terug  begin  verder
[p. t.o. 25]



illustratie

[p. 25]

Van een graantje drie

SARELKE Loket moest vaders bakte naar den meulen dragen, en hij was geheeten te zeggen tegen den meulenare dat hij moest van één graantje drie maken.

En langs den weg zei hij alsaan te reke:

- Van één graantje drie, - maar hij miste en zei:

- Van drie graantjes één.

En Sarelke kwam langs een veld waar ze bezig waren met zaaien en hij zei alsaan te reke:

- Van drie graantjes één.

En de zaaier zei:

- Gij droeve jongen, dat ge zijt, ge zoudt beter zeggen: ‘'k Wil dat er bij duizende kwamen’.

Hij ging daarmede voort en hij zei alsaan te reke:

- 'k Wil dat er bij duizende kwamen.

Zoo, hij ging zoo verre, zoo verre, tot waar een schaper bezig was met tegen een wulf te vechten; en als die den jongen

[p. 26]

hoorde zeggen: ‘'k Wil dat er bij duizende kwamen’, wierd hij zoo dul.

- Gij leelijke deugniet, zei hij, ge zoudt veel beter zeggen:

- 'k Wil dat hij in d'helle ware.

Sarelke ging daarmede voort, en hij zei altijd gedurig:

- 'k Wil dat hij in d'helle ware.

En hij ging zooverre tot aan een kerkhof waar dat ze bezig waren met een man te begraven. Zeggen ze tegen hem:

- Gij droevaard, ge zoudt veel beter zeggen: ‘God gedenke zijn ziele’.

Sarelke ging weerom voort, en zei:

- God gedenke zijn ziele.

Tot dat hij kwam aan een plaatse waar dat ze bezig waren een vort peerd te vlaân. En hij zei altijd gedurig:

- God gedenke zijn ziele.

En de menschen zeien:

- Ge moet dat niet zeggen, ge zoudt beter zeggen: ‘Gij vuile ruffe, is dat hier stinken’.

Zoo, Sarelke zei:

- Gij vuile ruffe, is dat hier stinken.

En hij ging zoo verre, zoo verre, tot aan een stad die van onder te boven gepint was. Daar ging een prinsesse trouwen. Ze was zoo schoone gekleed die prinsesse, en de menschen zeien:

[p. 27]

- Is dat schoone, is dat toch schoone!

En Sarelke zei alsaan lijfelijk:

- Gij vuile ruffe, is dat hier stinken!

Ze deden hem zwijgen en ze zeien tegen den jongen:

- Gij botterik, zij-je niet beschaamd, in de plaatse van te zeggen: ‘Is dat schoone, is dat toch schoone!’

Zoo, Sarelke ging daarmede voort, en hij zei alsaan te reke:

- Is dat schoone, is dat toch schoone!

En hij ging zoo verre, zoo verre, tot aan een huis dat in brand stond. En hij zei alsaan:

- Is dat schoone, is dat toch schoone!

En de menschen die 't hoorden, zeien:

- Is dat geen groot ongeluk waar dat er een huis brandt, ge zoudt beter zeggen: ‘'k Wil dat 't nooit en brandde’.

Zoo, Sarelke zei nu gedurig:

- 'k Wil dat 't nooit en brandde.

En hij ging zoo verre, zoo verre, tot aan een smisse waar dat de soldaten hun peerden moesten beslegen worden, en 't vier en wilde niet branden. En Sarelke zei alsaan:

- 'k Wil dat 't nooit en brandde.

En de soldaten wierden zoo kwaad, ze meenden dat 't een tooveraar was, en ze liepen achter hem om hem dood te slaan.

En Sarelke Loket liep naar huis.

terug  begin  verder