|
|
|
| |
| | | |
V. Het begin in West-Europa
| |
1.
Het Westelijk deel van het Romeinse Rijk is steeds zowel in economisch als in
cultureel opzicht bij het Oostelijk deel ten achter gebleven. Hier, in het
Westen bestond de intensieve landbouw, door irrigatie georganiseerd, niet of
nauwelijks; en daardoor ontbrak een voorname prikkel voor de bestudering van
de sterrenkunde. Het Westen was best tevreden met het beetje sterrenkunde,
praktische rekenkunde en meetkunde dat voor handel en landmeten nuttig was
(sommige handleidingen voor landmeters, agrimensores, zijn bewaard
gebleven). Eeuwenlang bleef de inspiratie voor de verdere ontwikkeling of de
verdieping van de wiskunde uit het Oosten komen. Toen het Oost-Romeinse Rijk
en het West-Romeinse Rijk politiek uiteengingen, leefde deze inspiratie
vrijwel geheel niet meer.
Vele eeuwen lang bleef de statische beschaving van het West-Romeinse Rijk
zonder veel onderbrekingen voortbestaan en werd de eenheid van de cultuur
die rondom de Middellandse Zee was ontstaan maar weinig onderbroken, zelfs
niet eens door de veroveringen van de zgn. barbaren. In alle Germaanse
koninkrijken (misschien die in Brittannië uitgezonderd) bleven de
economische verhoudingen, de maatschappelijke instellingen en het
geestesleven in beginsel gelijk aan wat ze in het ondergaande Romeinse Rijk
waren geworden. Grondslag van het maatschappelijk leven was de landbouw,
waarin slaven geleidelijk vervangen werden door vrije boeren of pachters.
Steden bleven bloeien, een internationale handel met een geldeconomie bleef
gehandhaafd.
Nadat het centrale gezag in deze Grieks-Romeinse wereld na de val van het
Westelijk Rijk in 476 gedeeld werd door de keizer van Constantinopel en de
Paus van Rome, zette de Katholieke Kerk in het Westen zo goed en zo kwaad
als ze kon, door haar taal en instellingen de culturele traditie van het
Romeinse Rijk binnen de Germaanse koninkrijken voort. Kloosters en
geletterde leken hielden althans enige bestanddelen van de Grieks-Romeinse
beschaving in leven.
Een dezer leken, de diplomaat en wijsgeer Anicius Manilius Severinus
Boëthius, schreef enige wiskundige boeken die meer dan duizend
jaar in de Westelijke wereld gezag hebben uitgeoefend.
| | | |
Ze zijn een weerspiegeling van de culturele verhoudingen waaronder zij
ontstonden, want ze zijn arm aan wetenschappelijke inhoud. Het is niet
onmogelijk dat het eeuwenlang aanzien, waarin ze hebben gestaan, samenhangt
met het feit dat de schrijver in 524 als martelaar van het Katholieke geloof
is gestorven. In Boëthius' Institutiones
arithmeticae, een oppervlakkige bewerking van Nikomachos, kon men
wat Pythagoreïsche getallentheorie vinden, die op deze manier als
een bestanddeel van de zeven artes liberalis, namelijk het
‘quadrivium’ (arithmetica, geometria, astronomia,
musica) naast het ‘trivium’ (grammatica, rhetorica,
dialectica) in het onderwijs der Middeleeuwen werd opgenomen.
Het is moeilijk precies de tijd aan te geven waarin de maatschappijvorm van
het oude Romeinse Rijk plaats begon te maken voor de nieuwe feodale orde. Op
deze kwestie wordt enig licht geworpen door de hypothese van de Belgische
geschiedkundige Henri Pirenne (die overigens niet algemeen wordt
aanvaard)1, volgens welke het einde van de West-Romeinse
maatschappijvormen samenhangt met de opkomst van de Islam. De Arabieren
beroofden het Byzantijnse rijk van al zijn provincies aan de Oost- en
Zuidkust van de Middellandse Zee en maakten het Oostelijk bekken van die Zee
tot een mohammedaans binnenmeer. Zij bemoeilijkten vele eeuwen lang de
handelsbetrekkingen tussen het Nabije Oosten en het Christelijke Westen.
Het intellectuele verkeer tussen de Arabische wereld en het noordelijk deel
van het vroegere Romeinse Rijk werd daarbij eveneens aan grote moeilijkheden
onderworpen, ofschoon het nooit geheel is stopgezet.
Het gevolg was dat in het Frankische Gallië en in andere
voormalige delen van het West-Romeinse Rijk de oude instellingen
verschrompelden; de steden raakten in verval, de inkomsten uit tollen liepen
sterk terug, de internationale geldeconomie werd vervangen door ruilhandel
en plaatselijk marktverkeer. West-Europa ging terug tot een tamelijk
primitieve landbouweconomie. Het verval van de handel kwam de landelijke
aristocratie ten goede en in Noord-Frankenland werden de grondbezitters
onder de leiding der Karo- | | | | lingers tot heersende klassen. Het
economische en culturele middelpunt werd naar het Noorden, naar
Noord-Frankrijk en Brittannië verlegd. De scheiding van Oost en
West beperkte het feitelijk gezag van de Paus, zodat het Pausdom zich
verbond met de Karolingers. Dit verbond werd bezegeld door de kroning van
Karel de Grote tot keizer van het Heilige Roomse Rijk in 800. De Westelijke
wereld werd feodaal en kerkelijk, haar oriëntering Germaans en
naar het Noorden gericht.
| |
2.
Gedurende de eerste eeuwen van het Westelijk feodalisme vinden we zelfs in de
kloosters maar heel weinig belangstelling voor de wiskunde. Er ontbraken nu
eenmaal de impulsen die tot wiskundig denken prikkelen; ook in het dagelijks
leven had men niet meer dan een minimum aan rekenkennis nodig. Het aftellen
op de vingers was gewoonlijk wel voldoende. Aan de kloosters bestond de
‘hogere’ wiskunde gewoonlijk uit niet veel meer dan de
zgn. computus, die uit een stel regels bestond om de datum van het Paasfeest
vast te leggen. Boëthius was op wiskundig gebied de autoriteit.
Een mindere autoriteit was de monnik Alcuinus, die uit Brittannië
stamde en aan het hof van Karel de Grote leefde; zijn verzameling opgaven
‘voor de verscherping van het verstand’ (zie voetnoot
bldz. 90) heeft eeuwen lang stof tot lering en vermaak geleverd. Zo vinden
we hierin oude bekenden als de volgende vraagstukken:
‘Een hond achtervolgt een konijn, dat oorspronkelijk een
voorsprong heeft van 150 voet. De hond springt elke keer negen voet tegen de
zeven voet van het konijn. Na hoeveel sprongen heeft de hond het konijn ingehaald?’
‘Een wolf, een geit en een kool moeten in een boot over een
rivier worden gebracht. De boot kan behalve de veerman slechts
één van deze drie op een overtocht meenemen. Hoe moet
de veerman het aanleggen om alle drie naar de overkant te krijgen zonder dat
de geit de kool of de wolf de geit opeet?’
Een andere klerikale wiskundige was de Franse monnik Gerbert, die in 999 de
pauselijke troon beklom onder de naam Sylvester ii. Hij
schreef enige verhandelingen onder de invloed van Boëthius, doch
zijn hoofdverdienste als wiskundige bestaat daarin, dat hij tot de eerste
geleerden in de Latijnse wereld behoorde die belangstelling in de wiskunde
door zijn invloed in West-Europa verhoogde. Een abacus met een bord met niet
minder dan 27 kolommen staat op de naam van Gerbert of zijn invloed. Hij
verbleef rondom 968 in Catalonië en kan dus wel door Arabische
we- | | | | tenschap zijn kennis hebben vermeerderd.1
| |
3.
Er bestaan wezenlijk verschillen tussen de ontwikkeling van het Westelijke,
het vroeg-Griekse en het Oosterse feodalisme. De landbouw in Westelijk
Europa had een extensief karakter en dit maakte een breed opgezette
bureaucratie overbodig, zodat de grondslagen voor een Oosterse vorm van
despotisme ontbraken. Hier bestond ook geen mogelijkheid grote massa's
slaven bijeen te brengen. Dit heeft uitvindersvernuft gescherpt, en zo
vinden we nieuwigheden als een meer economisch harnassen van paarden en de
invoering van stijgbeugels. Toen de dorpseenheden in West Europa tot steden
uitgroeiden, en deze zich ontwikkelden tot zelfstandige bestuurs- en
bedrijfseenheden, waarvan de burgers niet in staat waren een gemakkelijk
leventje ten koste van slaven te leiden, kwam het uitvindersvernuft ook hun
ten goede. Dit is een der voornaamste punten van verschil tussen de
ontwikkeling van de Griekse stadstaat en de Westeuropese stad, die toch in
het aanvangsstadium sommige gemeenschappelijke trekken vertoonden. De
middeleeuwse stadsbevolking kon haar levensstandaard slechts verbeteren door
hard werk met scherpe handel en vernuftige techniek te verbinden. In zware
strijd met de feodale jonkers - en in veel geharrewar onderling - verkregen
de steden in de twaalfde, dertiende en veertiende eeuw steeds grotere macht
en zelfbewustzijn. Deze overwinningen berustten niet alleen op de snelle
groei van handel, verkeer en geldeconomie, doch vaak ook op een geleidelijke
uitbreiding van de industrie. In hun strijd met de landjonkers werden de
steden vaak door de vorsten gesteund, waardoor de vorsten hun invloed in de
steden versterkten. Botsingen tussen steden en vorsten bleven niet uit. Ten
slotte leidde deze ontwikkeling tot de vorming van de eerste nationale
staten in Europa.
De steden begonnen of hervatten hun verkeer met het Oosten, dat nog steeds
een hogere beschaving bezat. Deze betrekkingen | | | | tussen Oost en
West, Islam en Christendom, Arabische, Griekse en Latijnse wereld waren vaak
vreedzaam, doch konden in oorlogen als de kruistochten ook een gewelddadig
karakter aannemen. De Italiaanse steden waren de eerste, die de
handelsbetrekkingen weer opnamen; zij werden in de loop der tijden door
steden in Frankrijk, Duitsland en andere landen gevolgd. De koopman en de
soldaat werden voorafgegaan of gevolgd door de geleerde, voor wie het punt
van contact op Sicilië of in Spanje, soms ook in Constantinopel,
lag. Nadat in 1085 de Christenen Toledo op de Moren veroverd hadden,
stroomden van wijd en zijd Latijnse geleerden naar deze stad om de
wetenschap van de Arabische wereld te leren kennen. Als tolken traden vaak
Joden op, die ook hun bemiddeling bij het vertalen van teksten verschaften.
Zo vindt men in het Spanje van de twaalfde eeuw Plato van Tivoli, Gherardo
van Cremona, Adelard van Bath en Robert van Chester bezig met het vertalen
van wiskundige en sterrenkundige handschriften uit het Arabisch in het
Latijn. Op deze manier kreeg Latijns Europa een vermeerderde kennis van de
Griekse klassieken door middel van Arabische vertalingen, en dit in een
periode waarin deze kennis langzamerhand ook naar waarde kon worden geschat.
Een ander cultuurcentrum was Constantinopel (nu Istanbul), meer dan duizend
jaren een plaats waar de Griekse wetenschap werd bewaard. Hier kon men de
Griekse klassieken zonder Arabische (of Syrische, of Hebreeuwse) tussenkomst
studeren.
| |
4.
We hebben reeds vermeld dat de eerste machtige handelssteden in
Italië ontstonden. Hier vinden we in de twaalfde en dertiende
eeuw Genua, Pisa, Venetië, Milaan en Florence in een bloeiend
handelsverkeer met de Arabische wereld en met het Noorden gewikkeld.
Italiaanse kooplieden bezochten Egypte en Azië, waarvan zij ook
de cultuur bestudeerden; de reizen van Marco Polo naar Centraal
Azië en China geven een voorstelling van de onverschrokkenheid
van sommige dezer avonturiers. Evenals de Ionische kooplieden van
tweeduizend jaren te voren poogden zij de wetenschap en de kunst van een
oudere beschaving niet alleen te bestuderen om ze te reproduceren, doch ook
om haar te verwerken ten bate van de eigen cultuur, waarin reeds in de
twaalfde en dertiende eeuw naast het bankwezen ook kapitalistische vormen
van industrie voorkwamen. De eerste koopman van de Latijnse wereld, wiens
wiskundige studies een zekere rijpheid vertonen, was Leonardo van Pisa.
Leonardo, ook Fibonacci (lid van het huis der Bonacci) ge- | | | | naamd,
reisde als koopman naar de Arabische wereld. Na zijn terugkeer schreef hij
het Liber Abaci (1202), een groot handboek over het
rekenen met het Hindoe-Arabische getallensysteem, dat ook
algebraïsche vraagstukken bevat. In zijn Practica
Geometriae (1220) beschreef Leonardo op gelijksoortige wijze wat
hij aan meetkunde en trigonometrie had geleerd. Maar hij is meer dan
leerling, hij is zelfstandig vorser, wiens boeken menig vraagstuk bevatten
waarvan in de Arabische literatuur geen precies voorbeeld voorhanden schijnt
te zijn.1 Hij citeert speciaal Al-Chwārizmī,
b.v. in zijn discussie van de beroemde vergelijking x2 + 10x = 39. Het probleem
dat tot de zgn. getallen van Fibonacci 0, 1, 1, 2, 3, 5, 8, 13, 21 ... voert
(waarvan elke term de som is van de twee voorafgaande termen), schijnt nieuw
te zijn, evenals het merkwaardig diep doordachte bewijs van de stelling dat
de wortels van de vergelijking x3
+ 2x2 + 10x = 20 niet met behulp van Euklidische irrationaliteiten
van de vorm kunnen worden uitgedrukt en dus ook niet met passer en lineaal
kunnen worden geconstrueerd. Leonardo voerde het bewijs door ieder van de
vijftien gevallen, die Euklides in zijn tiende boek van de Elementen heeft behandeld, apart te onderzoeken, waarna hij de
positieve wortel van de vergelijking tot op zes sexagesimale plaatsen
benaderde.
De reeks van getallen van Fibonacci wordt verkregen als de
oplossing van het volgende vraagstuk in de Liber Abaci:
Hoeveel paren konijnen kunnen in één jaar uit een
enkel paar woorden gewonnen zo a) elk paar elke maand
één nieuw paar gewint dat zichzelf wederom vanaf de
tweede maand begint voort te planten, en b) geen enkel konijn sterft?
Leonardo stond niet alleen. In de Italiaanse handelssteden bestonden reeds
vóór zijn tijd cursussen in het handelswezen, en dus
ook in het rekenen, zowel op de abacus als in het Arabisch cijferen. Maar
het Liber Abaci heeft aan de verspreiding van het
Hindoe-Arabische positiestelsel in West Europa zeker bijgedragen. Deze
verspreiding is een langdurig proces geweest, waarin allerhand soort lieden
moeten hebben meegeholpen: kooplui, diplomaten, soldaten, pelgrims en
geleerden. Het oudste Latijnse manuscript | | | | waarin
Hindoe-Arabische getallen voorkomen is de Codex Vigilanus,
in 976 in Spanje geschreven. Het oudste Franse handschrift waarin ze
voorkomen dateert echter eerst van 1275. Langs de Adriatische Zee bleef de
Griekse schrijfwijze eeuwenlang nog in gebruik. Gewoonlijk werden rekeningen
uitgevoerd op de aloude abacus, het tel- of zandbord, waarbij rekenpenningen
of eenvoudig steentjes (calculi) de aantallen aangaven. Men denke hierbij
aan de telramen, nog steeds in Japan, China en de Sowjet-Unie in gebruik, en
die bij ons nog wel op scholen of aan baby-boxen te zien zijn. Zo nodig werd
dan het resultaat van zulk een abacusrekening met behulp van symbolen, b.v.
Romeinse cijfers, opgeschreven. Gedurende de Middeleeuwen en nog wel later
vindt men in vele koopmansboeken zulke Romeinse cijfers, waaruit blijkt dat
op de kantoren telborden werden gebruikt. De invoering van het rekenen met
de tien Indisch-Arabische symbolen stuitte zelfs op tegenstand, omdat niet
iedereen uit die symbolen wijs kon worden. In de statuten van de
Florentijnse ‘Arte del Cambio’, die van 1299 en later
dateren, vinden we zelfs een verbod om Arabische cijfers te gebruiken. Op
den duur drong het gebruik van zulke cijfers met hun positiewaarde toch
door, maar eerst in de vijftiende en zestiende eeuw kan men van een
overwinning van het Hindoe-Arabische stelsel spreken.1 Men vindt wel eigenaardige tussenvormen: op
de graftombe van een vrouwe van IJsselstein vindt men het jaar 1471
aangeduid door xiiiiclxxi.2
| |
| | | |
5.
Met de uitbreiding van de handel en nijverheid breidde zich ook de
belangstelling voor de wiskunde naar de Noordelijke steden uit. Eerst had
deze belangstelling voornamelijk een praktische kant, zodat het gewoonlijk
niet-academisch opgevoede rekenmeesters waren die algebra, rekenkunde en
praktische meetkunde onderrichten. Deze rekenmeesters waren praktische
mannen, die weinig of geen Latijn kenden, maar wel boekhouden of
scheepvaartkunde. Er waren kwakzalvers onder, maar de besten waren
schrandere knapen, die ook wel almanakken samenstelden, of instrumenten en
kaarten maakten. De wiskunde die zij doceerden behield heel wat sporen van
haar Arabische afkomst, hetgeen ook de termen
‘algebra’ en ‘algoritme’
bewijzen.
De theoretische wiskunde was gedurende de middeleeuwen in Europa niet
volledig ten onder gegaan, doch zij werd niet zozeer door de practici dan
wel door de scholastische wijsgeren beoefend. Bij deze, gewoonlijk
geestelijke, geleerden leidde de studie van Plato en Aristoteles en
speculaties over de natuur van God tot scherpzinnige beschouwingen over de
eigenschappen der beweging, der continuïteit en der oneindigheid.
De kerkvader Origines volgde Aristoteles in zijn verwerping van het actueel
oneindige, doch Augustinus, in zijn De Civitate Dei (De
staat Gods, ca. 420) aanvaardde het, schoon in theologisch gewaad. Zijn
woorden waren zo goed gekozen dat Georg Cantor heeft opgemerkt dat het
transfiniete niet energieker gewenst en niet beter bepaald en verdedigd kan
worden dan Augustinus dat heeft gedaan.1
De scholastieke auteurs, in het bijzonder Thomas van Aquino, namen
Aristoteles' stelling ‘infinitum actu non datur’
(actuele oneindigheid bestaat niet) over, en beschouwden ieder
continuüm tevens als potentieel deelbaar tot in het oneindige.
Voor hen bestond dus geen kleinste lijnsegment, aangezien ieder gedeelte van
een lijn weer de deelbaarheidseigenschap van de Jijn bezit. Een punt was dus
geen deel van een lijn, omdat het indivisibel, ondeelbaar was:
‘ex indivisibilibus non potest compari aliquod
continuum’ (een continuüm kan niet uit indivisibilen
bestaan). Een punt kan evenwel door beweging een lijn doen ontstaan. Zulke
speculaties hebben later de uitvinders van de infinitesimaalrekening in de
zeventiende eeuw en de wijsgeren van het transfiniete in de negentiende | | | | eeuw beïnvloed: Cavalieri, Tacquet, Bolzano en
Cantor kenden de scholastieke auteurs en schonken veel aandacht aan hun
meningen over het oneindig grote en het oneindig kleine.
Deze mannen van de kerk hebben af en toe ook wel eens wiskundige resultaten
bereikt, die minder speculatief zijn. Thomas Bradwardinus, die in 1348
aartsbisschop van Canterbury werd, onderzocht stervormige veelhoeken nadat
hij Boëthius had bestudeerd. Een der meest belangrijke
middeleeuwse kerkelijke wiskundigen was Nicole Oresme, bisschop van Lisieux
in Norman-dië, die met gebroken exponenten speelde. Uitgaande van
het feit dat 43 = 64 = 82 schreef
hij 8 als

waarmee hij 4 1½ bedoelde. Hij schreef ook een
verhandeling De latitudinibus formarum (ca. 1360), waarin
hij een afhankelijke veranderlijke (latitudo) tegen een onafhankelijke
veranderlijke (longitudo) grafisch afzet wanneer de laatste varieert. Men
kan hierin een soort overgang van coördinaten op de bol (reeds
aan Ptolemaios bekend) naar coördinaten in het vlak zien, en
aangezien deze verhandeling tussen 1482 en 1515 verscheidene malen gedrukt
is heeft ze misschien wel enige invloed op de wiskundigen van de Renaissance
uitgeoefend, Descartes niet uitgezonderd.
Oresme schreef ook over oneindige reeksen en bewees dat de harmonische reeks
1/1 + ½ + ⅓ +
¼ +... divergent is, een merkwaardig, verziend,
resultaat voor die dagen!
| |
6.
Nu terug naar de grote handelssteden, waar de wiskunde onder de onmiddellijke
invloed van koop- en scheepvaart, sterrenkunde en landmeting wordt
bestudeerd in vormen die nog weinig van die der Mohammedaanse wereld
verschillen. Deze belangstelling van de stedelijke burgerij in alles wat
kwantitatief is en in het bijzonder wat berekend kan worden, heeft de Duitse
econoom Werner Sombart met het woord
‘Rechenhaftigkeit’ gekarakteriseerd.1
Ofschoon men wel zeggen kan dat de rekenmeesters in de beoefening van de
praktische wiskunde vooropliepen, vond men onder hen ook wel geleerden met
een universitaire opleiding, die door hun kennis van wis- en sterrenkunde de
wiskundige methoden van de oudheid en de Islam konden uiteenzetten en ook
mee konden | | | | helpen bij het verbeteren van het rekenkundig,
algebraïsch en meetkundig apparaat. Brandpunten van dit nieuwe
leven waren de grote Italiaanse steden, verder Neurenberg, Wenen, Praag,
Leipzig, Parijs, Lyon en andere Noordelijke centra. De theoretische
belangstelling nam toe toen door de val van Constantinopel in 1453 het
Oost-Romeinse Rijk ten einde kwam en vele Griekse geleerden naar de steden
van het Westen vluchtten. Daardoor werd het weer gemakkelijker de groeiende
belangstelling voor oorspronkelijke Griekse handschriften te bevredigen.
Universiteitsprofessoren konden zich met andere humanisten in lezen en
vertalen oefenen, eerzuchtige rekenmeesters hielden hun oren open en poogden
op hun manier de nieuw verworven kennis te verstaan.
Dit is ook de periode waarin de uitvinding van de boekdrukkunst plaatsvindt,
gewoonlijk toegeschreven aan Johannes Gutenberg (na 1440). Ze heeft de
verspreiding van wiskundige kennis (b.v. rekenboeken) enorm bevorderd.
Voor deze periode is Johannes Müller uit Königsberg in
Frankenland1, bekend
als Regiomontanus, een karakteristieke figuur. De werkzaamheid van deze
veelzijdige man, wiskundige, instrumentmaker, drukker en humanist, die reeds
op veertigjarige leeftijd stierf (1476), is tekenend voor de wijze waarop de
Europese wiskunde in de twee eeuwen van Leonardo van Pisa was vooruitgegaan.
Regiomontanus was ijverig bezig de wiskundige handschriften die hij kon
krijgen, te vertalen en verder bekend te maken. Zijn leraar, de Weense
astronoom Georg Peurbach, die sterrenkundige en trigonometrische tabellen
had samengesteld, was reeds begonnen met de Almagest van
Ptolemaios uit het Grieks te vertalen. Regiomontanus zette zijn werk voort
en vertaalde ook werken van Apollonios, Heroon en zelfs van Archimedes, de
moeilijkste klassieke auteur, in het Latijn. Zijn eigen hoofdwerk, De Triangulis omnimodis (1464, doch eerst in 1533 gedrukt)
was een leerboek der trigonometrie, dat voornamelijk hierin van onze
tegenwoordige leerboeken verschilt, dat onze handige notatie ontbrak. Alle
stellingen worden in woorden uitgeschreven, zodat het boek een meetkundig
karakter draagt. Men vindt er de sinusregel van de vlakke en boldriehoek.
Van nu af werd de trigonometrie ook in het avondland een wetenschap,
onafhankelijk van de sterrenkunde - men zal zich herinneren dat Nasir-Eddin
dit reeds vroeger in Perzië had trachten te bereiken.
| | | |
Maar waar de invloed van Nasirs werk naar het schijnt niet heel groot is
geweest, heeft Regiomontanus' werk op de verdere ontwikkeling der
trigonometrie en haar toepassing op de sterrenkunde en de algebra ten
sterkste doorgewerkt. Regiomontanus besteedde ook veel tijd aan de
berekening van trigonometrische en sterrenkundige tabellen. In zijn tafels
voor de verhouding van de sinus tot de straal R gebruikt
hij eerst een sexagesimale schaal voor de straal, later een decimale (R = 6·104 later
6·107, dan 107). Een
grotere waarde voor de straal betekende grotere nauwkeurigheid voor de sinus
die, zoals we gezien hebben, als een lijnsegment werd opgevat. De overgang
tot een decimale schaal bereidde de invoering van decimale breuken voor.
| |
7.
Tot nu toe waren nog geen stappen gedaan om de kennis van Grieken en
Mohammedanen niet alleen in te halen, maar voorbij te streven. De klassieke
auteurs bleven het nec plus ultra van de wetenschap.
Daarom wekte het zulk een blijde verwondering, toen het bekend werd dat
Italiaanse wiskundigen erin geslaagd waren een hoofdstuk van de algebra te
ontwikkelen, dat aan vroegere generaties was ontsnapt. Dit hoofdstuk
behelsde de algemene algebraïsche oplossing van de
derdemachtsvergelijkingen, en werd omstreeks 1500 geopend door het werk van
Scipio del Ferro en zijn collega's aan de Universiteit van Bologna.
Zoals reeds gezegd is waren de Italiaanse steden ook na de dagen van
Fibonacci centra van wiskundige bedrijvigheid gebleven, en hun rekenmeesters
wisten met kwadratische vergelijkingen en irrationale getallen om te gaan
zonder de meetkundige gewetensbezwaren van Euklides te voelen. Hun
belangstelling in de wiskunde werd gedeeld door hun schilders en
bouwmeesters. In zijn bekende boek over de renaissanceschilders (1550, 1568)
legt Giorgio Vasari nadruk op de belangstelling van die schilders voor de
meetkunde, een belangstelling die tot de ontwikkeling van de perspectief
voerde. Bekende figuren uit de vijftiende eeuw (het Quattrocento) zijn hierbij Leon Battista Alberti en Pier della
Francesca; deze laatste schreef niet alleen een boek over perspectief
(1482), doch ook een boek over regelmatige lichamen. Deze liefde voor de
meetkunde vindt men niet alleen in het werk van Rafael en Leonardo da Vinci,
doch ook in dat van Albrecht Dürer, die zelfs een Underweysung der Messung mit dem Zirckel und Richtscheyt (1525)
schreef, dat ook orthogonale projectie bevat.1
| | | |
De rekenmeesters vonden hun leider in de Franciscaan Luca Pacioli, wiens Summa de Arithmetica in 1494 uitkwam - een der eerste
gedrukte wiskundeboeken en het eerste boek dat een volledige uiteenzetting
van de hele toenmalig voorhanden wiskunde poogde te zijn.1 Het boek was in het Italiaans
geschreven en leidde tot de drempel van de theorie der
derdemachtsvergelijkingen, die Pacioli als nog niet oplosbaar beschouwde.
Hij zette ook de kunst van het ‘Italiaans boekhouden’
uiteen2 en in een boek van 1503 ontleende hij aan Pier della Francesca
een beschouwing van regelmatige lichamen; hier voegde hij een verhandeling
over de gulden snede (‘Divina Proportione’, 1509) aan
toe. De figuren worden aan Leonardo da Vinci toegeschreven. Bij Pacioli is
het gebruik van Hindoe-Arabische cijfers reeds vast ingeburgerd, en de
rekenkundige notatie is niet moeilijk te volgen. De algebraïsche
notatie is nog geheel van de onze verschillend. Het oplossen van de
vergelijkingen x3 + mx = n, x3
+ n = mx leek Pacioli even
onmogelijk als het oplossen van het vraagstuk der cirkelkwadratuur.
Op dit punt begint nu het werk der wiskundigen aan de universiteit van
Bologna, toentertijd een der grootste en beroemdste scholen van Europa. Haar
astronomische faculteit alleen telde bij gelegenheid zestien lectoren. Uit
alle delen van Europa stroomden studenten naar Bologna om de colleges te
horen en zich te verlustigen aan de publieke disputaten, die vaak de
belangstelling trokken van grote en sportief ingestelde massa's van
toehoorders. Tot deze studenten hebben te hunner tijd Pacioli, Albrecht
Dürer en Nicolaas Copernicus behoord. Het lag in de geest der
tijden, niet alleen het klassieke erfgoed te aanvaarden, doch het kritisch
te waarderen en er zelfs door nieuwe scheppingen bovenuit te groeien.
De ontdekking van de boekdrukkunst en de ontdekking van Amerika hadden
getoond, dat men verder kon komen dan de Ouden. Waarom niet in de wiskunde?
Waar in vroegere perioden sommige derdegraadsvergelijkingen
algebraïsch konden worden opgelost, poogden de wiskundigen in
Bologna de algemene oplossing te vinden.
Deze derdegraadsvergelijkingen konden tot drie soorten worden teruggebracht;
in onze tegenwoordige notatie:
| | | |
x3 + px =
q, x3 = px
+ q, x3 + q = px,
waar p en q positieve getallen waren. Zij
werden door professor Scipio del Ferro (in 1526 gestorven) aan een
nauwkeurig onderzoek onderworpen. Op gezag van professor E. Bortolotti
kunnen wij aannemen dat Del Ferro werkelijk alle drie de soorten heeft weten
op te lossen.1 De oplossingen werden echter niet
gepubliceerd en slechts aan weinige vrienden bekend gemaakt. Doch de mare
van de ontdekking verspreidde zich en zo werd de oplossing opnieuw ontdekt
door een Venetiaanse rekenmeester die Tartaglia (de Stotteraar) werd
genoemd. Omstreeks 1535 maakte hij zijn resultaten bekend, doch hield de
methode waarmee hij ze had verkregen, geheim. Ten slotte openbaarde hij haar
onder een eed van geheimhouding aan een geleerde arts uit Milaan, Hieronimo
Cardano. Toen echter Cardano in 1545 zijn kort maar inhoudrijk boek met de
trotse titel Ars Magna het licht liet aanschouwen,
ontdekte Tartaglia tot zijn ontsteltenis, dat zijn methode in dat boek
volledig was uiteengezet, weliswaar met vermelding van zijn naam, maar
desondanks toch gestolen. Hieruit ontstond een bittere strijd, waarin
Cardano verdedigd werd door zijn jonge leerling Ludovico Ferrari. Onder de
geschriften, die gedurende deze twist geschreven werden, behoorden de Quaesiti van Tartaglia (1546) en de Cartelli van Ferrari (1547-48), waardoor de gehele geschiedenis van
deze opzienbarende ontdekking publiek eigendom werd.
Men noemt de oplossing nog steeds naar Cardano. De formule van Cardano ziet
er in het geval x3 + px = q als volgt uit (in moderne
notatie):
Ze is vervat in een Italiaans rijmpje dat van Tartaglia afkomstig is en
waarvan de eerste regels luiden:
| Quando che 'l cubo con le cose appresso |
Als x3 te zamen met px |
| Se agguaglia à qualche numero discreto, etc. |
Gelijk is aan een q, etc. |
| | | |
Hier ziet men het woord ‘cosa’, dat deze Italianen voor
de onbekende x (of een aantal x)
gebruikten (‘de zaak’, Latijn
‘res’). In Duitsland werd daarom gedurende de
zestiende eeuw de algebra vaak aangeduid met de term
‘Coss’ of ‘De regel Coss’.
Men ziet dat in de formule van Cardano vormen van de gedaante
voorkomen in plaats van de Euklidische .
De Ars Magna bevatte nog een andere opzienbarende
ontdekking: de methode van Ferrari waarbij de oplossing van een algemene
vierdegraadsvergelijking tot die van een vergelijking van de derde graad
wordt teruggebracht. Ferrari's voorbeeld was x4 + 6x2
+ 36 = 60x, welke vergelijking hij terugvoerde
tot y3 + 15y2 + 36y = 450.
Cardano beschouwde ook negatieve getallen, die hij fictieve noemde, maar hij
wist niets aan te vangen met de zgn. ‘casus
irreducibilis’, waarbij de oplossing van de
derdegraadsvergelijking weliswaar reëel is, doch verschijnt als
de som van getallen die we heden complex noemen.1
Deze moeilijkheid werd door de laatste der grote Bolognese wiskundigen van de
zestiende eeuw, Rafaele Bombelli, onder de ogen gezien. In zijn Algebra, die in 1572 verscheen - en in een toen ongedrukt gebleven
meetkunde van ongeveer 1550 - zette hij een theorie van imaginaire en
complexe getallen uiteen. Hij schreef (letterlijk R[0 m. 9], R voor radix, m voor meno) voor onze
, en behandelde het irreducibile geval op zulk een manier, dat hij
aantoonde dat b.v.
Bombelli's boek werd veel gelezen, we weten dat het gebruikt werd door
Stevin, door Leibniz en door Euler. Aan Bombelli is zodoende te danken dat
de imaginaire getallen iets van hun bovennatuurlijk karakter kwijtraakten,
al duurde het tot de negentiende eeuw voor complexe getallen hun
geheimzinnig waas geheel verloren en hun normale plaats in de wiskunde
konden innemen.
Het is wel merkwaardig dat de complexe getallen het eerst zijn ingevoerd in
de studie der derdegraadsvergelijkingen, op die plaats waar reële
oplossingen bestaan doch in vermomde gedaante optreden - en niet in de
studie van kwadratische vergelijkingen, waar we ze tegenwoordig gewoonlijk
het eerst tegenkomen.
| |
| | | |
8.
Algebra en praktische rekenkunde bleven vele tientallen jaren het
hoofdbestanddeel van het wiskundig dieet. Dit was niet alleen het gevolg van
de ‘Rechenhaftigkeit’ van de mercantiele bourgeoisie,
doch ook van de eisen die de leiders der zich vormende staten stelden aan
landmeetkunde, scheepvaart en het oorlogswezen. Men had ingenieurs nodig
voor openbare werken en voor de krijgsvoering. De sterrenkunde, van ouds een
belangrijk gebied voor wiskundige studiën, werd nu ook
gestimuleerd door de eisen die de wetenschappelijke scheepvaartkunde begon
te stellen. De zestiende eeuw werd de tijd der grote astronomen, van
Copernicus, Tycho Brahe en Kepler. Een nieuwe opvatting omtrent de
samenstelling van het heelal begon zich baan te breken.
Het wijsgerig denken weerspiegelde de grote veranderingen in maatschappij,
wetenschap en techniek. Plato, met zijn eerbied voor het wiskundig denken en
daardoor meer kwantitatief ingesteld dan Aristoteles, wiens natuurleer bijna
zuiver kwalitatief is, vond een nieuwe aanhang. Wij zien de invloed van
Plato's denken o.a. in het werk van Kepler. Het doorbreken van nieuwe
gedachten in de natuurwetenschappen nam vaak een anti-Aristotelisch karakter
aan. Van de grote werken die hieraan hebben bijgedragen, noemen wij slechts
Andreas Vesalius' De fabrica corporis humani en Nicolaas
Copernicus De Revolutionibus orbium celestium, beide van
1543, waarvan de eerste de nieuwe anatomie, de andere de nieuwe sterrenkunde
inluidde. Hierbij kunnen wij nog Mercators grote wereldkaart van 1569
voegen, die uitdrukking gaf aan het nieuwe aardbeeld in een projectie met
‘wassende graden’, waarbij lijnen van constante koers
als rechte lijnen worden afgebeeld. De eeuw wordt afgesloten met William.
Gilberts De Magnete (1600), waarmede de nieuwe natuurkunde
zich aankondigt.
Ongeveer gelijktijdig met Cardano's Ars magna verscheen nog
een ander boek dat grote invloed had op de reken- en stelkunde van deze
periode. Dit was de Arithmetica integra (1544) van de
Lutherse predikant Michael Stifel, waarin o.a. de driehoek van Pascal, de
negatieve getallen, ingevoerd als 0 - 3, 0 - 8, etc., en de oplossing van
allerlei vergelijkingen, ook van de derde en vierde graad, worden
uiteengezet. Stifels ‘Coss’-notatie is weer zeer
verschillend van die van Cardano, die weer van die van Bombelli verschilt.
Astronomische en goniometrische tafels met steeds stijgende graad van
nauwkeurigheid verschenen vooral in Duitsland. De tafels van G.J. Rhaeticus
(die Copernicus' boek voor de uitgave had voorbereid), door zijn leerling
Valentin Otho in 1596 voltooid, be- | | | | vatten de waarden van alle
zes trigonometrische functies, met 10 seconden oplopend, in zes decimalen.
De tafels van B. Pitiscus (1613) gingen tot 15 decimalen. Ook was er
vooruitgang in de techniek van het oplossen van vergelijkingen en in het
begrip van de natuur der wortels. Karakteristiek was de uitdaging, die de
Zuidnederlandse wiskundige Adriaen van Roomen in 1593 aan alle
belangstellenden zond, en waarin hij de oplossing eiste van een vergelijking
van graad 45, die er als volgt uitzag (we geven slechts enige termen aan):
x45 - 45x43 + 945x41 - 12300x39 +... -
3795x3 + 45x = A
waarbij hij verder vermeldde dat voor

de waarde

aan de vraag voldeed.
Dit was een probleem dat door de studie van regelmatige veelhoeken was
geïnspireerd. Het antwoord liet niet lang op zich wachten. In
1594 merkte François Viète (Vieta), een Frans advocaat
verbonden aan het hof van Hendrik iv, op, dat de
linkerzijde van de vergelijking equivalent is met de ontwikkeling van sin
φ naar machten van sin φ/45. De oplossing kan dan herleid worden tot een
vergelijking van de 3e, de 3e en de 5e graad (45 = 3 × 3
× 5). Ook kan de oplossing met behulp van tafels worden gevonden.
Viète vond 23 oplossingen van de vorm sin (φ/45 - n · 8°),
zodat hij geen aandacht schonk aan negatieve wortels. Viète, die
de goniometrie met vele formules verrijkte, bracht ook de oplossing van
Cardano van de derdegraadsvergelijking over in trigonometrische vorm,
waarbij het irreducibile geval zijn afschrikwekkende gedaante verloor, omdat
nu geen complexe getallen meer nodig waren.1
Viètes belangrijkste bijdragen liggen op het gebied der theorie
der vergelijkingen. In zijn In artem analyticam isagoge
(1591) voerde hij voor het eerst stelselmatig letters in als
coëfficiënten van de termen ener vergelijking. Het
gebruik van speciale getallen-coëfficiënten, zelfs in
de gesyncopeerde algebra van Diofantos, had de algemene discussie van
algebraïsche vraagstukken bemoei- | | | | lijkt.
Viète kwam tot zijn rekening door een kritiek van de methoden der
klassieke schrijvers, vooral van de ‘analyse’ en
‘synthese’ zoals die bij Pappos voorkomen. Uit deze
kritiek leidde hij de noodzakelijkheid af, een algebra met getallen te
vervangen door een algebra met zgn. species (lijnsegmenten, oppervlakken,
enz.). In deze logistica speciosa vindt men dus een
algemeen symbolisme, waarin lijnsegmenten door een letter, oppervlakken door
een wijziging hiervan worden uitgedrukt, b.v. A is een
lijnsegment, A quadratum een oppervlak, enz. De logistica speciosa onderscheidt zich dus van onze algebra
daarin, dat Viète vasthoudt aan het homogeniteitsbeginsel,
waarbij het produkt van lijnsegmenten A en B als oppervlak wordt beschouwd; lijnsegmenten kunnen slechts met
lijnsegmenten, oppervlakken met oppervlakken worden vergeleken. Er bestond
zodoende enige twijfel of vergelijkingen van hogere graad dan drie nog zin
hadden, daar ze tot een ruimte van vier of meer afmetingen konden leiden.
Maar Viète (en ook Stevin) vonden wel een driedimensionale
interpretatie.
De rekentechniek bereikte, zoals reeds is vermeld, nieuwe hoogtepunten.
Viète, in Archimedes' geest, berekende π in negen
decimalen, kort daarop vond Ludolph van Ceulen, een wiskundige en
schermmeester in Delft, π eerst in 20 decimalen (Van
den Circkel, 1596), later in 35 decimalen, steeds meer en meer in-
en omgeschreven veelhoeken berekenend.1
Viète slaagde er in π als een oneindig produkt voor te
stellen (1593), dat in onze notatie er zó uitziet:
2/π = cos π/4 · cos π/8
· cos π/16 · cos π/32 ...
· cos (π · 2-n)...
Bij deze verscherping van de techniek speelde de verbeterde notatie (speciaal
het systematisch gebruik van het decimale positiestelsel met de tien ons
bekende symbolen) een belangrijke rol. De rijkdom van nieuwe resultaten laat
duidelijk zien hoe verkeerd het zou zijn te zeggen, dat mannen als
Viète ‘alleen maar’ de notatie hebben
verbeterd. Aan wie zo iets zegt, ontsnapt het diepliggende verband tussen
vorm en inhoud. Vaak zijn nieuwe resultaten ontdekt als een gevolg van een
verbeterde notatie. Een voorbeeld is de invoering van de Hindoe-Arabische
cijfers, een ander voorbeeld is Leibniz' schrijfwijze voor
differentiaalquotiënt en in- | | | | tegraal. Een goed
gekozen notatie weerspiegelt de werkelijkheid beter dan een onhandige.
Daardoor lijkt het wel of een goede notatie een eigen leven heeft, de
symbolen ‘denken’ voor ons en zo komen nieuwe
resultaten voor den dag. Op Viètes verbetering van de
algebraïsche notatie volgt een generatie later die van Descartes,
met haar toepassing in de coördinatenmethode.
| |
9.
Het nut van het decimale positiestelsel werd nog aanzienlijk vergroot door de
invoering van decimale breuken. Ofschoon deze in het Oosten al lang bekend
waren (zie blz. 98, 101), vangt het stelselmatig gebruik van deze breuken in
Europa aan met het boekje De Thiende van Simon Stevin
(1585). Stevin, een boekhouder uit Brugge, vestigde zich in 1581 te Leiden.
Hij werd ingenieur in het Statenleger; Maurits van Oranje waardeerde de
wijze waarop Stevin praktische zin met theoretisch inzicht verbond.1
De Thiende is een voorstel, het gehele toenmaals verwarde
stelsel van maten en gewichten in een decimaal stelsel om te zetten, en
daarbij laat Stevin ook zien hoe men met decimale breuken even gemakkelijk
kan rekenen als met gehele getallen. Stevin schreef ook over statica en
hydrodynamica en zijn Arithmétique (1585) is
een uitvoerig leerboek der reken- en stelkunde, met een behandeling van
hogere-machtsvergelijkingen aan Cardano ontleend, maar met een andere
notatie, bij die van Bombelli aanknopend.
Stevins manier om decimale breuken te schrijven is nogal omslachtig. Onze
tegenwoordige notatie is ontstaan als een gevolg van een andere grote
verbetering in de rekentechniek, de uitvinding der logaritmen. Gedurende de
zestiende eeuw hadden verscheidene wiskundigen met de mogelijkheid gespeeld,
een rekenkundige met een meetkundige reeks in correspondentie te plaatsen
(b.v. Stifel), vaak met de bedoeling het werk met de ingewikkelde
trigonometrische tafels te vergemakkelijken. Dit was ook het doel van de
Schotse burchtheer John Napier (of Neper), die in 1614 een boek uitgaf met
de titel Mirifici logarithmorum canonis descriptio. Zijn
idee was twee reeksen getallen zodanig met elkaar te verbinden dat steeds,
als de ene reeks volgens een rekenkundige reeks groeit, de andere volgens
een meetkundige reeks afneemt. Dan bestaat er tussen het produkt van twee
getallen in de tweede reeks en de som van de corresponderende getallen van
de eerste reeks een eenvoudige betrekking, en zo kon vermenigvuldiging tot
| | | | optelling worden teruggevoerd, mits men eens en voor
altijd de bijbehorende tafels berekende. Door zijn uitvinding kon Napier het
rekenen met trigonometrische waarden vereenvoudigen. Napier's eerste poging
was nogal onbeholpen, aangezien zijn beide reeksen, in moderne schrijfwijze
uitgedrukt, zich verhouden als x en y in
y = a e-x/a of x = Nep. log y
waarin a = 107.1 Is dan x = x1 + x2, dan a y = y1y2/a. Dit systeem bevredigde
ook Napier niet, en met zijn bewonderaar Henry Briggs, een professor aan het
nieuwe Gresham College in Londen, besloot hij een decimaal systeem op te
bouwen, berustende op wat wij als y = 10
x
zouden schrijven, zodat y = y1y2 als x = x1 +
x2.2 Na Napiers dood in 1617 voerde Briggs
dit plan uit in zijn Arithmetica logarithmica (1624), dat
de zgn. Briggse logaritmen van de gehele getallen van 1 tot 20.000 en van
90.000 tot 100.000 in 14 decimale plaatsen bevat. In voorbereiding hiervoor
had Napier van Stevin de decimale breuken overgenomen, doch de schrijfwijze
gewijzigd: gehelen en breukdeel werden door een punt gescheiden (gepubl.
1619).
De leemte die nog in de logaritmentafel bestond, werd in Gouda gevuld. Hier
had de landmeter Ezechiel de Decker in 1626 een Eerste deel der
nieuwe telkonst uitgegeven. Met behulp van zijn stadgenoot Adriaen
Vlacq gaf hij in 1627 een Tweede deel van de nieuwe
telkonst uit, waarin de logaritmen van alle getallen van 1 tot en met
100.000 in 10 decimalen werden gepubliceerd.3 Dit werd gevolgd door
Vlacqs Arithmetica logarithmica (1628). Met Stevins
decimale breuken en Briggs' decimale logaritmen was zo- | | | | doende
het Hindoe-Arabische stelsel tot dezelfde graad van vervolmaking gebracht
als het nu bezit, en de twee boeken van De Decker waren een soort apotheose
van dit stelsel. De nieuwe uitvinding werd onmiddellijk door astronomen en
wiskundigen met vreugde begroet, vooral door Kepler, die een lange en
pijnlijke ervaring met gecompliceerde berekeningen achter de rug had.
De uiteenzetting die hier over het ontstaan der logaritmen is gegeven, werkt
historisch gesproken een beetje verwarrend, omdat de exponentiële
functies die we gebruikt hebben eerst in het laatste deel van de zeventiende
eeuw zijn ingevoerd. Napier kende het begrip van een basis niet. Het verband
tussen logaritmen, de afstand van breedtecirkels in een kaartprojectie van
Mercator, de machten van het getal e en de integraal van x-1 (of het oppervlak tussen hyperbool en
asymptoot) is eerst langzaam ontdekt, en wordt eerst door Euler in 1748
helder uiteengezet. Natuurlijke logaritmen, gebaseerd op wat wij nu y = e
x
schrijven, verschenen bijna gelijktijdig met de logaritmen van Briggs,
maar hun fundamentele betekenis werd eerst begrepen toen de differentiaal-
en integraalrekening reeds ontwikkeld was.1
Van de Nederlandse wiskundigen uit het begin van de zeventiende eeuw moeten
wij nog Willebrord Snell van Royen (Snellius) vermelden, een leerling van
Van Roomen, Tycho Brahe en Kepler, en professor aan de in 1575 gestichte
Leidse universiteit. Behalve als vertaler in het Latijn van werken van Van
Ceulen en Stevin heeft hij zich op de triangulatie, de trigonometrie en de
zeevaart-kunde toegelegd. In zijn Eratosthenes Batavus
(1617) vinden wij het resultaat van zijn graadmeting, in zijn Tiphys Batavus (1624) wordt de lijn van gelijke koers op de bol,
die een rechte lijn wordt in de Mercatorprojectie, met
‘loxodrome’ aangegeven. Wanneer hij de naar hem
genoemde brekingswet heeft ontdekt weten we niet, daar we van het bestaan
van het handschrift slechts door anderen weten.
| |
| | | |
Literatuur
Over de verspreiding der Hindoe-Arabische cijfers in Europa:
| D.E. Smith-L.C. Karpinski, The Hindu-Arabic Numerals
(Boston, Londen, 1911). |
Over de theoretische wiskunde in de Middeleeuwen:
| C.B. Boyer, The History of the Calculus (New York,
1959). |
Over de wiskunde der scholastici:
| N. Oresme, Questiones super Geometriam Euclidis
(Leiden, 1961, met Engelse vertaling van H.L.L. Busard). |
| E. Bodewig, Die Stellung des heiligen Thomas von Aquino
zur Mathematik. Archiv für die Geschichte der
Philosophie 11 (1931), 1-34. |
| B. Geyer, Die mathematischen Schriften des Albertus
Magnus. Angelicus 35 (1958) 159-175. |
| Thomas of Bradwardine's Tractatus de Proportionibus,
ed. and transl. by H.L. Crosby (Madison, Wis., 1955). |
| H.L.L. Busard, Quaestiones super Geometriam Euclidis
(van Nicole Oresme) (Leiden, 1961). |
| M. Clagett, Archimedes in the Middle Ages (2 dln.,
Madison 1969, Philadelphia 1976). |
De Italiaanse wiskunde van de 16e en 17e eeuw vindt men in een aantal
verhandelingen besproken:
| E. Bortolotti, o.a. Periodico di Matematica 5 (1925)
147-184, 6 (1926) 217-230, 8 (1928) 19-59; Scientia
1923, 385-394, en: |
| E. Bortolotti, I contributi del Tartaglia, del Cardano,
del Ferrari e della Scuola matematica Bolognese alla Teoria
algebrica della Equazione cubiche (Imola, 1920) 54 blz. |
| Cardano's autobiografie ‘Vita mea
propria’ (Basel 1542, 1575) in vertaling: |
H. Cardano, My life, vert. door J. Stoner (New York,
1930). Ook Duitse vertaling van H. Hefele (Jena, 1914). |
O. Ore, Cardano: the Gambling Scholar (Princeton,
1953). Met vertaling en bespreking van Cardano's ‘Liber de Ludo Aleae’. Zie ook S.H. Gould,
The Book on Games of Chances (New York, 1961). |
| A. Masotti, Quaesiti (van Tartaglia) en Cartelli (van Tartaglia en Ferrari) (Brescia, 1959, 1974). |
| P.L. Rose, The Italian Renaissance of Mathematics
(Genève, 1975). |
| | | |
| T.R. Witmer, The Great Art or the Rules of Algebra by
Girolamo Cardano (Cambridge, Mass. en Londen, 1978). Dit is een
Engelse vertaling van de ‘Ars Magna’, in moderne
notatie. |
Men vindt vele gegevens over de wiskundigen van de zestiende en zeventiende
eeuw, en in het bijzonder de Vlaamse en Nederlandse wiskundigen, in de vele
artikelen van H. Bosmans S.J., waarvan de meesten zijn te vinden in de Annales de la Société Scientifique de
Bruxelles 1905-1927. De volledige bibliografie, door A. Rome, in
Isis 12 (1929) 88-112.
Ook vindt men belangrijke gegevens over Noord-Nederlandse wiskundigen in
artikelen van het Nieuw Nederlandsch Biographisch
Woordenboek (10 dln., Leiden 1911-37), vele van de hand van C. de
Waard.
| P. Treutlein, Das Rechnen im 16. Jahrhundert,
Abhandl. zur Geschichte der Mathematik 1 (1877) 1-100. |
| P. Treutlein, Die deutsche Coss, Abhandl. zur
Geschichte der Mathematik 2 (1879). |
| M. Steck, Dürer's Gestaltlehre der Mathematik
und der bildenden Künste (Halle, 1948). |
| H.S. Carslaw, The Discovery of Logarithms by Napier,
Mathem. Gazette 1915/16, 76-84, 115-119. |
| [C.G. Knott e.a.], Napier Tercentenary Memorial
Volume (London, 1915). |
| E. Zinner, Leben und Wirken des Johannes
Müller von Königsberg, genannt
Regiomontanus (München, 1938). |
| J.D. Bond, The Development of Trigonometric Methods down
to the close of the Fifteenth Century, Isis 4 (1921/22)
295-323. |
| F.A. Yeldham, The Story of Reckoning in the Middle
Ages (London, 1926). |
| E.J. Dijksterhuis, Simon Stevin ('s-Gravenhage,
1943). |
Simon Stevin, Selected Works (5 delen,
1955-1960). De inleidingen tot de boeken van Stevin bevatten vele
historische gegevens, o.a. over de perspectief, de algebra en de
uitvinding der decimale breuken. |
| Nikolaus von Cues, Mathematische Schriften, vert. en
uitg. door J. en J.E. Hofmann (Hamburg, 1952). |
| L. Thorndike, The Sphere of Sacrobosco (Chicago,
1949). |
| M. Clagett, The Science of Mechanics in the Middle
Ages (Madison, Wis.-Londen, 1959). |
| E.G.R. Taylor, The Mathematical Practitioners of Tudor
and Stuart England (Cambridge, 1954). |
| | | |
| Hoofdstuk ii van G. Sarton, Six Wings,
Men of Science of the Renaissance (Bloomington, Ind. 1957). |
| H. Averdunk-J. Müller-Reinhard. Gerhard
Mercator. Ergänzungsheft 182 zu
‘Petermanns Mitteilungen’ (Gotha 1914, 188 bldz.)
met een bespreking van Mercators verschillende kaartprojecties. |
| N.Z. Davis, Sixteenth century French arithmetics and the
business life. Journ. Hist. of Ideas 21 (1960) 18-48. |
| A.J.E.M. Smeur, De zestiende-eeuwse Nederlandse
Rekenboeken (Diss. Utrecht, Den Haag 1960). |
| N.L.W.A. Gravelaar, Cardano's Transmutatiemethoden,
Nieuw Archief voor Wiskunde (2) 8 (1909) 407-443. |
| Id. De notatie der decimale breuken, Ib. (2) 4
(1900) 54-73. |
| B. Hughes, Engelse vertaling van Regiomontanus' trigonometrie: Regiomontanus on Triangles (Madison, Wisconsin, 1967).
Zie Scripta Mathematica 28 (1970) 364-365, bespreking
door B. Rosenfeld. |
| F. Viète, Opera mathematica (Leiden,
1646). Heruitgegeven door J.E. Hofmann, met voorwoord (Hildesheim, New
York, 1970). |
| N. Bubnow, Gerberti postea Silvestri II papae Opera
Mathematica (Berlijn, 1899, nieuwe uitg. Hildesheim 1913). |
| P. Bockstaele, Adriaan van Roomen, Nat. Biogr.
Woordenboek 2 (Brussel, 1966) 752-765. |
| G.E. Harig, Cardans und Tartaglias Streit um die kubische
Gleichungen und seine gesellschaftlichen Grundlagen, Arch.
Hist. Sc. Techn. 7 (1935) 67-104, 534. |
| H. Wussing, Adam Ries (Leipzig, 1989). |
|
1H. Pirenne, Mahomet et
Charlemagne (Paris, 1937). Pirennes theorie heeft een heel
debat tot gevolg gehad, speciaal naar aanleiding van de kritiek van A.
Dopsch. Hier wordt meer de nadruk op interne invloeden gelegd. Zie A.E.
Havinghurst, The Pirenne Thesis (Boston, 1958) en Jan
Romein, Tussen Oudheid en Middeleeuwen, in Het onvoltooid Verleden (Amsterdam, 1937)
108-138.
1Uit deze tijd dateert het eerste teken van wiskundig leven
in de Nederlanden. Ze bestaat uit een correspondentie tussen Ragimbold
van Keulen en Radolf van Luik van omstreeks 1025. Het peil van wiskundig
weten van deze kloostergeleerden is zeer laag. Zie hierover en over
Adalbold, bisschop van Utrecht, die tot hun kring behoorde: Paul
Tannery, Mémoires Vol. 5 (1922), artikelen
van 1897 en 1904. Verder: B. Lefebvre, Notes d'histoire des
mathématiques (Louvain, 1920), ook: Revue Quest.
Scient. 1907-11. Tot de sfeer van Gerbert behoort ook Franco van Luik
(ca. 1050), die een ‘ De quadratura
circuli’ heeft nagelaten.
1L.C. Karpinski, Amer. Mathem. Monthly 21
(1914) 37-48, ontdekte na een studie van het Parijse manuscript van Aboe
Kāmil's Algebra, dat Leonardo een aantal vraagstukken
ontleend had aan deze algebra. Kurt Vogel, in zijn uitvoerig artikel
over Fibonacci in DSB IV (1971) vermeldt ook andere Arabische
bronnen.
1In de koopmansboeken der Medici in de Selfridge-verzameling
van de Harvard Graduate School of Business (in Cambridge, Mass. V.S.),
die in 1406 aanvangen, verschijnen Hindoe-Arabische cijfers
herhaaldelijk in de verhalende of beschrijvende kolommen. Van 1439 af
vervangen ze de Romeinse cijfers in de financiële of
effectenkolommen van de entreeboeken als journalen en kladschriften.
Eerst vanaf 1482 komen geen Romeinse cijfers meer voor in de
financiële kolommen van de zakenboeken van alle kooplieden
der Medici-familie (op één na). Van 1494 af komen
in alle koopmansboeken der Medici slechts Hindoe-Arabische cijfers voor
(uit een brief van Dr. Florence Edler De Roover). Zie ook F. Edler, Glossary of Medieval Terms of Business (Cambridge,
Mass, 1934) blz. 389.
2Andere voorbeelden zijn iimiiicxv voor 2315 en vmviic voor 5700 in Franse rekeningen uit de Middeleeuwen (mededeling
van prof. J.F. Benton) en mvicxii voor 1612 in een Duits rekenboekje van 1514 (J.
Tropfke i, 3e uitg. blz. 43). Over het verbod in
Florence zie D.J. Struiks artikel in Archives intern.
d'Histoire des Sciences 21 (1968) 291-294.
1G. Cantor,
Brief aan Eulenberg (1886), Gesammelte
Abhandlungen (Berlin 1932, bldz. 400-402). De plaats die Cantor citeert,
Hoofdstuk 18 van boek xii van De staat
Gods heeft de titel: ‘Weerlegging van de leer dat
zelfs het weten Gods het onbegrensde niet zou kunnen
vatten’.
1W. Sombart, Der Bourgeois
(München-Leipzig 1913) blz. 164.
1Dus niet uit Königsberg,
Ned. Koningsbergen (nu Kaliningrad) in het oude Pruisen.
1Zie
J.L. Coolidge, Mathematics of Great Amateurs (Oxford
1947); G. Wolff, Mathematik und Malerei (Leipzig,
Berlin, 2e uitg., 1925).
1De eerste gedrukte wiskundeboeken waren een rekenboek voor
kooplieden (Treviso, 1478) en een Latijnse uitgave van Euklides' Elementen (Ratdolt, Venetië, 1494) - een
nog steeds geliefd prachtwerk.
2B. Pendorf, Luca Pacioli.
Abhandlung über die Buchhandlung (Stuttgart,
1933).
1E. Bortolotti, L'algebra
nella Scuola Bolognese del secolo XVI, Periodico di Matematica
Ser. 4, vol. 5 (1925) 147-184.
1Zie
C.J. Vooys, Het denkbeeldig getal bij Cardano,
Euclides 35 (1959/60) 162-166; N.L.W.H. Gravelaar, Cardano's Transmutatiemethoden, Nieuw Archief voor Wiskunde
(2) 8 (1909) 408-444.
1Zie b.v.
F. Schuh, Beknopte hoogere Algebrà
(Groningen, 1926), Hoofdstuk XIX.
1Deze waarde
van π in 35 decimalen was op zijn grafsteen in de Pieterskerk
in Leiden uitgebeiteld. Over de resten van deze grafsteen zie Mathem. Gazette 22 (1938) 281-282.
1Over Maurits en de wiskunde zie H.
Turkstra, Euclides 12 (1935/36) 9-15.
1Dus is Nep log y = 10 7 (ln 10 7 - ln y) = 161180957 - 10 7 ln y en Nep log 1 = 161180957;
ln x staat voor onze natuurlijke logaritme. Men maakt
dus een fout zo men de natuurlijke logaritmen de Neperiaanse
noemt.
2In
Napiers zegswijze: de logaritme van 1 zou 0 moeten worden, en de
logaritme van de gehele sinus 10 000 000 000. De ‘gehele
sinus’, ‘sinus torus’, is de sinus van
de rechte hoek, dus de straal van de cirkel. Over Napier zie o.a.
N.L.W.H. Gravelaar, John Napiers Werken, Verh. Kon.
Akad. v. Wetenschappen, Amsterdam 1e sectie 6, No. 6, 1899, 159
bldz. De term ‘logaritme’ schijnt ook van
Napier afkomstig te zijn.
3Over de
ontdekking van dit ‘Tweede Deel’ in 1920 zie M.
van Haaften De Verzekeringsbode 39 (1919-1920) No. 49
en 52, 40 (1920-21) Nos. 4, 5, 10 en 19; ook Nieuw Archief
v. Wiskunde 15 (1925) 49-54.
1Enige
natuurlijke logaritmen vindt men bij Edmund Wright (gepubl. 1618) en J.
Speidel (1619). Wright was geïnteresseerd in verbeterde
kaarten in Mercatorprojectie. Dan volgt geen publikatie van tabellen
voor natuurlijke logaritmen vóór 1770. Zie F.
Cajori, History of the Exponential and Logarithmic
Concepts, Amer. Mathem. Monthly 20 (1913) - Onder de uitvinders van
de logaritmen moet men ook de Zwitserse instrumentmaker Jost
Bürgi noemen, die in 1620 in Praag zijn Progress-Tabulen uitgaf, die echter vrijwel onbekend bleven.
Zie E. Voelling in Elemente der Mathematik, Supplement
5 (Basel, 1948).
|
|