|
|
|
| |
| | | | | |
1.
Gedurende het vijfde, vierde en derde millennium v. C. ontstonden nieuwe en
meer ontwikkelde maatschappijvormen uit neolithische gemeenschappen die zich
reeds eeuwen lang in subtropische of bijna subtropische gebieden langs de
oevers van grote rivieren in Afrika en Azië hadden gevestigd.
Deze rivieren waren de Nijl, de Tigris en de Eufraat, de Indus, en later de
Ganges, de Hoang-ho en de Yang-tse.
De landerijen langs die rivieren konden overvloedige oogsten opleveren
wanneer de rivieren onder controle waren gebracht en moerassen waren
drooggelegd. In scherpe tegenstelling tot de woestijnen en berggebieden die
deze gebieden omringden, konden de rivierdalen in een paradijs van
vruchtbaarheid worden herschapen. Dit werd in de loop der eeuwen volbracht
door het bouwen van dijken en dammen, het graven van kanalen en het
aanleggen van reservoirs. De regeling van de watertoevoer vereiste
samenwerking tussen de verschillende gemeenschappen, ook al lagen die naar
toenmalige verhoudingen een heel eind van elkaar verwijderd. Dit bracht
centrale administratie-organen in het leven, die niet meer in primitieve
dorpen, doch in steden moesten worden gelokaliseerd. Deze
steden, op kruispunten van handelswegen in of ook buiten de administratieve
centra, werden tegelijkertijd plaatsen waar de produkten van landbouw en
veeteelt ter markt konden worden gebracht. Er ontstond een tamelijk hoog
overschot van zulke produkten, dat niet alleen de algemene levensstandaard
verhoogde, doch ook een stedelijke aristocratie met machtige opperhoofden
schiep. Er kwamen vele gespecialiseerde beroepen: handwerkers, soldaten,
beambten, priesters. Het beheer der openbare werken werd in de handen van
een blijvende bureaucratie geplaatst, een groep die verstand had van het
gedrag der jaargetijden, de bewegingen der hemellichamen, de kunst van het
landmeten, het opstapelen van voedingsmiddelen, of de heffing van
belastingen. Gaandeweg ontstond een schrift waarin de handelingen van de
bureaucratie en de daden der opperhoofden konden worden beschreven en
bewaard. Zulke handwerkers en bureaucraten verkregen langzamerhand heel wat
speciale technische kennis, waartoe ook kennis van de metaalbewerking en van
de geneeskun- | | | | de behoorde. En zo begonnen ze ook de kunst van het
rekenen en meten te beheersen.
De maatschappij ten tijde van deze opkomst der steden (men spreekt wel van
een revolutie: the urban revolution) was ook langzamerhand
in klassen gesplitst. Men had opperhoofden, vrije en pachtboeren,
handwerkers, schrijvers en andere beambten, horigen en slaven. Plaatselijke
hoofden werden soms zo rijk en machtig dat ze van feodale heerschappen met
beperkte autoriteit opklommen tot plaatselijke koningen met absolute macht.
Twisten en oorlogen tussen allerlei despootjes konden er wel toe leiden dat
grote gebieden onder een enkele monarch verenigd werden. Deze althans in de
centrale gebieden vaak op irrigatie berustende maatschappijvormen met
intensieve landbouw konden op deze manier tot een
‘Oosters’ type van despotisme voeren. Zulk despotisme
kon eeuwen lang gehandhaafd blijven en dan weer ineenstorten, soms onder de
aanvallen van woestijn- of bergstammen die aangetrokken werden door de
rijkdommen der rivierdalen, ook wel door de verwaarlozing van het
uitgestrekte, ingewikkelde en levensbelangrijke systeem van irrigatie. Onder
zulke omstandigheden kon de macht van het ene koningshuis naar het andere
overgaan, of het kon gebeuren dat het staatsverband opgebroken werd in
kleinere feodale eenheden, en dan kon het proces van hereniging weer opnieuw
beginnen, soms op hogere technische grondslag. Maar ondanks al die
dynastieke revoluties en overgangen van feodalisme tot absolutisme en
omgekeerd bleven de dorpseenheden, die de basis vormden van die
‘Oosterse’ maatschappijvormen, door de eeuwen
wezenlijk onveranderd, en daarmee de wezenlijke economische en sociale
structuur. De Oosterse maatschappij beweegt zich vaak in cyclische perioden,
doch zelfs tot de huidige dag toe bestaan er nog vele gemeenschappen in
Azië en Afrika (of Zuid-Amerika) waarin al eeuwen en eeuwen lang
het leven op dezelfde wijze voortgaat. Onder zulke omstandigheden blijft de
vooruitgang langzaam en aan toevalligheden onderworpen; perioden van
culturele groei kunnen door eeuwen van stilstand en verval van elkaar
gescheiden zijn.
Dit statische karakter van het Oosten verleende een zekere heiligheid aan
zijn eeuwenoude instellingen, en maakte de vereenzelviging van de godsdienst
met de staatsinstellingen mogelijk. De ambtenarij deelde vaak in dit
godsdienstig karakter van de staat, en zo zien we in vele Oosterse landen de
priesters als administrateurs van de domeinen. En aangezien de beoefening
van de wetenschap de taak was van de bureaucratie vinden we in vele - maar
ze- | | | | ker niet in alle - Oosterse landen priesters als de
voornaamste dragers van wetenschappelijke kennis.
| |
2.
Oosterse wiskunde ontstond als een praktische wetenschap, nuttig voor het
berekenen van de kalender, het beheren van de oogsten, de organisatie der
openbare werken en de inzameling van belastingen. Oorspronkelijk werd
uiteraard op praktisch rekenen en meten de nadruk gelegd. Doch wanneer een
wetenschap eeuwen lang beoefend wordt door een speciale groep van mensen,
wier taak het is, niet alleen die wetenschap toe te passen doch ook zijn
geheimen aan leerlingen door te geven, dan ontwikkelen zich neigingen tot
grotere abstractie en tot wetenschap om der wille van de wetenschap, zodat
men haar als theorie gaat bestuderen. Rekenen ging zodoende over in algebra,
niet alleen omdat het sommige praktische berekeningen gemakkelijker maakte,
doch ook als de natuurlijke ontwikkeling van een wetenschap die in scholen
van schriftgeleerden beoefend en ontwikkeld werd. Dit was ook de oorzaak dat
het meten zich ontwikkelde tot een begin - maar ook niet veel meer dan een
begin - van theoretische meetkunde.
Ondanks alle handel en verkeer, die in deze oude maatschappijen bloeiden,
bleef de landbouw, verspreid over geïsoleerde en traditioneel
voortlevende dorpen, de economische basis van de maatschappij. Daarom vindt
men, ondanks een zekere gelijkvormigheid in de economische grondslagen en
het algemene niveau van de wiskundige kennis, steeds verrassende verschillen
tussen de diverse culturen. De afgeslotenheid van de Chinezen en de
Egyptenaren was spreekwoordelijk, al was ze bij de Chinezen slechts in
zekere perioden van hun geschiedenis een feit. Het is gemakkelijk het
verschil te zien tussen de kunstvormen en de schrift van de Egyptenaren, de
Mesopotamiërs, de Chinezen en de Indiërs. Men kan dus
van Egyptische, Mesopotamische, Chinese en Indische wiskunden spreken,
ofschoon zij in hun arithmetisch-algebraïsch karakter veel
principiële overeenkomsten vertonen. Zelfs dan, wanneer de
wetenschap gedurende een bepaalde periode in één land
grotere vooruitgang vertoont dan in een andere periode of een ander land,
blijft het algemene karakter en zelfs de symboliek voortbestaan.
Het is moeilijk nieuwe ontdekkingen in het Oosten precies te dateren. Het
statische karakter van de economische structuur draagt er toe bij dat een
wetenschappelijk leergebied eeuwen lang weinig veranderingen ondergaat. Het
komt voor dat ontdekkingen die in het isolement van
één stadsgebied worden gemaakt, nooit verder | | | | doordringen of zelfs weer verloren gaan. Grote schatten in
wetenschappelijke en technische kennis kunnen door dynastieke veranderingen,
door oorlogen of natuurrampen verdwijnen. Zo vertelt men dat in het jaar 221
v.C., toen China voor het eerst onder de heerschappij van een absolute
despoot, Shé Hunag Di (Chhin Shih Huang Té, de eerste
keizer van China) verenigd werd, alle leerboeken met uitzondering van
sommige (b.v. over de geneeskunst) op 's keizers bevel werden vernietigd.
Later, zo zegt men, werd heel wat van de verloren schatten uit het hoofd
weer opgeschreven, maar men begrijpt hoe moeilijk onder zulke omstandigheden
het dateren of zelfs het bewaren van ontdekkingen wordt.
Een andere moeilijkheid bij het dateren van ontdekkingen in de Oosterse
wetenschap komt voort uit het materiaal waarin de resultaten werden
opgeschreven. De Mesopotamiërs gebruikten kleitafeltjes, die
gebakken werden en praktisch onverwoestbaar zijn zolang zij in de puinhopen
der oude steden onder de grond liggen.1 De Egyptenaren gebruikten papyrus, en
veel hiervan is in het droge klimaat bewaard gebleven. De Chinezen en
Indiërs gebruikten materiaal dat veel minder bestand was tegen de
tand des tijds, zoals schors of bamboe. In het tweede millennium v.C.
begonnen de Chinezen papier te gebruiken, doch er is weinig behouden van wat
vóór 700 n. C. is beschreven. Onze kennis van de
Oosterse wetenschap is dus uiterst gebrekkig, en voor de eeuwen
vóór onze jaartelling zijn we bijna uitsluitend op
materiaal uit Egypte en Mesopotamië aangewezen. Het is niet
onmogelijk dat nieuwe ontdekkingen onze opinies over de verschillende
prestaties van de vóór-Griekse wiskundigen
aanmerkelijk kunnen wijzigen. Er was een tijd dat onze rijkste historische
bronnen uit Egypte kwamen, en dit was aan de ontdekking, in 1856, van de
zgn. Papyrus Rhind te danken.2 Deze Papyrus is omstreeks 1650 v.C. geschreven, doch bevat
veel materiaal dat eeuwen ouder is. In de laatste vijftig jaren is door de
merkwaardige ontdekkingen van F. Thureau Dangin en O. Neugebauer onze kennis
van de Mesopotamische wiskunde aanzienlijk vermeerderd. Deze geleerden
hebben, door de ontcij- | | | | fering van vele kleitabletjes, de
superioriteit van de Mesopotamische wiskunde boven de Egyptische aangetoond.
Dit oordeel is waarschijnlijk wel van een blijvend karakter, aangezien in de
Babylonische zowel als in de Egyptische teksten door de eeuwen heen een
soort van wiskundige karaktervastheid bestaat. Tot die superioriteit kan
hebben bijgedragen dat de economische ontwikkeling van
Mesopotamië in het algemeen hoger stond dan die van de andere
landen in de zgn. Vruchtbare Halve Maan (‘Fertile
Crescent’), die zich uitstrekte van Mesopotamië tot
Egypte. Mesopotamië lag op het kruispunt van een groot aantal
karavaanwegen, terwijl Egypte betrekkelijk geïsoleerd lag.
Bovendien eiste het in bedwang houden van de onberekenbare Tigris en Eufraat
meer technische kennis en bestuursbekwaamheid dan het in bedwang houden van
de Nijl, de rivier die wel de ‘most gentlemanly of all
rivers’, de rivier met de beste manieren, is genoemd (Sir William
Willcocks).1
We zouden in het geheel niet verbaasd zijn als b.v. verdere studie van de
oudste wiskunde der Hindoes merkwaardige resultaten zou opleveren, al hebben
wij daarvan tot nu toe geen overtuigend bewijs gezien.
| |
3.
Wij putten onze kennis van de oud-Egyptische wiskunde voornamelijk uit twee
mathematische papyri: allereerst uit de reeds vermelde Papyrus Rhind, die 84
opgaven bevat, en ten tweede uit de zgn. Moskouse Papyrus, die misschien
twee eeuwen ouder is, en 25 opgaven heeft. Deze problemen waren al oude kost
toen die papyri werden geschreven, doch er zijn papyri gevonden die van veel
later, zelfs uit de tijd der Romeinen en Byzantijnen stammen, en die
dezelfde methoden gebruiken. Deze methoden zijn gebaseerd op een tientallig
getallenstelsel waarin iedere hoge eenheid, 1, 10, 100, 1000 enz. door een
apart symbool wordt aangeduid. Aan zo'n systeem zijn wij gewend door de
Romeinse schrijfwijze, want daar wordt b.v. 1878 uitgedrukt door mdccclxxviii. Deze notatie is in wezen additief, omdat
b.v. dc betekent dat men d = 500 bij
c = 100 moet optellen, en zo was ook de Egyptische
rekenkunde sterk additief ingesteld. Dit betekent in de eerste plaats dat
vermenigvuldiging tot herhaalde optelling werd teruggebracht. Zo werd,
bijvoorbeeld, een getal met 13 vermenigvuldigd door het eerst te
verdubbelen, dan het resultaat nogmaals, en dit nogmaals te verdubbelen, en
de som van de laatste twee uitkomsten bij het oorspronkelijke getal op te
tellen.
| | | |
| Voorbeeld van de berekening 13 × 11: |
/1 |
11 |
| |
2 |
22 |
| |
/4 |
44 |
| |
/8 |
88 |
De met een streepje / aangegeven nummers worden opgeteld, hetgeen 11
+ 44 + 88 = 143 geeft. Deling van 143 door 11 gaat
analoog.
Het merkwaardigste kenmerk van de Egyptische rekenkunde was de breukrekening.
Breuken met (wat wij zouden noemen) teller 1, zgn. stambreuken, werden
aangegeven door het getal van de noemer, met een tekentje erboven, dat wij
hier door een streepje aanduiden, zodat wij 1/10 als /10 zullen schrijven.
Alleen voor ½ en ⅔ bestonden speciale tekens. Alle
breuken werden teruggebracht op sommen van stambreuken en hiervoor werden
speciale tafels voor de herleiding van breuken van de vorm 2/n tot
stambreuken gebruikt. Met het oog op de dyadische vorm van de
vermenigvuldiging was dit voldoende om alle breuken tot stambreuken terug te
voeren. De Papyrus Rhind bevat zulk een tafel, die voor alle breuken met
oneven n van 5 tot 101 een reductie tot stambreuken geeft.
Bijvoorbeeld:
| n = |
5: |
/3 |
/15 |
(dus ⅖ = ⅓ + 1/15) |
| |
7: |
/4 |
/28 |
|
| |
59: |
/36 |
/236 |
/531 |
| |
97: |
/56 |
/679 |
/776 |
Het principe dat aan deze speciale herleiding tot stambreuken ten grondslag
ligt (b.v. waarom voor n = 19 de herleiding /12, /76, /114
en niet /12, /57, /228) is niet geheel duidelijk en men heeft hiervoor
verscheidene theorieën ontwikkeld.1 De eerste breuk is
echter altijd zo groot mogelijk, zodat de ontbinding in stambreuken tevens
een soort benadering is. De tafel is waarschijnlijk eerst in de loop der
eeuwen tot stand gekomen. Maar het rekenen met stambreuken heeft, ondanks
het gecompliceerde karakter dat het delen erdoor kreeg, duizenden jaren
geduurd; we vinden het niet alleen terug bij de Grieken, ook in de Europese
middeleeuwen.
| | | |
Vele problemen waren heel eenvoudig en gingen niet verder dan elementaire
rekenkunde en een algebra bestaande uit één lineaire
vergelijking met één onbekende:
Een grootheid daarbij haar ⅔, haar ½ en haar 1/7, samen
opgeteld, geeft 33. Wat is deze grootheid?
Het antwoord, 14 28/97, wordt in stambreuken geschreven:
14 /4 /97 /56 /679 /776 /194 /388, hierbij vormen /56 /679 /776 juist /97
× 2.
Voor de onbekende in een vergelijking werd een hiëroglief
ingevoerd, dat ‘hoop’, Eg. hau, betekende. Men spreekt
dus wel van de Egyptische algebra als de ‘hau’
rekening.
De opgaven behandelen onderwerpen als de sterkte van brood en bier, het
voederen van dieren en het bewaren van graan, en laten duidelijk de praktijk
zien waaruit deze omslachtige en primitieve algebra is voortgekomen. Soms
vindt men een vraagstuk van meer theoretische aard, b.v. dat waarin gevraagd
wordt 100 broden onder 5 man zó te verdelen, dat hun aandelen een
rekenkundige reeks vormen, en 1/7 van de som van de drie grootste aandelen
gelijk is aan de som van de twee kleinste (eerst wordt de reeks 23,
17½, 12, 6½, 1 opgezet, de som hiervan is 60, en wordt
deze reeks met 100/60 vermenigvuldigd). In één
vraagstuk vinden we zelfs een meetkundige reeks: hier hebben we te doen met
7 huizen, in ieder huis zijn 7 katten, iedere kat bespiedt 7 muizen,
enz.1
Enige vraagstukken waren meetkundig en ook gewoonlijk van praktische aard.
Verscheidene behandelen het meten van oppervlakken. We denken hier aan het
bekende verhaal van Herodotus, dat de Egyptenaren de meetkunde hadden
uitgevonden omdat ze gedwongen waren iedere keer na de overstromingen van de
Nijl de grenzen van de landerijen opnieuw uit te meten. Het oppervlak | | | | van een (gelijkbenige) driehoek werd als het halve produkt van
basis en hoogte bepaald. Het oppervlak van de cirkel met middellijn d werd uit de formule (d - d/9)2 berekend, hetgeen tot een waarde van π =
256/81 = 3,1605... leidt. Men vindt ook enige recepten voor de bepaling van
inhouden, zoals die van de kubus, een blok en een rechte cilinder, alle
beschouwd als voorwerpen, b.v. pakhuizen. Het meest belangwekkende resultaat
van deze Egyptische inhoudsbepalingen was de uitdrukking voor het volume van
een afgeknotte vierkante pyramide V = h/3 (a2 + ab
+ b2), waar a en b de zijden zijn van de twee vierkanten en h de hoogte is. Dit resultaat dat tot nu toe nog niet in
andere antieke wiskundevormen is aangetroffen, is daarom zo merkwaardig
omdat er geen aanleiding is te geloven dat de Egyptenaren zelfs maar het
theorema van Pythagoras hebben gekend - ondanks het onbevestigde verhaal,
dat Egyptische landmeters - zgn. harpedonaptai, touwspanners -rechte hoeken
afzetten met een touw waarin 3 + 4 + 5 knopen
zaten.1 Maar we
moeten niet vergeten dat de bouwers van de paleizen in Luxor en Karnak heel
wat praktische meetkunde moeten hebben gekend.
We moeten hier overigens wel even waarschuwen tegen allerlei overdrijvingen
over de hoge ouderdom en diepte van de wiskundige kennis der Egyptenaren.
Men heeft aan de bouwers van de piramiden, die omstreeks 3000 v.C. geleefd
hebben, allerlei hogere wetenschappelijke kennis toegeschreven, en men treft
nogal eens het verhaal aan dat de Egyptenaren in het jaar 4212 v. C. de zgn.
Sothische periode voor de kalenderberekening hebben aangenomen. Zulk
nauwkeurig wis- en sterrenkundig werk kan moeilijk aan een volk worden
toegeschreven, dat zich langzaam uit neolithische verhoudingen ontwikkelt.
Vaak komen deze verhalen tot ons doordat de latere Grieken de een of andere
Egyptische traditie hebben overgeleverd. Aan oude beschavingen is gemeen dat
zij ervan houden aan de grondbeginselen van hun kennis een heel lang bestaan
toe te kennen. Wat we aan oorspronkelijke teksten werkelijk bezitten, wijst
op een Egyptische wiskunde van beperkte omvang, doch binnen die omvang goed
ontwikkeld. Iets dergelijks kan men ook zeggen van de sterrenkunde der
Egyptenaren. Doch nu ons respect voor de astronomische kennis van oude
volken (zoals Stonehenge) aan het stijgen is, moeten we wel wat voorzichtig
zijn met onze oordelen.
| |
| | | |
4.
De wiskunde van Mesopotamië (of Irak, zouden we nu moeten zeggen)
staat op een hoger peil dan de wiskunde van Egypte. We kunnen hier zelfs in
de loop der eeuwen vooruitgang ontdekken. Reeds de oudste teksten, die tot
de laatste Soemerische periode (de Derde Dynastie van Oer, ca. 2100 v.C.)
behoren, vertonen een aanzienlijke bedrijvigheid in het rekenen. Deze
teksten bevatten tafels van vermenigvuldiging, waarin een goed ontwikkeld
sexagesimaal (zestigtallig) stelsel was geënt op een
oorspronkelijk decimaal (tientallig) stelsel. Slechts twee tekens werden
gebruikt, het ene stond voor 1, het andere voor 10, en daarmee werden alle
getallen gevormd. De manier waarop dit gebeurde, is het meest
karakteristieke kenmerk van deze rekenwijze. Waar de Egyptenaren iedere
hogere eenheid door een speciaal symbool aanduidden, gebruikten deze
Soemeriërs hetzelfde symbool, maar lieten de waarde daarvan door
de positie in het getal bepalen. Zo kon het symbool voor 1
door zijn positie zowel 60, 602,... als 60-1, 60-2,... betekenen. Als het symbool voor 1
naast een ander symbool voor 1 stond, had het eerste symbool de waarde
zestig, en 11 betekende wat wij door 61 uitdrukken. Een 5, gevolgd door 6,
gevolgd door 3 (we zullen dit 5, 6, 3 schrijven) betekende 5 ×
602 + 6 × 60 + 3 =
18363 in onze manier van schrijven. Dit sexagesimale positiestelsel, dat dus
in beginsel niet verschilt van het stelsel dat wij gebruiken, behalve dan
dat wij niet als basis het getal 60, maar het getal 10 hebben (zodat voor
ons 563 = 5 × 102 + 6 ×
10 + 3), maakt het rekenen veel gemakkelijker dan een stelsel als
het Romeinse, iets waarvan men zich licht kan overtuigen door eens in ieder
stelsel een vermenigvuldiging te beproeven. Het positiestelsel maakt ook het
rekenen met breuken niet moeilijk, zoals we dat weten uit onze praktijk van
de decimale breuken. Dit handige sexagesimale stelsel schijnt gegroeid te
zijn uit administratieve praktijken. We bezitten althans duizenden teksten
van diezelfde periode met verslagen over de aflevering van vee, graan, enz.
vergezeld van bijbehorende berekeningen.
Zulk een schrijfwijze bracht dubbelzinnigheden mee, aangezien de waarde van
ieder symbool niet altijd uit zijn positie duidelijk was. Het getal (5, 6,
3) kan ook wel 5 × 601 + 6
× 600 + 3 × 60-1 = 306 1/20 betekenen, en 11 niet alleen ons 61, maar
ook 2 of 1/30. In zulke gevallen moest de waarde van het getal uit de
verdere tekst worden afgeleid. Een andere dubbelzinnigheid kon optreden als
een open plaats een nul moest voorstellen, zodat (11, 5) misschien 11
× 602 + 5 = 39605 kon betekenen.
In de loop der tijden werd op zo'n plaats een bijzonder symbool voor nul
geschreven, | | | | doch dit gebeurde niet vóór
de Perzische tijd. De zgn. ‘uitvinding van de nul’ is
dus het logische resultaat van het werken met getallen in positiestelsel
geschreven, doch deze uitvinding wordt eerst gedaan wanneer er reeds een
aanzienlijke bedrevenheid in het rekenen is verkregen.
Zowel het zestigtallig stelsel als het positiesysteem is blijvend bezit van
de mensheid gebleven. Onze huidige indeling van een uur en een cirkelgraad
in 60 minuten en de minuut in 60 seconden komt via de Grieken en de
Babyloniërs van de Soemeriërs. Men gelooft wel dat de
keuze van het getal 60 in plaats van 10 als eenheid samenhangt met het feit
dat 60 vele delers heeft hetgeen in het stelsel van maten en gewichten een
zekere eenheid kon brengen, en bovendien het delen eenvoudiger maakt. De
vroege geschiedenis van het positiesysteem, waarvan de blijvende betekenis
wel met die van het alfabet is vergeleken1 - omdat bij beide
uitvindingen een ingewikkeld stelsel van symbolen vervangen werd door een
stelsel dat gemakkelijk te begrijpen is - blijft nog steeds in tamelijk
duister gehuld. We kunnen met vrij grote zekerheid vaststellen dat zowel de
Hindoes als de Grieken ermee in aanraking kwamen langs de karavaanwegen door
Babylon. We weten ook dat Mohammedaanse geleerden later het decimale
positiestelsel als een Indische uitvinding beschreven. Wat de mogelijke rol
van China, dat reeds vroeg een decimaal positiestelsel bezat, hierbij is
geweest, is nog niet duidelijk. Het is niet onmogelijk, dat de Chinese zowel
als de Babylonische traditie de gehele verdere ontwikkeling van het
positiestelsel heeft beïnvloed.
| |
5.
De volgende groep van spijkerschrift-teksten behoort tot de periode van de
eerste Babylonische dynastie, waartoe koning Hammurabi behoorde (1950 v. C.)
en waaronder een Semitisch volk de oorspronkelijke bewoners, de
Soemeriërs, had overwonnen. In deze teksten vinden we de
rekenkunde voortgezet in een ontwikkelde algebra. Terwijl de Egyptenaren in
deze periode slechts in staat waren eenvoudige lineaire vergelijkingen op te
lossen, waren de Babyloniërs uit de tijd van Hammurabi in het
volle bezit van de oplossing van vierkantsvergelijkingen (natuurlijk alleen
voor positieve wortels). Ook losten zij lineaire en kwadratische
vergelijkingen met twee veranderlijken op, en zelfs vraagstukken waarin
derde- en vierdegraadsvergelijkingen optraden. Zij formuleerden zul- | | | | ke vraagstukken slechts met bepaalde getallenwaarden als
coëfficiënten, maar hun methode laat geen twijfel
bestaan, dat ze een algemeen oplossingsschema hadden. Het volgende voorbeeld
vindt men op een kleitafeltje uit die tijd. We geven het met de getallen
(als in de oorspronkelijke tekst) sexagesimaal uitgedrukt.
‘Ik heb het oppervlak van twee vierkanten gesommeerd,
het is (16, 40). De zijde van het ene is ⅔ van de zijde van het
andere. Ik heb 10 van de zijde van het kleine vierkant afgetrokken. Wat zijn
de zijden van het vierkant?’ Dit leidt tot de vergelijkingen
x2 + y2 = (16, 40); y =
⅔x - 10, waarvan de oplossing kan worden
teruggebracht tot die van de vierkantsvergelijking

waarvan de oplossing is x = 30, y = 10. In onze notatie, waarin (16, 40) door 1000 wordt
weergegeven, wordt deze vergelijking

Voor de oplossing zijn de leden der vergelijking met 5200 te
vermenigvuldigen en links het kwadraat te complementeren. Hierbij moet de
wortel uit (22,24,26,40) worden getrokken, dit is (36,40). De oplossing in
de tekst beperkt zich - zoals altijd in deze Oosterse teksten - eenvoudig
tot de opsomming van de stappen, die genomen moeten worden: Neem het
vierkant van 10, geeft (1,40), trek (1,40) af van (16,40), geeft (15,0),
(1,0)2 = (1,0,0), 402 = (26,40)
enz.
Het aritmetisch-algebraïsch karakter van deze Babylonische
wiskunde blijkt ook uit de meetkunde. Evenals in Egypte ontstond de
meetkunde uit de behoeften van de praktijk, doch de meetkundige vorm van het
vraagstuk werd vaak slechts een manier om een algebraïsch
praktisch of theoretisch vraagstuk te formuleren. In ons vorige voorbeeld
zagen we hoe een vraagstuk omtrent het oppervlak van vierkanten tot een
stelsel van twee vergelijkingen voerde, en dat soort vraagstuk is typisch.
Uit de teksten blijkt dat de Babylonische meetkundigen van de Semitische
periode het oppervlak van eenvoudige rechtlijnige figuren en de inhoud van
eenvoudige ruimtefiguren wisten te berekenen. Voor de inhoud van de
afgeknotte piramide is de Babylonische formule (nog?) niet gevonden, wel
zijn benaderingen bekend. Een benadering voor het oppervlak van een vierhoek
met overstaande zijden a,c; b,d was
| | | |
Het zgn. theorema van Pythagoras was bekend in volle algemeenheid als een
getallenbetrekking tussen de zijden van een rechthoekige driehoek, en we
hebben zelfs Pythagoreïsche drietallen uit die tijd, b.v. 120,
119, 169 (d.i. (120)2 + (119)2 = (169)2). Het algemene karakter van deze
meetkunde bleef steeds behouden, ook in latere teksten, in het bijzonder die
van de derde periode waaruit er een groot aantal aan het licht zijn gekomen,
nl. die van de Nieuw-Babylonische, Perzische en Seleucidische rijken (van
ca. 600 v. C.-300 n. C.).
De teksten van die latere periode tonen de invloed van de Babylonische
astronomie, die in die jaren een veel strenger wetenschappelijk karakter
verkreeg door het tabelleren en analyseren van de loop van de maan en de
planeten. De rekentechniek verscherpte zich, zodat algebraïsche
vraagstukken werden opgelost die zelfs nu nog heel wat numerieke vaardigheid
vereisen. Sommige berekeningen uit de Seleucidische tijd gaan tot zeventien
sexagesimale plaatsen. Zulk ingewikkeld rekenwerk had niet veel meer te
maken met de oude vraagstukken over landmeting of over belastingen, maar was
beïnvloed door de sterrenkunde of eenvoudig door het feit dat men
zulk werk leerzaam en plezierig vond.
Al dit rekenen was vaak op het gebruik van tabellen gebaseerd. Men heeft
tabletten gevonden, die eenvoudige tafels van vermenigvuldiging, en andere
die tweede- en derdegraadswortels bevatten. Eén tafel bevat een
lijst van getallen van de vorm n3
+ n2, die blijkbaar is
gebruikt om kubieke vergelijkingen van de vorm x3 + x2
= a op te lossen. Als benaderingswaarden vinden we voor
√2 de waarde (1,25) = 1 5/12 (√2 = 1,4142..., 1 5/12 =
1,4167..)1 en voor 1/√2 (= 0,7071) vindt men 17/24 (= 0,7083).
Het schijnt dat vierkantswortels berekend werden volgens een formule die we
kunnen schrijven als
(voor A = 2 neme men a = 4/3).
Wat de waarde van π betreft, die wordt in de meeste teksten
eenvoudig op 3 gezet, de waarde die we ook in de Bijbel aantreffen (ii Kron. 4:2). Hier wordt dus het oppervlak van de cirkel
gelijk | | | | 1/12 het kwadraat van de omtrek genomen. Er zijn echter
teksten die tot een waarde π = 3⅛ voeren.1
De vergelijking x3 + x2 = a wordt in een
vraagstuk gevonden waarin de oplossing gezocht wordt van het systeem xyz + xy = 1 +
⅙, y = ⅔x, z =
12x. Dit leidt tot (12x)3 + (12x)2 = 252, of (uit de tabel:) 12x = 6.
Er bestaan ook spijkerschriftteksten met vraagstukken over samengestelde
interest. Zo wordt berekend hoe lang het zal duren totdat een zekere som
geld zich verdubbeld heeft, indien ze tegen 20% samengestelde interest
uitstaat. Dit voert tot de vergelijking (1⅕)
x
= 2, die wordt opgelost door eerst vast te stellen dat x tussen 3 en 4 ligt, waarna het antwoord berekend wordt door lineaire
interpolatie. In moderne schrijfwijze:
hetgeen voert tot x = 4 (jaar)minus (2,33,30) maanden.
Een van de oorzaken van de ontwikkeling der algebra omstreeks 2000 v. C. is,
naar het schijnt, het gebruik van het oude Soemerische schrift door de
nieuwe Semitische heersers. Het oude schrift was, zoals de
hiërogliefen, een collectie van ideogrammen, waarbij ieder teken
een speciaal begrip aanduidde. De Semieten gebruikten ze om hun eigen taal
fonetisch weer te geven en namen ook enige tekens in de oude betekenis over.
Deze tekens drukten nu begrippen uit, doch werden nu anders uitgesproken.
Zulke tekens waren zeer geschikt voor een algebraïsch schrift,
evenals onze tekens +, -, enz., die ook ideogrammen zijn. In de
administratiescholen van Babylon was deze algebraïsche taal
gedurende vele generaties in de leercursus opgenomen, en ondanks alle
veranderingen in de taal der heersers - Kassieten, Assyriërs,
Meden, Perzen - bleef deze traditie bestaan.
Die meer ingewikkelde vraagstukken behoren tot een periode - de Perzische en
Seleucidische - waarin Babylon niet langer een politiek centrum was, doch
nog steeds het culturele centrum bleef van een groot gebied, waar niet
alleen Babyloniërs woonden, doch ook Perzen, Grieken, Joden,
Hindoes en vele andere volkeren. In die spijkerschriftteksten kan men door
alle eeuwen heen een conti- | | | | nuïteit van
wetenschappelijke traditie waarnemen, die er op schijnt te wijzen, dat
althans in het centrum nooit veel op cultureel gebied veranderde. Men kan
wel aannemen, dat deze plaatselijke ontwikkeling ook de invloed ondervond
van andere beschavingen, en dat ook deze weer op hun beurt door de
Babylonische wetenschap werden beïnvloed. Wij weten dat de
Babylonische sterrenkunde van die periode de sterrenkunde van de Grieken aan
materiaal heeft geholpen en dat de Babylonische wiskunde op de rekentechniek
van andere volken bevruchtend heeft gewerkt. Griekse en Indische wetenschap
hebben elkaar wel in de Babylonische geleerdenscholen ontmoet. Maar we weten
nog heel weinig van de rol die Perzisch en Seleucidisch
Mesopotamië in de verspreiding van de sterrenkunde hebben
gespeeld, maar wat we weten wijst er op, dat die rol belangrijk was. De
Middeleeuwse Arabische en Indische wetenschap kregen vele hunner
ideeën niet alleen uit Alexandrië, doch ook uit
Babylon.
| |
6.
Wij vinden nergens in de wiskunde van het Oosten iets dat op een bewijs
lijkt. In plaats van gedocumenteerde redeneringen krijgen we alleen bepaalde
voorschriften: ‘Doe het nu zó, dan weer
zó!’ We weten niet hoe de theorema's en voorschriften
zijn gevonden. Hoe b.v. zijn de Babyloniërs aan het theorema van
Pythagoras gekomen? Verscheidene pogingen zijn gedaan om aan te tonen, hoe
de Egyptenaren en Babyloniërs hun resultaten konden hebben
verkregen, maar zulke pogingen blijven hypothesen. Dit schijnt aan ons, die
onze wiskunde anders hebben geleerd en de school van Euclides' meetkunde
hebben doorlopen, vreemd en hoogst onbevredigend toe. We begrijpen het
echter beter, wanneer we bedenken dat heel wat van de wiskunde die we onze
technici en ingenieurs doceren, nog steeds voornamelijk uit recepten
bestaat, zonder dat veel werk van strenge bewijzen wordt gemaakt. In het
middelbaar onderwijs wordt de algebra ook vaak niet als een deductieve
wetenschap doch als een stel voorschriften geleerd. Oosterse wiskunde
schijnt in de duizenden jaren van haar bestaan zich nooit hebben kunnen
losmaken van de invloed der technologische en administratieve problemen
waaruit ze is voortgekomen.
| |
7.
In hoeverre hebben de Grieken, Babyloniërs en Chinezen de oude
Indische wiskunde beïnvloed? We weten hier weinig van, maar zeker
is dat Indische geleerden van latere dagen nadruk hebben gelegd op de hoge
ouderdom van hun wiskunde. Men kent evenwel geen wiskundige teksten die met
zekerheid in de tijd vóór | | | | de Christelijke
jaartelling teruggaan. De oudste teksten kan men misschien in de eerste
eeuwen n. C. plaatsen. Wij weten wel, dat de Hindoes in de oude tijd
decimale getallenstelsels zonder positiewaarde gebruikten. Zulk een systeem
was b.v. dat van de zgn. Brâhmî-getallen, waarin we
speciale symbolen vinden voor de nummers 1, 2, 3,..., 9, 10; 20, 30, 40,...,
100; 200, 300...; 1000; 2000... enz. Deze symbolen gaan op zijn minst terug
naar de tijd van Koning Açoka (300 v.C.).
Ook bezitten we de zgn. Sūlvasūtras, die gedeeltelijk
tot 500 v.C. of nog vroeger teruggaan, en die wiskundige voorschriften
bevatten die van oude inheemse oorsprong zijn. Men vindt die voorschriften
te midden van religieuze en ritualistische beschouwingen, waaronder er zich
een aantal met de bouw van altaren bezighouden. Hier vindt men recepten voor
de constructie van vierkanten en rechthoeken, uitdrukkingen voor de
betrekking van diagonaal en zijde van het vierkant, en voor die tussen
cirkels en vierkanten. In speciale gevallen is het theorema van Pythagoras
bekend, en we ontmoeten enige eigenaardige benaderingswaarden met behulp van
stambreuken, zoals b.v. (in onze notatie):
Ook π = 18 (3 - 2√2) (= 3,088).
Het is merkwaardig dat deze resultaten niet meer in latere geschriften der
Hindoes voorkomen. De continuïteit van de traditie, die zo
typisch is voor de Egyptische en Babylonische wiskunde, schijnt in die oude
Indische wiskunde te ontbreken, en men kan dit misschien verklaren uit de
uitgestrektheid van het Indische subcontinent. Er kunnen op verscheidene ver
uiteengelegen plaatsen verschillende mathematische scholen hebben bestaan.
Wij weten bijvoorbeeld, dat het Jainisme, dat ongeveer even oud is als het
Boeddhisme (ca. 500 v. Chr.) de studie der wiskunde aanmoedigde. In heilige
boeken van deze godsdienst vinden we b.v. de waarde π =
√10.1
| |
| | | |
8.
De studie van de oud-Chinese wiskunde wordt, evenals die van het oude
Indië, bemoeilijkt door de schaarste van vertalingen, zodat we op
tweedehands informatie aangewezen zijn, zolang we geen Chinees of Sanskriet
kennen. Gelukkig kunnen we in de boeken van Mikami en Needham, die in het
Engels zijn geschreven, een goede oriëntatie in de oud-Chinese
wiskunde verkrijgen, en er komen nu ook geregeld artikelen over speciale
Chinese teksten in vertalingen uit, vooral in het Engels en het Russisch.
Wij hebben b.v. een Russische en een Duitse vertaling van de klassieke tekst
Jiu zhang suan-shu (Chiu Chang Suan Ching), de
‘Negen Hoofdstukken over de kunst der wiskunde’.1 Dit boek is wel de oudst bewaarde Chinese
leercursus in de wiskunde, en in de vorm waarin wij het thans hebben,
dateert het van de tijd der Han-dynastie (202 v. C.-220 n. C.), doch kan
veel ouder materiaal bevatten. Ditzelfde geldt voor een ander boek, de Zhou bei (‘Chou Pei’), doch dit is
slechts gedeeltelijk wiskundig. Die ‘Zhou Pei’ is
echter interessant, omdat het het theorema van Pythagoras bespreekt. De
‘Negen Hoofdstukken’ zijn daarentegen geheel wiskundig
en ook daarom van belang, omdat ze al reeds geheel het karakter dragen, dat
de Chinese wiskunde door de eeuwen heen tot de zeventiende eeuw heeft
behouden.
Zeer oud zijn ook zekere diagrammen uit boeken van de Han-periode, zoals de
Yi-jing (I-ching, Boek der Veranderingen). Hiertoe
behoort het legendarische toverkwadraat (Lo Shu):
De Chinezen hebben steeds decimaal gerekend, en reeds in het tweede
millennium v. C. vinden we getallen die door negen symbolen in positie
werden uitgedrukt. Deze schrijfwijze moet in de Han-periode of reeds eerder
ingeburgerd zijn geraakt. De negen symbolen werden door bamboestaafjes in
verschillende orde aangegeven, zo betekende ⊥
⊤⊤ = ⊤⊤⊤⊤
het getal 6729, en dit was ook de manier waarop het getal werd geschreven.
De elementaire rekenoperaties werden uitgevoerd op rekenborden, waarbij lege
plaatsen de nul aangaven (eerst in de 13e eeuw n. C. vinden we een | | | | eigen symbool voor nul, 0, doch dit kan best veel ouder zijn).
Bij de berekening van de kalender werd een soort sexagesimaalsysteem
gebruikt, dat men vergelijken kan met een combinatie van twee met elkaar
verbonden tandraderen, het ene met 12, het andere met 10 tanden. Op die
manier ontstond 60 als een hogere eenheid, een
‘cyclus’. (Men denke aan Tennyson's
‘Locksley Hall’: better fifty years of Europe than a
cycle of Cathay).1
De wiskundige inhoud van de ‘Negen Hoofdstukken’
bestaat voornamelijk uit vraagstukken en algemene recepten voor de
oplossing. Deze vraagstukken hebben hun oorsprong in de praktijk, maar gaan
er vaak bovenuit. Vierkants- en derdemachtswortels worden berekend, zo wordt
b.v. 751½ als vierkantswortel uit 564752¼ gevonden. In
berekeningen met de cirkel werd π = 3 aangenomen.
Heel wat vraagstukken leiden naar algebraïsche vergelijkingen,
zoals die worteltrekking die tot de vergelijkingen x2 - a = 0, x3 - b = 0 voert. Interessant zijn de
systemen van lineaire vergelijkingen, b.v.
| 3x |
+ |
2y |
+ |
z
|
= |
39 |
| 2x |
+ |
3y |
+ |
z
|
= |
34 |
|
x
|
+ |
2y |
+ |
3z |
= |
26 |
die geschreven werden met behulp van de ‘matrix’ van de
coëfficiënten. De oplossing werd aangegeven in een
vorm die we thans een ‘matrixtransformatie’ zouden
noemen. In zulke matrices komen ook negatieve getallen voor, voor de eerste
keer in de geschiedenis van de wiskunde.
Bij de Chinese wiskunde doet zich het ongewone geval voor, dat een wiskundige
traditie van de Oudheid tot bijna de huidige dag zonder onderbreking zich
heeft gehandhaafd, zodat men haar ontwikkeling en maatschappelijke rol beter
kan bestuderen dan dit het geval is met de wiskunde van Egypte en
Babylonië (of der Maya's in Amerika), die tot ondergegane
beschavingen behoren. Zo weet men b.v. dat kandidaten voor staatsposities
een nauwkeurige kennis van een aantal klassieke werken moesten bezitten, en
bij het examen werd nadruk gelegd op geheugenwerk. Zo kon de traditionele
theorie onveranderd van generatie tot generatie overgeleverd worden. Zulk
een praktijk werkt stagnerend, en maakt | | | | uitvindingen en
ontdekkingen moeilijk, ofschoon de traditie gehandhaafd blijft. Grote
historische catastrofen konden soms het doorwerken van de traditie
verhinderen of vertragen. We hebben een dergelijke toestand ook in
Indië aangetroffen, waar we zelfs wiskundige teksten hebben die
in stanza's zijn geschreven om het uit het hoofd leren te vergemakkelijken.
Misschien is de wiskundige praktijk van de oude Egyptenaren en
Babyloniërs niet veel anders geweest.
De verstening van de wiskunde kon slechts voorkomen worden door het ontstaan
van een geheel nieuwe beschaving. Die kwam dan ook werkelijk. In de Griekse
wereld, met zijn geheel andere levenshouding, werd de wiskunde op een nieuw
en hoger wetenschappelijk standpunt verheven.
| |
Literatuur
| The Rhind Mathematical Papyrus, uitgeg. door T.E.
Peet (Londen, 1923). |
The Rhind Mathematical Papyrus, uitgeg. door A.B.
Chace, L. Bull, H.P. Manning en R.C. Archibald (2 dln. Oberlin, Ohio,
1927-29). Dit boek heeft een uitgebreide bibliografie van de
Egyptische en Babylonische wiskunde. Een andere bibliografie,
voornamelijk over antieke astronomie, in het geciteerde boek van
Neugebauer, p. 18. |
| Mathematischer Papyrus des staatlichen Museums der
schönen Künste in Moskou, uitgeg. door
W.W. Struve en B.A. Turajeff (Berlijn 1930). |
| O. Neugebauer, Vorlesungen über Geschichte der
antiken mathematischen Wissenschaften
i. Vorgriechische Mathematik (Berlijn 1934). |
| O. Neugebauer, Mathematische Keilschrift-Texte (3
dln. Berlijn, 1935-37). |
| O. Neugebauer, The exact Sciences in Antiquity
(Princeton, 1952, 2e uitg. 1957, Dover uitg., 1969, zie ook E.M. Bruins,
Janus 17 (1958) 68-72. |
| O. Neugebauer-A. Sachs, Mathematical Cuneiform Texts
(New Haven, 1945). |
| E.M. Bruins-M. Rutten, Textes mathématiques de
Suse (Paris, 1961). |
| F. Thureau-Dangin, Sketch of a History of the sexagesimal
System, Osiris 7 (1939) 95-141. |
| F. Thureau-Dangin, Textes mathématiques
babyloniens (Leiden, 1938). |
| | | |
| R.J. Gillins, Mathematics in the Time of the Pharaos
(Cambridge, Mass., 1972, Dover reprint 1982). Zie H.M. 4 (1977) 445-452. |
| Tussen de hierboven genoemde geleerden bestaan zekere
meningsverschillen omtrent de zin van zekere babylonische teksten. Zie
daarbij ook |
| S. Gandz, Conflicting interpretations of Babylonian
Mathematics, Isis 31 (1940) 405-425. |
| Een overzicht over de vóór-Griekse wiskunde
vindt men ook in R.C. Archibald, Mathematics before the
Greeks, Science 71 (1930) 109-121, 342; zie ook ib. 72 (1930)
36. |
| D.E. Smith, Algebra of 4000 years ago, Scripta
mathematica 4 (1936) 111-125. |
| K. Vogel, Vorgriechische Mathematik (2 dln.
Hannover, Paderborn, 1958, 1959). |
| Een uitstekende beschrijving door een vooraanstaande autoriteit. De
verschillende delen van het Bulletin of the Calcutta Mathematical
Society bevatten vele artikelen over de oude Indische wiskunde. |
| |
Bovendien:
| B. Datta-A.N. Singh, History of Hindu
Mathematics (2 dln. Lahore, 1935-38). Zie ook bespreking door
O. Neugebauer in Quellen und Studien 3 B (1936) 263-271. |
| L.v. Gurjar, Ancient Indian Mathematics (Poona
1947, zie ook Mathem. Reviews 9, blz. 73). |
| G.R. Kaye, Indian Mathematics, Isis 2 (1919)
326-356. |
| A. Seidenberg, The ritual origin of geometry,
Archives for Hist. Exact Sciences (1962) 408-527. |
| C. Müller, Die Mathematik der
Sulvasūtra, Abh. mathem. Sem. Hamburg 7 (1929)
173-207. |
| |
Over de Chinees-Japanse wiskunde:
| Y. Mikami, The Development of Mathematics in China
and Japan (Leipzig 1913, herdruk New York 1961). |
| Y. Mikami, On the Japanese theory of
determinants, Isis 2 (1914) 9-36, zie ook ib. 4 (1921-22)
70-77. |
| Y. Mikami, Mathematical papers from the far
East. Abh. zur Gesch. d. mathem. Wiss. 28 (Leipzig-Berlin,
1910). |
| J. Needham (with the collaboration of Wang Ling), Science and civilization in China
iii (Cambridge, 1959). |
| T. Hayashi, Brief History of Japanese
Mathematics, Nieuw Archief v. Wiskunde, 2e ser., 6 (1905)
296-361, 7 (1907), 105-161. Zie ook ib. 9 (1911) 370-372, 373-386
(Y. Mikami). |
| | | |
| L. van Hée, Le classique de l'ile
maritime, ouvrage chinois du
iii
e
siècle. Quellen und Studien zur
Geschichte der Mathematik B, Studien 2 (1932) 255-280. |
| |
In het Russisch:
| E.I. Berezkina, De oudchinese verhandeling:
‘Wiskunde in negen boeken’, Istor.
Matem. Issled. (Moskou) 10 (1957) 423-584. |
| Duitse vertaling: Neun Bücher
arithmetischer Technik, übersetzt und
erläutert von K. Vogel. Ostwalds Klassiken, Neue
Folge 4 (Brunswijk, 1968). |
|
| R. Wilhelm, ‘I Ging’ [I Ching]
Das Buch der Wandlungen, 2 delen, Jena 1924. Engelse
vertaling van C.F. Baynes, New York, 1950. |
| |
Over de structuur van de Oosterse maatschappij:
| J. Needham: Science and Society in East and
West, Science and Society 28 (1964) 385-408. Zie ook |
| bldz. 127-149 van The Science of Science, ed. M.
Goldsmith and A. Mackay, Londen, 1964. |
| K.A. Wittfogel, Die Theorie der orientalischen
Gesellschaft, Zeitschrift für Sozialforschung 7
(1938) 90-122. Ook Le mode de production
asiatique, La Pensée 114 (1964) 3-78. |
| |
Verder nog:
| B.L. van der Waerden, Ontwakende wetenschap,
Groningen, 1950. Vol. XV, supplement I van DSB, New York 1978, heeft
op blz. 531-818 ‘Topical Essays’ artikelen
over wis- en sterrenkunde en wetenschap in 't algemeen, in
Indië, Mesopotamië, Egypte, Japan en de
Maya's. |
| B.L. van der Waerden, On Pre-Babylonian
Mathematics, AHES 23 (1980) 1-26, 27-46. |
| Zie ook A. Seidenberg, AHES 18 (1978) 301-342. |
Zie verder de literatuurlijst na Hoofdstuk iv.
|
1Heel wat van
die tafeltjes hebben na de opgravingen in de musea geleden. Bovendien is
vaak de herkomst onzeker.
2Zo genoemd naar de
Schotse bankier en antiquair A. Henry Rhind (1833-'63), die de papyrus
in Luxor aan de Nijl verkreeg. Ze bevindt zich in het Britse Museum, en
wordt ook wel de Ahmes-papyrus genoemd, naar de klerk die de kopie
maakte. Ahmes is de eerste persoonsnaam die we in de wiskunde
kennen.
1W. Willcocks, Irrigation of Mesopotamia, 2e ed. (Londen, 1917) p. XI.
1O.
Neugebauer, Arithmetik und Rechentechnik der
Ägypter, Quellen und Studien zur Geschichte der
Mathematik B I (1931), pp. 301-380; B.L. v.d. Waerden, Die
Entstehungsgeschichte der ägyptischen Bruchrechnung,
ib 4 (1938), pp. 359-382; K. Vogel, Vorgriechische
Mathematik (Hannover, 1958) I, p. 34-45. Vgl. ook E.M. Bruins,
Verh. Kon. Akademie v. Wetensch. A 55 (1952).
1Men denkt hier aan het Engelse
kinderrijmpje: As I was going to Saint Ives, I met a man with
seven wives, Every wife had seven sacks, Every sack hat seven
cats, Every cat had seven kits; Kits, cats, sacks and
wives, How many were there going to Saint Ives? (vrij
vertaald): Ik ging eens naar het eiland Schouwen En zag een
man met zeven vrouwen, Elke vrouw had zeven zakken. Elke zak
had zeven katten Elke kat had zeven poesjes Poesjes, katten,
zakken, vrouwen Hoeveel gingen er naar Schouwen? Men ziet hoe
eenzelfde soort vraagstuk door de eeuwen heen bewaard kan
blijven.
1Vgl. S. Gandz, l.c. p. 7.
1O.
Neugebauer, The History of Ancient Astronomy, Journal
of Near Eastern Studies 4 (1945) 12.
1O. Neugebauer, Exact
Science in Antiquity. Univ. of Pennsylvania. Bicentennial
Conference, Studies in Civilization, Philadelphia 1941, bldz.
13-29.
1E.M. Bruins-M. Rutten, Textes
mathématiques de Suse (Parijs 1961), bldz.
18.
1B. Datta, The Jaina School of
Mathematics, Bulletin Calcutta Mathem. Society 21 (1929)
115-146.
1We gebruiken hier de zgn. Pinyin-romanisatie, in 1956
ingevoerd en nu algemeen in gebruik, zodat bijv. Beijing nu staat voor
het oude Peking. De oudere spelling is tussen haakjes bijgehouden. De
Pinyin-transliteratie heb ik aan Dr. Raymond Lam van de Harvard
Bibliotheek te danken.
1‘Beter vijftig jaren
van Europa dan een cyclus van Cathay’ - Cathay is een
literaire naam voor China, sinds Marco Polo's tijd (13e eeuw) in
gebruik.
|
|