of slachter en zeggen dat ze hem niet te zien krijgen. Enkelen nemen het al de lustige kant op en steken de draak met de soep. De onbeholpenheid van de stijl waarin de gevoelens gesteld zijn verhoogt de tragiek - 't zijn meestal mannen die nooit geschreven hebben - ze verhopen van U lieden hetzelfde als ze hun miserie uiteengedaan hebben en een sluit zijn schrift met ‘Uwe groeten!’