
TE Grijsloke bachten de kerke woonde Peerke en zijn wijveke met hun zeven bemels van jongens in een klein klein huizeke, en ze waren zoo arm als de strate, bezaten geen rosten knop, maar ze leefden over dat 't ging.
Zekeren dag vond Peerke een boone, raapte ze op en plantte ze in zijn lochtingske, dat maar een schorte groot was. 's Anderen daags stond Peerke al vroeg op om naar zijn boone te kijken, maar dat was een lukkeboone, en op dien éénen nacht was ze gegroeid tot aan den hemel.
Peerke en had niet te verletten, hij klom langs die ranke omhoog, klom altijd klemmen, tot aan Sinte-Pieters poorte. Zoo hij klopte aan die poorte en vroeg:
- Sinte-Pieter, heb-je me niet een aalmoese?
- Laat e-keer zien, zei Sinte-Pieter;
'k heb daar nog een schaapke schuddegeld, - als ge zegt: ‘Schaapke-schudt’ dan schudt het beestje alle soorten geld uit zijn wolle.
Peerke bedankte Sinte-Pieter wel duizend keeren, pakte schudde-schaapke op zijn schouder en klaverde naar beneden.
't Wierd alzoo avond en donker en Peerke kwam aan een herberge:
- Bazinne, zou 'k hier van den nacht kunnen slapen?
- Ba-ja-, baaske. Wat heb-je daar mee?
- Bazinne, dat is een schudde-schaapke; 'k heb het daar pas van Sinte-Pieter gekregen, en als ge zegt: ‘Schaapke-schudt’ 't schudt alle soorten geld uit.
- Dat zijn trijfels, baaske, maak dat de ganzen wijs.
- Ja, ge zult het wel gaan zien. En Peerke zei: ‘Schaapke-schudt’ en zoo seffens schudde 't schaapke zooveel geld dat Peerke rapen moest en zijn zakken vol kreeg.
- Hewel, baaske, dat is een goed schaapke, we zullen het in een schoon stalleke steken.
Als Peerke nu in bedde lag en sliep, zei de bazinne tegen heuren vent:
- w'Hebben daar juiste een schaapke dat er op trekt, we gaan hem dat schaapke
geven, en schaapke-schuddegeld voor ons houden.
- Vaneigen, zei de vent.
Zoo, 's anderen daags Peerke stond op, en ze gaven hem het schaapke dat niet en schudde en hielden het schaapke schuddegeld voor hen.
Wanneer Peerke nu 's avonds thuis kwam, waren de jongens blij dat ze vader weerzagen, en ze riepen:
- Vader, we meenden dat ge nooit meer en gingt naar huis komen!
- 'k Geloof het waarachtig, jongens, 'k ben tot aan Sinte-Pieters poorte geweest, en heb een schaapke gekregen van Sinte-Pieter dat alle soorten van geld uitschudt.
Zoo, hij zette 't schaapke neer:
- Schaapke schudt!... en 't en schudde niemendal; - schaapke schudt!... en 't en schudde niemendal; - schaapke schudt;... en 't en schudde nog niemendal. En Peerke smeet het schaap in den hoek van 't keunekot.
's Anderen daags klom Peerke nog eens langs zijn booneranke tot aan Sint-Pieters poorte. Klop, klop!
- Sinte-Pieter, heb-je me niet een aalmoese?
- Ba-ja, manneke; 'k heb hier nog een
tafelke, en als je zegt: ‘Tafelke-dekt’ komt er alle soorten eten op.
Peerke bedankte Sinte-Pieter wel duizend keeren, 't pakte zijn tafelke op den rug, en kwam weerom aan dezelfde herberge.
- Bazinne, zou 'k hier kunnen slapen van den nacht?
- Ba-ja, baaske. Wat heb-je daar mee?
- Hei, bazinne, dat is een tafelke da 'k daar g'had heb van Sinte-Pieter, en als je zegt: ‘Tafelke-dekt’ 't komt alle soorten van eten op.
- Hewel, baaske, 'k en geloove 't niet, 'k zou dat eerst een keer moeten zien.
Zoo, 't manneke zette zijn tafelke neer en 't zei: ‘Tafelke-dekt!’ en er kwam alle soorten eten op: bier, wijn, taarten en al dat ge kunt peinzen.
- Hewel, zei het wijf, 'k wil da 'k ook zulk een tafelke hadde.
Ze aten, en daarna ging Peerke slapen, en de bazinne zei tegen haren vent:
- We gaan dat tafelke voor ons houden, en w'hebben daar nog een tafelke dat niet dekken en kan, we zullen hem dat geven.
's Anderen daags 's nuchtens 't manneke stond op, en 't vroeg zijn tafelke, en ze gaven hem het tafelke dat niet en dekte,
en 't en moest niemendalle betalen omdat ze al te gader gegeten hadden.
Zoo, 's avonds Peerke kwam thuis, en de jongens waren blij en ze riepen:
- Vader, waar heb-je zoolange geweest? We meenden dat ge nooit meer en gingt weerkeeren!
- Ja kinders, ik heb tot aan Sinte-Pieters poorte geweest, en 'k heb hier een tafelke en als ge zegt: ‘Tafelke-dekt’ 't dekt alle soorten van eten.
Zoo, Peerke zette 't tafelke en zei:
- Tafelke-dekt!... en 't en dekte niet. - Tafelke-dekt!... en 't en dekte niet. - Tafelke-dekt! en 't en dekte nog niet! En Peerke smeet het tafelke in den hoek van 't keunekot bij 't schaapke.
's Anderen daags 's nuchtens, Peerke trok weerom langs zijn booneranke tot aan Sinte-Pieters poorte. Klop, klop!
- Sinte-Pieter, heb-je me niet een aalmoese?
- Zijt-ge daar weeral! g'Hebt effen een schaapke-schuddegeld en een tafelke-dekt gekregen.
- Sinte-Pieter, 't schaapke en schudt niet, en 't tafelke en dekt niet!
- Zoo, zei Sinte-Pieter, 'k heb hier nog een zak met knuppels, zie, daar is hij. En ge moet nu naar dezelfde herberge gaan,
en ge moet daar uw schaapke vragen en uw tafelke, en als ze 't niet en geven, ge moet zeggen: ‘Knuppels uit den zak!’ De knuppels zullen 't toen al in stukken slaan, en als ze 't u geven, dan moet ge zeggen: ‘Knuppels in den zak! Knuppels in den zak!’
Zoo, Peerke bedankte Sinte-Pieter wel duizend keeren, en 't vertrok met zijn zak vol knuppels naar dezelfde herberge.
- Bazinne, zou 'k hier van den nacht niet kunnen slapen?
- Ba-ja, baaske..., wat heb-je daar in dien zak?
- Niemendalle, bazinne, 't is een zak met knuppels.
- Als 't maar dat en is! zei de vrouwe.
Maar als 't manneke nu gegeten had, 't ging naar zijn bedde, en 't lei zijn zak met knuppels onder zijn hoofdeinde.
Zoo, 's anderen daags 's nuchtens Peerke stond qp, en zei:
- Bazinne, eer da'k deurega, 'k moet mijn schaapke-schuddegeld hebben en mijn tafelke-dekt. Ge hebt mij bedrogen en een ander schaapke en een ander tafelke gegeven.
- 't En is geen waar. We hebben 't niet en we 'n geven 't niet.
En Peerke zei:
- Knuppels uit den zak! Knuppels uit den zak! 'k Moet mijn tafelken hebben, en mijn schaapken hebben.
En de knuppels sprongen uit den zak, en ze sloegen 't al in stukken, kannen en glazen en ruiten, en ze sloegen 't wijf en den vent blauwe oogen. En ze spraken zoo schoone, en ze zeiden:
- Och, mannetje, doe toch uw knuppels in den zak, en we gaan u het tafelke en het schaapke geven.
Maar zoo gauw de knuppels in den zak waren, lippen ze om den sjampetter. Hij kwam hij daar, en wilde 't manneke pakken, maar het riep:
- Knuppels uit den zak! en ze sloegen den sjampetter dat hij bleef liggen, en ze wierden zoo bang, dat ze maar seffens het mannetje zijn tafelke en zijn schaapke weergaven.
En Peerke riep:
- Knuppels in den zak! en 't ging er mede deure.
Als 't thuiskwam, de kinders waren blijde en ze zeiden:
- Vader, we zijn zoo blij dat ge daar zijt.
Zoo, ze deden het schaapke schudden, en 't schudde zooveel geld, en 't tafelke dekte zooveel eten, en ze waren zoo geluk-
kig, en ze kochten eene hofsteê, en koeien, en peerden, en als Peerke en zijn wijf oud wierden, gingen ze gaan rentenieren in 't schoonste huis van Grijsloke.