|
|
|
| |
| | | |
VIII. De negentiende eeuw
| |
1.
De Franse Revolutie en de Napoleontische tijd schiepen bijzonder gunstige
voorwaarden voor de verdere ontwikkeling van de wiskunde. Het pad voor de
industriële revolutie op het Europese continent was nu geopend.
Dit werkte gunstig op de groei van de natuurwetenschappen; nieuwe
maatschappelijke klassen werden gevormd die belang hadden in wetenschap en
techniek. Democratische ideeën wisten binnen de academische muren
in te sluipen, oude en verouderde denkwijzen en levenswijzen werden
bekritiseerd. Het gehele onderwijs moest hervormd en vernieuwd worden.
De nieuwe, onstuimige bloei van de wiskunde berustte niet zozeer op de
technische problemen die de nieuwe industrie stelde. Engeland, het hart van
de industriële revolutie, bleef, wat de scheppende wiskunde
betreft, jaren lang vrijwel steriel. Het was in Frankrijk en wat later ook
in Duitsland, dat de wiskundige wetenschappen het schoonste bloeiden - dus
in die landen waar de ideologische breuk met het verleden het sterkst werd
gevoeld, waar snelle economische en politieke veranderingen zich aan het
voltrekken waren, waarbij de voorwaarden voor een moderne kapitalistische
maatschappij werden geschapen. Nieuw leven kwam tot bloei aan scholen en
universiteiten.
Men voelt die breuk ook in de Romantiek aan, en het zou interessant zijn de
betrekkingen tussen deze stroming in de letteren en de kunst aan de ene
zijde en die in de wiskunde anderzijds aan een nader onderzoek te
onderwerpen. Hoe dit ook zij, zeker is dat de zich nieuw ontwikkelende
wiskunde zich langzamerhand van de oude traditie emancipeerde, waarbij
mechanica en astronomie als een soort van einddoel in de ontwikkeling der
exacte wetenschappen werden beschouwd.
Ook algemeen gesproken begon de wetenschap zich meer en meer los te maken van
de eisen die het praktische leven en het krijgswezen stelde. Wij krijgen de
specialist, en die specialist was allereerst in de wetenschap om haar zelf
geïnteresseerd. Ofschoon het verband met de praktijk nooit werd
opgeheven, was deze vaak moeilijk te zien of verduisterd. Als
nevenverschijnsel bij de toenemende specialisatie beginnen we nu ook tussen
‘zuivere’ en ‘toege- | | | | paste’ wiskunde te onderscheiden.1
De wiskundigen van de negentiende eeuw leefden niet meer aan vorstelijke
hoven en vonden slechts zelden hun weg tot de salons der aristocratie. Hun
voornaamste beroep was niet meer het lidmaatschap van academies, zij waren
gewoonlijk hoogleraren aan universiteiten en technische instituten, waar zij
onderwijs gaven en hun salaris verdienden. Sommige grote wiskundigen als de
Bernoulli's hadden alreeds enig onderwijs gegeven. Nu namen de
onderwijsverplichtingen toe met de grote uitbreiding die het schoolsysteem
kreeg, wiskundeprofessoren werden opvoeders en examinatoren. De geleerden
werden daardoor nauwer met hun eigen nationale instituties verbonden, wat
zich ook uitte in het feit dat hun publikaties steeds meer in de taal van
hun land verschenen en steeds minder in het Latijn. Dit deed schade aan het
internationalisme van de vorige eeuwen, doch niet zozeer dat internationale
gedachtenwisseling onderbroken werd. De wiskundigen werden meer en meer
specialisten in één bepaald (ofschoon nog zeer ruim)
gebied, en waar men Leibniz, Euler, D'Alembert als
‘wiskundigen’
(‘géomètres’ in de terminologie
van de achttiende eeuw) kan aanduiden, vinden we in Cauchy allereerst een
analyticus, in Cayley een algebrist, in Steiner een meetkundige (zelfs een
‘zuivere’ meetkundige) en in Cantor de schepper van de
leer der verzamelingen. De tijd was gekomen waarin we
‘mathematische fysica’ beginnen te krijgen, en waarin
er goede vaklui in ‘mathematische statistiek’ of
‘mathematische logica’ optreden. Deze specialisatie
werd alleen op het hoogste niveau van genialiteit doorbroken en juist door
het werk van deze grootsten der groten, een Gauss, een | | | |
Riemann, een Klein of een Poincaré ontving de wiskunde in de
negentiende eeuw haar grootste inspiratie.
| |
2.
Op de scheidingslijn tussen de achttiende en negentiende eeuw verheft zich de
Olympische gestalte van Carl Friedrich Gauss. Hij was de zoon van een
arbeider in Brunswijk, maar zijn vroege begaafdheid bracht hem onder de
aandacht van de hertog van Brunswijk (uit de vaderlandse geschiedenis
welbekend), die voor de opvoeding van het wonderkind zorg droeg. Na van
1795-'98 in Göttingen gestudeerd te hebben verkreeg de jonge
Gauss in 1799 de graad van doctor in Helmstedt, waar J.F. Pfaff professor
was (de man van het ‘probleem van Pfaff’). Van 1807
tot zijn dood in 1855 werkte hij ongestoord als directeur van de
sterrenwacht en professor aan de universiteit te Göttingen. Zijn
tamelijk streng isolement, zijn beheersing van de
‘zuivere’ als wel de
‘toegepaste’ wiskunde, zijn grote astronomische
belangstelling en zijn voorliefde voor het Latijn als de taal waarin hij
publiceerde, geven aan zijn figuur een achttiende-eeuws karakter, maar zijn
werk als geheel ademt de geest van de nieuwe eeuw. Met zijn tijdgenoten
Kant, Beethoven, Hegel en Goethe stond hij buiten de grote politieke strijd
van zijn tijd, maar in zijn eigen gebied van de exacte wetenschappen wist
hij aan de nieuwe ideeën op diepzinnige, doch ook klare wijze
uitdrukking te verlenen.
De dagboeken van Gauss tonen dat hij reeds op zeventienjarige leeftijd
merkwaardige ontdekkingen begon te doen. In het jaar 1795 ontdekte hij, bij
voorbeeld, de kwadratische reciprociteitswet der getallentheorie,
onafhankelijk van Euler en Legendre. Sommige van zijn vroegste ontdekkingen
werden in zijn dissertatie van Helmstedt in 1799 en in zijn indrukwekkende
Disquisitiones arithmeticae van 1801 gepubliceerd. Het
proefschrift bracht het eerste strenge bewijs van de zogenaamde
hoofdstelling der algebra (zie bldz. 178). Deze stelling, volgens welke een
algebraïsche vergelijking van graad n minstens
één en dus n wortels heeft, gaat
terug op Albert Girard, de uitgever van de werken van Stevin (Invention nouvelle en algèbre, 1629). Later hadden
D'Alembert, Euler en Lagrange een bewijs gewaagd, dat door Gauss werd
verbeterd. Gauss hield van deze stelling, gaf later nog twee bewijzen en
keerde in 1849 terug naar zijn eerste bewijs. Het derde bewijs (1816) maakte
van complexe integralen gebruik en toont hoe vroeg Gauss de theorie der
complexe getallen beheerste.
In de Disquisitiones arithmeticae bracht Gauss op zijn
wijze alle belangrijke resultaten van zijn voorgangers samen en verrijkte ze
| | | | met zulk een meesterhand dat men wel in deze Disquisitiones het begin van de moderne getallentheorie heeft
gezien. De kern bestaat uit de theorie der kwadratische congruenties en
vormen, en culmineert in de reciprociteitswet der kwadratische resten - dat
‘theorema aureum’ waarvoor Gauss het eerste volledige
bewijs gaf. Gauss was even geestdriftig over deze wet als over de
hoofdstelling van de algebra en publiceerde later nog vijf andere bewijzen,
één werd na zijn dood nog tussen zijn papieren
gevonden. De Disquisitiones bevatten ook Gauss'
onderzoekingen over de cirkelverdeling, dus over de wortels van de
vergelijking xn = 1. Hier kwam de
grote verrassing in de stelling dat de zijden van de regelmatige
zeventienhoek met passer en lineaal kunnen worden geconstrueerd. Dit geldt
voor alle regelmatige veelhoeken van n zijden zo n = 2
p
+ 1, p = 2k, n priemgetal, k = 0, 1, 2, 3, ..., dus
b.v. ook n = 257. Dit was een merkwaardige aanvulling van
de Griekse meetkunde zoals we die uit Euklides kennen.
Gauss' belangstelling in de sterrenkunde werd opgewekt toen Giuseppe Piazzi
in Palermo op 1 januari 1801, de eerste dag van de nieuwe eeuw, de eerste
planetoïde ontdekte, die de naam Ceres kreeg. Van deze
planetoïde konden slechts weinig observaties worden gemaakt,
zodat het probleem ontstond de baan van een planeet uit een betrekkelijk
klein aantal niet ver van elkaar af liggende observaties te bepalen. Gauss
loste dit vraagstuk volledig op; het leidde tot een vergelijking van de
achtste graad. Toen in 1802 Pallas, de tweede planetoïde, werd
ontdekt, begon Gauss zich te interesseren in de seculaire storingen van de
planeten. De reeks van onderzoekingen die met al deze verschijnselen
samenhing, bevatte de Theoria motus corporum coelestium
(1809), de verhandeling over de aantrekking van de algemene
ellipsoïde (1813), een andere over mechanische kwadratuur (1814)
en over seculaire storingen (1818), alsook Gauss' onderzoekingen met
betrekking tot de hypergeometrische reeks (1812), die het mogelijk maakt een
groot aantal functies vanuit één gezichtspunt te
bekijken. Ze is de eerste stelselmatige studie van de convergentie van een
reeks.
| |
3.
Na 1820 begon Gauss zich levendig voor de geodesie te interesseren, dit naar
aanleiding van de triangulatie van het koninkrijk Hannover, waaraan hij
praktisch deelnam. Op karakteristieke wijze verenigde hij weer toegepaste
met theoretische wiskunde. Een van zijn resultaten was zijn uiteenzetting
van de methode der kleinste kwadraten (1821, 1823), die reeds door Legendre
(1806) en Laplace tot een onderwerp van studie was gemaakt. Misschien | | | | zijn meest belangrijke wiskundige bijdrage uit dit tijdperk
van zijn leven was zijn oppervlakkentheorie, die hij in de Disquisitiones generales circa superficies curvas (1827)
uiteenzette, en die de differentiaalmeetkunde van een geheel ander standpunt
bezag dan Monge. Deze theorie van Gauss was weer het gevolg van praktische
overwegingen, in dit geval aan de hogere geodesie ontleend. Ze hield de
aandacht gevestigd op de inwendige meetkunde van een oppervlak, die dus niet
van de omringende ruimte afhangt, en waarbij kromlijnige
coördinaten u en v op het
oppervlak worden aangewend, om het lijnelement ds in een
kwadratische differentiaalvorm uit te drukken: ds2 = Edu2 + 2Fdudv + Gdv2. Hier bereikte Gauss weer een
hoogtepunt, het theorema egregium, dat leert dat de totale
kromming van een oppervlak alleen afhangt van E, F en G en hun afgeleiden en dus een buigingsinvariante is.
Zelfs in deze periode van ingespannen werkzaamheid in de praktische geodesie
verwaarloosde Gauss zijn eerste liefde, de ‘koningin der
wiskunde’ niet. In 1825 en 1831 verschenen zijn verhandelingen
over bikwadraatresten. Deze vormen een voortzetting van de theorie der
kwadraatresten in de Disquisitiones arithmeticae, maar een
voortzetting met behulp van een nieuwe methode, de leer der complexe
getallen. De verhandeling van 1831 bevatte niet alleen algebra, doch ook een
rekenkunde der complexe getallen. Hierbij ontstond een nieuwe theorie van
priemgetallen, waarin 3 een priemgetal blijft, maar 5 = (1 + 2i)
(1 - 2i) niet langer priem is. Het getal 1 + 2i is een complex
priemgetal. Met behulp van deze nieuwe getallentheorie kon Gauss vele
duistere punten van de reële rekenkunde ophelderen. Zo bleek de
kwadratische reciprociteitswet voor complexe getallen eenvoudiger dan voor
reële. Het was in deze verhandeling dat Gauss voor altijd de
geheimzinnigheid die de complexe getallen nog steeds hadden, verstoorde,
doordat hij liet zien hoe complexe getallen door punten in het
‘vlak van Gauss’ kunnen worden voorgesteld. 1
| | | |
Een standbeeld in Göttingen stelt Gauss met zijn jongere
medewerker Wilhelm Weber voor op het ogenblik dat zij bezig zijn de
elektrische telegraaf te ontdekken. Dit gebeurde in de jaren 1833-'34 in de
tijd dat Gauss begon de fysica te beoefenen. In die jaren voerde hij vele
experimenten uit met het aardmagnetisme. Toch vond hij nog tijd voor een
theoretische verhandeling van grote betekenis, zijn Allgemeine
Lehrsätze in Beziehung auf die im verkehrten
Verhältnisse des Quadrats der Entfernung wirkenden
Anziehungs- und Abstöszungskräfte (1839-'40).
In deze verhandeling werd de potentiaaltheorie als een eigen gebied in de
wiskunde ingevoerd (de verhandeling van Green uit het jaar 1828 was
toentertijd vrijwel onbekend gebleven). Men vindt er oppervlakte- en
inhoudsintegralen met minimaalprincipes waarin men het zgn. beginsel van
Dirichlet herkent. Gauss hield het bestaan van een minimum nog voor
vanzelfsprekend, eerst later werd dit bestaan een onderwerp van veel studie,
waaraan ten slotte Hilbert een exacte formulering heeft gegeven.
Gauss bleef werkzaam tot aan zijn dood in 1855. In zijn latere levensjaren
wendde hij zich meer en meer tot de toegepaste wiskunde. Toch leveren zijn
publikaties geen voldoende beeld van zijn volle grootheid. Door de
publikatie van zijn dagboeken en van sommige zijner brieven is het gebleken
dat hij enige zijner diepste gedachten nooit heeft bekend gemaakt. We weten
thans dat Gauss reeds in 1810 de elliptische functies had ontdekt (eerst
later herontdekt door Abel en Jacobi) en omstreeks 1816 in het bezit was van
de niet-euklidische meetkunde (later herontdekt door
Lobačevskiï en Bolyai). Hierover heeft hij zich
slechts in enige brieven aan vrienden uitgelaten, en daaruit zien we dat hij
kritisch stond tegenover alle pogingen het parallellenaxioma te bewijzen.
Wars van alle polemieken wilde hij in het openbaar geen onderwerp aansnijden
waarmee hij controverses kon veroorzaken. Hij schreef over wespen die hem
dan om de oren zouden vliegen en van het ‘geschreeuw der
Boeotiërs’, dat hij dan te horen zou krijgen. Maar hij
betwijfelde de toen vrijwel algemeen aanvaarde leer van Kant die onze
ruimtevoorstelling a priori voor Euklidisch hield; voor Gauss was de
meetkunde van de werkelijke ruimte een natuurverschijnsel dat men
experimenteel moest onderzoeken.
| |
4.
Felix Klein, in zijn Entwicklung der Mathematik im 19.
Jahrhundert heeft een vergelijking getrokken tussen Gauss en de
vijfentwintig jaar oudere Franse wiskundige Adrien-Marie Legendre. Misschien
is het niet helemaal fair om Gauss te vergelijken met een | | | |
andere wiskundige, tenzij die tot de allergrootste behoort; maar we leren
uit deze vergelijking hoezeer Gauss' ideeën ‘in de
lucht hingen’, want Legendre heeft, op zijn eigen onafhankelijke
wijze, vele vragen die Gauss bezighielden, ook onderzocht. Legendre was van
1775 tot 1780 docent aan de militaire school in Parijs en had later vele
regeringsbetrekkingen. Zo was hij professor aan de Ecole Normale, examinator
aan de Ecole Polytechnique en had administratieve posities.
Evenals Gauss heeft hij belangrijke onderzoekingen over de getallentheorie
gepubliceerd (Essai sur les nombres, 1798; Théorie des nombres, 1830), waarin hij de kwadratische
reciprociteitswet formuleerde. Hij schreef ook over geodesie en theoretische
astronomie, was een even ijverig berekenaar van tafels als Gauss, schetste
in 1806 de methode der kleinste kwadraten en bestudeerde de aantrekking van
ellipsoïden - ook van de ellipsoïden die geen
omwentelingsoppervlakken zijn. Hierbij voerde hij de
‘Legendre-functies’ in. Hij stelde evenals Gauss
belang in elliptische integralen en integralen van Euler, en in de
grondslagen en methoden der euklidische meetkunde.
In al deze gebieden drong Gauss dieper door dan Legendre, zo vond Legendre
nooit de stelling van de regelmatige zeventienhoek, de elliptische functies
en de niet-euklidische meetkunde. Toch deed Legendre werk van blijvende
betekenis. Zijn leerboeken werden lange jaren druk gebruikt, vooral zijn Exercises du calcul intégral (3 dln, 1811-'19)
en zijn Traité des fonctions elliptiques et des
intégrales euleriennes (1827-'32), dat nog steeds een
standaardwerk is. In zijn Elements de
géométrie (1794) brak hij met het Platonische
ideaal van Euklides en gaf een leerboek der schoolmeetkunde dat met de eisen
van de toen moderne opvoeding rekening hield. Dit boek is dan ook zeer
populair geweest, het is in verscheidene talen vertaald en vaak herdrukt; de
invloed van dit boek is blijvend geweest.
| |
5.
Men kan het nieuwe tijdperk in de geschiedenis van de wiskunde in Frankrijk
misschien laten aanvangen met de oprichting van militaire scholen en
academies, die in het tweede deel der achttiende eeuw plaatsvond. In deze
scholen, waarvan er ook enige buiten Frankrijk bestonden (Turijn, Woolwich)
werd op de wiskunde bij de opleiding van militaire ingenieurs en
genieofficieren sterke nadruk gelegd. Lagrange begon zijn loopbaan aan de
artillerieschool in Turijn, Legendre en Laplace doceerden aan de militaire
school in Parijs, Monge aan de academie in Mézières,
Carnot was een mi- | | | | litaire ingenieur. Napoleons belangstelling
in de wiskunde dateert uit zijn studentenjaren aan de militaire scholen in
Brienne en Parijs. Toen gedurende de Revolutie Frankrijk door buitenlandse
legers werd bedreigd werd de behoefte aan een gecentraliseerde militaire
ingenieursopleiding sterker dan ooit gevoeld. Dit leidde in 1794 tot de
oprichting van de Ecole Polytechnique te Parijs. Spoedig begon deze school
een leidende plaats in te nemen in de opleiding van ingenieurs van allerlei
soort, zodat ze het voorbeeld werd van alle militaire ingenieursscholen die
in de eerste jaren van de negentiende eeuw werden opgericht, in Nederland
zowel als in de Verenigde Staten (West Point) en Rusland - ook al werd het
militaire karakter van de Ecole Polytechnique bij andere technische
hogescholen niet altijd overgenomen. Een wezenlijk bestanddeel van het
leerplan was de studie van de zuivere en toegepaste wiskunde. Aan de Ecole
Polytechnique werd niet alleen het onderwijs, doch ook het wetenschappelijk
onderzoek met alle kracht ondersteund. Men trachtte de beste mannen van
wetenschap aan de Ecole Polytechnique te verbinden, vele bekende Franse
wiskundigen zijn studenten, examinatoren of professoren aan de Ecole
Polytechnique geweest.1
De opleiding aan zulk soort scholen eiste een nieuw soort geleerde - de
leraar - en een nieuw soort van wetenschappelijke tekst - een leerboek. De
geleerde verhandelingen voor de ingewijden, die zo kenmerkend waren voor de
tijd van Euler, moesten vervangen worden door handboeken die geschikt waren
voor het klasseonderwijs. Zo zijn een aantal van de beste leerboeken van de
eerste jaren van de negentiende eeuw uit het onderwijs aan de Ecole
Polytechnique of verwante instituten voortgekomen. Hun invloed heeft continu
doorgewerkt tot in de huidige tijd. Een goed voorbeeld van zulk een leerboek
is de Traité du calcul différentiel et du
calcul intégral (2 dln., 1797) van Sylvestre
François Lacroix, waaruit hele generaties hun
infinitesimaalrekening hebben geleerd. Lacroix heeft ook vele andere
leerboeken der wiskunde geschreven. We hebben alreeds van Legendres boeken
gesproken; nog een an- | | | | der voorbeeld is het leerboek der
beschrijvende meetkunde van Monge, dat ook nog lang voor het onderwijs in
dit vak voorbeeldig is geweest.
| |
6.
Gaspard Monge, de eerste directeur van de Ecole Polytechnique, was de
wetenschappelijke en pedagogische leider van de mannen van wetenschap die
gedurende het Directoire, het Consulaat en het Keizerrijk met deze school
waren verbonden. Hij was zijn loopbaan begonnen als docent aan de militaire
school van Mézières (1768-'89), waar hem zijn
voordrachten over vestingbouwkunde de gelegenheid boden de beschrijvende
meetkunde als een bijzonder gebied van de wiskunde te ontwikkelen. Zijn boek
Géometrie descriptive verscheen tussen
1795-'99.
In Mézières begon hij ook met de toepassing van de
differentiaalrekening op de leer der ruimtekrommen en oppervlakken; zijn
verhandelingen hierover werden later verzameld in de Application de l'analyse à la
géométrie (1809), het eerste boek over de
differentiaalmeetkunde, doch nog niet in de vorm waarin we die tegenwoordig
bestuderen. Monge was een der eerste moderne wiskundigen die als specialist
kan gelden: als meetkundige. Ook zijn behandeling der partiële
differentiaalvergelijkingen is typisch meetkundig.
Door Monges invloed begon de meetkunde aan de Ecole Polytechnique te bloeien.
In de beschrijvende meetkunde lag de kiem der projectieve meetkunde, en de
toepassing van algebraïsche en analytische methoden op krommen en
oppervlakken kwam de analytische meetkunde en de differentiaalmeetkunde ten
goede. Jean Hachette en Jean-Baptiste Biot ontwikkelden stelselmatig de
analytische meetkunde van kegelsneden en kwadratische oppervlakken, in Biots
Essai de géométrie analytique
(1802) beginnen wij onze huidige analytische meetkunde te herkennen; naar
inhoud zowel als naam. Charles Dupin, een leerling van Monge, paste als
jonge marine-ingenieur gedurende de Napoleontische tijd de methoden van zijn
leraar op de oppervlakkentheorie toe, waarbij hij de asymptotische en
geconjugeerde lijnen vond; de kromtelijnen waren reeds door Monge
onderzocht. Dupin werd professor in de meetkunde in Parijs en werd later ook
een bekend politicus en propagandist van de industrie. Hij vatte zijn
meetkundige ontdekkingen samen in de Développements
de géométrie (1813) en Applications de géométrie (1825), waar men
de ‘indicatrix van Dupin’ en de ‘cycliden
van Dupin’ bestuderen kan.
Monges naam is ook verbonden aan de vernieuwing van de | | | |
scheikunde, waarbij zijn academische collega Lavoisier zulk een belangrijke
rol speelde. Hij behoorde tot die groep van mannen die de samenstelling van
water uit wat we nu waterstof en zuurstof noemen ontdekten (1783-'85), ook
experimenteerde hij op het gebied van de uitzetting van gassen en de
capillariteit. Gedurende de revolutie gaf hij advies aan de regering omtrent
het maken van wapens en van buskruit. Ofschoon Monge een man van
democratische opvattingen was, bleef hij trouw aan Napoleon, met wie hij in
Egypte was (1798-'99) en in wie hij de man zag die de idealen van de
Revolutie kon verwezenlijken. In 1815, bij de terugkomst der Bourbons, werd
Monge ontslagen en hij stierf kort daarop. Doch Monges geest bleef heersen
in de Ecole Polytechnique. Zo bleef er datzelfde nauwe verband tussen
zuivere en toegepaste wiskunde bestaan dat er van de aanvang al geweest was.
De mechanica werd druk beoefend, en de mathematische fysica begon zich
eindelijk van de ‘katoptrika’ en de
‘dioptrika’ van de Ouden te bevrijden. Etienne Malus
ontdekte in 1810 de polarisatie van het licht, later nam Augustin Fresnel
Huygens' golftheorie van het licht weer op (1821). André-Marie
Ampère, die met groot succes de partiële
differentiaalvergelijkingen had bestudeerd, werd na 1820 een der grote
pioniers van de nieuwe wetenschap van het elektromagnetisme. Uit deze
beoefening der mathematische fysica kwamen ook resultaten voor de wiskunde
zelve, we denken aan Fresnels golfoppervlak en aan Malus' meetkunde der
lichtstralen, verbeterd door Dupin, en die weer vruchten afwierp voor de
meetkundige optica en de meetkunde der stralencongruenties.
Lagranges Mécanique analytique werd zorgvuldig
bestudeerd en de methoden daarin uiteengezet, werden op allerlei
vraagstukken toegepast. De statica had Monge reeds vroeg
geïnteresseerd en hij beoefende haar met zijn leerlingen ook
vanwege haar meetkundige mogelijkheden; in de loop der jaren verschenen
verscheidene leerboeken over dit vak, waaronder een van Monge zelf (1788,
vele uitgaven). De meetkundige inhoud van de statica werd klaar tot uiting
gebracht in het werk van Louis Poinsot, vele jaren lang een lid van de
Franse Hoge Onderwijsraad. In zijn Elements de statique
(1804) en zijn Théorie nouvelle de la rotation des
corps (1834) voegde hij aan het begrip van de kracht dat van het
koppel (draaimoment) toe, gaf een voorstelling van Eulers leer der
traagheidsmomenten met behulp van een traagheidsellipsoïde en
onderzocht de beweging van deze ellipsoïde wanneer het lichaam
zich in de ruimte beweegt of om een punt draait. Victor Poncelet en
Gustave-Gaspard Coriolis gaven aan het streng analytische karakter | | | | van Lagranges analytische mechanica een meetkundig gewaad,
beide geleerden hebben met Poinsot ook de toepassing der mechanica op
eenvoudige mechanismen behandeld. Een der resultaten van deze onderzoekingen
is de ‘coriolisversnelling’, die optreedt wanneer een
lichaam zich beweegt in een versneld systeem (1835).
Victor Poncelet was een der meest oorspronkelijke leerlingen van Monge. Toen
hij als soldaat van Napoleons Grande Armée in
1813 in Russische krijgsgevangenschap geraakte, vond hij ruimschoots tijd om
over de methoden van zijn leraar na te denken. Speciaal voelde hij zich
aangetrokken door het zuiver synthetische in Monges meetkunde en zo werd hij
tot een gedachtengang gevoerd die reeds twee eeuwen te voren Desargues had
geïnspireerd. Poncelet werd de ontdekker van de projectieve
meetkunde.
Hij zette zijn ideeën uiteen in de Traité
des propriétés projectives des figures
(1822). Dit omvangrijke boek bevat alle begrippen die deze nieuwe soort
meetkunde karakteriseren, begrippen als dubbelverhouding, perspectiviteit,
projectiviteit, involutie en zelfs de oneindig verre cirkelpunten. Poncelet
liet zien dat de brandpunten van een kegelsnede kunnen worden beschouwd als
snijpunten van de raaklijnen, door die cirkelpunten aan de kegelsnede
getrokken. Ook vindt men in de Traité de
theorie der veelhoeken die tegelijk door één
kegelsnede omgeschreven en door een andere ingeschreven zijn (het zgn.
sluitingsprobleem van Poncelet). Het verschijnen van dit boek werd gevolgd
door zulk een geestdriftige bestudering van het nieuwe gebied, dat in
weinige tientallen jaren de projectieve meetkunde een graad van ontwikkeling
bereikte die haar tot een klassiek model van een afgerond wiskundig systeem
zou maken.
Naast Poncelet behoorden ook Siméon Poisson, Joseph Fourier en
Augustin Cauchy tot de leidende wiskundigen wier naam met de eerste
tientallen jaren der Ecole Polytechnique waren verbonden. Alle drie toonden
diepe belangstelling voor de toepassing van de wiskunde op de natuur- en
werktuigkunde, en alle drie werden door deze belangstelling weer tot
ontdekkingen in de ‘zuivere’ wiskunde gevoerd.
Poissons produktiviteit blijkt uit de vele manieren waarop zijn naam in onze
leerboeken voorkomt: hier ontmoeten we de haakjes van Poisson in de leer der
differentiaalvergelijkingen, de constante van Poisson in de
elasticiteitsleer, de integraal en de vergelijking van Poisson in de
potentiaaltheorie. Deze vergelijking van Poisson, gewoonlijk ΔV = 4πρ geschreven, vond haar
oorsprong in Poissons ontdekking (1812), dat de vergelijking van Laplace,
ΔV = 0, slechts daar geldt waar geen
massa's zijn; het | | | | exacte bewijs voor massa's van veranderlijke
dichtheid werd eerst door Gauss in zijn Allgemeine
Lehrsätze van 1839/'40 geleverd. Poissons Traité de mécanique (1811) was geschreven in
de geest van Lagrange en Laplace, maar bevatte menige oorspronkelijke
gedachte zoals het expliciet gebruik van de impulscoördinaten pi = ∂T/∂qi. Deze
coördinaten hebben dan later in het werk van Hamilton en Jacobi
een fundamentele rol gespeeld - en doen het nu nog.
Poisson schreef ook een boek over de waarschijnlijkheidsrekening (1837) dat
wij reeds citeerden. Onder de vele resultaten die dit boek bevat vinden we
de ‘wet van Poisson’ als benadering van de binomiale
wet voor kleine waarschijnlijkheden. De grote betekenis van deze wet voor de
statistiek, o.a. van straling en verkeer, is eerst in de twintigste eeuw
begrepen.
Fourier wordt wel als de grondlegger van de mathematische fysica beschouwd.
Hij heeft deze reputatie in de eerste plaats te danken aan zijn Théorie analytique de la chaleur, zijn analytische
warmtetheorie (1822). Deze warmtetheorie is de theorie der warmtegeleiding,
bepaald door de partiële differentiaalvergelijking ΔU = k∂u/∂t,
die voor het geval van een ééndimensionale
voortplanting van de warmte (door Fourier nog als stof,
‘calorique’, gedacht) als ∂2U/∂x2 = k∂U/∂t kan worden geschreven. Deze
vergelijking moet dan worden opgelost onder gegeven randvoorwaarden. De
methoden die Fourier hierbij gebruikte waren zo algemeen dat zijn werk het
prototype is geworden voor de behandeling van de gehele theorie der
oplossingen van partiële differentiaalvergelijkingen onder
gegeven randvoorwaarden. Daarbij demonstreerde Fourier het nut van
trigonometrische reeksen, die in de voorafgaande eeuw het onderwerp waren
geweest van een gedachtenwisseling tussen Euler, D'Alembert, Daniel
Bernoulli en Lagrange. Fourier loste de moeilijkheden die zich ontwikkeld
hadden althans in beginsel op: elke ‘willekeurige’
functie (waaronder Fourier een functie verstond die door een continu gebogen
of recht lijnsegment of door een aantal van zulke segmenten kan worden
voorgesteld) kan in een gegeven interval worden uitgedrukt door een reeks
van de vorm
Ondanks het feit dat Euler en zijn collega's reeds over de al of niet
juistheid van dit feit van gedachten hadden gewisseld, was Fouriers
resultaat toch nog zo nieuw en frapperend dat hij in 1807, toen hij zijn
ideeën het eerst bekend maakte, op scherp verzet | | | |
stuitte, zelfs bij zulk een groot wiskundige als Lagrange.
Van nu af aan werden de ‘Fourier-reeksen’ langzamerhand
een algemeen aanvaard en goed doordacht middel voor de oplossing van
partiële differentiaalvergelijkingen met randvoorwaarden. Maar ze
waren ook, van zuiver wiskundig standpunt beschouwd, verbazend interessant,
omdat hun gedrag zo afweek van dat van reeksen van Taylor. Wat moest men
onder een ‘willekeurige functie’ verstaan? Uit vragen
als deze is het te verklaren dat de wiskundigen van de negentiende eeuw zich
veel meer inlieten met de exactheid van hun bewijzen dan hun voorgangers, en
dat zij ernstiger ernaar streefden de grondbegrippen der wiskunde te
verhelderen.1 Wat de
Fourier-reeksen betreft werd deze verheldering door Dirichlet en Riemann
gebracht, met consequenties die veel verder reikten dan die bijzondere
reeksen.
| |
7.
Cauchy's talrijke bijdragen tot de theorie van het licht en de mechanica zijn
door het succes van zijn prestaties in de analyse wel wat in de vergetelheid
geraakt, en toch mogen we niet uit het oog verliezen dat hij met zijn
tijdgenoot Louis Navier tot de grondleggers der wiskundige
elasticiteitstheorie behoort. Zijn roem berust echter in de eerste plaats op
zijn theorie van de functies van een complexe veranderlijke, en op zijn
streven naar exactheid in de analyse. Functies van een complexe
veranderlijke waren wel eens vroeger opgedoken, bijv. bij D'Alembert, die in
een verhandeling van 1752 over de weerstand in vloeistoffen zelfs tot de
vergelijking werd gevoerd die we nu als die van Cauchy-Riemann kennen. Ook
Euler was bezig geweest dit gebied te ontginnen. Onder de handen van Cauchy
werd nu de complexe functietheorie van een toevallig hulpmiddel bij
hydrodynamica, aerodynamica of oppervlakkentheorie tot een nieuw en
zelfstandig onderdeel van de wiskunde opgebouwd. Cauchy's publikaties op dit
gebied begonnen in 1814 en volgden elkaar in ononderbroken volgorde op. Een
van zijn belangrijkste publikaties is de Mémoire sur
les intégrales définies, prises entre des limites
imaginaires (1825). Hier vindt men de integraalstelling van Cauchy
en het begrip van het residu van een pool. De stelling dat iedere
analytische functie f(z) om ieder punt
z = zo in een
reeks van Taylor kan worden ontwik- | | | | keld, en dat die reeks in
een cirkel van het complexe vlak convergeert, die door het naastbijgelegen
singuliere punt gaat, werd in 1831 gepubliceerd, dus in hetzelfde jaar dat
Gauss zijn arithmetische theorie der complexe getallen het licht deed zien.
Laurents generalisatie van Cauchy's stelling over de reeksen van Taylor is
van 1843, toen ze ook in het bezit van Weierstrass was. Deze feiten
illustreren waarom de theorie van Cauchy geen weerstand in vakkringen had te
overwinnen: vanaf haar begin is de theorie der complexe functies
geaccepteerd, zelfs in de notatie die Cauchy had voorgesteld.
Cauchy behoort, met zijn tijdgenoten Gauss, Abel en Bolzano, tot de pioniers
van de nieuwe exactheid in het wiskundig denken. De achttiende eeuw was in
wezen een eeuw van mathematisch experimenteren geweest, waarbij de
resultaten in overweldigend aantal zich ophoopten. Daarbij hadden de
wiskundigen zich maar weinig beziggehouden met de grondslagen van hun
wetenschap - ‘allez en avant, et la foi vous viendra’
(ga maar vooruit, het geloof zal wel komen) - deze aanmoediging wordt wel
aan D'Alembert toegeschreven. En als deze wiskundigen, zoals Maclaurin,
Euler of Lagrange, wel eens van hun gewetensbezwaren lieten blijken, waren
hun redeneringen maar matig overtuigend. Nu echter was de tijd gekomen om
zich consequent af te vragen wat de precieze zin van al die verkregen
resultaten was. Wat was eigenlijk een ‘functie’ van
een reële veranderlijke, die zich ten opzichte van een
Taylor-reeks zo anders gedraagt als ten opzichte van een Fourier-reeks, en
in welke betrekking stond ze tot een ‘functie’ van een
complexe veranderlijke, die weer haar eigen gedrag heeft? Met vragen als
deze kwamen alle onopgeloste kwesties in de grondslagen van de
infinitesimaalrekening en in het vraagstuk van het bestaan van een
potentieel en een actueel oneindige weer vooraan in het bewustzijn van de
wiskundige.1 Wat Eudoxos had gedaan in de tijd na
de val van de Atheense democratie begonnen Cauchy en zijn exact denkende
collega's in de periode van een snel groeiend | | | | industrialisme
te voltooien. Dit grote verschil in maatschappelijke verhoudingen leidde tot
grote verschillen in de wijze waarop de vraagstukken werden aangepakt: waar
het succes van Eudoxos er op den duur toe leidde dat de wiskundige
produktiviteit belemmerd werd, leidde het succes van de moderne hervormers
tot nieuwe en verhoogde produktiviteit. Op Gauss en Cauchy volgden
Weierstrass en Cantor, en op hen weer Hilbert en Lebesgue.
Cauchy ontwikkelde de grondslagen der infinitesimaalrekening op de manier
waarop ze nu algemeen in onze leerboeken worden uiteengezet. Men kan zijn
methode bestuderen in zijn Cours d'Analyse (1821) en de
Résumé des Leçons
données à l'Ecole Royale Polytechnique
i (1823). Cauchy's methode berustte op het limietbegrip
zoals D'Alembert dit al eens bij gelegenheid had gebruikt. Nu werd dit
begrip op strenge wijze geformuleerd en door voorbeelden verduidelijkt. Zo
toonde Cauchy aan wat de limiet (grenswaarde) is van sin α/α voor α = 0.
Daarna definieerde hij een oneindig kleine veranderlijke als een
veranderlijk getal dat nul als grenswaarde heeft. Dan eiste hij dat Δy en Δx
‘seront des quantités infiniment petites’
(oneindig kleine grootheden zullen zijn). Vervolgens schreef hij:
en noemde de grenswaarde voor i → 0 de fonction dérivée (afgeleide functie)
y′ ou f′(x). Verder zette hij i = αh, waar α een oneindig
kleine grootheid is en h een eindige grootheid:
Dan werd h de différentielle de la
fonction y = f(x)
(differentiaal van de functie y) genoemd, en dy = df(x) = hf′(x); dx = h.1
Cauchy gebruikte zowel de notatie van Lagrange als vele van zijn bijdragen
tot de reële functietheorie zonder concessies te doen aan
Lagranges ‘algebraïsche’ formulering van de
afgeleiden. Zo nam hij de stelling van de gemiddelde waarden en het restlid
van de Taylor-reeks over zoals Lagrange die geformuleerd had, doch de
reeksen werden nu onder passend onderzoek naar hun conver- | | | | gentie besproken. Verschillende convergentiecriteria in de theorie der
oneindige reeksen zijn naar Cauchy genoemd. In zijn geschriften vindt men
duidelijke sporen van een overgang tot die
‘arithmetisering’ van de analyse, die later de kern
van Weierstrass' onderzoekingen zou uitmaken. Cauchy gaf ook het eerste
existentiebewijs voor de oplossing van een differentiaalvergelijking en van
een stelsel van zulke vergelijkingen (1836). Op deze manier maakte Cauchy
althans een begin met die reeks van problemen en paradoxen te beantwoorden,
die in de wiskunde reeds van Zeno's tijd af hadden rondgespookt, en hij deed
het niet door die moeilijkheden te loochenen of te omzeilen, maar door een
wiskundige techniek te scheppen die het mogelijk maakte ze recht te doen
wedervaren.
Cauchy was evenals zijn tijdgenoot Honoré de Balzac, met wie hij
een bijkans onbegrensde arbeidscapaciteit gemeen had, een legitimist en
royalist. Beiden hadden zo'n diep inzicht dat ondanks hun reactionaire
idealen hun werk ook voor latere generaties een grote betekenis blijft
behouden. Na de revolutie van 1830 gaf Cauchy zijn leerstoel aan de Ecole
Polytechnique op en bracht enige jaren door in Turijn en in Praag; in 1838
keerde hij naar Parijs terug. Na 1848 werd het hem niet moeilijk gemaakt:
hij mocht blijven zonder de eed van trouw aan de nieuwe regering afgelegd te
hebben. Zijn produktiviteit was zo enorm dat de Académie
eenvoudig niet de publikatie van zijn artikelen kon bijhouden, zelfs niet in
de wekelijks verschijnende Comptes Rendus. In 1826 begon
hij zelfs zijn eigen tijdschrift uit te geven, de vijf delen bevatten alleen
zijn eigen werk. Men zegt dat toen hij zijn eerste verhandeling over de
convergentie van reeksen aan de Académie voorlegde, Laplace zo
ongerust werd dat de grote man naar zijn kamer ijlde om de reeksen in zijn
Mécanique céleste op hun
convergentie te onderzoeken. Het schijnt dat hij geen belangrijke
veranderingen hoefde aan te brengen.
| |
8.
Dit Parijse milieu met zijn intensieve wiskundige bedrijvigheid bracht
omstreeks 1830 een genie van de eerste rang voort, dat als een komeet even
snel verdween als het verschenen was. Evariste Galois, de zoon van een
burgemeester van een stadje bij Parijs, trachtte tweemaal tevergeefs als
student tot de Ecole Polytechnique te worden toegelaten, en toen hij het ten
slotte klaarspeelde in de Ecole Normale te komen, werd hij spoedig weer
weggestuurd. Hij poogde met privaatlessen in de wiskunde aan de kost te
komen, waarbij hij moeite had enig evenwicht te bewaren tussen zijn
hartstocht voor de wetenschap en voor de democratie. Als republi- | | | | kein nam hij met vuur aan de revolutie van 1830 deel, bracht verscheidene
maanden in de gevangenis door en werd kort daarop,
éénentwintig jaren oud, in een duel gedood. Twee van
zijn verhandelingen, die hij ter publikatie had aangeboden, raakten zoek op
de schrijftafel van de redacteur, enkele andere werden pas lang na zijn dood
gepubliceerd. Op de vooravond van het fatale duel schreef hij aan een vriend
een verslag van zijn ontdekkingen in de leer der vergelijkingen. Dit
ontroerende en diepzinnige document, waarin hij zijn vriend verzoekt die
ontdekkingen in het geval van zijn dood aan het oordeel van vooraanstaande
wiskundigen te onderwerpen, eindigde met de woorden:
‘Je zult Jacobi af Gauss in het openbaar verzoeken, hun
oordeel te uiten niet over de waarheid, maar over de betekenis van deze
stellingen. Daarna zullen er naar ik hoop, wel enige lieden zijn die het de
moeite waard vinden dit gekrabbel te ontcijferen.’
Dit gekrabbel (ce gâchis) bevatte niet meer of
minder dan de groepentheorie, sleutel tot de moderne algebra en de moderne
meetkunde. De idee van deze theorie komt tot op zekere hoogte al bij
Lagrange en de Italiaan Ruffini voor, doch bij Galois vindt men een
doordachte, scherpomlijnde groepentheorie. Hier vindt men het fundamentele
begrip van de permutatiegroep die wordt bepaald door de wortels van een
algebraïsche vergelijking, en die door haar samenstelling op haar
beurt het karakter van de wortels bepaalt. Galois wees op de beslissende rol
die invariante ondergroepen spelen bij de vorming van de resolvente. Oude en
eerwaardige vraagstukken, zoals de driedeling van de hoek, de verdubbeling
van de kubus zowel als de oplossing van de vergelijkingen van de derde,
vierde en algemene graad, vonden hun natuurlijke plaats in de theorie van
Galois. Doch zijn laatste brief is, zover wij weten, nooit aan Gauss of
Jacobi ter hand gesteld. Het wiskundige publiek kreeg haar niet eerder te
zien voor Liouville in 1846 een aantal verhandelingen van Galois in zijn Journal de mathématiques publiceerde. Dat was
omstreeks de tijd dat ook Cauchy over groepentheorie was beginnen te
schrijven (1844-'46). Nu eerst begonnen enige wiskundigen zich voor de
theorieën van Galois te interesseren. Maar eerst nadat in 1870
Camille Jordans Traité des substitutions
verschenen was, gevolgd door de publikaties van Klein en Sophus Lie, is de
betekenis van de theorie van Galois in wiskundige kringen algemeen erkend.
Thans ziet men in haar een der schitterendste resultaten der
negentiende-eeuwse wiskunde, waaraan deze theorie een | | | | groot
omvattend beginsel heeft geschonken.1
Galois had ook ideeën over de integralen van
algebraïsche functies van één
veranderlijke; integralen die we nu naar Abel noemen. Die laten ons zien dat
er verband bestaat tussen de gedachtenwereld van Galois en van Riemann. We
kunnen ons afvragen of de moderne wiskunde, als Galois was blijven leven,
niet haar diepste gedachten uit Parijs en de school van Lagrange in plaats
van uit Göttingen en de school van Gauss had kunnen putten.
| |
9.
De jaren van de Romantiek zijn rijk aan geniale jongemannen, wie slechts een
korte levensduur was gegund, mannen, ‘die door de Goden bemind
worden’. Wij ontmoeten een ander jong genie in Niels Henrik Abel,
de zoon van een Noorse dorpspredikant. Abels kort bestaan verliep bijna zo
tragisch als dat van Galois. Als student in Christiania (Oslo) geloofde hij
een tijdlang dat hij de vergelijking van de vijfde graad had opgelost, maar
in een geschrift van 1824 verbeterde hij zijn werk. Dit geschrift is beroemd
geworden, omdat hier eindelijk de onmogelijkheid werd aangetoond een
algemene vergelijking van de vijfde graad met behulp van radicalen op te
lossen - een vraagstuk dat de wiskundigen reeds vanaf Bombelli en
Viète heel wat hoofdbrekens had gekost. Overigens bestond er
reeds een bewijs van de onmogelijkheidsstelling, dat in 1799 de Italiaan
Paolo Ruffini had gegeven, maar Poisson en andere wiskundigen hadden dit
bewijs nooit geheel aanvaard. Nu kreeg Abel een stipendium waardoor hij met
enige vrienden naar Berlijn, Italië en Frankrijk kon reizen. Maar
ondanks enige prettige reisavonturen kon de jonge wiskundige, die wat
schuchter en teruggetrokken was, niet slagen de nodige contacten te leggen
voor zijn toekomst. Hij leed aan chronisch geldgebrek, dat hem bleef kwellen
ook toen hij naar Noorwegen terugkwam en een bescheiden academisch baantje
kreeg. Hij verzwakte en stierf in 1829 op zesentwintigjarige leeftijd, op
een tijdstip dat de geleerde wereld juist zijn genie begon te erkennen.
Abels baanbrekend werk bestrijkt vele gebieden: convergentie van reeksen,
‘Abelse’ integralen, algebraïsche
vergelijkingen en elliptische functies. Zijn stellingen in de theorie der
oneindige reeksen tonen dat Abel, evenals Cauchy, erin slaagde deze theorie
op exacte grondslagen te construeren. ‘Kun je je iets
verschrikkelijkers voorstellen dan de bewering dat 0 = 1
n
- 2
n
+ 3
n
- 4
n
+ etc., | | | | waarbij n een
geheel positief getal is?’ schreef hij aan een vriend en voegde
eraan toe:
‘Er bestaat in de hele wiskunde nauwelijks een enkele
oneindige reeks, waarvan de som op strenge wijze is bepaald’
(brief aan Holmboe, 1826).
Abels onderzoekingen over elliptische functies vonden plaats in een korte,
maar spannende wedkamp met Jacobi. Gauss had in zijn persoonlijke
aantekeningen al lang opgemerkt, dat de omkering van de elliptische
integralen tot dubbelperiodieke functies voert, doch hij heeft zijn
ideeën nooit gepubliceerd. Aan Legendre, die zoveel tijd en
moeite had besteed aan elliptische integralen, schijnt dit feit geheel
ontgaan te zijn en hij was diep bewogen toen hij als man op leeftijd van
Jacobi's en Abels ontdekkingen op de hoogte werd gesteld. Abel, met al zijn
tegenspoed, had het geluk in A.L. Crelle, een invloedrijke en vermogende
constructie-ingenieur in Berlijn (hij heeft wegen gebouwd en ook de eerste
spoorweg in Duitsland), een man te vinden die zijn talenten wist te
waarderen. In het eerste deel van Crelles Journal
für die reine und angewandte Mathematik verschenen niet
minder dan vijf verhandelingen van Abel, in het tweede deel (1827) verscheen
het eerste deel van Abels Recherches sur les fonctions
elliptiques, waarmee de theorie der dubbelperiodieke functies
begint.
Wij spreken van de integraalvergelijking van Abel en over de stelling van
Abel over de som van integralen van algebraïsche functies, een
stelling die tot de functies van Abel voert. Commutatieve groepen heten ook
Abelse groepen, een naam die erop wijst hoe nauw de gedachtenwereld van
Galois en van Abel aan elkaar verwant waren. Twee jongemannen, beiden
omstreeks dezelfde tijd in Parijs, beiden onbekend aan of zelfs genegeerd
door de oudere geleerde heren en beiden onder tragische omstandigheden
gestorven - wij schijnen een roman van Balzac te lezen.1
| |
10.
In 1829, Abels sterfjaar, verscheen in Crelles Journal de
Fundamenta nova theoriae functionum ellipticarum van
Carl Gustav Jacob Jacobi. De auteur was een jeugdige hoogleraar aan de
universiteit in Koningsbergen, toen een gedeelte van Pruisen. Hij was de
zoon van een bankier in Berlijn en behoorde tot een intellectuele familie;
zijn broeder Moritz, lid van de Academie in St.-Peters- | | | | burg,
was de uitvinder van de galvanoplastiek en een der eersten die met
elektromagnetische instrumenten experimenteerde. Jacobi studeerde in Berlijn
en gaf van 1826-'43 onderwijs in Koningsbergen, waarna hij om
gezondheidsredenen enige tijd in Italië doorbracht. Hij stierf in
1851, zesenveertig jaar oud, als hoogleraar in Berlijn. Hij was een
geïnspireerde en liberale denker, een uitstekend docent en een
wiskundige, wiens helder en oorspronkelijk denken, gepaard aan onstuimige
energie, op vele gebieden der wiskunde vruchtbaar heeft gewerkt.
Jacobi baseerde zijn theorie der elliptische functies op vier functies die
door oneindige reeksen waren gedefinieerd en die als
thètafuncties bekend zijn. De dubbelperiodieke functies sn u, cn u en dn u zijn
quotiënten van thètafuncties, zij voldoen aan bepaalde
identiteiten en additietheorema's die lijken op die waaraan de sinus- en
cosinusfuncties der gewone goniometrie voldoen. De additietheorema's der
elliptische functies kunnen ook als toepassingen van Abels stelling over de
som van integralen van algebraïsche functies worden beschouwd. Nu
kon men zich dus afvragen of hyperelliptische integralen ook konden worden
omgekeerd zoals elliptische integralen, die tot elliptische functies leiden.
In 1832 publiceerde Jacobi het antwoord, dat luidde dat zulk een omkering
mogelijk was met behulp van functies van meer dan één
veranderlijke. Zo ontstond de theorie der functies van Abel in p veranderlijken, een theorie die vooral in de negentiende eeuw
verscheidene beoefenaars vond.
Sylvester heeft aan de functionaaldeterminant de naam van Jacobi verbonden om
Jacobi's werk op het gebied van de algebra en de eliminatietheorie te eren.
De meest bekende verhandeling van Jacobi op dit gebied is zijn De formatione et proprietatibus determinantium (1841), waarmee de
theorie der determinanten het gemeengoed der wiskundigen werd. Onze
schrijfwijze van de determinanten is aan deze verhandeling ontleend, doch
het begrip is ouder; dit gaat in beginsel terug op Leibniz (1693), op de
Zwitserse wiskundige Gabriel Cramer (1750) en op Lagrange (1773); de naam
gaat op Cauchy (1812) terug. Y. Mikami heeft erop gewezen dat de Japanse
wiskundige Seki Kōwa dit begrip van de determinant voor 1683
reeds kende. Hier denkt men aan de ‘matrix’- methode,
ontwikkeld door de Chinese wiskundigen van de Sung- periode, wier werk Seki
goed heeft gekend.1
| | | |
Een uitstekende inleiding tot het werk van Jacobi krijgt men uit zijn mooie
Vorlesungen über Dynamik, die in 1866 naar
collegedictaten uit 1842-'43 zijn uitgegeven. Ze zijn in de traditie van de
Franse school van Lagrange en Poisson geschreven, maar ze zijn vol nieuwe
gedachten. Men kan hier Jacobi's onderzoekingen over partiële
differentiaalvergelijkingen der dynamica vinden. Een interessant hoofdstuk
van deze Vorlesungen bevat de bepaling van de geodetische
lijnen op een ellipsoïde, die tot een betrekking tussen twee
integralen van Abel voert.
| |
11.
Jacobi's voordrachten over dynamica voeren ons tot een andere wiskundige
wiens naam vaak met die van Jacobi verbonden wordt, tot William Rowan
Hamilton (die men niet met zijn tijdgenoot, de Schotse wijsgeer uit
Edinburgh, William Hamilton, moet verwarren). W.R. Hamilton was de zoon van
een advocaat in Dublin, die als kind met zijn ouders uit Schotland was
gekomen. Hij bezocht Trinity College in zijn geboortestad Dublin, waar hij
in 1827, tweeëntwintig jaar oud, professor in de sterrenkunde
werd en kort daarop ‘Astronomer Royal’ voor Ierland.
Deze positie behield hij tot het einde van zijn leven, in 1865. Als knaap
leerde hij de wiskunde van het continent, nog steeds iets bijzonders in het
Verenigd Koninkrijk, door de studie van Clairaut en Laplace en bewees door
zijn originele verhandelingen over optica en dynamica dat hij deze nieuwe
wiskunde beheerste. Zijn theorie van de lichtstralen (1824) was veel meer
dan alleen een differentiaalmeetkunde van lijnencongruenties, ze was tevens
een theorie van optische instrumenten, die het Hamilton mogelijk maakte de
zgn. conische refractie in tweeassige kristallen te voorspellen. Ze werd in
1832 door een van Hamiltons collega's experimenteel geverifieerd. In de
verhandeling van 1824 treedt Hamiltons ‘karakteristieke
functie’ op, die het grondmotief werd van zijn General Method in Dynamics van 1834-'35. De hoofdgedachte in deze
methode was: optica en dynamica tezamen uit een enkel algemeen beginsel af
te leiden. Euler had in zijn verdediging van Maupertuis er reeds op gewezen
hoe men de stationaire waarde van de actie-integraal voor dit doel kon
gebruiken. En zo toonde Hamilton aan, dat lichttheorie en dynamica twee
verschillende manieren zijn om een bepaald variatieprobleem te bekijken. Hij
vroeg naar de stationaire waar- | | | | de van een zekere integraal en
beschouwde die als functie van haar grenzen. Dit was de
‘karakteristieke functie’, die voldoet aan twee
partiële differentiaalvergelijkingen. Een dezer vergelijkingen,
die gewoonlijk
wordt geschreven, werd door Jacobi speciaal uitverkoren voor zijn theorie der
dynamica en is nu bekend als de vergelijking van Hamilton-Jacobi. Hierdoor
is de betekenis van Hamiltons karakteristieke functie een beetje in het
vergeetboek geraakt, ofschoon het juist die functie was die de eenheid van
mechanica en mathematische fysica had moeten teweegbrengen. Zo werd ze in
1895 door de astronoom Heinrich Bruns in de geometrische optica herontdekt,
en als ‘eikonal’ treffen we haar aan in de theorie der
optische instrumenten.1
Het deel van Hamiltons werk over dynamica dat gemeengoed van alle wiskundigen
en theoretische fysici is geworden, bevat allereerst de theorie der
‘kanonische’ vorm q̇ =
∂H/∂p, ṗ = -∂H/∂q, waarin Hamilton de
vergelijkingen der dynamica schreef. Sophus Lie heeft dan later aangetoond
hoe kanonische vorm en differentiaalvergelijking van Hamilton-Jacobi de
overgang van de dynamica naar de contacttransformaties vormen. Deze
ideeën van Hamilton, de wetten der theoretische fysica en der
mechanica uit de variatie van een integraal af te leiden, hebben
doorgewerkt, zodat ze ook in de relativiteitstheorie en de quantummechanica
een fundamentele rol hebben vervuld. Men ontmoet ook hier steeds weer de
‘functies van Hamilton’.
Het jaar 1843 was een keerpunt in het leven van de koninklijke astronoom van
Dublin. In dit jaar ontdekte hij de quaternionen, waaraan hij een belangrijk
deel van zijn latere leven wijdde. Wij komen hier nog op terug.
| |
12.
Peter Gustav Lejeune-Dirichlet stond zowel met Gauss en Jacobi als met de
Franse wiskundigen in nauw verband. Van 1822-'27 woonde hij als gouverneur
in Parijs, en ontmoette in het huis van zijn patroon bekende Franse
geleerden, onder wie Fourier, wiens warmteleer hij bestudeerde. Ook drong
hij diep door in de gedachtenwereld van Gauss' Disquisitiones
arithmeticae. Na zijn | | | | terugkeer naar Duitsland werd
hij privaatdocent, eerst in Breslau, daarna in Berlijn, waar hij professor
werd, en in 1855 volgde hij Gauss in Göttingen op; hij stierf
reeds in 1859. Zijn persoonlijke bekendheid met de Franse zowel als met de
Duitse wiskunde maakte het hem bijzonder goed mogelijk om zowel Gauss'
getallentheorie als Fouriers reeksen te interpreteren. Dirichlets Vorlesungen über Zahlentheorie (gepubl. 1863)
zijn nog steeds een der beste inleidingen tot Gauss' onderzoekingen in de
leer der getallen, en bevatten ook vele nieuwe resultaten. In een
verhandeling van 1840 liet hij zien hoe men de theorie der analytische
functies in haar volle omvang op de getallentheorie kon toepassen; het was
in deze onderzoekingen dat hij de ‘reeksen van
Dirichlet’ invoerde. Hij generaliseerde ook het begrip van
kwadratische irrationaliteiten tot dat van algemene algebraïsche
rationaliteitsgebieden.
Dirichlet was de eerste die een streng convergentiebewijs gaf voor
Fourier-reeksen. Dit was ook een bijdrage tot het probleem: de aard van een
functie juist te begrijpen.1
Hij voerde in de variatierekening het zgn. beginsel van Dirichlet in,
waarbij het bestaan van een functie v, die de integraal
∫[vx2 + vy2 + vz2]dt onder gegeven randvoorwaarden tot
een minimum maakt, wordt gepostuleerd. Dit beginsel was een wijziging van
een principe dat Gauss in zijn potentiaalthesis van 1839-'40 had ingevoerd,
en later werd het door Riemann gebruikt als een uitnemend hulpmiddel om
vraagstukken in de potentiaaltheorie op te lossen. Wij hebben reeds vermeld
dat de geldigheid van dit beginsel later door Hilbert streng werd
bewezen.2
| |
13.
Met Bernhard Riemann, Dirichlets opvolger in Göttingen, komen we
tot de man die misschien meer dan enige andere man van wetenschap de loop
van de moderne wiskunde heeft beïnvloed. Hij was de zoon van een
plattelandspredikant en studeerde aan de universiteit in
Göttingen, waar hij in 1851 promoveerde. In 1854 werd hij
privaatdocent, in 1859 hoogleraar aan dezelfde universiteit. Evenals Abel
had hij last van een zwakke gezondheid; zijn laatste dagen bracht hij in
Italië door, waar hij in 1866 op veertigjarige leeftijd stierf.
In dit korte leven publiceerde hij slechts een betrekkelijk klein aantal
verhandelingen, maar iedere publikatie van zijn hand was - en is -
belangrijk, en sommige van deze publikaties hebben nieuwe en vruchtbare
gebieden opengelegd.
| | | |
In 1851 verscheen Riemanns proefschrift over de theorie der complexe functies
u + iv = f(x + iy). Evenals
D'Alembert en Cauchy vóór hem was hij door
hydrodynamische beschouwingen beïnvloed. Hij beeldde het (xy)-vlak conform af op het (uv)-vlak en
liet zien dat een functie bestond die een willekeurig enkelvoudig
samenhangend gebied in het ene vlak in een enkelvoudig samenhangend gebied
van het andere vlak, b.v. de eenheidscirkel, transformeert. Dit bracht hem
tot het begrip Riemann-oppervlak en zo werden in de analyse topologische
beschouwingen ingevoerd. Topologie was in die dagen nog een bijna maagdelijk
terrein, waaraan J.B. Listing in 1847 een artikel in de Göttinger Studien had gewijd - Euler had het onderwerp
alreeds eenmaal aangesneden in een artikel over het probleem van de zeven
bruggen van Koningsbergen.1 Riemann liet zien hoe gewichtig deze
topologische beschouwingen in de theorie der complexe functies zijn. In dit
proefschrift werd ook het begrip analytische functie verduidelijkt: haar
reële en haar imaginaire doel moeten in een bepaald gebied aan de
zgn. vergelijkingen van Cauchy en Riemann, ux = vy, uy = - vx, voldoen, en
verder aan zekere voorwaarden met betrekking tot de rand en singulariteiten.
Riemann paste zijn ideeën toe op hypergeometrische functies en op
functies van Abel (1857), waarbij hij vrij gebruik maakte van het beginsel
van Dirichlet (zo noemde hij het). Hierbij ontdekte hij het geslacht van een
oppervlak van Riemann als een topologische invariante, waarmee hij o.a. de
functies van Abel kon classificeren. In een verhandeling, na zijn dood
(1867) gedrukt, paste hij zijn ideeën op minimaaloppervlakken
toe. Tot dit gedeelte van Riemanns werkzaamheid behoren ook zijn
onderzoekingen over elliptische modulaire functies, thètareeksen
in p veranderlijken en lineaire
differentiaalvergelijkingen met algebraïsche
coëfficiënten.
Bij zijn toelating tot privaatdocent bood Riemann niet minder dan twee
gewichtige verhandelingen aan, de ene over trigonometrische reeksen en de
grondslagen van de analyse, de andere over de grondslagen van de meetkunde.
In de eerste verhandeling onderzocht Riemann de voorwaarden van Dirichlet
voor de convergentie van Fourier-reeksen. Een van die voorwaarden was de
‘integreerbaarheid’ van de functie. Maar wat is de
betekenis van het ‘bestaan’ van een integraal? Cauchy
en Dirichlet hadden deze | | | | vraag reeds op hun manier beantwoord.
Riemann verving hun definities door een nieuwe, die meer omvattend was en
die wij kennen als de definitie van de
‘Riemann-integraal’. Eerst in de twintigste eeuw bleek
dat het voor vele doeleinden beter was, deze integraal te vervangen door de
Lebesgue-integraal (1902).
Riemann bewees verder dat functies, door Fourier-reeksen gedefinieerd, zeer
goed in het bezit kunnen zijn van een oneindig aantal maxima en minima, iets
dat wiskundigen van een oudere school niet in een functie zouden hebben
aanvaard. Het begrip ‘functie’ begon zich nu toch wel
zeer los te maken van dat van de curva quaecumque libero manus
ductu descripta van Euler.1 In zijn colleges gaf
Riemann een voorbeeld van een continue functie zonder afgeleiden; in 1875
werd een voorbeeld van zulk een functie, door Weierstrass ontdekt,
gepubliceerd. In die dagen weigerden de meeste wiskundigen om zulke functies
au sérieux te nemen, ze spraken van
‘pathologische’ functies. De moderne analyse heeft
aangetoond hoe fundamenteel zulke functies zijn, zodat Riemann ook hier de
vinger heeft gelegd op een belangrijk wiskundig verschijnsel.
De andere verhandeling van 1854 is een onderzoek naar de hypothesen die aan
de meetkunde ten grondslag liggen. Riemann voerde de ruimte in als een
topologische uitgebreidheid van een willekeurig aantal afmetingen, in zulk
een uitgebreidheid werden de metrische eigenschappen ingevoerd door middel
van een kwadratische differentiaalvorm, zodat in het oneindig kleine de
betrekkingen euklidisch waren. Waar Riemann, in zijn analyse, een complexe
functie had gedefinieerd door haar lokale gedrag, zo bepaalde hij in deze
verhandeling over de meetkunde het karakter van de ruimte op dezelfde
manier. Zo kon Riemann niet alleen de verschillende vormen, die de meetkunde
had aangenomen, als een eenheid overzien, zelfs de nog tamelijk onbekende en
ongewaardeerde niet-euklidische meetkunde, doch hij kon ook een onbepaald
aantal nieuwe ruimtevormen scheppen. Verscheidene van deze ruimtevormen
hebben sedert Riemanns tijd een bruikbare plaats gevonden in de meetkunde of
in de mathematische fysica en speciaal in Einsteins relativiteitstheorie.
Deze verhandeling bevatte nauwelijks een enkele formule, ze was zuiver
beschrijvend, hetgeen de bestudering ervan geenszins vergemakkelijkte. Later
verschenen sommige der bijbehorende formules in het antwoord op | | | | een prijsvraag over het warmtetransport in vaste lichamen, uitgeschreven
door de Académie in Parijs (1861). Wij vinden hier een schets van
de transformatietheorie der kwadratische vormen en ze bevat tevens de
uitdrukkingen die later bekend zijn geworden als de componenten van de
krommingstensor.
De laatste verhandeling van Riemann die we willen vermelden bevat zijn
onderzoek naar het aantal priemgetallen F(n) minder dan een gegeven geheel getal n (1859).
Gauss had reeds aangegeven dat F(n) tot
de logaritmische integraal ʃn2(log t)-1 dt
nadert. Riemann onderzocht Gauss' ontdekking met complexe getallen en kwam
tot bepaalde conclusies door een hypothese op te stellen die sedert die tijd
heel beroemd is geworden en door vele wiskundigen als een uitdaging is - en
wordt - beschouwd. Deze hypothese houdt in dat de zgn.
zètafunctie van Euler ζ(s) die bij Euler voorkomt voor s geheel positief
als
ζ(s) = 1/1
s
+ 1/2
s
+ 1/3
s
+ ... + 1/ns + ...,
nu als functie van complexe s = x
+ iy beschouwd alle niet-reële
nulpunten op de lijn x = ½ heeft (de notatie
ζ(s) is van Riemann).
Deze hypothese is tot nu toe noch bewezen noch weerlegd, ondanks veel
waardevol onderzoek.1
| |
14.
Men heeft vaak Riemanns opvatting van een complexe functie vergeleken met die
van Weierstrass. Karl Weierstrass doceerde vele jaren als wiskundeleraar aan
een Pruisisch gymnasium en werd in 1856 hoogleraar in de wiskunde aan de
universiteit van Berlijn waar hij dertig jaar onderwijs gaf. Zijn steeds
voorbeeldig voorbereide colleges genoten een steeds groter wordende
beroemdheid; het is vooral door die colleges dat Weierstrass'
ideeën diep in het tegenwoordige wiskundige bewustzijn zijn
binnengedrongen.
Gedurende zijn gymnasiale periode schreef Weierstrass verscheidene
verhandelingen over hyperelliptische integralen, functies van Abel, en
algebraïsche differentiaalvergelijkingen. Zijn meest bekende
bijdrage is zijn gebruik van de machtreeks als grondslag voor de leer der
complexe functies. In zekere zin was dit | | | | een terugkeer tot de
opvattingen van Lagrange, met het verschil dat Weierstrass in het complexe
vak en met volkomen strengheid werkte. De waarden van de machtreeks binnen
haar convergentiecirkel vormden het ‘functie-element’,
waarbuiten dan, zo mogelijk, de functie over het vlak wordt uitgebreid door
zgn. analytische voortzetting. In het bijzonder onderzocht Weierstrass
gehele functies en functies door oneindige produkten gedefinieerd. Zijn
functie ℘ (u) heeft naast de oudere functies sn
u, en u en dn u
van Jacobi een blijvende plaats in de leer der elliptische functies
ingenomen.
De roem van Weierstrass is in de eerste plaats gebaseerd op zijn uiterst
verzorgde redenering, op de ‘strengheid van
Weierstrass’, niet alleen in zijn leer der reële en
complexe functies, doch ook in zijn variatierekening. Hij verhelderde de
begrippen van het minimum, van de functie, van de afgeleide, en bevrijdde op
deze wijze de differentiaal- en integraalrekening van verscheidene
overblijfsels van de oude vaagheid die nog uit de tijd van Newton en Leibniz
dateerden. Hij was bij uitstek het wiskundige geweten, methodisch en
logisch. Zo kwam hij ook op het begrip uniforme convergentie. Met hem begon
de reductie van de beginselen der analyse tot rekenkundige begrippen die we
de arithmetisering der wiskunde noemen.
‘Als heden in het volgen van bewijsredenen, die op het
begrip irrationaal getal en limiet in het algemeen berusten, in de analyse
volmaakte eensgezindheid en zekerheid bestaat, en in de meest ingewikkelde
vragen die de theorie der differentiaal- en integraalrekening betreffen,
toch overeenstemming over alle resultaten bestaat, ondanks de meest gedurfde
en verschillende combinaties met gebruik van super-, juxta- en transpositie
van limieten - dan is dit in principe een verdienste van de
wetenschappelijke activiteit van Weierstrass.1
| |
15.
Deze arithmetisering was een karaktertrek van de zogenaamde Berlijnse school,
en in het bijzonder van Leopold Kronecker. Tot deze school behoorden
wiskundigen als Kronecker, Kummer en Frobenius, die uitblonken in algebra en
in de theorie van algebraische getallen. Wij kunnen in zekere zin tezamen
met hen Dedekind en Cantor noemen. Ernst Kummer werd in 1855 als opvolger
van Dirichlet naar Berlijn beroepen, waar hij tot 1883 doceerde; daarna gaf
hij vrijwillig zijn wiskundig werk op, omdat hij voelde | | | | dat
zijn scheppende kracht af zou nemen. Kummer ontwikkelde de
differentiaalmeetkunde van de lijnencongruenties, die door Hamilton was
begonnen, hetgeen hem o.a. bracht tot het vierdegraadsoppervlak met zestien
knooppunten dat zijn naam draagt. Zijn beroemdheid heeft hij eveneens te
danken aan de ‘ideale’ getallen in zijn theorie van de
algebraïsche rationaliteitsgebieden (1846). Deze theorie dankt
haar ontstaan ten dele aan Kummers pogingen het grote theorema van Fermat
(xn + yn = zn
onmogelijk voor positief gehele x, y, z, n > 2)
te bewijzen en ten dele aan Gauss' theorie der kwadraatresten, waarin hij in
het gebied der complexe getallen het begrip priemgetallen had ingevoerd.
Kummers ‘ideale’ getallen maakten het mogelijk
eenduidige ontbinding van getallen in priemfactoren binnen algemenere
rationaliteitsgebieden in te voeren. Met deze nieuwe begrippen kon men nu
diep in de rekenkunde van de algebraïsche getallen doordringen,
hetgeen tot ontdekkingen voerde die David Hilbert in 1897 voor de Deutsche
Mathematische Gesellschaft op meesterlijke wijze heeft samengevat. De
theorie van Richard Dedekind en Heinrich Weber, die de theorie der
algebraïsche functies en die der algebraïsche getallen
in bepaalde rationaliteitsgebieden op elkaar betrokken (1882), waren een
voorbeeld van de vruchtbaarheid van Kummers ideeën in de
arithmetisering van de wiskunde.
Leopold Kronecker, die op het gymnasium door zijn leraar Kummer de liefde
voor de wiskunde was bijgebracht, vestigde zich na enige omzwervingen in
1855 te Berlijn, waar hij jarenlang zonder een formele leerstoel doceerde.
Hij aanvaardde die eerst in 1883 toen zijn oude leermeester Kummer aftrad.
Kroneckers voornaamste verhandelingen betreffen elliptische functies,
ideaaltheorie en de aritmetica van kwadratische vormen; zijn gepubliceerde
voordrachten over getallentheorie zijn zorgvuldige uitwerkingen van zijn
eigen en van voorafgaande ontdekkingen en laten duidelijk zien hoe hij
geloofde in de noodzakelijkheid de wiskunde te aritmetiseren. Deze
overtuiging was een gevolg van zijn zoeken naar strenge bewijzen; en zo
geloofde hij dat de wiskunde op het getal als grondslag moest worden
opgebouwd, en het getal zelf weer op het natuurlijke getal. Zo moest het
getal π niet, zoals gewoonlijk het geval was, meetkundig worden
ingevoerd; het was beter met de reeks 1 - ⅓ +
⅕ - 1/7 + etc. te beginnen, dus met een betrekking van
gehele getallen. Hetzelfde doel kon worden bereikt met bepaalde oneindige
produkten voor π. Kroneckers streven alles wat wiskundig was op
de getallenleer terug te voeren, wordt belicht door zijn bekende uitspraak
tijdens een vergadering in Ber- | | | | lijn in 1886: ‘De
gehele getallen zijn door de goede God gemaakt, al het andere is
mensenwerk’.1 Hij aanvaardde een definitie van een
mathematisch begrip alleen als het in een eindig aantal stappen kon worden
geverifieerd. Op die manier loste hij de moeilijkheid van het actueel
oneindige op door te weigeren het te aanvaarden. Plato's leuze dat God
altijd ‘geometriseert’ werd in Kroneckers school
vervangen door de leuze dat God altijd
‘arithmetiseert’.
Kroneckers beschouwingen over het actueel oneindige stonden in scherp
contrast tot die van Dedekind en vooral die van Cantor. Richard Dedekind,
éénendertig jaar lang professor aan de Technische
Hogeschool in Brunswijk, schiep een strenge theorie van het irrationale
getal. In twee boekjes, Stetigkeit und Irrationalzahlen
(1872) en Was sind und was sollen die Zahlen (1882)
volbracht hij voor de moderne wiskunde met haar aritmetisering wat Eudoxos
had gedaan voor de Griekse wiskunde met haar geometrisering. Er is, met alle
verschil, een zekere overeenkomst tussen de ‘snede van
Dedekind’, waarmee de moderne wiskunde (met uitzondering van de
school van Kronecker) het irrationale getal postuleert en de antieke theorie
van Eudoxos zoals we die uit het vijfde boek van Euklides' Elementen kennen. Cantor en Weierstrass gaven rekenkundige
definities van irrationale getallen die enigszins van die van Dedekind
verschilden, doch op hetzelfde beginsel berustten.
De grootste ketter in Kroneckers ogen was echter Georg Cantor. Cantor, die
van 1869 tot 1905 in Halle doceerde, heeft zijn beroemdheid niet zozeer aan
zijn theorie van het irrationale getal, maar aan zijn theorie der oneindige
verzamelingen (‘Mengenlehre’) te danken. Met deze
theorie ontsloot Cantor een geheel nieuw wiskundig gebied, dat, als eenmaal
de grondbeginselen worden aanvaard, aan de hoogste eisen van strengheid
voldoet. Cantors publikaties begonnen in 1870 en volgden elkaar regelmatig
op; in 1883 verschenen zijn Grundlagen einer allgemeinen
Mannigfaltigkeitslehre. In deze verhandeling schiep hij een theorie
van transfiniete kardinaalgetallen die voortvloeide uit een systematische
wiskundige behandeling van het actueel oneindige. Het laagste transfiniete
getal, dat hij א (aleph) noemde, gaf hij aan een verzameling
zoals die der gehele getallen, dus een zgn. aftelbare verzameling. Aan het
continuüm kende hij een hoger transfiniet getal toe, omdat het
onmogelijk is een een-eenduidige afbeelding van een aftelbare verzameling op
de punten van het continuüm te con- | | | | strueren. Zo was
het mogelijk een arithmetica van transfiniete getallen te scheppen. Cantor
definieerde ook transfiniete ordinaalgetallen, die samenhingen met de wijze
waarop oneindige verzamelingen geordend zijn.
In deze ontdekkingen gelukte het Cantor een wiskundige grondslag te geven aan
vele oude scholastieke speculaties over de natuur van het oneindige en hij
was zich van dit resultaat wel bewust. Hij verdedigde Augustinus' volkomen
aanvaarding van het actueel oneindige (in een theologische vorm)1, maar moest zich zelf verdedigen tegen de
oppositie van vele zijner collega's die weigerden het oneindige te
aanvaarden behalve als een proces gesymboliseerd door het teken
∞. Cantors voornaamste tegenstander was Kronecker, die in
hetzelfde proces van de arithmetisering der wiskunde een geheel
tegenovergestelde richting vertegenwoordigde. Tenslotte gelukte het Cantor
zijn inzichten door de meeste wiskundigen aanvaard te zien, vooral toen de
enorme betekenis van de leer der verzamelingen voor de theorie der
reële functies en de topologie werd beseft. Dit werd vooral
duidelijk nadat H. Lebesgue in 1902 de theorie van Cantor verrijkt had met
zijn maattheorie. Er bleven echter logische moeilijkheden in de theorie der
transfiniete getallen die tot paradoxen aanleiding gaven, zoals die van
Burali Forti en Bertrand Russell. Dit leidde weer tot scholen, wier
opvattingen over de grondslagen der wiskunde scherpe verschillen vertoonden
- en nog vertonen. De strijd in de twintigste eeuw tussen logistici,
formalisten en intuïtionisten is een vervolg op de strijd tussen
Cantor en Kronecker, maar op een nieuw niveau.2
| |
16.
Deze merkwaardige ontwikkelingen in de algebra en analyse gingen samen met
even merkwaardige ontwikkelingen in de meetkunde. Als uitgangspunt kunnen
wij het onderwijs van Monge nemen, omdat deze zowel het
‘synthetische’ als het
‘algebraïsche’ element in de meetkunde had
doen uitkomen. In het werk van zijn leerlingen zien wij een splitsing van
beide methoden, die ieder een eigen weg gaan: de
‘synthetische’ methode voert naar de projectieve
meetkunde, de ‘algebraïsche’ naar onze
moderne analytische en algebraïsche meetkunde. De projectieve
meetkunde begon als een zelfstandige wetenschap met Poncelets boek van 1822.
Er waren prioriteitskibbelarijen, zoals zo vaak ontstaan als iets
belangrijks | | | | wordt ontdekt: en hier was het Joseph Gergonne,
professor in Montpellier, die als rivaal van Poncelet optrad. Gergonne
publiceerde verscheidene belangrijke artikelen over onderwerpen uit de
projectieve en analytische meetkunde, waarin hij o.a. gelijktijdig met
Poncelet het begrip dualiteit ontwikkelde. Artikelen hierover verschenen in
de Annales de mathématiques, het eerste
tijdschrift dat geheel aan de wiskunde gewijd was en waarvan Gergonne
redacteur was; het verscheen van 1810 tot 1831. Reeds in 1806 had Monges
leerling Charles Julien Brianchon dit dualiteitsbeginsel toegepast op
Pascals zeshoek, ingeschreven in een kegelsnede en op die manier de duale
stelling over een omgeschreven zeshoek met zijn ‘punt van
Brianchon’ verkregen. In 1836 werden de Annales
voortgezet door Liouvilles Journal de mathématiques
pures et appliquées, titel in navolging van die van
Crelles Journal (dan van 1826 af was verschenen).
Voor Poncelets manier van denken is ook een ander beginsel karakteristiek,
het beginsel der continuïteit. Dit beginsel, dat het hem mogelijk
maakte uit de eigenschappen van de ene figuur die van een andere af te
leiden, formuleerde hij als volgt:
Wanneer een figuur uit een andere figuur door een continue
verandering kan worden voortgebracht, en even algemeen is als de eerste, dan
kan een eigenschap die voor de eerste figuur bewezen is zonder meer naar de
tweede worden overgebracht.
Dit was een beginsel dat wel met de grootste voorzichtigheid moest worden
behandeld, want het liet aan nauwkeurige formulering veel te wensen over.
Eerst met de hulpmiddelen van de moderne algebra heeft men het scherper
kunnen omschrijven. Gehanteerd door Poncelet en zijn school leidde het tot
belangwekkende, nieuwe en juiste resultaten, zelfs als het werd toegepast op
veranderingen van het reële naar het imaginaire gebied. Zo werd
Poncelet ertoe gebracht te verklaren dat alle cirkels in het vlak
‘twee imaginaire punten in het oneindige’ gemeen
hadden, hetgeen ook de invoering betekende van de ‘lijn in het
oneindige’ van het vlak. Hier, en op andere plaatsen, nam hij dus
de gedachtengang weer op die Desargues in de zeventiende eeuw had geschetst,
doch die niet meer verder was gevolgd. Wat de lijn in het oneindige betreft,
G.H. Hardy heeft opgemerkt dat met dit begrip de projectieve meetkunde niet
geaarzeld heeft het actueel oneindige te aanvaarden.1 De analisten
bleven in dit opzicht verdeeld.
| | | |
Poncelets ideeën werden verder ontwikkeld door Duitse
meet-kundigen. In 1826 verscheen de eerste publikatie van Steiner, in 1827
Der barycentrische Calcul van Möbius, in
1828 het eerste deel van Plückers Analytisch-geometrische Entwicklungen. In 1831 verscheen het
tweede deel, in 1832 gevolgd door Steiners Systematische
Entwicklung. Het laatste van deze Duitse pionierswerken op het
gebied van deze meetkunde verscheen in 1847 met de axiomatische Geometrie der Lage van Von Staudt.
Wij vinden onder deze Duitse meetkundigen zowel vertegenwoordigers van de
synthetische als de algebràïsche opvatting. De
typische vertegenwoordiger van de synthetische (of
‘zuivere’) meetkundige school was Jakob Steiner, een
Zwitserse boerenzoon, een ‘Hirtenknabe’, self-made,
wiens geestdrift voor de meetkunde werd gewekt toen hij kennis maakte met de
opvoedkundige ideeën van Pestalozzi. Hij besloot naar Heidelberg
te gaan om te studeren en gaf later onderwijs in Berlijn, waar hij van 1834
tot aan zijn dood in 1863 een leerstoel aan de universiteit bezat. Steiner
was een meetkundige door-en-door, hij verafschuwde het gebruik van algebra
en analyse zozeer dat hij zelfs bezwaar had tegen figuren als hulp bij het
zuiver meetkundig denken.1 Dit, zo dacht hij, kon het best geschieden
door geconcentreerd denken. Dit was zeker het geval met Steiner zelf, wiens
denken onze meetkunde met een groot aantal mooie en soms ingewikkelde
theorema's heeft verrijkt. Zo hebben wij aan hem de ontdekking van het zgn.
Romeinse oppervlak (of oppervlak van Steiner) te danken, dat een tweevoudige
oneindigheid van kegelsneden bevat. Hij publiceerde zijn stellingen vaak
zonder bewijs, hetgeen zijn verzamelde werken tot een goudmijn heeft gemaakt
voor meetkundigen op zoek naar vraagstukken die nog bewezen moeten worden.
Steiner bouwde de projectieve meetkunde streng systematisch op, van
perspectiviteit tot projectiviteit en vandaar tot de kegelsneden. Daarnaast
was hij ook in isoperimetrische vraagstukken geïnteresseerd,
waarvan hij er een aantal op zijn eigen karakteristieke meetkundige manier
oploste. Zijn bewijs van 1836, dat de cirkel van alle gesloten krommen met
gegeven omtrek het grootste oppervlak heeft, werd geleverd door aan te tonen
dat iedere figuur van dien aard die niet een cirkel is, kan worden veranderd
in een andere figuur met dezelfde omtrek doch groter oppervlak. In zijn | | | | conclusie dat daarom de cirkel het maximum voorstelde, miste
hij een schakel, namelijk het bewijs dat een maximum werkelijk bestaat. Dit
heeft Dirichlet aan Steiner trachten duidelijk te maken, doch eerst
Weierstrass heeft het strenge bewijs geleverd.1
Steiner had nog een metriek nodig om de dubbelverhouding van vier punten op
een rechte lijn of van vier lijnen door een punt in een vlak te
definiëren. Dit was geen zuivere projectieve meetkunde. Deze
tekortkoming werd door Christian von Staudt, vele jaren lang hoogleraar in
Erlangen, verbeterd. In zijn Geometrie der Lage (1847)
definieerde hij de Wurf Van vier punten op een rechte op
zuiver projectieve wijze, en toonde dan aan dat deze Wurf
met de dubbelverhouding geïdentificeerd kan worden. Hiervoor
gebruikte hij de zgn. netconstructie van Möbius, die tot
axiomatische beschouwingen leidt die in verband staan met de snede van
Dedekind als men irrationale waarden van projectieve coördinaten
wil invoeren. In 1857 liet Von Staudt zien hoe men op strenge wijze
imaginaire elementen in de meetkunde kan invoeren als dubbelelementen van
elliptische involuties.2
Op deze grondslagen, door Poncelet, Steiner en Von Staudt gelegd, werd in de
volgende jaren een uitgebreide synthetische meetkunde opgebouwd, die dan in
tekstboeken werd vastgelegd. Een der meest invloedrijke van deze boeken was
de standaardtekst van K.T. Reye, de Geometrie der Lage
(1868, 3e uitg. 1886-92). Er bestaan ook Nederlandse leerboeken.3
| |
17.
Vertegenwoordigers van de algebraïsche richting in de meetkunde
waren Möbius en Plücker in Duitsland, Chasles in
Frankrijk en Cayley in Engeland. August Ferdinand Möbius,
gedurende meer dan vijftig jaren waarnemer, later directeur van de
sterrenwacht in Leipzig, was een veelzijdige geleerde. In zijn boek Der barycentrische Calcül (1827) was hij de
eerste die homogene coördinaten invoerde. Wanneer in de
hoekpunten van een vaste driehoek de massa's m1, m2, m3 worden geplaatst, gaf
Möbius aan het | | | | zwaartepunt (barycentrum) deze
massa's de homogene coördinaten m1 : m2 : m3. Deze coördinaten bleken dan
zeer geschikt te zijn om niet alleen projectieve, doch ook affiene
eigenschappen van het vlak af te leiden - het woord
‘affiniteit’ ontleende Möbius aan Euler. Zo
werden homogene coördinaten in de loop der jaren het algemeen
aanvaarde hulpmiddel voor de algebraïsche behandeling der
projectieve meetkunde. Möbius, die evenals zijn tijdgenoot Von
Staudt, een rustig en tamelijk geïsoleerd geleerdenleven leidde,
kwam tot menige belangrijke ontdekking, zoals die van het nulsysteem in de
leer der lijnencongruenties, die men in zijn boek over statica van 1837
vindt. De tegenwoordig zo bekende band van Möbius, een eerste
voorbeeld van een eenzijdig (niet oriënteerbaar) oppervlak,
herinnert ons aan het feit dat Möbius ook zijn aandeel heeft aan
de grondlegging der topologie.
Julius Plücker, die jarenlang in Bonn doceerde, was niet alleen
een meetkundige, doch ook een experimenteel fysicus. Hij deed een reeks
ontdekkingen omtrent het magnetisme van kristallen, over
elektriciteitsgeleiding in gassen (hij ontdekte de kathodestralen) en in de
spectroscopie. In een aantal verhandelingen en boeken, speciaal de Neue Geometrie des Raumes (1868/'69) bouwde hij een
analytische meetkunde op met behulp van vele nieuwe ideeën.
In het bijzonder demonstreerde Plücker de voordelen van een
afgekorte notatie, waarin b.v. C1
+ λC2 = 0 een
bundel kegelsneden kan voorstellen die door de snijpunten van de kegelsneden
C1 = 0 en C2 = 0 gaan. Zo leerde hij eigenschappen van de figuur
uit de constructie van hun vergelijkingen af te lezen. In dit boek van
1868/'69 voerde Plücker homogene coördinaten als
‘projectieve’ coördinaten in met betrekking
tot een fundamenteel viervlak en formuleerde ook het belangrijke beginsel
dat de meetkunde niet noodzakelijk op het punt als primair element behoeft
te worden opgebouwd, lijnen, vlakken, cirkels, bollen, enz. kunnen ook als
zodanig in het vlak of in de ruimte en als de grondslag van bepaalde
meetkunden worden ingevoerd. Deze vruchtbare gedachte wierp nieuw licht op
de synthetische en op de algebraïsche meetkunde en schiep nieuwe
vormen van dualiteit. De dimensie van een bepaalde meetkunde kon een
willekeurig positief getal zijn, dat gelijk is aan het aantal parameters
waarvan het primaire element afhangt. Plücker publiceerde ook een
algemene theorie van algebraïsche krommen in het platte vlak,
waarin hij de ‘relaties van Plücker’ tussen
het aantal der verschillende singulariteiten afleidde (1834, 1839).
Michel Chasles, gedurende een lange tijd de leidende meetkun- | | | | dige in Frankrijk, was een leerling van de Ecole Polytechnique in de
latere jaren van Monge. Hier werd hij in 1841 tot hoogleraar benoemd. In
1846 aanvaardde hij de speciaal voor hem ingestelde leerstoel in de hogere
meetkunde aan de Sorbonne en gaf daar jarenlang onderwijs. Er is een zekere
overeenkomst tussen het werk van Plücker en van Chasles, vooral
in hun bedrevenheid om uit de vorm van de vergelijkingen een maximum aantal
meetkundige stellingen te halen. Zo vindt men bij Chasles een handig
manipuleren met isotrope lijnen (asymptoten van de cirkel) en oneindig verre
cirkelpunten. Chasles nam van Poncelet het gebruik van zgn.
‘aftellende’ methoden over, en onder zijn behandeling
ontwikkelden deze methoden zich tot een nieuw meetkundig gebied, de zgn.
‘aftellende’ meetkunde. Dit gebied werd later door
Hermann Schubert in zijn Kalkül der
abzählenden Geometrie (1879), gevolgd door H.G. Zeuthens
Abzählende Methoden (1914), systematisch
onderzocht. Beide boeken openbaren zowel de sterke als de zwakke punten van
deze vorm van algebra in meetkundige taal. Haar aanvankelijk succes riep een
tegenstroming in het leven, waaraan o.a. E. Study leiding gaf met zijn
uitspraak: ‘Exactheid mag in de meetkunde niet eeuwig als iets
bijkomstigs worden behandeld’.1
Chasles had een grote belangstelling voor de geschiedenis van de wiskunde, en
in het bijzonder van de meetkunde. Zijn gevoel voor het historische
openbaart zich in zijn bekend Aperçu historique sur
l'origine et le développement des méthodes en
géométrie (1837), een der eerste belangrijke
geschriften over de geschiedenis van de meetkunde. Dit nog zeer leesbare
boek behandelt zowel de Griekse als de toen moderne meetkunde en is een goed
voorbeeld van een geschiedenis der wiskunde geschreven door iemand die zelf
een zelfstandig onderzoeker was. Deze liefde voor de geschiedenis maakte
Chasles ook wel eens wat blind en zo is hij het slachtoffer geworden van een
grappenmaker, die aan Chasles tussen 1861 en 1870 duizenden valse documenten
verkocht, brieven van Galilei, Pascal en Newton tot brieven van Plato en
zelfs van de apostelen toe.2
| |
18.
Gedurende deze jaren, waarin in bijna koortsachtig tempo gehele nieuwe
meetkundige gebieden werden ontsloten, bleef een an- | | | | der, nieuw
en in haar consequenties nog veel meer revolutionair gebied verborgen in
enkele obscure verhandelingen, die door de meeste leidende wiskundigen
vrijwel geheel geïgnoreerd werden. De vraag, of het euklidische
parallellenpostulaat een onafhankelijk axioma is of een stelling die uit
andere, meer eenvoudig schijnende, axioma's kan worden afgeleid, had voor
meer dan tweeduizend jaar de wiskundige wereld verontrust. Ptolemaios had in
de Oudheid getracht, een antwoord te vinden, Omar Khayyam en
Nasīr al-dīn in de Middeleeuwen, de Italiaan Girolamo
Saccheri, de Zwitser Lambert en de Fransman Legendre in de achttiende
eeuw.1 Al deze geleerden hadden
geprobeerd het axioma te bewijzen, wat niet gelukte, al vonden ze in de loop
van hun onderzoek menig interessant resultaat. Gauss schijnt wel de eerste
geweest te zijn, die aan de onafhankelijkheid van het parallellenaxioma
geloofde en dus tot de conclusie kwam dat andere meetkunden, die op een
ander axioma berusten, logisch mogelijk waren. Gauss maakte zijn gedachten
over dit onderwerp niet publiek. De eersten die openlijk de autoriteiten van
tweeduizend jaar wiskundig onderzoek durfden tegen te spreken en een
niet-euklidische meetkunde construeerden2 waren een Rus, Nikolai Iwanowitsch,
Lobačevskiǐ en een Hongaar, Janos (Johan) Bolyai. Van
hen heeft Lobačevskiǐ zijn ideeën het eerst
gepubliceerd. Zijn eerste boek verscheen in 1829/'30, doch al reeds in 1826
had hij er over in Kazan, waar hij professor was, voordrachten gehouden. Het
boek was in het Russisch geschreven, toen een taal die weinig mensen buiten
het tsarenrijk lazen; doch ook van een latere uitgave in het Duits onder de
naam Geometrische Untersuchungen zur Theorie der
Parallellinien (1840) werd weinig notitie genomen, ofschoon Gauss
belangstelling toonde. In de tussentijd had ook Bolyai zijn gedachten over
dit onderwerp gepubliceerd.
| | | |
Janos (Johan) Bolyai was de zoon van een wiskundeleraar in een Hongaarse
provinciestad. Deze leraar, Farkas (Wolfgang) Bolyai, had in
Göttingen gestudeerd in dezelfde tijd als Gauss, en wisselde wel
eens een brief met hem. Farkas besteedde veel tijd aan een poging het
parallellenaxioma te bewijzen, doch kon tot geen bevredigende conclusie
komen. Zijn zoon had deze hartstocht geërfd en begon ook naar een
bewijs te zoeken, ondanks de waarschuwing van zijn vader:
Je moet dit evenzo verafschuwen als liederlijk verkeer; het kan je
van al je vrije tijd, je gezondheid, je rust en je hele levensgeluk beroven.
De pikdonkere duisternis van dit probleem kan wel duizend reuzen als Newton
verslinden, het zal nooit licht op aarde geven (brief van 1820).
De zoon werd voor het leger opgeleid en verwierf zich een naam als een
officier, handig met degen en viool. Maar hij begon ook in te zien dat het
euklidische axioma werkelijk onafhankelijk van de andere axioma's was en
ontdekte dat het mogelijk was een meetkunde op te stellen waarin door een
gegeven punt in een vlak een oneindig aantal lijnen lopen die een gegeven
lijn in dit vlak niet snijden. Dit was hetzelfde denkbeeld waarmee Gauss en
Lobačevskiǐ hadden gespeeld. Bolyai schreef zijn
ideeën op en had ze in 1832 gepubliceerd als een appendix bij een
boek van zijn vader, dat de titel had: Appendix scientam spatii
absolute veram exhibens.1 De vader was ongerust over de onorthodoxe opinies van zijn
zoon en schreef aan Gauss om raad. Toen het antwoord uit
Göttingen binnenkwam, bevatte het een warme waardering voor het
werk van de jongere Bolyai. Gauss voegde eraan toe, dat hij Bolyai niet kon
prijzen daar dit zou betekenen dat hij zichzelf zou prijzen, aangezien de
gedachten van de Appendix hem reeds jaren bekend waren
geweest.
De jonge Janos was van deze lofbrief, die hem verhief tot een positie van een
groot man van wetenschap, en tegelijk hem van zijn prioriteit beroofde, ten
zeerste ontdaan. Zijn teleurstelling verdiepte zich, toen bleek dat men zich
van zijn theorie maar heel weinig aantrok. Hij werd nog meer ontmoedigd toen
hij Lobačevskiǐ's boek in de Duitse vertaling van 1840
te zien kreeg. Hij heeft geen wiskunde meer gepubliceerd.
De theorieën van Bolyai en van Lobačevskiǐ
waren in beginsel gelijk, doch verschilden zeer in de wijze waarop zij
werden uitge- | | | | werkt. Het blijft intussen interessant te zien hoe
de nieuwe ideeën onafhankelijk van elkaar in
Göttingen, Budapest en Kazan ontstonden, en dat ongeveer
tegelijkertijd, na een periode van relatieve stilstand die tweeduizend jaar
heeft geduurd. Ook is het interessant dat ze gedeeltelijk buiten de grenzen
van de scheppende wiskundige wereld van die dagen hun oorsprong vonden. Het
komt wel meer voor dat grote en nieuwe ideeën buiten en niet
binnen de scholen worden geboren. Toch was er verband tussen die ontdekkers:
Gauss was als student een vriend van de oudere Bolyai, en
Lobačevskiǐ's leraar in Kazan was J.M. Bartels, een
van de leraren van Gauss. En we moeten ook niet vergeten dat het probleem
van het parallellenaxioma in Göttingen om zo te zeggen
‘in de lucht hing’, want professor A.G.
Kästner, van 1756 tot zijn dood in 1800 professor in
Göttingen, besteedde veel tijd en moeite aan dit postulaat.1
Niet-euklidische meetkunde - de naam is van Gauss - bleef jarenlang een
vrijwel onbekend gebied van wetenschap. De meeste wiskundigen trokken er
zich niets van aan, en zij die onder de invloed van Kants filosofie stonden,
weigerden haar in beginsel ernstig te nemen.2 De eerste wiskundige van
de eerste rang, die haar belang volledig begreep, was Riemann, in wiens
algemene theorie van uitgebreidheden (1854) niet alleen de bestaande
niet-euklidische meetkunde haar juiste plaats verwierf, maar ook ruimte
overliet voor vele andere vormen van meetkunde, die men nu als meetkunde van
Riemann samenvat. Volledige erkenning van deze meetkunden kwam eerst toen,
na 1870, een jongere generatie Riemanns ideeën begon te begrijpen
en uit te werken.
Er bestond nog een andere generalisatie van de klassieke meetkunde die
ontstaan was in de jaren voor Riemann, doch eerst na zijn dood werd
gewaardeerd. Dit was de meetkunde van meer dan drie dimensies. Ze kwam
volledig uitgerust ter wereld in de Ausdehnungslehre
(‘leer der uitbreiding’) van Hermann Grassmann, die in
1844 gepubliceerd werd. Grassmann was een leraar aan het gymnasium in
Stettin en een man van buitengewone veelzijdigheid; hij schreef met grote
scherpzinnigheid over de meest verschillende onderwerpen zoals elektrische
stromen, kleuren, geluidsleer, linguïstiek, plantkunde en
folklore. Zijn Sanskriets woordenboek over de Rigveda (1873-75) wordt nog
gebruikt. De Ausdehnungslehre, waarvan een herziene en
beter leesbare editie | | | | in 1862 uitkwam, was in strikt
euklidische vorm geschreven; stelling na stelling werd afgeleid in logische
volgorde. Hier vinden wij een meetkunde in een ruimte van n dimensies, eerst affien, later metrisch. Hierbij gebruikte Grassmann
een invariante notatie, waarin wij nu vectoren en tensoren herkennen (zijn
Lückenprodukte zijn tensoren), maar die voor zijn tijdgenoten
vrijwel onleesbaar was. Een latere generatie nam gedeelten van Grassmanns
breed opgezette theorie over, om een vectoranalyse voor affiene en metrische
ruimten op te bouwen. Grassmann zelf gebruikte zijn theorie o.a. om het zgn.
probleem van Pfaff aan te pakken, een probleem dat inzicht geeft in de
structuur van lineaire differentiaalvormen.
Ofschoon de Engelse wiskundige Cayley in 1843 eveneens dit begrip van
meerdimensionale ruimte invoerde, en dit in een veel minder afschrikwekkende
vorm, bleef de meetkunde van deze ruimten een onderwerp dat met wantrouwen
en ongeloof werd aangezien. Hier was het weer Riemanns verhandeling van 1854
die een beter begrijpen mogelijk maakte. Daar kwam bij dat
Plücker, door erop te wijzen, dat men een meetkunde niet alleen
op punten, maar ook op andere figuren als primaire elementen kan opbouwen,
een nieuwe en gemakkelijk te aanvaarden interpretatie van meerdimensionale
ruimten mogelijk maakte. Zo kon de meetkunde van rechte lijnen in de gewone
ruimte van Euklides beschouwd worden als een vierdimensionale ruimte, omdat
zulk een lijn van vier parameters afhangt. Felix Klein wees later op het
voordeel verkregen door diezelfde meetkunde te interpreteren door de punten
van een tweedegraadsoppervlak in een vijfdimensionale ruimte. Zulke
‘afbeeldingen’ van de ene meetkunde op een andere
werden steeds meer onderzocht. Daarbij werd de overeenstemming in de
begrippen van dimensie en vrijheidsgraad, reeds sinds Lagrange uit de
mechanica bekend, meer en meer als bijna vanzelfsprekend erkend. Toch ging
men eerst laat in de negentiende eeuw de meetkunde in ruimten van meer dan
drie dimensies waarderen, voornamelijk om zijn nut in de interpretatie van
algebraïsche vormen en van differentiaalvormen in meer dan drie
veranderlijken. De Groninger hoogleraar P.H. Schoute (1846-1912) heeft de
vierdimensionale meetkunde ook op
‘Euklidisch-Cartesiaanse’ wijze beoefend, waarbij hij
speciale aandacht wijdde aan de regelmatige lichamen (de zgn.
polytopen).1
| |
| | | |
19.
De namen Hamilton en Cayley getuigen van het feit dat rond 1840 en later
Engels schrijvende wiskundigen ernstig met hun continentale collega's
begonnen te concurreren. Tot diep in de negentiende eeuw werd, onder de
invloed van de koloniale en Napoleontische oorlogen, door de meeste
academici, en vooral de dons van Cambridge en Oxford, elke poging om
continentale wiskunde te beoefenen beschouwd als een vergrijp tegen de door
fluxies geheiligde naam van Sir Isaac Newton. Reeds Euler, in zijn Integraalrekening (1768) bezag de mogelijkheid van een
compromis tussen beide richtingen met een zwaar hoofd. Het dilemma werd in
1812 door een aantal jonge wiskundigen in Cambridge doorbroken toen ze, in
overleg met de oudere Robert Woodhouse, een ‘analytische
club’ oprichtten om de differentiaalmethodes van de school van
Leibniz te verbreiden. Leiders waren George Peacock, Charles Babbage en John
Herschel. Zij trachtten, om met Babbage te spreken, ‘the principles of pure d-ism, as opposed to the dot-age of the
university’1 te propageren. Deze poging werd in het
begin van de zijde van de oudere academici nogal bekritiseerd, maar deze
kritiek werd beantwoord door acties als de publikatie van een Engelse
vertaling van de Traité
élémentaire du calcul differentiel et
intégral van Lacroix, de Franse leerboekschrijver
(1816). Zo werd de jongere generatie in het Verenigd Koninkrijk van een voor
die tijd modern leerboek voorzien.
De eerste belangrijke bijdrage kwam echter niet van de groep in Cambridge,
doch van enige wiskundigen die onafhankelijk van hen de continentale
wiskunde hadden verwerkt. Wij denken hierbij allereerst aan Hamilton en
Green. Zowel voor hen als voor hun tijdgenoot Nathaniel Bowditch in Boston
(VS) was het boek dat zij speciaal bestudeerden de Mécanique céleste van Laplace, waarin het
‘d-isme’ de grootste triomfen had geboekt. George
Green, een ‘self-made’ molenaarszoon uit Nottingham,
was vooral in de nieuwe ontdekkingen op het gebied der elektriciteit
geïnteresseerd. Dit was de tijd van de grote ontdekkingen van
Oersted en Ampère, de tijd van het ontdekken van het
elektromagnetisme. In die dagen (ca. 1825) bestond er haast geen wiskundige
theorie om de elektrische verschijnselen te verklaren; Poisson had in 1812
slechts een begin gemaakt. Green las Laplace en - om zijn eigen woorden te
gebruiken:
| | | |
‘Gezien hoe wenselijk het was dat een universeel
werkende macht als de elektriciteit zo ver mogelijk aan berekening zou
worden onderworpen, en nadenkende over de voordelen die voortspruiten uit de
oplossing van moeilijke problemen, zo men ervan wordt bevrijd iedere kracht
die op de verscheidene lichamen in een willekeurig systeem werkt op zichzelf
te onderzoeken en de aandacht alleen vestigt op diè bijzondere
functie, van welke differentialen al deze krachten afhangen - zo werd ik
ertoe geleid te proberen of het mogelijk zou zijn enige algemene
betrekkingen te ontdekken tussen deze functie en de hoeveelheden
elektriciteit in de lichamen die haar voortbrengen’.
Het resultaat van deze overwegingen was Greens Essay on the
Application of Mathematical Analysis to Theories of Electricity and
Magnetism (1828), de eerste poging om tot een wiskundige theorie
van het elektromagnetisme te komen. Hiermee begon in Engeland de
mathematische fysica, en tevens, naast Gauss' verhandeling van 1839, de
potentiaaltheorie als een speciaal wiskundig gebied. Gauss wist, naar het
schijnt, niets af van Greens werk, dat eerst beter bekend werd toen William
Thomson (de latere Lord Kelvin) het in Crelles Journal van
1846 opnieuw publiceerde. Toch was de gedachtengang van Gauss en van Green
zo verwant dat Green de term ‘potential function’ en
Gauss met zijn ‘Potential’ bijna een zelfde term
invoerden om een oplossing van de vergelijking van Laplace aan te geven.
Twee verwante identiteiten, die lijn- en oppervlakte- en ruimte-integralen
verbinden, worden de formules van Green en van Gauss genoemd. Het gebruik
van ‘functies van Green’ in de oplossing van
partiële differentiaalvergelijkingen is een herinnering aan de
molenaarszoon die in zijn vrije tijd Laplace bestudeerde.
Green kon later zijn werk voortzetten aan Caius College, Cambridge, waar hij
echter eerst in 1833, op veertigjarige leeftijd, kwam. Doch dit is niet de
plaats om de verdere ontwikkeling der mathematische fysica in Engeland - of
in welk ander land dan ook - te schetsen. Met deze ontwikkeling zijn de
namen van Stokes, Rayleigh, Kelvin, Maxwell, Kirchhoff, Helmholtz, Gibbs,
Boltzmann en van vele anderen verbonden. Deze fysici droegen zozeer bij tot
de oplossing van vele, gewoonlijk lineaire, partiële
differentiaalvergelijkingen, dat het soms scheen dat de mathematische fysica
en de leer van zulke differentiaalvergelijkingen identiek waren. De
mathematische fysica verrijkte de wiskunde evenwel ook in andere opzichten,
zoals in haar bijdragen tot de waarschijnlijkheidsrekening en de theorie der
complexe functies. Ook de meetkunde profiteerde van haar onderzoekingen. Wij
vermel- | | | | den slechts James Clerk Maxwells Treatise on Electricity and Magnetism (2 delen, 1873) met haar
systematische ontwikkeling van de elektromagnetische theorie gebaseerd op
Faraday's experimenten. Ze bevat o.a. een mooie theorie der bolfuncties.
Deze theorie van Maxwell werd op den duur algemeen aanvaard en leidde later
tot de theorie van H.A. Lorentz over het elektron en tot de
relativiteitstheorie van Albert Einstein en tot de vectoranalyse in de
wiskunde.
| |
20.
De zuivere wiskunde was in Engeland gedurende de negentiende eeuw
voornamelijk algebra met toepassingen op de meetkunde. Wij denken hier in de
eerste plaats aan Cayley, Sylvester en Salmon. Arthur Cayley begon als
advocaat, doch aanvaardde in 1863 het nieuwe ‘Sadlerian
professorship’ in de wiskunde aan de universiteit van Cambridge,
waar hij dertig jaar lang doceerde. Toen hij in de jaren veertig in Londen
nog advocaat was, ontmoette hij Sylvester, die toen actuaris was, en van die
jaren dateert de gemeenschappelijke belangstelling van Cayley en Sylvester
voor algebraïsche vormen - of ‘quantics’
zoals Cayley ze noemde. Uit de samenwerking van deze twee mannen ontwikkelde
zich de algebraïsche invariantentheorie.
Deze theorie hing al verscheidene jaren in de lucht, in het bijzonder nadat
men begonnen was de determinantentheorie verder te bestuderen. In hun eerste
periode gingen Cayley en Sylvester reeds verder dan de leer der
determinanten, zij trachtten stelselmatig een invariantentheorie van
kwadratische en hogere algebraische vormen op te bouwen, een theorie met
eigen notatie en compositieregels. Deze theorie werd later door Aronhold en
Clebsch in Duitsland verder ontwikkeld en vormde het algebraïsche
complement van Poncelets projectieve meetkunde. Cayley schreef vele
verhandelingen, over eindige groepen, -algebraïsche krommen,
determinanten, matrices en analytische meetkunde. Zijn negen verhandelingen
over ‘quantics’ zijn vooral bekend gebleven door de
Sixth Memoir on Quantics (1859), omdat in deze
verhandeling werd aangetoond hoe men ten opzichte van een kegelsnede een
projectieve metriek kan definiëren. Dit leidde tot een
projectieve definitie van een euklidische metriek, waardoor het aan Cayley
gelukte deze meetkunde een plaats aan te wijzen binnen de projectieve
meetkunde - daarbij het historische proces omkerende, omdat de projectieve
meetkunde uit de euklidische was afgeleid en eerst door Von Staudt een eigen
plaats had gekregen. Cayley miste echter de betrekking tussen zijn
projectieve metriek en de niet-eukli- | | | | dische meetkunden; deze
werd een tiental jaren later door Felix Klein ontdekt.
James Joseph Sylvester was niet alleen een wiskundige, maar ook op zijn
manier een dichter en in het algemeen een geestige kerel met zoveel fantasie
dat zijn repertoire van nieuwe wiskundige termen met die van Leibniz
wedijvert. Van 1855 tot 1869 doceerde hij aan de Militaire Academie in
Woolwich. Hij was tweemaal in de Verenigde Staten, de eerste keer als
professor aan de door Thomas Jefferson gestichte Universiteit van Virginia
(1841-'42), de tweede keer als professor aan Johns Hopkins University in
Baltimore (1877-'83). Gedurende deze tweede periode was hij een der eersten
die aan een Amerikaanse school de moderne wiskunde doceerde; zijn invloed is
blijvend geweest.
Twee van Sylvesters vele bijdragen tot de algebra zijn klassiek: zijn theorie
der elementaire delers (1851, herontdekt door Weierstrass in 1868) en zijn
traagheidswet der kwadratische vormen (1852, reeds bekend aan Jacobi en
Riemann, doch toen niet gepubliceerd). Van de vele termen die Sylvester
heeft ingevoerd zijn verscheidene blijvend bezit van de wiskundigen
gebleven, wij denken b.v. aan de woorden invariant, covariant,
contravariant, cogrediënt en syzygie. Er plachten over Sylvester
nogal wat anekdoten de ronde te doen - gewoonlijk van de
verstrooide-professorsoort.
De derde Engelse meetkundige en algebraïcus was George Salmon, die
zijn lang leven doorbracht aan Hamiltons Alma Mater, Trinity College in
Dublin, waar hij zowel wiskunde als godgeleerdheid doceerde. Zijn
hoofdverdienste ligt in zijn nu nog wel bekende leerboeken, die uitmunten in
helderheid en charme. Deze boeken hebben, ook door vertalingen, hele
generaties in de geheimen van de analytische meetkunde en de
invariantentheorie ingewijd. Zij zijn de Conic Sections
(1848), Higher Plane Curves (1852), Modern
Higher Algebra (1859) en Analytic Geometry of Three
Dimensions (1862). Al deze boeken kunnen ook nu nog wel aan
studenten in de analytische meetkunde worden aanbevolen, al doen ze
misschien een beetje ouderwets aan.
| |
21.
Twee onderwerpen, door Engelse wiskundigen in de algebra ingevoerd, verdienen
onze speciale aandacht: Hamiltons quaternionen en Cliffords biquaternionen.
Nadat Hamilton, de Astronomer Royal van Ierland, zijn werk over mechanica en
optica had voltooid, keerde hij zich in 1835 tot de algebra. Zijn Theory of Algebraic Couples definieerde de algebra als de
zuivere wetenschap | | | | van de tijd en bracht een strenge theorie
van het complexe getal als een getallenpaar. Dit deed hij waarschijnlijk
zonder van Gauss' theorie van bikwadraatresten te weten, waarin ook de
complexe getallen streng waren ingevoerd, maar nu door punten in het
complexe vak. Beide methoden worden nu algemeen aanvaard. Hamilton trachtte
daarna in de algebra van drietallen en viertallen van getallen binnen te
dringen. Zijn bewonderaars vertellen ons, dat hij een ingeving kreeg, toen
hij op een zekere oktoberdag van 1843 langs een brug bij Dublin wandelde en
het quaternion ontdekte.1 Zijn onderzoekingen over
quaternionen zijn in twee dikke boeken gepubliceerd, de Lectures on quaternions van 1853 en de Elements of
Quaternions, in 1866 na zijn dood verschenen. Het best bekende
gedeelte van de quaternionenleer is de vectortheorie die ook in de Ausdehnungslehre van Grassmann is besloten (de term
‘vector’ is van Hamilton). Het is vooral om deze
reden, dat de algebraïsche werken van beide mannen nu vaak worden
geciteerd. In de dagen van Hamilton echter, en lang daarna, waren de
quaternionen zelf het onderwerp van overdreven bewondering. Sommige
Engels-Schotse wiskundigen zagen er - om met Leibniz te spreken - een soort
Arithmetica universalis in, en die opvatting kweekte
weer een reactie, die o.a. in het dispuut tussen P.G. Tait en Oliver
Heaviside aan het licht kwam. De theorie der hypercomplexe getallen, door
Benjamin Peirce, Georg Frobenius, Eduard Study en anderen ontwikkeld,
plaatste inmiddels de quaternionen op hun natuurlijke plaats als het
eenvoudigste associatieve getallenstelsel van meer dan twee eenheden. De
cultus van de quaternionen leidde in zijn bloeitijd zelfs tot een International Association for the Promoting of the Study of
Quaternions and Allied Systems of Mathematics, dat verdween als
slachtoffer van de Eerste Wereldoorlog. De gemoederen werden ook bewogen
door de strijd tussen Hamiltonianen en Grassmannianen toen in de jaren
tachtig jaren door het werk van Oliver Heaviside in Engeland en Josiah
Willard Gibbs in Amerika, de vectoranalyse zich als een eigen wiskundig
gebied be- | | | | gon te ontpoppen. De twist, die vooral tussen 1890 en
de Eerste Wereldoorlog woedde, verliep, toen betere kennis van de
groepentheorie en de lineaire algebra het mogelijk maakte aan elke methode
haar eigen operatieterrein toe te wijzen.1 Het gebrek aan internationale eenheid
in de vectornotatie is als een soort litteken uit deze verwarring
overgebleven.
William Kingdon Clifford, die in 1879 op drieëndertigjarige
leeftijd overleed, was verbonden aan Trinity College in Cambridge en aan
University College in Londen. Hij behoorde tot de eersten in Engeland die
Riemann begrepen en met hem zijn kritische belangstelling in onze
ruimteopvattingen deelden. Daarbij ontwikkelde Clifford een meetkunde van de
beweging, en daarbij kwam hij tot zijn biquaternionen als generalisatie van
de quaternionen (1873-'76). Deze biquaternionen zijn quaternionen, waarvan
de coëfficiënten complexe getallen zijn van de vorm
a + be, waarbij e2 + 1, - 1 of 0 mag zijn,
die voor e2 = 0 voor de studie van
euklidische, voor e2 = ± 1
voor die van niet-euklidische bewegingen kunnen worden gebruikt. Cliffords
Common Sense in the Exact sciences blijft nog steeds
het lezen waard; men kan hierbij Cliffords gedachtenwereld met die van Felix
Klein vergelijken. Dit komt ook uit in de benaming ‘ruimten van
Clifford-Klein’ voor zekere gesloten euklidische uitgebreidheden
in niet-euklidische ruimten. Zo Clifford langer had geleefd, hadden de
ideeën van Riemann de Engelse wiskunde een generatie eerder
kunnen bereiken dan het geval is geweest.
Tientallen jaren lang bleef de nadruk op de formele algebra karakteristiek
voor de zuivere wiskunde in de Engelssprekende landen. Wij denken hierbij
o.a. aan Benjamin Peirce, professor aan Harvard College in Massachusetts,
een leerling van Nathaniel Bowditch, die Laplace had vertaald en met wie (en
met Peirce) de scheppende wiskunde in de Verenigde Staten begint. Peirce,
die ook verdienstelijk werk in de hemelmechanica heeft verricht, publiceerde
in 1870 zijn Lineair Associative Algebra, dat een der
eerste onderzoekingen was over hypercomplexe getallenstelsels. Deze
formalistische trek in de Engelse wiskunde van die tijd komt ook | | | | tot uitdrukking in het werk van George Peacock, die in 1830 het zgn.
principe van de permanentie van equivalente vormen formuleerde (later
scherper geformuleerd door Hermann Hankel in Leipzig1),
en van Augustus De Morgan, van 1828 tot 1866 professor in Londen. Zijn
pogingen in de jaren '40, om tot een symbolische logica te komen leidde tot
het fundamentele onderzoek van George Boole, van Queens College, Cork
(Ierland). In zijn hoofdwerk The Laws of Thought (1854)
toonde hij aan hoe de wetten van de formele logica, zoals die het eerst door
Aristoteles waren opgesteld en later in eeuwenlange lessen en onderzoekingen
aan de universiteiten verder zijn bestudeerd, aan een mathematische
rekenwijze kunnen worden onderworpen. Boole schiep een symbolische taal voor
een brede ontleding van logische processen. Met deze rekenwijze, verwant aan
Leibniz' characteristica generalis, begon de herleiding
van logica tot wiskunde en daarbij de vernieuwing van de axiomatiek. Hier
was daarna het werk van Gottlob Frege, die professor in Jena was, van grote
invloed. In zijn boek Die Grundlagen der Arithmetik (1884)
gaf hij een logische afleiding van de grondbeginselen der rekenkunde. Deze
onderzoekingen die tot verschillende richtingen in de vraag naar de
verhouding van wiskunde en logica voerden, bereikten in de twintigste eeuw
een voorlopig hoogtepunt in de driedelige Principia
Mathematica van Bertrand Russell en A.N. Whitehead (1910-'13); zij
hebben ook het werk van Hilbert over de grondslagen van de rekenkunde en het
overwinnen van de paradoxen van het oneindige ten sterkste
beïnvloed. In deze debatten kwam ook de oude strijdvraag omtrent
de rol van het actueel oneindige, die met de namen Cantor en Kronecker is
verbonden, in een nieuw licht te staan.2
| |
| | | |
22.
Het werk van Cayley en Sylvester over de invariantentheorie vond in Duitsland
grote belangstelling. Hier, onder leiding van Hesse, Aronhold, Clebsch en
Gordon, werd deze theorie verder ontwikkeld met behulp van een speciale en
handige notatie. Otto Hesse, die eerst in Koningsbergen en later in
Heidelberg en München professor was, bewees evenals
Plücker hoeveel nut men in de analytische meetkunde kan trekken
van een verkorte wijze van schrijven; daarbij gebruikte hij graag homogene
coördinaten en determinanten. Siegfried Heinrich Aronhold, die
aan de Technische Hogeschool in Berlijn doceerde, publiceerde in 1858 een
verhandeling, waarin hij met behulp van ‘ideale’
factoren (die met die van Kummer niets te maken hadden) zijn eigen symboliek
voor de invariantentheorie ontwikkelde; en daar ongeveer terzelfder tijd
Clebsch zulk een schrijfwijze ontwikkelde (1861), spreekt men vaak van de
‘symboliek van Clebsch en Aronhold’, die algemeen werd
aanvaard voor het systematisch onderzoek van de invarianten en covarianten
van algebraïsche vormen. Tegenwoordig zien wij in deze
rekenwijze, evenals in de vectoren van Hamilton, de uitwendige produkten van
Grassmann en de dyaden van Gibbs, bijzondere vormen van de tensoralgebra.
Deze invariantentheorie werd later nog door Paul Gordan, professor in
Erlangen, verrijkt met het bewijs dat tot iedere binaire vorm een eindig
stelsel van rationale invarianten en covarianten behoort, en dat hierin alle
andere rationale invarianten en covarianten op rationale manier kunnen
worden uitgedrukt (1868-69). Deze zgn. eindigheidstelling van Gordan werd in
1890 door Hilbert op algebraïsche vormen in n
veranderlijken uitgebreid.
Alfred Clebsch was hoogleraar in Karlsruhe, Giessen en Göttingen
en stierf in 1872, nog geen veertig jaar oud. In zijn korte leven heeft hij
heel wat mooie resultaten kunnen boeken. Hij publiceerde een werk over de
elasticiteitsleer (1862), waarin hij van de ideeën van
Lamé en De Saint Venant in Frankrijk uitging, en hij paste zijn
invariantenleer toe op de projectieve meetkunde. Hij was ook een der eersten
die Riemanns theorieën begreep en legde de grondslagen voor die
tak der algebraïsche meetkunde waarin Riemanns functietheorie en
zijn theorie van meervoudig samenhangende oppervlakken op reële
algebraïsche krommen werden toegepast. Men vindt een breed
opgezette schets van deze ideeën in de Theorie der
Abelschen Funktionen van Clebsch en Gordan (1866). Clebsch was
eveneens de stichter der Mathematische Annalen, dat meer
dan een halve eeuw lang het leidende wiskundige tijdschrift was, en nog
steeds van belang is. Zijn voordrachten | | | | over meetkunde, door
F. Lindemann uitgegeven (‘Clebsch-Lindemann’) gaven
een solide inleiding in de algebraïsche behandeling der
projectieve meetkunde.
| |
23.
Tegen 1870 was de wiskunde uitgegroeid tot een enorm en vrijwel
onoverzichtelijk wetenschappelijk gebied, dat verdeeld was in een aantal
gebieden waarin alleen specialisten de weg wisten. Zelfs grote wiskundigen
als Hermite, Weierstrass, Cayley en Beltrami beheersten slechts enkele van
deze vele deelgebieden. Deze specialisatie is steeds toegenomen en heeft
tegenwoordig alarmerende proporties aangenomen. Maar ze heeft ook steeds tot
een reactie geleid, en een aantal van de belangrijkste en mooiste resultaten
van de wiskunde der laatste honderd jaren zijn juist het gevolg geweest van
pogingen om tot een synthese van de verschillende wiskundegebieden te
geraken.
In het eind van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw stelden de
grote boeken van Lagrange en Laplace zulk een synthese voor, en zij vormden
weer het uitgangspunt voor verder werk van grote diepte. Tot de beginselen
die in de negentiende eeuw tot eenheid van opvatting leidden, behoren de
groepentheorie en Riemanns begrip functie en ruimte. Hun betekenis kan het
best begrepen worden in het werk van Klein, Lie en Poincaré.
Felix Klein was Plückers assistent in Bonn gedurende de jaren '60
en hier leerde hij diens meetkunde. In 1870 bracht hij een bezoek aan
Parijs, waar hij Sophus Lie, een Noor, ontmoette. Klein was toen
tweeëntwintig, Lie zes jaar ouder en nog slechts kort in de
wiskunde geïnteresseerd. Wij hebben reeds vermeld hoe in Parijs
vooral Camille Jordan, van de Ecole Polytechnique, een grote indruk op hen
maakte. Jordan had juist in 1870 zijn Traité des
substitutions geschreven, waarin hij een uiteenzetting gaf van
Galois' leer der substitutiegroepen. Klein en Lie begonnen de centrale
positie te begrijpen die door de groepentheorie wordt ingenomen. Zij
verdeelden het grote rijk der wiskunde min of meer in twee delen: Klein gaf
gewoonlijk zijn aandacht aan discontinue, Lie aan continue groepen.
In 1872 kreeg Klein een leerstoel te Erlangen. In een artikel van dat jaar
schetste hij, hoe het groepenbegrip dienstbaar kon worden gemaakt aan de
classificatie van de verschillende wiskundige gebieden, vooral de meetkunde.
Het artikel, dat bekend is geworden als het ‘Erlanger
program’, verklaarde elke meetkunde als een theorie van de
invarianten van een speciale transformatiegroep. Door de groep uit te
breiden of te beperken kunnen wij van de ene | | | | meetkunde
overgaan in de andere. De euklidische meetkunde is de leer van de
invarianten van de groep der translaties, rotaties en spiegelingen,
projectieve meetkunde die der projectieve groep. De classificatie van
transformatiegroepen geeft ons de classificatie der meetkunden, de theorie
der algebraïsche en differentiaal invarianten van iedere groep
geeft ons de algebraïsche en analytische structuur van de
bijbehorende meetkunde. Cayley's projectieve definitie van een metriek laat
ons toe de metrische meetkunde als een vorm van projectieve meetkunde te
zien. Zelfs de toen nog tamelijk onbekende topologie vond haar speciale
plaats als de theorie van de invarianten van de groep der continue
punttransformaties.
In het voorafgaande jaar had Klein een belangrijk voorbeeld gegeven van deze
beschouwingswijze, door aan te tonen hoe de niet-euklidische meetkunde ook
kan worden opgevat als projectieve meetkunde met een metriek van Cayley. De
ontdekking van deze afbeelding bracht tenslotte nog steeds verwaarloosde
theorieën van Bolyai en Lobačevskiǐ in het
volle daglicht. Vele wiskundigen hadden nog steeds geloofd, dat ergens in
die niet-euklidische meetkunde wel een logische fout zou zitten. Nu bleek
dat zulke logische fouten, als ze bestonden, ook in de projectieve meetkunde
moesten voorkomen, en dus ook in de euklidische, en dat was een ketterij die
de meeste, zo niet alle, wiskundigen toch te ver ging. De niet-euklidische
meetkunde van Bolyai en Lobačevskiǐ werd nu algemeen
geaccepteerd als een hyperbolische meetkunde, terwijl een andere vorm van
deze meetkunde, door Riemann alreeds aangegeven, als elliptische werd
aangeduid. In deze meetkunde bestaan in het vlak alleen maar lijnen die
elkaar snijden. Wij hebben reeds vermeld dat deze methode van Klein, waarbij
een gebied van de wiskunde op een ander wordt afgebeeld, zeer vruchtbaar
bleek te zijn, ze is o.a. door Hilbert in zijn axiomatiek van de meetkunde
veel gebruikt.1
De groepentheorie maakte een synthese mogelijk van vele ontdekkingen van
Monge, Poncelet, Gauss, Cayley, Clebsch, Grassmann en Riemann. Riemanns
ruimteleer, waaraan het Erlanger program menig idee ontleende, inspireerde
niet alleen Klein doch ook Helmholtz en Lie. Hermann Helmholtz, bekend als
fysicus en fysioloog, onderzocht in 1868 en 1884 Riemanns ruimtebegrip,
gedeeltelijk omdat hij zocht naar een meetkundig beeld voor zijn | | | | kleurentheorie, en gedeeltelijk omdat hij de oorsprong van onze visuele
ruimteopvatting zocht. Dit bracht hem tot een studie van het wezen van onze
meetkundige axioma's en in het bijzonder van dat van Riemanns kwadratische
metriek. Lie verscherpte Helmholtz' analyse omtrent het karakter van de
kwadratische metriek door de transformatiegroepen te onderzoeken die daaraan
ten grondslag liggen (1890). Dit ruimteprobleem van Lie en Helmholtz heeft
de aandacht blijven trekken, niet alleen omdat het van belang bleek te zijn
voor de relativiteitstheorie, doch ook voor de fysiologie’.1
In zijn boekje Über Riemann's Theorie der
algebraischen Funktionen (1882) gaf Klein een uiteenzetting van
Riemanns begrip der complexe functie. Hier legde hij er de nadruk op, dat
ook fysische beschouwingen tot subtiele wiskundige bespiegelingen kunnen
leiden. In zijn Vorlesungen über das Ikosaeder
(1884) maakte hij op verrassende wijze duidelijk hoe de toen moderne algebra
vele nieuwe en merkwaardige eigenschappen van de welbekende Platonische
lichamen aan het licht kon brengen. Hiertoe bestudeerde Klein de
draaiingsgroepen der regelmatige lichamen en hun betrekkingen tot de groepen
van algebraïsche vergelijkingen van Galois. In uitgebreide
onderzoekingen, ondernomen met de medewerking van collega's en studenten,
paste Klein de groepentheorie toe op lineaire differentiaalvergelijkingen,
elliptische moduulfuncties, op functies van Abel en op automorfe functies,
op deze laatste in een interessante en vriendschappelijke wedstrijd met
Poincaré. Onder de inspirerende invloed van Klein werd
Göttingen, waar hij in 1886 professor werd, met haar op Gauss,
Dirichlet en Riemann teruggaande traditie, een Mekka voor wiskundig
onderzoek en onderwijs, waar jongere en oudere wiskundigen van vele landen
elkaar ontmoetten om de studie over gespecialiseerde vraagstukken ter hand
te nemen als een bijdrage tot de wiskundige kennis als een geheel gezien.
Kleins voordrachten waren steeds op dit geheel gericht, afschriften ervan
circuleerden in verscheidene landen en vele wiskundigen hebben van Klein of
uit zijn collegedictaten hun begrip van de wiskunde als een
één en ondeelbaar totaalgebied verkregen, een gebied
dat verder in de nevengebieden van natuur- en sterrenkunde haar vele
vertakkingen heeft. Na de dood van Klein in 1925 zijn verscheidene dezer
dictaten in boekvorm uitgegeven, o.a. zijn voordrachten over de geschiedenis
van | | | | de wiskunde in de negentiende eeuw, die vele persoonlijke
herinneringen bevatten.
In de tussentijd had Sophus Lie in Parijs de contacttransformaties ontdekt en
daarbij de sleutel tot de dynamica van Hamilton als een speciaal gebied van
de groepentheorie gevonden. Na zijn terugkeer in Noorwegen werd hij
professor in Christiania (Oslo); van 1886 tot 1898 doceerde hij in Leipzig.
Zijn hele leven was aan de studie der continue transformatiegroepen en hun
invarianten gewijd, waarbij hij hun centrale positie in de meetkunde, in de
mechanica, in de gewone en in de partiële
differentiaalvergelijkingen met vele voorbeelden aantoonde. Het resultaat
van dit levenswerk werd in een aantal standaardboeken neergelegd, die
samengesteld werden met behulp van zijn leerlingen Georg Scheffers en
Friedrich Engel: Transformationsgruppen (1888-'93), Differentialgleichungen (1891), Kontinuierliche Gruppen (1893) en Berührungstransformationen (1896). Lie's werk is
sindsdien in het bijzonder door de Franse wiskundige Elie Cartan naar alle
zijden uitgewerkt en verdiept.
| |
24.
Gelijktijdig met de kolossale ontwikkeling der wiskunde in Duitsland heeft
Frankrijks wiskunde het hoge niveau behouden waarop ze zich sinds de tijd
van Viète en Descartes had bewogen. Het is niet on-interessant
Franse en Duitse wiskundigen van die dagen met elkaar te vergelijken, b.v.
Hermite met Weierstrass, Darboux met Klein, Hadamard met Hilbert, Paul
Tannery met Moritz Cantor.1
| | | |
In de jaren 1840-'60 was de leidende Franse wiskundige Joseph Liouville,
professor aan het Collège de France in Parijs. Hij was een goed
docent en organisator, vele jaren lang redacteur van het Journal de mathématiques pures et
appliquées. Hij onderzocht de rekenkundige theorie van
kwadratische vormen in twee en meer veranderlijken, doch het
‘theorema van Liouville’ in de statische mechanica
laat hem weer van een geheel andere zijde kennen. Ook maakte hij het
verschil tussen algebraïsche en transcendente getallen duidelijk
en bewees in 1844 dat noch e noch e2 wortels kunnen zijn van een vierkantsvergelijking met
rationale coëfficiënten. Dit was een stap vooruit in
de reeks van onderzoekingen over de natuur van e en
π, die in 1761 tot Lamberts bewijs gevoerd hadden dat
π irrationaal is, en later voerden tot het bewijs van Hermite
(1873) dat e, en dat van F. Lindemann (1882) dat
π transcendent is. Liouville en enige zijner medewerkers hielden
zich ook bezig met de differentiaalmeetkunde van krommen en oppervlakken: zo
zijn de formules van Serret-Frenet (1847) in de leer der ruimtekrommen in de
kring om Liouville ontstaan.
Charles Hermite, professor aan de Sorbonne en aan de Ecole Polytechnique,
werd na de dood van Cauchy in 1857 de leidende vertegenwoordiger van de
analyse in Frankrijk. Evenals bij Liouville vindt men bij Hermite vele
onderzoekingen in de traditie van Gauss en Jacobi, andere vertonen een
zekere verwantschap met het werk van Riemann en Weierstrass. Elliptische
functies, moduulfuncties, thètafuncties, getallen- en
invariantentheorie - Hermite bewoog zich op al deze gebieden, zoals de namen
‘getallen van Hermite’, ‘vormen van
Hermite’, ‘veeltermen van Hermite’
getuigen. Zijn vriendschap met de Hollandse wiskundige Thomas Jan Stieltjes,
die in Delft gestudeerd had, en die door hem zijn bescheiden positie als
rekenaar aan de Leidse sterrenwacht voor dat van een professoraat in
Toulouse kon verwisselen (1889) was een grote aanmoediging voor de ontdekker
van de Stieltjes-integraal en de toepassing van kettingbreuken op de theorie
van momenten in de theoretische statistiek. De waardering was wederzijds:
‘Vous avez toujours raison et j'ai toujours
tort’1 schreef Hermite eens aan zijn vriend. De
vierdelige briefwisseling tussen Hermite en Stieltjes, door het Wiskundig
Genootschap te Amsterdam uitgege- | | | | ven, bevat een schat van
interessant materiaal, voornamelijk over functies van een complexe
veranderlijke. Door J.C. Kluyver, hoogleraar te Leiden, zijn de methoden van
Hermite ook in Nederland beter bekend geworden.
In de verhandelingen en boeken van Gaston Darboux bleef de grote Franse
meetkundige traditie gehandhaafd. Darboux was een meetkundige in de zin van
Monge: bij hem ging een diep ruimtegevoel gepaard met de beheersing van de
theorie der differentiaalvergelijkingen en van de analytische mechanica. Hij
was professor aan het Collège de France en doceerde meer dan een
halve eeuw. Nog steeds bekend is zijn elegant standaardwerk Leçons sur la théorie
générale des surfaces (4 delen, 1887-'96),
waarin hij de resultaten van een eeuw van onderzoek in de
differentiaalmeetkunde van krommen en oppervlakte verwerkte. Darboux liet
zien hoe deze differentiaalmeetkunde op de meest verschillende wijzen met de
leer der gewone en partiële differentiaalvergelijkingen zowel als
met de mechanica, verbonden kon worden. Met zijn administratieve en
pedagogische bekwaamheid, zijn fijne meetkundige intuitie, zijn beheersing
van de analytische techniek en zijn begrip van Riemanns ideeën,
nam Darboux in Frankrijk een positie in die aan die van Klein in Duitsland
doet herinneren.
Dit tweede deel van de negentiende eeuw was in Frankrijk de periode van de
grote Franse leerboeken, waarin de resultaten van het analytisch onderzoek
en zijn toepassingen in brede lijnen werden uiteengezet. De bekendste van
deze leerboeken zijn de Cours d'analyse van Camille Jordan
(3 dln, 1882-87) en de Traité d'analyse van
Emile Picard (3 dln, 1891-96), waaraan we de Cours d'analyse
mathématique van Edouard Goursat (2 dln, 1902-05) mogen
toevoegen.
| |
25.
De grootste Franse wiskundige van deze periode was Henri Poincaré,
van 1881 tot aan zijn dood in 1912 professor aan de Sorbonne in Parijs. Geen
wiskundige van zijn tijd beheerste zulk een breed gebied, en was in staat op
zoveel gebieden de theoretische zowel als de toegepaste wiskunde te
verrijken. Elk jaar placht hij college te geven over een verschillend
gebied; deze colleges werden door studenten uitgegeven en bestrijken een
geweldig terrein: potentiaaltheorie, licht, elektriciteit, warmtegeleiding,
capillariteit, elektromagnetisme, hydrodynamica, hemelmechanica,
thermodynamica, waarschijnlijkheidsrekening. Al deze voordrachten hadden hun
eigen verdiensten, zij hebben ideeën verbreid die weer in het
werk van anderen vrucht hebben gedragen of die nog vrucht | | | |
kunnen dragen. Poincaré schreef bovendien een aantal populaire of
half-populaire boeken die ertoe bij hebben gedragen in brede kringen begrip
te wekken voor de kardinale vraagstukken der moderne wiskunde. Bekende
titels zijn La Valeur de la Science (1905) en La Science et l'hypothèse (1906).1 Daarnaast publiceerde Poincaré een aantal
verhandelingen over de zgn. automorfe functies en functies van Fuchs, over
differentiaalvergelijkingen en de topologie waartoe zij voeren, en de
grondslagen der wiskunde. Hier legde hij de nadruk op de scheppende rol van
de volledige inductie, het eerst door Pascal geformuleerd. Zo doorzocht hij
met volmaakte beheersing van de mathematische techniek welhaast alle
belangrijke gebieden van de theoretische en toegepaste wiskunde. Met Gauss
en Riemann behoort hij tot de wiskundigen van de vorige eeuw die meer dan
anderen latere generaties tot een inspiratie zijn geweest.
Misschien kan men de sleutel tot het werk van Poincaré vinden in
zijn beschouwingen over de hemelmechanica, en in het bijzonder het
drielichamenprobleem (Les méthodes nouvelles de
Mécanique céleste, 3 dln, 1893). Hier ziet
men zijn verwantschap met Laplace en het bewijs dat de eeuwenoude
mechanische problemen die met de hemellichamen samenhangen, nog steeds de
scheppende geest van de wiskundige konden inspireren. In verband met deze
vraagstukken schonk Poincaré hernieuwde aandacht aan divergente
reeksen, waarbij hij de theorie der asymptotische ontwikkelingen schiep,
ontwikkelde hij de leer der integraalinvarianten, en bestudeerde de
stabiliteit der planetenbanen en de vorm van de hemellichamen. Ook zijn
fundamentele onderzoekingen over het gedrag van de integraalkrommen van
differentiaalvergelijkingen, zowel bij singulariteiten als in hun globale
ontwikkeling, houden met zijn werk over het gedrag der hemellichamen
verband. Dit geldt zelfs voor zijn onderzoekingen in de
waarschijnlijkheidsrekening, een ander gebied waarin hij Laplace'
belangstelling deelde. Onze tegenwoordige theorieën over
relativiteit, kosmogenie, waarschijnlijkheidsrekening en topologie zijn alle
beïnvloed door de geest van Poincaré.
| |
26.
Het Risorgimento, de nationale wedergeboorte van Italië, betekende
ook de wedergeboorte van de Italiaanse wiskunde. Onder | | | | de
wiskundigen die aan dit herstel hebben meegewerkt waren er verscheidenen die
deel hadden genomen aan de strijd die hun land van de Oostenrijkers
bevrijdde en tot eenheid bracht, later verbonden zij vaak politieke posities
met de bezetting van hun leerstoelen. Riemanns invloed woog zwaar, en door
Klein, Clebsch en Cayley verkregen de Italiaanse wiskundigen hun kennis van
de meetkunde en de invariantentheorie. De elasticiteitsleer trok hen aan
door haar verband met de meetkunde.
Onder deze stichters van de nieuwe Italiaanse school van wiskundigen vinden
wij Brioschi, Cremona en Betti. In 1852 werd Francesco Brioschi professor in
Pavia, en in 1862 organiseerde hij het technisch instituut in Milaan waar
hij tot zijn dood in 1897 onderricht gaf. Hij was een der oprichters van de
Annali di matematica pura et applicata (1858), dat in
zijn naam de wens der redacteuren uitdrukte om voor Italië te
doen wat Crelle voor Duitsland en Liouville voor Frankrijk hadden gedaan. In
het gezelschap van Betti en Casorati bezocht Brioschi in 1858 de leidende
Franse en Duitse wiskundigen. Vito Volterra, de invloedrijkste Italiaanse
wiskundige van de volgende generatie, heeft later eens geschreven dat
‘het wetenschappelijk bestaan van Italië als een
natie’ bij deze reis begon.1 Brioschi was de Italiaanse vertegenwoordiger van de
algebraïsche invariantentheorie in de geest van Cayley en
Clebsch. Luigi Cremona, na 1873 directeur van de ingenieursschool te Rome,
heeft zijn naam gegeven aan de birationale transformaties in het vlak en de
ruimte, de zgn. Cremona-transformaties (1863-'65). Hij was ook een der
eersten die de zgn. grafostatica ontwikkelde.
Eugenio Beltrami, een leerling van Brioschi, was hoogleraar aan de
universiteiten van Bologna, Pisa, Pavia en Rome. Zijn voornaamste
verhandelingen over de meetkunde verschenen tussen 1860 en 1870, toen hij
met zijn differentiaalparameters de rekening met differentiaalinvarianten in
de oppervlakkentheorie invoerde. Een andere bijdrage uit die periode was
zijn onderzoeking van zgn. pseudosferische oppervlakken, oppervlakken met
negatieve kromming van Gauss. Beltrami merkte op, dat men op zulke
oppervlakken de niet-euklidische meetkunde van Bolyai kan afbeelden zo men
als ‘lijnen’ de geodetische krommen van het oppervlak
beschouwt. Dit was dus, evenals de projectieve interpretatie van Klein, een
methode om te bewijzen dat elke inwendige tegenspraak in de niet-euklidische
meetkunde zich ook als zodanig | | | | in de euklidische ruimte zou
openbaren. Deze verhandeling, die van 1868 dateert en dus aan die van Klein
nog voorafgaat, gaf dus aan de niet-euklidische meetkunde om zo te zeggen
haar eerste legitimatiebewijs.
Omstreeks 1870 waren de ideeën van Riemann meer en meer tot het
gemeenschappelijke bezit van de jongere generatie van wiskundigen geworden.
Zijn theorie der kwadratische differentiaalvormen werd door de twee Duitse
mathematici E.B. Christoffel en R. Lipschitz uitgewerkt (1869-'70). In de
verhandeling van de eerstgenoemde, een professor in Zürich,
Berlijn en na 1871 professor te Straatsburg, vindt men de uit de
relativiteitstheorie zo bekende ‘symbolen van
Christoffel’. Lipschitz, hoogleraar te Bonn, is ook bekend door
zijn ‘voorwaarden van Lipschitz’ in de leer der
reële functies (Lehrbuch der Analysis,
1877-'80). Door de onderzoekingen van Christoffel en Lipschitz over
differentiaalvormen en van Beltrami over differentiaalparameters werd
Gregorio Ricci-Curbastro in Padua op de idee van de zgn. absolute
differentiaalrekening gebracht (1884). Deze rekening was op een nieuwe
invariante notatie gebaseerd, die in het eerste werk van Ricci op de
transformatie van partiële differentiaalvergelijkingen werd
toegepast; en ook toepasselijk bleek op de transformatietheorie van de
kwadratische differentiaalvormen.
Uit deze absolute differentiaalrekening ontwikkelde zich, door het werk van
Ricci en van enige zijner leerlingen, onder wie Tullio Levi-Civita, de
methode die we met Einstein nu tensorrekening noemen. Met behulp van
tensoren konden verscheidene invariante symbolismen vanuit
één standpunt worden bezien, en zij hebben ook in de
behandeling van algemene stellingen der elasticiteitstheorie, hydrodynamica
en relativiteitstheorie hun waarde bewezen. De naam tensor voor deze
symbolen is in de elasticiteitstheorie ontstaan (W. Voigt, omstreeks 1890).
De studie der lineaire differentiaalvormen, was reeds door Euler en Monge
begonnen, en, als reeds gezegd, is de eerste algemene theorie met de naam
Pfaff verbonden (J.F. Pfaff, professor in Helmstedt, bij wie Gauss
promoveerde). Pfaffs artikel van 1815 verwierf door Jacobi in 1827
bekendheid. De vele onderzoekingen op dit gebied, o.a. door Grassmann en
Frobenius, leidden in het eind der negentiende eeuw Elie Cartan tot die
studies over Liegroepen en hun betekenis voor algebra en meetkunde, die
juist heden ten dage de grote belangstelling der wiskundigen hebben
verworven.
| |
| | | |
27.
David Hilbert, sinds 1895 professor in Göttingen, hield in 1900
voor het tweede internationale congres van wiskundigen in Parijs een
voordracht, waarin hij voor de nieuwe eeuw drieëntwintig gebieden
aangaf waarop belangrijk werk kon worden verricht. Toen Hilbert deze
voordracht hield, had hij reeds een naam verworven door zijn onderzoekingen
op het gebied van algebraïsche getallen-lichamen en door zijn
juist verschenen Grundlagen der Geometrie (1899), dat
opnieuw de vraag naar een bevredigende axiomatiek der euklidische meetkunde
aan de orde stelde (de 8e druk kwam in 1956, na Hilberts dood, uit). Het was
in menig opzicht voorbereid door het pionierswerk van Moritz Pasch in
Giessen, in het bijzonder door diens boek Vorlesungen
über neuere Geometrie (1882), waarin Pasch op de
grondslagen der meetkunde een axiomatische methode had aangewend, te
vergelijken met die welke Frege in diezelfde tijd op de grondslagen der
rekenkunde had toegepast. Hilbert gaf in zijn boek aan hoe de resultaten der
Grieken in hun opbouw van de meetkunde verbeterd konden worden, en ook hoe
zekere meetkunden eruit zien die op gewijzigde axioma's zijn gebouwd.1
In zijn voordracht van 1900 trachtte Hilbert de geest van het wiskundig
onderzoek van de afgelopen tientallen jaren te begrijpen en enige
aanwijzingen te geven voor vruchtbare arbeid in de toekomst.2 Een
overzicht van enige der problemen die Hilbert aangaf, kan misschien ons
inzicht in de betekenis van de wiskunde in de negentiende eeuw verhelderen.
Daar ze de eerste schreden zijn van de wiskunde in de 20e eeuw, worden ze in
het volgende hoofdstuk behandeld.3
Hilberts program bewees de levenskracht van de wiskunde aan | | | | het
eind der negentiende eeuw en vormt een scherp contrast met het pessimisme
dat we tegen het einde van de achttiende eeuw hebben waargenomen.
Tegenwoordig zijn verscheidene problemen van Hilbert opgelost, andere
wachten nog steeds op een bevredigende behandeling. De ontwikkeling der
wiskunde in de jaren na 1900 heeft de verwachtingen die aan het einde van de
negentiende eeuw zijn gekoesterd, niet bedrogen, en men kan wel zeggen dat
de verwachtingen overtroffen zijn. Toch heeft zelfs Hilberts scherpe geest
sommige der meest belangrijke en verrassende ontwikkelingen niet kunnen
voorzien. De wiskunde der twintigste eeuw heeft haar eigen weg moeten vinden
onder haar eigen voorwaarden.
| |
Literatuur
De nog steeds beste geschiedenis der wiskunde in de negentiende eeuw is
F. Klein, Vorlesungen über die Entwicklung der
Mathematik im 19. Jahrhundert (2 dln, Berlin, 1926/27).
Men vindt ook vele gegevens in het boek van E.T. Bell, The
Development of Mathematics (2e uitg. New York-London 1945),
zowel als in sommige monografieën, in onze inleiding
aangegeven. Een lijst van biografieën van leidende
wiskundigen, ook van de negentiende eeuw, vindt men in: |
G. Sarton, The Study of the History of Mathematics
(Cambridge, Mass. 1936) blz. 70-98. Verder biografisch materiaal
o.a. in DSB en in de verschillende jaargangen van Scripta
Mathematica (New York, van 1932 tot heden). Van vele
negentiende eeuwse wiskundigen zijn de verzamelde werken uitgegeven, die
vaak ook een levensbeschrijving bevatten. Ook sommige tijdschriften,
bijv. het Jahresbericht der deutschen
Mathematikervereinigung, bevatten levensbeschrijvingen. |
| Van de in dit hoofdstuk vermelde wiskundigen zijn de verzamelde werken
geheel of gedeeltelijk uitgegeven: Abel, Beltrami, Betti, Bolzano,
Bolyai, Brioschi, G. Cantor, E. Cartan, Cauchy, Cayley, Clifford,
Cremona, Dedekind, Dirichlet, Fourier, Fuchs, Galois, Gauss, Gibbs,
Grassmann, Green, Hamilton, Hermite, Hilbert, Jacobi, Klein, Kronecker,
Levi-Civita, Lie, Lobačevskiǐ, Möbius,
Plücker, Poincaré, Ricci, Riemann, Ruffini,
Steiner, Sylvester, Weierstrass. |
Verder:
| L. de Launay, Monge, Fondateur de l'Ecole
Polytechnique (Pa- |
| | | |
ris, 1934) R. Taton, Monge (Paris 1951). ook, korter: Elemente der Mathematik,
Beiheft 49 (Basel 1950). |
| N. Nielsen, Geomètres français sous
la Révolution (Copenhagen 1929). |
| F. Klein e.a. Materialen für eine
wissenschaftliche Biographie von Gauss (8 dln, Leipzig
1911-20). |
| G.W. Dunnington, Carl Friedrich Gauss, Titan of
Science (New York, 1955). |
E. Worbs, Carl Friedrich Gauss, Ein Lebensbild
(Leipzig, 1955). [C.F. Gauss] Gedenkband
anläszlich des 100. Todestages, he rausg. von H.
Reichardt (Leipzig, 1957). Bij diezelfde gelegenheid werd
ook een Russisch gedenkboek uitgegeven. (Moskou, 1956). |
| S. Picard, Lobačevskiǐ, grand
mathématicien russe. Conférence Palais de
la Découverte D 47 (Paris, 1957). |
| Quaternion centenary celebration, Proc. Roy Irish
Acad A 50 (1945) 69-98, bevat o.a. A.J. Mc Connell, The
Dublin Mathematical School in the First Half of the Nineteenth
Century. |
| De Scripta Mathematica Studies (New York, 1945)
bevatten een aantal artikelen over William Rowan Hamilton. |
| F. Kötter, Die Entwicklung der synthetischen
Geometrie von Monge bis auf von Staudt, Jahresber. Deutsche
Mathem. Verein. 5 (1901) 1-486. |
| H. Burckhardt, Entwicklungen nach oscillierenden
Funktionen. Jahresber. Deutsch. Math. Ver. 10 (1908). |
| M. Simon, Über die Entwicklung der
Elementargeometrie im XIX. Jahrhundert (Leipzig, 1906). |
| V.F. Kagan, Lobačevskiǐ
(Moskou, Leningrad, 1944, in het Russisch). [A.P. Norden, red] Honderd vijf en twintig jaren niet-euklidische meetkunde
van Lobačevskiǐ (Moskou, Leningrad, 1952,
in het Russisch). |
| D.J. Struik, Outline of a History of Differential
Geometry, Isis 19 (1933) 92-120, 20 (1934) 161-191. |
J.L. Coolidge, Six female mathematicians, Scripta
mathematica 17 (1951) 20-31. Besproken worden Hypatia, M.G. Agnesi,
E. du Chatelet, M. Sommerville, S. Germain en S. Kowalewskaja.
Voortgezet door E.G. Kramer, ib. 23 (1957) 83-95. |
Sonia Kowalewskaja, Her recollections of childhood,
vertaald uit het Russisch door I.F. Hapgood (New York, 1895). In
dit boek ook de biografie van A.C. Leffler uit het Zweeds vertaald, ook
uitg. in Sammlung Reclam, Leipzig. |
| | | |
Ter herinnering aan S.V. Kowalewskaja. Een
verzameling van essays (Moskou, 1951, in het Russisch). Zie ook
Istor. Mathem. Issled 7 (1954) 666-715 (Russisch). |
| A.H. Koblitz, A convergence of lives. Sofia Kovalevskaja,
Scientist, Writer, Revolutionary (Birkhäuser, Boston
etc., 1983). Een uitstekende levensbeschrijving. |
| L.P. Wheeler, Josiah Willard Gibbs (New Haven,
1951). |
| I. Kollros, Jakob Steiner, Elemente der Mathematik,
Beiheft 7 (Basel, 1947). |
G. Prasad, Some Great Mathematicians of the Nineteenth
Century: Their lives and their Works (2 dln, Benares
1933/34). bevat biografieën van Gauss, Cauchy, Abel,
Jacobi, Weierstrass, Riemann, (deel i) en Cayley,
Hermite, Kronecker, Brioschi, Cremona, Darboux, G. Cantor,
Mittag-Leffler, Klein en Poincaré (deel ii). |
| E. Winter, B. Bolzano und sein Kreis (Leipzig, 1933;
Halle, 1949). |
| E. Kolman, Bernard Bolzano (Moskou, 1955, in het
Russisch, ook in het Duits). |
| O. Ore, Niels Henrik Abel (Minneapolis 1957, in het
Engels. Ook een uitgave in het Noors). |
L. Infeld, Whom the Gods love (New York, 1948).
een roman berustend op het leven van Galois; ook in een Duitse
vertaling: Wen die Götter lieben (Wien
1954). Over Galois zie ook R. Taton, Revue Hist. Sci. appl. 1 (1947)
114-130, en |
| A. Dalmas, Evariste Galois, Révolutionnaire et
Géomètre (Paris, 1958). |
| J. Hadamard, The Psychology of Invention in the
Mathematical Field (Princeton, N.Y. 1945). |
| K.R. Biermann, Über die Förderung
deutscher Mathematiker durch Alexander von Humboldt.
Gedenkschrift zum 100. Wiederkehr seines Todestages (Berlin 1959)
83-159. |
| K.R. Biermann, J.P.G. Lejeune Dirichlet, Dokumente
für sein Leben und Wirken, Abh. Deutsch. Akad. d.
Wiss., Klasse für Mathem. 1959, No. 2. |
| L. Koenigsberger, C.G.J. Jacobi (Leipzig, 1904). |
H. de Vries, Historische Studies (3 dln, Groningen
1918-40). 21 opstellen, meestal over meetkundigen, oorspronkelijk
verschenen in ‘Christiaan Huygens’,
‘Euclides’ en het ‘Nieuw Tijdschrift
voor Wiskunde’. Zij zijn door verdere studies gevolgd, no. 30
(het laatste) verscheen in het N.T.v.W 42 (1955). |
| Mathematics of the 19th century:
Mathematical Logic, Algebra, Theory of Numbers, Theory of
Probability, uitg. door A.N. |
| | | |
| Kolmogorov en A.P.
Juškevič (Moskou, 1978, in het Russisch). |
| E. Scholtz, Geschichte des Mannigfaltigkeitsbegriffs von
Riemann bis Poincaré (Boston, 1980). |
| P. Dugac, Richard Dedekind et les fondements des
Mathématiques (Paris, 1976). |
| I. Grattan-Guinness, The Development of the Foundation of
Mathematics from Euler to Riemann (Cambridge, Mass., 1970). |
J. Herivel, Joseph Fourier, the Man and the
Physicist (Oxford, 1975). zie I. Grattan-Guinness, Annals of Science 32 (1975) 503-514. |
| J.W. Dauben, George Cantor, his Mathematics and
Philosophy of the Infinite (Cambridge, Mass., 1979). |
| B.A. Rosenfeld, A History of Non-Euclidean Geometry
(Springer, New York etc. 1988). Vertaling van de Russische uitgave,
Moskou, 1975. Zie ook HM 6 (1979) 460-464. |
| P. en E. Morrison, Babbage's calculating Machine or
Differential Engine (New York, 1965). |
| J.V. Grabiner, The Origins of Cauchy's rigorous
Calculus (Cambridge, Mass., Londen, 1981). |
| C. Reid, Hilbert (New York, 1970). |
| M. Métivier, P. Costabel, P. Dugac, Siméon-Denis Poisson et la Science de son Temps
(Paris, 1981). |
G. Temple, Thirty Years of Mathematics. A personal
Viewpoint (Springer, New York etc., 1981). Speciaal de
periode 1850-1900. |
| H. Kennedy, Life and Works of G. Peano (Dordrecht,
1980). |
| U. Bottazzini, Il Diciannovesimo Secolo in Italia
pp. 249-312 van D.J. Struik, Matematica, un Profilo
Storico (Il Mulino, Bologna, 1981). |
K. Marx, Matematičeskie Rukopisi (Moskou,
1968). Marx's wiskundige manuscripten in het oorspronkelijk Duits
met Russische vertaling en commentaar. Zie hierover: |
| D.J. Struik, Marx and Mathematics, Science and
Society 12 (1948) 181-196, zie ook A.P. Gokieli, De
wiskundige handschriften van Karl Marx (Tiflis 1947, Russisch). |
| H.C. Kennedy, Karl Marx and the Foundations of the
differential Calculus, HM 4 (1977) 303-18. |
| H. Mehrtens, H. Bos, I. Schneider, Social History of
Nineteenth Century Mathematics (Birkhäuser, Boston
etc., 1981). |
| H.J.M. Bos-H. Mehrtens, The Interactions of Mathematics
and Society in History, HM 4 (1977) 7-30 met uitgebreide
bibliografie. |
| | | |
Over Nederlandse wiskundigen, behalve de reeds geciteerde geschriften van M.
van Haaften en de artikelen van D. Bierens de Haan, zie het artikel van D.J.
Struik in
A.J. Barnouw-B. Landheer, The contribution of Holland to
the Sciences (New York, 1943). en dat van C.J. van der
Corput in |
K.F. Proost, J. Romein, Geestelijk Nederland
1920-1940 ii (1942) en dat van H.D. Kloosterman, op
blz. 234-255, in Natuurwetenschappelijk onderzoek in
Nederland (Amsterdam, 1942), zowel als
biografieën in ‘Nieuw Archief voor
Wiskunde’. |
|
1Het
verschil in opvatting vond klassieke uitdrukking in een uitspraak van
Jacobi over de ideeën van Fourier, die nog het
nuttigheidsstandpunt van de achttiende eeuw innam: ‘Het is
waar dat de heer Fourier van mening was dat het hoofddoel van de
wiskunde in het openbare nut en in de verklaring van de
natuurverschijnselen lag; maar een filosoof als hij had moeten weten dat
het enige doel van de wetenschap de eer van de menselijke geest is, en
dat van dit standpunt gezien een vraagstuk over getallen even waardevol
is als een vraagstuk over de bouw van de wereld’ ( le but unique de la science, c'est l'honneur de l'esprit
humain, et sous ce titre une question de nombre vaut autantqu'une
question du système du monde). In een brief aan
Legendre sprak Gauss zich uit voor een synthese van beide opvattingen
(1830, Werke
i, blz. 454); hij paste de wiskunde op grootse schaal
toe op astronomie, natuurkunde en geodesie, doch terzelfder tijd zag hij
in de wiskunde de ‘koningin der wetenschappen’ en
in het bijzonder in de getallenleer de ‘koningin der
wiskunde’.
1Vgl. E.T. Bell, Gauss and the Early
Development of Algebraic Numbers, National Mathem. Magazine 18
(1944) 188, 219. A. Speiser, in zijn inleiding tot Eulers Opera
i (28), bldz. xxxvii, heeft erop
gewezen dat reeds Euler en andere wiskundigen na 1760 gedacht hebben in
de geest die aan deze opvatting van Gauss ten grondslag ligt. Een
diagram van Gauss waarop de complexe priemgetallen zijn afgebeeld kan
men o.a. vinden in het Tijdschrift Fortune (artikel
ook in boekvorm uitgegeven). De idee, zulk een diagram te maken, kwam
van B. van der Pol te Eindhoven (ca. 1943). Men heeft zelfs
tafelkleedjes gemaakt met dit diagram als patroon.
1Vgl. C.G.J. Jacobi, Werke 7, bldz. 355 (voordracht van 1835). Over de
oprichting van de Ecole Polytechnique: J. Fayet, La
révolution française et la science
1789-1795 (Paris, 1960). Verder zie H. Wussing in Pädagogik 13 (1958) 646-662. Voor de
wetenschappelijke achtergrond zie M.P. Crosland, The
Society of Arcueil (Cambridge, Mass. 1967). Laplaces woning in
Arcueil, niet ver van Parijs, was van 1806 tot 1813 een plaats waar
geleerde personen tezamen kwamen.
1P.E.B. Jourdain, Note
on Fourier's Influence on the Conceptions of Mathematics, Proc.
Intern. Congress of Mathem. (Cambridge, 1912) ii
526/527. Zie over Fourier ook J. Ravetz, Archives intern.
de l'histoire des Sciences 13 (1960) 247-251.
1P.E.B. Jourdain, The
Origin of Cauchy's Conception of a Definite Integral and of the
Continuity of a Function, Isis 1 (1913) 661-703, vgl. ook
Bibliotheca Mathematica 6 (1905) 190-207. Over Cauchy zie het uitvoerig
verslag door H. Freudenthal in DSB iii (1971)
131-149, met vele anekdotes: ‘Cauchy beheerste niet de
wiskunde, de wiskunde beheerste hem’. Verder: The Installation of Rigor in Analysis in M. Kline, Mathematical Thought from ancient to modern Times (New
York, 1972), Hoofdstuk 40.
1Résumé
i (1823), Calcul
différentiel 13-27. Een nauwkeurig onderzoek van dit
proces bij M. Pasch, Mathematik am Ursprung (Leipzig
1927), 47-73. Verder: J.V. Grabiner, The Origins of
Cauchy's rigorous Calculus (MIT Press, Cambridge, Mass,
1981).
1H. Wussing, Die Genesis des abstrakten Gruppenbegriffes (Berlijn,
1969).
1De levens van beide jongemannen zijn in interessante boeken
beschreven, dat van Galois (in meer romantische vorm) door L. Infeld,
dat van Abel (strikt biografisch) door O. Ore. Zie de
literatuurlijst.
1Y. Mikami, On the
Japanese theory of Determinants, Isis 2 (1914) 9-36, zie ook T.
Hayashi, A brief history of the Japanese Mathematics,
Nieuw Archief voor Wiskunde (2) 6 (1905) 296-361, 7 (1907) 105-163, en
Mikami's ‘ Development of mathematics in China
and Japan’ (1913) 191-199. Volgens Needham, Science and civilization in China
iii, 117 zegt men beter Seki Takakusu (met ziet ook
Takakazu).
1Vgl. M. Herzberger, Geschichtlicher Abriss der Strahlenoptik. Zeitschrift
für Instrumentenkunde 52 (1932) 429-435, 485-493,
534-542.
1A.E. Monna, The Concept of Function in the 19th and 20th Centuries, AHES 9 (1972) 51-84.
2A.E. Monna, Dirichlet's
Principle (Utrecht, 1975).
1Uit deze eerste tijd
dateren ook de voor de topologie belangrijke wetten van Kirchhoff
(1846-49) en het werk van Möbius en Listing over eenzijdige
oppervlakken (1858).
1De een of andere
kromme met de vrije hand beschreven ( Institutiones Calculi
Integralis
iii § 301).
1R. Courant, Bernhard Riemann und die Mathematik der letzten hundert Jahre.
(Die Naturwissenschaften 14 (1926) 813-818). Zie ook het uitvoerige
artikel van H. Freudenthal, DSB xi (1975) 447-456,
met literatuur.
1D.
Hilbert, Über das Unendliche. Mathem.
Annalen 95 (1926) 161-190, Franse vertaling: Acta
Mathematica 48 (1926) 91-122.
1Die ganzen
Zahlen hat der liebe Gott gemacht, alles Andere ist
Menschenwerk.
1Zie de voetnoot bij Augustinus, hoofdstuk v, p. 112.
2Zie
b.v. M. Black, The Nature of Mathematics (New York,
1934), ook E.N.S.I.E. Encyclopedie
iv (Amsterdam 1949) 14-16.
1G.H. Hardy, A Course of Pure Mathematics (Cambridge,
6e uitg. 1933), Appendix iv.
1Dit doet denken aan
N.L.W.A. Gravelaar, wiskundeleraar in Deventer (1851-1913), van wie
verteld werd dat hij geloofde dat men het best de meetkunde kon doceren
in een donker vertrek.
1W.
Blaschke, Kreis und Kugel (Leipzig 1916) 1-12.
2H. Freudenthal, The Impact of Von Staudt's Foundations of Geometry, in For Dirk Struik (Reidel, 1974), 189-200.
3Vele historische bijzonderheden over deze meetkundigen
vindt men in H. de Vries, Historische
Studiën, tussen 1923 en 1954 in het Nieuw
Tijdschrift van Wiskunde en enige andere tijdschriften
gepubliceerd. Zie N.T.v. Wisk (1953) 298-299. De
meeste van deze studiën zijn ook in boekvorm uitgegeven (2
delen).
1E. Study,
Verhandl. des dritten Mathem. Kongresses,
Heidelberg 1905, 388-395, zie ook B.L. van der Waerden, Dissertatie Leiden 1926.
2J.A. Farrer, Literary forgeries (Londen, 1907) Chapter xii.
1F. Engel-P. Stäckel, Die Theorie der Parallellinien von Euklid bis auf
Gauss (2 delen, Leipzig) 1895. Het is merkwaardig dat de Schotse
wijsgeer Thomas Reid in 1764 een niet-euklidische meetkunde (van het
elliptische type) ontwikkelde, waaraan verder niemand enige aandacht
schonk, in: An inquiry into the human Mind. Reid, die
tegenover Berkeley een realistische en ‘common
sense’ filosofie vertegenwoordigde, polemiseerde tegen
Berkeley's theorie van het gezichtsvermogen. Zie N. Daniels, Thomas Reid's Discovery of Non-Euclidean Geometry,
Philosophy of Science 39 (1972) 219-234.
2Behalve dan
Thomas Reid, maar diens niet-euklidische meetkunde, die slechts enige
bladzijden innam, was polemisch tegenover Berkeley maar niet tegenover
Euklides.
1H.J.E. Beth, Inleiding tot de Niet-Euclidische Meetkunde op historischen
grondslag (Groningen, 1929), ook E.J. Dijksterhuis, De Elementen van Euclides
i (Groningen 1929) Hoofdstuk ii.
1Zie hierover o.m. G. Goe's artikel over
Kästner in DSB vii (1973) 206.
2En dat
ofschoon Kant het werk van Reid kende.
1Zie hoofdstuk IX, sectie
8.
1Woordenspel op de
d-notatie van Leibniz en de punt (dot)notatie van Newton; d x/d t tegenover ẋ. Het woord ‘d-ism’ betekent
zowel d-isme als Deisme, ‘dot-age’ zowel de
periode van de dot als
‘seniliteit’. Vertaling: ‘de beginselen
van het “deisme” tegen de
“seniliteit” van de
universiteit’.
1Deze brug heet nu Hamilton
Bridge en draagt de inscriptie: ‘ Here as he
walked by on the 16th of October 1843 Sir William Rowan Hamilton in
a flash of genius discovered the fundamental formula for quaternion
multiplication i2 = j2 = k2 = ijk = - 1 and cut it on a stone of the bridge’. (Toen
op 16 Oktober 1843 Sir William Rowan Hamilton hier voorbij wandelde
ontdekte hij door een geniale ingeving de grondformule voor de
vermenigvuldiging van quaternionen i2 = j2 = k2 = ijk = - 1 en kerfde
die in een steen van de brug).
1F. Klein,
Vorlesungen über die Entwicklung der
Mathematik im 19. Jahrhundert
ii (Berlin, 1927) 27-52; J.A. Schouten, Grundlagen der Vektor- und Affinoranalysis (Leipzig, 1914), en
de vele bijdragen van E. Cartan. Voor de geschiedenis van de
vectoranalyse met het gekibbel tussen Tait en Heaviside zie M.J. Crowe,
A History of Vector Analysis (Notre Dame Press
1967, Dover herdruk 1985).
1H. Hankel, Theorie der complexen Zahlensysteme
(Leipzig, 1867) gaf een nog steeds leesbare uiteenzetting van het werk
van Grassmann zowel als van Hamilton. Zowel Hankel als De Morgan waren
ook in de geschiedenis der wiskunde geïnteresseerd.
2D.
Hilbert-W. Ackermann, Grundzüge der
theoretischen Logik, 4e Aufl. (Berlin 1959); M. Black, The Nature of Mathematics (New York-London 1934). Zie
ook, behalve de eerder geciteerde geschiedenissen van E.W. Beth, en I.M.
Bochenski, Formale Logik (Freiburg-München
1956). Bochenski (blz. 314) onderscheidt in de geschiedenis der formele
logica vier perioden: 1) de voorgeschiedenis van Leibniz tot Boole, 2)
de periode van Boole, tot aan de Operationskreis des
Logikkalküls (1877) en de Vorlesungen
über die Algebra der Logik (1890) van Ernst
Schröder, 3) de periode van Frege, van Freges Begriffschrift van 1877 tot de Principia
Mathematica (1910-'13) en 4) de jongste periode, na de Principia, waarin het werk van Hilbert en vele anderen
valt.
1Zie o.a. H.J.E. Beth, Inleiding tot de niet-euklidische meetkunde op historischen
grondslag (Groningen, 1932).
1H. Freudenthal, Neuere Fassungen des
Riemann-Helmholtzschen Raumproblems. Math. Zeitschr. 63 (1956)
374-405.
1De laatste twee waren
historici der wiskunde. De beoefening der geschiedenis der exacte
wetenschappen, die in de achttiende eeuw in Montucla, in de helft van de
negentiende eeuw in Chasles uitstekende vertegenwoordigers had gevonden,
begon zich in de tweede helft tot een speciaalgebied te ontwikkelen.
Hoogtepunten waren Moritz Cantors Vorlesungen
über die Geschichte der Mathematik (4 delen,
1900-1908), de vele artikelen van Paul Tannery (later in zijn Mémoires verenigd), de uitgave van het
tijdschrift ‘ Bibliotheca
mathematica’ (1884-1914) door de Zweed Gustav
Eneström, en de uitgave van de verzamelde werken van grote
wiskundigen van het verleden, als Euklides, Archimedes, Descartes,
Fermat, Lagrange, Galilei en Huygens. De Huygens-uitgave door
Nederlandse geleerden begon in 1888 en eindigde eerst met deel xxii in 1950. De leiding was eerst in handen van J.
Bosscha, later van D.J. Korteweg, later van J.A. Vollgraff. Andere
Nederlandse historici der wiskunde van die dagen waren de Leidse
hoogleraar David Bierens de Haan (1822-95), ook bekend door zijn nog
steeds nuttige integraaltafels (1858, 1864, 1867), en de Deventer leraar
N.L.W.H. Gravelaar (1851-1913).
1‘U hebt altijd
gelijk en ik heb altijd ongelijk’. De wiskundige Stieltjes
was de zoon van Thomas Joannes Stieltjes, ingenieur van de
Overijsselsche Kanaalmaatschappij en ontwerper van havenwerken in
Feyenoord bij Rotterdam.
1Lenin heeft het idealisme dat in Poincarés
opvattingen over de verhouding van geest en natuur tot leven komt
bestreden in zijn Empiriokriticisme en Materialisme
(1908).
1V. Volterra,
Bulletin American Mathem. Soc. 7 (1900)
60-62.
1Een bespreking van dit boek van modern standpunt bij
H. Freudenthal, Zur Geschichte der Grundlagen der
Geometrie, Nieuw Archief v. Wisk. (4) 5 (1957) 105-142, ook
Mathem.-Physik. Semesterberichte (Göttingen) 7 (1960) 2-25,
10 (1963) 114-117; O. Bottema, ib. 9 (1962) 164-168; M.M. Toepell, Über die Entstehung von D. Hilberts Grundlagen
der Geometrie (Göttingen, 1986).
2Göttingen Nachrichten (1901) 253-297.
3Een discussie van
de problemen door Hilbert voorgesteld en hun status na dertig jaar vindt
men in E. Bieberbach, Über den Einfluss von
Hilberts Pariser Vortrag über ‘Mathematische
Probleme’ auf die Entwicklung der Mathematik in den
letzten dreizig Jahren. Naturwissenschaften 18 (1936)
1101-1111. Sedert die tijd heeft men verdere vooruitgang kunnen boeken.
Zie Die Hilbertschen Probleme door P.S. Aleksandrov,
Ostwalds Klassiker 252 (Leipzig, 1971), uit het Russisch
vertaald.
|
|