auteur: Ton van Strien
bron:
Ton van Strien, ‘Inconsequent of inconsistent? Over de
interpretatie van Bredero's Moortje en Hoofts Ariadne.’ In: W. Abrahamse
et al. (red.), Kort tijt-verdrijf. Opstellen over Nederlands toneel (vanaf
ca 1550) aangeboden aan Mieke B. Smits-Veldt. Amsterdam, 1996, p.
73-78.
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads
©
2001 dbnl / Ton van Strien

|
|
| |
| | | |
Inconsequent of inconsistent? Over de interpretatie van
Bredero's Moortje en Hoofts Ariadne.
*
Ton van Strien
| |
Inleiding
‘Het zeggen gaat voor het zien’. Dat kan het motto
geweest zijn van de moderne toneelschrijvers in Amsterdam aan het
begin van de zeventiende eeuw. Zoals we allemaal van Mieke Smits-Veldt hebben
geleerd, gold welsprekendheid voor hen als hét middel om het publiek te
beïnvloeden.
1 De uitgebeelde gebeurtenissen lijken in sommige drama's weinig
meer dan een kapstok voor leerzame discoursen vol treffende sententiën.
Eenheid van handeling, consistente karakterontwikkeling: het deed er allemaal
veel minder toe.
Hedendaagse lezers van deze stukken (kijken is er nu eenmaal
zelden bij) kunnen dan ook in de war raken. Wat een bepaalde toneelfiguur zegt,
heeft soms niets te maken met wat hij doet, en aan een losse scène
kunnen beschouwingen verbonden worden die, gezien het verband, nogal buiten de
orde lijken. In een analyse van de lofdichten op Bredero's
Moortje heeft Schenkeveld-van der Dussen laten
zien dat het publiek van toen daar vermoedelijk geen moeite mee had.
2 In die
lofdichten zien we namelijk evenmin aandacht voor het geheel. Moortje zou
voorbeelden geven van ‘gulle en standvaste min’, ‘trouwe
knechten raad’ en - een sterk staaltje, gezien de context - van het
optreden van een vader ‘die zijn kind niet verlaat in 't uiterst van zijn
nood’. En dat terwijl de betrokken personages bij nader toezien allemaal
even botte opportunisten zijn. Ritsart is allerminst ‘standvast’;
de knecht geeft goede raad, maar slaat die zelf in de wind, en de vader is
alleen bezorgd oom zijn geld en zijn reputatie. De lofdichters reageerden
kennelijk puur ad hoc op de voorstelling: een verliefde jongen is een Trouwe
Minnaar, een wijs woord is een Wijs Woord, een bezorgde vader is een Bezorgde
Vader. Zo verloopt ook de analyse van Terentius'
Eunuchus door J. Bourlier in Bredero's Franse
bron: over een eventuele betekenis van het drama als geheel geen woord.
Het heeft dan ook geen zin, aldus Schenkeveld, een stuk als
Moortje te willen interpreteren als
‘eenheid’.
3 Het kan wel: het ís immers
mogelijk om het spel te zien als een cynische zedenspiegel, waarin
‘niemand is die goed doet, allen uit eigenbelang handelen en ieder
normbesef verloren hebben’.
4
Maar dat klinkt al te twintigste-eeuws en op de kijkers van toen kwam het heel
anders over. Als historici kunnen we ons beter aan hun interpretatie
houden.
| | | |
In deze bijdrage wil ik hier toch een vraagteken bij
zetten. Ik denk niet dat met de reacties van Bredero's tijdgenoten het laatste
woord gezegd is, en hoe dan ook is het goed mogelijk om
Moortje als (bont ingekleurde) illustratie van
één gedachte te zien, zonder dat van
Bredero een twintigste-eeuws cynicus
gemaakt moet worden. Vervolgens breng ik Hoofts Ariadne
ter sprake. Het spel wordt door Smits-Veldt tot tweemaal toe aangehaald als
typisch voorbeeld van het ‘inconsistente’ vroeg-renaissancetoneel.
5 Ik
denk dat
Hooft, net als
Bredero, nu juist heeft laten zien dat hij
tot meer in staat was dan velen van zijn tijdgenoten.
Ariadne is een spel vol lotswisselingen en de personages
én de kijkers weten gedurende de handeling niet wat ze ervan moeten
denken. Maar bij dat alles heeft Hooft de samenhang in het oog gehouden.
| |
Moortje
Wat zegt
Bredero zelf over
Moortje? De ‘leeringen’ die hij uit zijn spel
afleidt aan het slot van de ‘Inhoudt’ zijn, net als die van de
lofdichters, gekoppeld aan het optreden van afzonderlijke personages.
6 Hij geeft niet een
interpretatie van het stuk als geheel. Maar volgens mij zit er toch wel
degelijk een lijn in zijn opmerkingen: Ritsart en Writsart zijn jongelui die
heel mooi kunnen vertellen hoe het hoort, maar door de liefde tot
‘breineloze dulheid’ zijn vervallen. Kackerlack is een vleier, die
door zijn gedrag toont dat niemand zijn mooie praatjes moet geloven. Moy-ael is
een valse hoer, die het altijd zo weet te draaien dat zij haar zin en haar geld
krijgt. Roemert is een belachelijke opschepper. De knecht Koenraad met zijn
tegenstrijdige adviezen wordt niet genoemd, maar hij past prima in het rijtje:
ook niet iemand om staat op te maken.
Kortom: al ziet men de lui, men kent ze daarom niet. Ofwel: elk
spiegele hem zelven. Ofwel: een gewaarschuwd man telt voor twee. De moraal is
misschien niet in één formule samen te vatten, maar komt uit het
geheel toch duidelijk genoeg naar voren. En van twintigste-eeuws cynisme is
geen sprake. Het gaat in Moortje niet wezenlijk anders
dan in de Spaanschen Brabander of de Klucht van
de Koe. Ook daar speelt een booswicht met mooie praatjes de
hoofdrol, en ook daar wordt ‘de ondeugd beloond’. Maar niet heus,
want iedereen weet hoe het met booswichten afloopt. De kruik gaat zolang te
water tot ze barst ...
Die laatste gedachte hoort er natuurlijk bij. In de Klucht
van de Koe wordt ze ook, in regel één al, door de
gauwdief zelf uitgesproken - een subtiele hint van
Bredero dat we bij alle ‘ware
woorden’ die volgen toch nooit moeten vergeten wie ze zegt. Ook in
Moortje kunnen de deugnieten fraai filosoferen.
Hun optreden staat daarmee in schril contrast. Maar dat maakt ze niet tot
inconsistente personages, maar juist overtuigend als onbetrouwbare types, met
wie het niet goed zal aflopen. Het stuk loopt ook niet goed af. Anders dan
Schenkeveld-van der Dussen zie ik geen (al of niet cynisch) happy end.
7 Het slot is niet
gelukkig, maar ‘komisch’. | | | | Dat wil zeggen: de
‘Heeren’ in de zaal lachen de personages op het toneel uit,
én hebben iets geleerd over zichzelf en over de wereld. Roemert zal
worden geplukt. Als die kaal is, komt Ritsert aan de beurt. Reddeloos; van zijn
‘trouwe knecht’ heeft hij niets te verwachten. En dat op het
huwelijk van Writsart met Katryntje geen zegen rust, is duidelijk. Dat komt
ervan als burgers hun plicht verzaken.
Het is allemaal wel zielig voor Katryntje, die er niets aan kan
doen. Dat geeft het stuk voor ons iets wrangs. Maar
Bredero interesseert zich niet voor
Katryntje, net zo min als voor Negra, ‘de Moris’. Die hebben
nauwelijks tekst, en aan het slot zijn ze alweer uit het oog verdwenen. Het
gaat Bredero om het aan de kaak stellen van de breineloze dulheid van Ritsert
en Writsert, niet om de objecten waarop die wordt uitgeleefd. Dat maakt
Moortje (anders dan de Spaanschen
Brabander, tussen twee haakjes) in wezen banaal. Maar in zijn opzet
is hij geslaagd. ‘O vaerdige aerdigheyt!’ - om met de uitgever van
de kluchten te spreken - ‘onder dexsel van so soete en vermakelijcke
kluchten de versnoode werelt te ontleden, hebbende alleen het ooghe op het
gemeene beste, niet anders soeckende dan allomme de verbeteringe der velen
bedorvene zeden...’
8 Het is begrijpelijk
dat predikanten en andere moralisten bezwaar hadden tegen dit soort
‘leerzame vermaak’, want het leerzame ligt er niet al te dik
bovenop. Maar het is er wel, en niet in geïsoleerde lessen - die komen uit
de mond van onwaardige individuen - maar in de hele vertoning. Ik waag de
veronderstelling dat Bredero de lofdichten van zijn vrienden met verbazing
gelezen heeft. Hoe zou de voorstelling eigenlijk geweest zijn? Zeiden de
acteurs ook hier alleen maar hun lesjes op?
9
| |
Ariadne
De samenhang van Ariadne
10 wordt, aldus Smits-Veldt, ondermijnd door twee factoren.
Niet alleen heten de omslagen in de gemoedsgesteldheid van de titelheldin zich
‘te ontrekken aan moderne psychologische verklaring’, er worden ook
allerlei leringen uit het vertoonde afgeleid die elkaar tegenspreken:
Zo wordt Ariadne, die zich ondanks de raadgevingen van haar
voedster in een redeloze passie voor Theseus heeft gestort, eerst voorgesteld
als een op lust gerichte prinses van een ‘dartel’ hof [...]. Als
zij na haar heimelijke vlucht met Theseus door haar geliefde wordt verlaten,
lijkt dit dus een voorbeeld van ‘straf na zonde’. Dit wordt
bevestigd door Ariadnes bittere klachten, die helemaal niet stroken met de
waarschuwingen van het koor dat men tegenspoed in lijdzaamheid moet verdragen.
Aan het slot van de geschiedenis wordt Ariadne echter beschouwd als een
onschuldig lijdend slachtoffer, over wie de goden zich ontfermen. Als Bacchus
haar tot vrouw neemt, demonstreert dit volgens het koor hoe God alle kwaad laat
gebeuren ‘om beter’.
11
| | | |
Dat lijkt mij toch niet het hele verhaal. Wat het
eerste punt betreft: psychologie in de moderne betekenis is inderdaad
nauwelijks aan de orde in renaissancedrama, en zeker niet in
Ariadne, waar goden en toverij over de zielen heersen.
Maar juist daarom kun je de karakters niet inconsistent noemen. Theseus en
Ariadne zijn onderworpen aan hogere machten en gedragen zich navenant: ze
vergeten hun beloften, ze zijn zichzelf niet meer. Theseus wordt betoverd door
een boze heks,
12 Ariadne
door een god: het komt op hetzelfde neer. Het is misschien niet erg
geloofwaardig, maar het klopt wel, binnen het stuk. Wat betreft punt twee, de
(vermeende) inconsistentie van de morele lessen in Ariadne: het is waar dat het
choor ad hoc op de vertoonde gebeurtenissen reageert. Maar dat vloeit voort uit
zijn rol: die van ‘(ideale) betrokken toeschouwer’.
13 Die maakt een leerproces
door. Pas aan het slot is alles duidelijk: al het kwaad is geschied ‘om
beter’. Die les past op het hele spel en is niet los aan de
slotscène vastgeplakt. Laat ik kort aangeven hoe ik het zie.
Is Ariadne bij haar eerste optreden niet meer dan een verwend
prinsesje? Kazemier heeft het ontkend en volgens mij zit daar veel in.
14 Het is waar,
de komst van Theseus heeft haar het hoofd op hol gebracht. Maar redeloos is
haar passie allerminst. Theseus is als een held ingehaald, door haar broer,
door haar vader; zijn plannen worden toegejuicht. Terecht bedenkt Ariadne (vs.
354): ‘Ten is geen ondeucht, treck tot ware deugd te voelen’.
15 Haar voedster reageert geschokt (vs. 405): ‘Een wufte
vreemdeling hebdij tot lief vercoren?’ Het antwoord - ‘Maer die te
boven gaet al Cretaes ingeboren’ - kan op dat moment niemand
tegenspreken.
Intussen lijkt zij, door het inititatief in de liefde te nemen, over
de schreef te gaan. Haar uitval (vs. 417: ‘ik mag net zoveel als een
man’) doet, hoe sympathiek ook, gelet op de toenmalige conventies, aan
zelfbedrog denken. Men zal de voedster gelijk hebben gegeven: Ariadne is met
blindheid geslagen (vs. 428-430). Ook het Choor ziet hetzo
16 en is diep bezorgd dat het
huis van de Zon niet ook nog eens in Ariadne wordt gestraft. Het voorspelde
ongeluk blijft niet uit: Theseus blijkt precies zo iemand als waar zij voor
gewaarschuwd is.
Maar toch. Is het ook haar verdíende ongeluk? Dat blijkt
nergens uit. Ariadnes klachten zijn volkomen gerechtvaardigd. Voor de liefde
heeft ze haar plicht als prinses vergeten. Maar door de liefde heeft ze toch
Theseus weten te redden. Wat was haar fout? Geen andere dan dat zij, precies
zoals ze zelf zegt als ze zich na een kort moment van vertwijfeling tot haar
godin keert, de liefde boven alles gesteld heeft.
17 En dat ís geen fout, zeker
niet in de ogen van Venus, maar de andere goden rekenen het haar ook niet aan.
Het enige wat telt is haar redding van Theseus. Venus verschijnt dan ook meteen
op haar gebed, en ze is zo ontroerd dat ze niet alleen Ariadnes deugd en trouw
beloont met een veel beter lief, maar ook haar hele wrok tegen het huis van de
Zon laat varen.
Achter dit alles zit ‘de grote Godt’, die álle
kwaad ‘om beter’ laat geschieden. Inderdaad, hij | | | | heeft
Ariadne verblind, maar niet om haar te verderven, maar om haar de liefde van
een god te doen verwerven, en om een eind te maken aan een lange vete. Ariadnes
blindheid betrof niet het wezenlijke (de liefde), maar de schijn (de
conventies); en het kwaad dat volgde was dan ook alleen maar schijn. Het Choor,
dat de hele geschiedenis in spanning gevolgd heeft, ziet het - met het publiek
- tenslotte in.
Het is
Hooft ten voeten uit. In
Granida zien we het nog eens: een prinses die uit liefde
de conventies van zich afschudt, in blind én gerechtvaardigd vertrouwen
op de goede afloop. Want wie deugdzaam is, heeft niets te vrezen. En liefde is
geen ondeugd.
| |
Conclusie
Met het voorgaande heb ik uiteraard niets willen zeggen over de
opzet en de werking van het vroeg-renaissancetoneel in het algemeen. Wel vraag
ik me af of het verstandig is om van ‘inconsistentie’, wat nu
dreigt te gebeuren, een soort periodekenmerk te maken.
Jan Vos,
Asselijn, ze tilden er ook niet zwaar
aan of wisten het gevaar niet te vermijden.
18 En
trouwens, ook voor de makers van de meeste tv-serieprodukten geldt dat het
belangrijker is van tijd tot tijd de aandacht te trekken dan om het verhaal in
alle onderdelen te laten kloppen. Een publiek dat valt op seks en geweld krijgt
seks en geweld; een publiek dat viel op discoursen en leringen kreeg discoursen
en leringen. En niet iedere auteur is (was) in staat of ziet (zag) de noodzaak
dat alles in een samenhangend geheel te integreren.
Maar goede schrijvers zijn er ook altijd geweest en van
Hooft en
Bredero valt te verwachten dat ze verder
keken dan hun neus lang was. Onhistorisch lijkt mij die benadering niet. Ik
denk aan de bewondering die juist zij in het geleerde Leiden
oogstten. Als ergens het belang van Horatius' simplex et unum werd onderkend,
dan was het toch wel daar. Zou Bredero in 1616 zo enthousiast begroet zijn in
die kringen, als zijn meest recente en ambitieuze stuk volgens de daar geldende
normen mislukt had moeten heten? Enfin, dit is niet meer dan een retorische
vraag. In elk geval hoop ik te hebben aangetoond dat het zoeken naar een
consistente auteursvisie niet per se tot mislukken is gedoemd, en tot een, ook
historisch gezien, plausibele interpretatie kan leiden.
| | | | | |
Bibliografie
| G.A. Bredero,
Kluchten. Ed. J. Daan. Culemborg 1971. |
| G.A. Bredero, Moortje. Ed. P. Minderaa en
C.A. Zaalberg. Leiden 1984. |
| H. Duits, ‘[Bespreking van] M.E. Meijer Drees,
De treurspelen van Thomas Asselijn (ca.
1620-1701). Utrecht, 1989’. In: De nieuwe taalgids 84
(1991), 360-366. |
| E.M.P. van Gemert,
Tussen de bedrijven door? De functie van de rei in
Nederlandstalig toneel 1556-1625. Diss. Utrecht. Deventer 1990. |
| P.C. Hooft,
Theseus en Ariadne. Ed. A.J.J. de Witte.
Zutphen, [1971]. |
| G. Kazemier,
‘De “(Theseus en) Ariadne” van P.C. Hooft in
historisch perspectief’. In: Tijdschrift voor Nederlandse
taal- en letterkunde 90 (1974), 230-249. |
| M.E. Meijer Drees, De treurspelen van Thomas Asselijn
(ca. 1620-1701). Diss. Utrecht. Utrecht, 1989. |
| M.A. Schenkeveld-van der Dussen,
‘Moraal en karakter. Lezingen van
Moortje’. In: Nieuwe taalgids 78 (1985), 224-234. |
| M.B. Smits-Veldt,
Samuel Coster, ethicus-didacticus. Een onderzoek naar
dramatische opzet en morele instructie van Ithys, Polyxena en
Iphigenia. Diss. Amsterdam. Groningen, 1986. |
| M.B. Smits-Veldt,
Het Nederlandse renaissancetoneel. Utrecht,
1991. |
|
*Ik dank Lia van Gemert voor het lezen van een
eerste versie van dit artikel. Dat ik uitgerekend deze gelegenheid aangrijp om
met Mieke Smits in debat te gaan, mag wel een voorbeeld heten van de gevreesde
philologorum rabies, maar het is alles ‘om beter’, hoop
ik.
1Ik noem slechts Smits-Veldt 1986 en
1991.
2Schenkeveld-van der Dussen 1985.
3Schenkeveld-van der Dussen 1985, p. 231:
‘Het heeft [...] bij deze stukken geen zin om naar een consistente
auteursvisie te vragen’.
4Schenkeveld-van der Dussen 1985, p. 227.
5Smits-Veldt 1991, p. 45 en 47-48.
7Schenkeveld-van der Dussen 1985, p. 227:
‘De onschuld is slachtoffer al wordt dat verbloemd met het cynische
zogenaamd gelukkig einde voor de arme Katryntje.’
9Vgl. de bekende passage in Moortje over de
rederijkers en de Engelse acteurs, vs. 1453-1461.
10Ik prefereer deze titel boven het foutieve
Theseus en Ariadne of het omslachtige [Theseus en]
Ariadne.
11Smits-Veldt 1991, p. 45.
12Kazemier 1974, i.h.b. p. 239.
13Vgl. Van Gemert 1990, p. 190: ‘Hooft
gebruikt (het choor o.m.) om stemmingen waartoe het verhaal aanleiding geeft
over te brengen op de zaal’. Dat impliceert dat het choor tijdens de
gebeurtenissen de diepere zin ervan niet inziet. Zijn reacties zijn op zich wel
juist, maar toch ook ‘kortzichtig’.
14Kazemier 1974, p. 242 e.v.
15Ik citeer naar de editie-De Witte (Hooft
1971).
16In dit opzicht overtuigt Kazemier (1974, p.
243) niet, vgl. al Van Gemert 1990, p. 274.
17Vgl. vs. 1272-1273: ‘Aenschout eens wat
jck lij, omdat jck alte hooch [= bovenmate hoog] // U Godtheit heb
geset.’ Ariadne bedoelt uiteraard niet te zeggen dat zij Venus heeft
overschat; vgl. WNT II, 65 (al te).
18Over Vos, vgl. Smits-Veldt 1991, p. 94:
‘losse lessen, gepaard aan inconsequente karaktertekening’. Over
Asselijn: Duits (1991) bestrijdt de opvatting van Meijer Drees (1989) dat in
Mas Anjello een ‘dubbele visie’ op de volksopstand wordt
gepresenteerd. Toch kan ik mij niet goed voorstellen dat Anjello en de door hem
geleide opstand aanvankelijk níet de sympathie van het publiek wonnen.
Anjello's val is meer het gevolg van zijn plotselinge gekte (na een nog
redelijk verstandig optreden als rechter, vs. 2078-2119, een scène die
trouwens veel van een set piece heeft) dan een demonstratie van de gedachte dat
het recht altijd triomfeert. Mijns inziens is het Asselijn eenvoudig niet goed
gelukt in Mas Anjello een duidelijke visie over te brengen.
|
|