|
|
|
| |
| | | |
IX. De eerste helft der twintigste eeuw
| |
1.
Wanneer onze eeuw begint, staat de wiskunde in volle bloei. Wel waren de
leidende figuren nog steeds mannen, en die mannen waren van Europese
afkomst. De voornaamste landen waren nog steeds Frankrijk en Duitsland, met
Parijs als het wiskundige hart van Frankrijk, terwijl in het minder
gecentraliseerde Duitsland Göttingen en Berlijn vooraan stonden.
Maar ook elders kon men verdienstelijke wiskundigen aantreffen, in
Scandinavië, Rusland, Zwitserland, België, Engeland en
in Nederland, en reeds toonden de Verenigde Staten en Japan, dat het
monopolie dat Europa sinds de Renaissancedagen had genoten, aan het
verdwijnen was. Van personen gesproken: de meest vooraanstaande
internationale figuren waren wel Felix Klein in Göttingen en
Henri Poincaré in Frankrijk, maar ook elders kon men wiskundigen
van grote verdienste vinden, als Vito Volterra in Italië, of
Hermann Minkowski in Zürich, terwijl ook in Göttingen
David Hilbert en in Parijs Gaston Darboux en Jacques Hadamard een
vooraanstaande rol speelden.
Ofschoon wetenschappelijke academies in de negentiende eeuw de belangrijke
plaats hadden verloren die ze in de eeuw van Euler en D'Alembert hadden
genoten, waren sommige nog zeer actief, zoals de Franse Académie des Sciences of de Italiaanse Accademia dei Lincei. Toch waren nu bijna alle wiskundigen
voornamelijk in het onderwijs betrokken, en de wetenschappelijke geesten
onder hen in hogescholen en technische universiteiten. Sommige van hen,
bijvoorbeeld in Nederland en Scandinavië, waren als adviseurs aan
verzekeringsmaatschappijen verbonden. Doch ofschoon polytechnische
instituten en technische hogescholen wiskundige faculteiten hadden, waren er
toch maar weinige mathematici direct in het produktieproces betrokken. Een
begin vormde de loopbaan van Charles Proteus Steinmetz, student in Breslau
en Zürich, en van 1895 verbonden aan de General Electric Co. in
Schenectady (V.S.) als consulting engineer. Zijn wiskundig
werk omvatte de toepassing van complexe functies op de wisselstroomtechniek.
Dat deed ook Arthur Kennelly, vanaf 1902 aan Harvard, later ook aan Mass.
Institute of Technology (MIT), beiden in Cambridge, Massachusetts. In
Engeland leerde Oliver Heaviside, in de | | | | 1880's en later
adviseur van telefoon- en andere elektrische organisaties, hoe moderne
wiskunde, als in de zgn. telegraafvergelijking, op elektromagnetische
theorie kan worden toegepast. Hij hield er onorthodoxe ideeën op
na, als op het gebied van vectoren en operatoren, doch die later streng
wiskundig konden worden gerechtvaardigd. Heaviside had de reputatie van een
zonderling, een kluizenaar, te zijn. Hij en Kennelly hebben hun naam gegeven
aan wat we nu doorgaans de ionosfeer noemen.
Felix Klein, die een goed begrip had van de belangrijke rol die de moderne
wiskunde in de industrie begon te spelen, sprak met industriëlen
en verkreeg hun financiële steun voor de organisatie van
wiskundig onderzoek op technische problemen. Een van zijn successen was het
Instituut voor Aerodynamisch en Hydrodynamisch Onderzoek in
Göttingen, met als directeur de werktuigkundige ingenieur Ludwig
Prandtl (1908). Toenmaals waren er nog weinig instellingen van dien aard.
De belangrijkste wiskundigen van deze tijd moeten we dus aan de
universiteiten zoeken. Evenals hun vakgenoten waren ze doorgaans in
genootschappen georganiseerd. Twee ervan waren eerwaardige overlevenden uit
de oude tijd, de wiskundige kring in Hamburg, die van 1690, en het Wiskundig
Genootschap in Amsterdam, dat van 1776 dateert. Nieuwere vakorganisaties
vinden we in Moskou (1860), Londen (1865), Frankrijk (1870), Edinburgh
(1883), Palermo (1884), Duitsland (1890), New York (1888, de kern van de
American Mathematical Society, 1894). Tot de nieuwe eeuw behoren die van
Indië (1907, en een andere in 1908), en van Spanje en Polen
(1911). Wiskundigen konden zodoende elkaar op congressen ontmoeten en hun
werk bespreken.
Als de eerste internationale bijeenkomst van belang kan men de verzameling
van wiskundigen beschouwen die in 1893 naar Chicago ter gelegenheid van de
wereldtentoonstelling aldaar waren uitgenodigd. Hier gaf Klein de
voordrachten gepubliceerd als de Evanston Colloquium
Lectures. Daarop volgde in 1897 in Zürich het eerste
werkelijk internationale congres, met ongeveer 200 deelnemers. De
congrestalen waren Frans en Duits. Een der voornaamste voordrachten was die
van Adolf Hurwitz, professor in Zürich, over analytische
functies. Onderwerpen van discussie waren de toen nog nieuwe leer der
verzamelingen van Cantor, de logische grondslagen der wiskunde (Peano,
Schröder) en functies van functies (Volterra). Jacques Hadamard
stelde hiervoor de naam fonctionelles voor.
Het volgende internationale congres, weer tijdens een wereld- | | | | tentoonstelling, kwam in 1900 bijeen te Parijs, en is in de herinnering
gebleven door de 23 problemen die waren naar voren gebracht door Hilbert.
Dat congres was een der vele die dat jaar in Parijs plaatsvonden, waaronder
het eerste filosofencongres dat ook voor de wiskunde van belang was. Hier
discussieerden Peano, Russell en Whitehead over de grondslagen der wiskunde.
Wijsbegeerte en wiskunde, in de loop der negentiende eeuw nogal vervreemd
geraakt (met sommige uitzonderingen als Boole en Riemann), waren weer aan
het convergeren. Emile Picard had er al in 1897 in Zürich op
gewezen: Les mathématiques sont en grande
coquetterie avec la philosophie.1 De vraag was maar: met wat voor soort van
filosofie.
De volgende internationale congressen waren in Heidelberg (1904), Rome (1908)
en Cambridge (Engeland, 1912). De Eerste Wereldoorlog onderbrak de keten, en
eerst in 1928 kwam in Bologna het eerste werkelijk internationale congres na
de oorlog weer bijeen.
Met de stadige groei van de verschillende takken van wiskunde werd het steeds
moeilijker het gehele terrein te overzien. Dit bracht Klein en sommige van
zijn Duitse collega's ertoe de Encyklopädie der
mathematischen Wissenschaften te organiseren, een onderneming op
grote schaal, met het eerste deel, over Arithmetik und
Algebra uit in 1908, en daarna voortgezet over vele jaren als een
verzameling van monografieën, tot Sectie vi, 2
Astronomie. Getracht werd, niet zonder moeite, om in
de geest van Klein het onderlinge verband der verschillende gebieden tot
uitdrukking te brengen. In 1904 begon een herziene uitgave in het Frans,
maar deze werd het slachtoffer van de Eerste Wereldoorlog.
Wie een korter overzicht wenste kon het Repertorio
(1897-1900) onder redactie van Ernesto Pascal (Pavia, later Napels)
raadplegen. Dit Repertorio was een soort prototype van het
Duitse Repertorium der höheren Mathematik, dat
tussen 1910 en 1929 in 5 delen uitkwam eveneens met artikelen van
specialisten. Ook verschenen er encyclopedieën over de meer
elementaire delen der wiskunde (Weber-Wellstein, Berzolari).
Wie de literatuur wilde volgen keek geregeld naar het Jahrbuch
über die Fortschritte der Mathematik, dat al in 1871 was
begonnen en ieder jaar korte berichten gaf over de recente literatuur. In
het Jahrbuch van 1900 vinden we ongeveer 2000 titels en
1500 auteurs. | | | | Aangezien drie jaren moesten verlopen voordat
het Jahrbuch verslag over een publikatie bracht, begon het
Wiskundig Genootschap in 1892 de Revue Semestrielle des
Publications Mathématiques uit te geven, gewoonlijk
alleen met titels, maar die dan gepubliceerd met een korter interval. In
1938 werd de uitgave gestaakt, maar de Fortschritte bleven
doorgaan. Vele wiskundigen werkten aan deze berichtgeving mee.
Het aantal wiskundige tijdschriften was ook aan het groeien.
‘Crelle’ en ‘Liouville’
bestonden al lang, en zo ook sommige meer lokale publikaties als het
‘Nieuw Archief’, dat van 1875 stamt als voortzetting
van het ‘Archief’, begonnen in 1856 - beide uitgaven
van het Wiskundig Genootschap.
Nu kwamen, in regelmatige successie, andere tijdschriften uit, te beginnen
met de Annali di Matematica (1858), gevolgd door de Matematičeskiǐ Sbornik (Moskou,
1866), de zeer gezaghebbende Mathematische Annalen (1868),
het Bulletin des Sciences mathématiques (1870),
het American Journal of Mathematics (1878), de Acta mathematica (1882, Zweden), de Rendiconti di Palermo (1885) en de Transactions of
the American Mathematical Society (1899). Later kwamen o.a. de Mathematische Zeitschrift (1918) en de Poolse Fundamenta mathematica (1920). Al deze tijdschriften bestaan nog,
en er komen er geregeld bij.
Ook academies publiceerden, sommige van hun tijdschriften waren al oud, zoals
de Comptes Rendus van de Franse Académie, en
ook de Göttinger Nachrichten. Ook sommige
scholen hadden hun organen, als de Parijse Ecole Normale,
en in 1922 kwam MIT erbij. Het was een heel karwei om bij te blijven, en
daar was ook kennis van talen voor nodig; want Latijn was verdwenen als
internationale taal. Gauss en Jacobi waren wel zowat de laatsten die althans
somtijds in het Latijn schreven. Maar sommige tijdschriften hadden groot
prestige. Met een artikel in de Mathematische Annalen kon
men een brede kring van invloedrijke lezers bereiken.
De meeste leerboeken uit die tijd zijn nu wel wat verouderd. Een aantal
hebben evenwel hun aantrekkingskracht behouden, zoals die van Hilbert,
Hausdorff, Borel, Russell, Whitehead, Lebesgue, Sierpinski. Brouwers
dissertatie is van 1907.
| |
2.
Jan Romein, de Amsterdamse historicus, heeft in een zeer gedocumenteerde
studie de aandacht gevestigd op de vele en diepe veranderingen in onze
cultuur, die tussen 1890 en 1910 op bijna alle gebieden hebben
plaatsgevonden, van economie en geschiedenis | | | | tot muziek.1 De wiskunde was geen uitzondering. De oorzaken van
de vernieuwing waren voornamelijk van inwendige aard, zoals de groeiende
invloed van Cantors leer der verzamelingen (dit ging niet zonder
moeilijkheden), de daarmee verwante studies (en debatten) over de
grondslagen der wiskunde (wat is waarheid?) en de ontwikkeling van abstracte
structuur in algebra, logica en ruimteleer. De aloude opvatting van de
wiskunde als de leer van de kwantiteit kwam meer en meer op de achtergrond,
althans in leidende kringen, en meer en meer zag men daar de wiskunde als de
algemene theorie van structuur, met vele variaties. Nieuwe gebieden werden
geopend, zoals de integratietheorie van Lebesgue, de functie-analyse, de
operatorenrekening, tensors en dit begeleid door de debatten tussen de
intuïtionisten (Brouwer), formalisten (Hilbert) en logistici
(Russell), debatten die soms zelfs een persoonlijk karakter aannamen. Maar
al deze veranderingen werden ook van buiten beïnvloed, vooral
door de diepgaande omwentelingen in de fysica, waar na 1905
relativiteitstheorie en quantumtheorie de hoogste eisen begonnen te stellen
aan wiskundige scheppingskracht. Eisen kwamen ook in van schei- en
sterrenkundigen, filosofen en theologen speelden mee. En laten we ook niet
de biologen (biometrica) en de ingenieurs, vooral de elektrotechnische
ingenieurs, niet vergeten.
De leidende figuur van de oudere generatie werd meer en meer Hilbert, vooral
na de dood van Poincaré in 1912 en door de afnemende rol van
Klein, die in 1925 stierf. (Hilbert zelf leefde tot 1943). Een vrij goed
begrip van de toestand in de wiskunde omstreeks 1900 kan men uit de studie
van de 23 problemen verkrijgen die Hilbert in 1900 in Parijs aan de wereld
had voorgedragen. We zullen ze hier de revue laten passeren. Ze dragen sterk
de stempel van Hilberts werk, maar dit was veelomvattend. Hier zijn ze:
| 1. | Cantors vraag betreffende het kardinaal karakter van het
continuüm. Wat is de betrekking tussen het
continuüm en de aftelbare verzameling? Kan het
continuüm als welgeordend worden beschouwd? |
| 2. | De logische consistentie (contradictieloosheid) van de arithmetische axioma's. Zo deze bestaat, dan
kan de consistentie van de meetkundige axioma's worden bewezen. |
| 3. | De inhoudsgelijkheid van twee viervlakken met gelijke
hoogte en gelijk grondvlak. Kan dit zonder
infinitesimaalrekening |
| | | |
| worden bewezen? |
| 4. | Wanneer is de rechte lijn de kortste verbinding van twee
punten? Dit komt op in zekere vormen van meetkunde, b.v. die
van Minkowski. |
| 5. | Lie's conceptie van een continue transformatiegroep
zonder de voorwaarde van de differentieerbaarheid van de functies
die de groep definiëren. Dit probleem kan tot
functievergelijkingen voeren. |
| 6. | De wiskundige behandeling van de axioma's der
natuurkunde. Van de axioma's der meetkunde kan men overgaan tot die
van de rationale mechanica (als b.v. Boltzmann het in 1897 uitvoerde) en
tot zulke gebieden als waarschijnlijkheidsrekening, statistische
mechanica, enz. |
| 7. | De irrationaliteit en de transcendentie van zekere
getallen, b.v. getallen van de vorm αβ als α ≠ 0 algebraïsch is en β algebraïsch irrationaal, zoals
2√2 of eπ = r2i. Zijn deze getallen irrationaal of
transcendentaal? Hilbert dacht hierbij aan het werk van Hermite en
Lindemann in verband met het getal π. |
| 8. | Vraagstukken in de leer der priemgetallen. Hier
kunnen we aan Riemanns Zètafunctie denken of aan het
vermoeden van Goldbach dat elk even getal op minstens
één manier kan worden geschreven als de som van
twee priemgetallen (brief aan Euler, 1742).1 |
| 9. | Het bewijs van de algemeenste reciprociteitswet in
willekeurige getalvelden. Dit had te doen met Hilberts eigen
onderzoekingen over relatief kwadratische getalvelden. |
| 10. | Te onderzoeken of een Diofantische vergelijking met een
willekeurig aantal veranderlijke en gehele rationele
coëfficiënten door gehele rationale getallen
kan worden opgelost. Dit was een oud probleem en van tijd tot
tijd weer opgevat, o.a. in het zgn. grote probleem van Fermat (xn + yn = zn). |
| 11. | De theorie van kwadratische vormen met
algebraïsche coëfficiënten.
Dit had eveneens een rechtstreeks verband met Hilberts eigen werk. |
| 12. | De generalisatie van Kroneckers theorema over Abelse
lichamen tot een willekeurig rationaliteitsgebied. Dit is een
terrein |
| | | |
| waarop algebraïsche functies,
getallentheorie en abstracte algebra elkaar ontmoeten. |
| 13. | De onmogelijkheid de algemene zevendegraadsvergelijking
op te lossen met functies van slechts twee veranderlijken. Dit
was een kwestie die opgekomen was in nomografie, zoals D'Ocagne die had
uiteengezet.1 |
| 14. | Het bewijs van het eindige karakter van zekere stelsels
van ‘relatief gehele’ functies. Hier
wordt het begrip van gehele functie algemener gemaakt tot relativganz. Dit houdt verband met theorema's over de
eindigheid van stelsels van invarianten in de theorieën van
Gordan en Hilbert. |
| 15. | Scherpe formulering van de aftellende meetkunde, door H.
Schubert ingevoerd. Hiervoor moet een strenge
algebraïsche basis worden gevonden.2 |
| 16. | De topologie van algebraïsche krommen en
oppervlakken. Dit onderwerp is nog weinig ontwikkeld, al weten
we al enkele eigenschappen, speciaal van krommen. |
| 17. | De voorstelling van definiete functies (functies die voor reële waarden van de veranderlijken
nooit negatief zijn) door sommen van kwadraten van
rationale functies met reële
coëfficiënten. Dit was in een speciaal
geval door Hilbert zelf gedaan. |
| 18. | De ruimtevulling door congruente veelvlakken. Dit is
een probleem in groepentheorie en kristallografie,
geïnspireerd door het werk van E.S. von Fedorov en A.
Schoenfliesz.3 |
| | | |
| 19. | Zijn de oplossingen van reguliere variatieproblemen van
de vorm δJ = O, J = ∬F
(x, y, z, p, q) dxdy altijd
analytisch, als F analytisch is? Hilbert merkt op dat ieder
oppervlak van constante positieve kromming analytisch moet zijn, doch
dit is niet het geval voor oppervlakken van constante negatieve
kromming. |
| 20. | Het algemene randwaardeprobleem, in het bijzonder
het bewijs van de existentie van oplossingen van partiële
differentiaalvergelijkingen met gegeven randwaarden, en generalisaties
van reguliere variatieproblemen. |
| 21. | Het onderzoek naar lineaire differentiaalvergelijkingen
met voorgeschreven monodromiegroep. Dit gaat reeds op Riemann
terug. |
| 22. | De uniformisering van analytische betrekkingen door
automorfe functies. Dit gaat in principe op Poincaré
terug. |
| 23. | Uitbreiding van de methoden der variatierekening.
Hilbert voegde deze laatste opgave, die meer een soort oproep is, aan de
andere toe omdat, ondanks de bijdragen van Weierstrass en zijn school de
variatierekening nog steeds een wijd open veld was, en dat
onderzoekingen hier bevruchtend op verscheidene andere gebieden van
wiskunde en mechanica (b.v. het drielichamenprobleem1) konden werken. |
‘Du hast die Mathematik für das 20.te
Jahrhundert in Generalpacht genommen’ schreef Minkowski
in een brief aan zijn vriend Hilbert na zijn Parijse voordracht.2 Die opmerking mag nu wel
ietwat overdreven lijken, maar het blijft een feit dat de onderwerpen
aangeroerd door Hilbert tot heel veel onderzoek van grote diepte hebben
geleid, een onderzoek dat nog steeds wordt voortgezet. Sommige van deze
problemen zijn opgelost, b.v. no. 3 door Max Dehn (de infinitesimaalrekening
is nodig), no. 17 door Emil Artin in 1920. Andere problemen zijn
gedeeltelijk opgelost, zoals no. 7, o.a. door A. Gelfond in 1929 - per slot
van rekening was dit probleem meer een program dan een vraagstuk, evenals
no. 16, dat de mogelijkheid van een geheel gebied van wiskunde opent.
| | | |
In het jaar 1900 kwam ook het tweedelige verslag uit van Schoenfliesz over de
ontwikkelingen van de leer der verzamelingen, opgesteld in opdracht van de
Deutsche Mathematische Gesellschaft. Het vormde een soort triomf voor deze
theorie, nu vrijwel algemeen aanvaard, en toonde haar belang voor de theorie
van functies van reële veranderlijken, en het begrip maat. De
auteur besprak verscheidene vormen van aanpak, zoals die van Cantor, Peano,
Jordan en Borel. Het was onder de invloed van Borel dat verdere vooruitgang
werd gemaakt, en nu in Frankrijk.
| |
3.
In de latere jaren van de 19e eeuw had deze theorie van
reële functies belangrijke nieuwe resultaten opgeleverd, vooral
op gebieden van functionele afhankelijkheid en kwesties van scherpe
definities inzake differentiatie en integratie, vaak in verband met de
theorie van trigonometrische reeksen. Uit deze theorie was ook Cantors leer
der verzamelingen voortgesproten, en andere kwesties van harmonische
analyse. We ontmoeten hier zulke onderzoekers als Paul DuBois Reymond in
Berlijn, Ulisse Dini in Pisa en Camille Jordan in Parijs.
Jordan, in de jaren '80 en later, vooral in zijn veel bestudeerde Cours d'Analyse (3 delen, 1882-84, 3e
uitg. 1909-15) voerde het begrip fonctions de variation
bornée (beperkte variatie) in en kwam, evenals
Poincaré, ongeveer terzelfder tijd, met topologische
beschouwingen. Hij zocht naar een streng bewijs voor wat we als stelling van
Jordan kennen, een stelling die zegt dat een enkelvoudige gesloten kromme in
het vlak dit vlak in twee delen verdeelt: een binnen- en een buitenzijde.
Hij plaatste ook integratie binnen het begripsgebied van een
‘meetbare’ verzameling.
Deze gedachtengang werd verder gevolgd door Emile Borel aan de Parijse Ecole
Normale. Hier, als een student, rond 1890, was hij extrêmement séduit1 door Cantors leer der verzamelingen. In
zijn proefschrift van 1894 bracht hij het ‘theorema van
Heine-Borel’2, zowel als het bewijs dat een aftelbare verzameling de maat
nul heeft, ‘maat’ hier gedefinieerd uitgaande van een
eindige verzameling van intervallen tot een meer uitgebreide verzameling (de
‘maat van Borel’). In 1898 publiceerde hij zijn Leçons sur la théorie des fonctions
(heruitgegeven in 1950).
| | | |
Dit was het uitgangspunt voor Henri Lebesgue, ook aan de Ecole Normale, toen
hij daar rond 1890 studeerde. Hij was hier in nauwe betrekking tot de vier
jaar oudere Borel en zijn eigen tijdgenoot Réné
Baire.1 Het proefschrift van Baire Sur les fonctions de variables réelles (1899)
paste Cantors leer toe op de limietfuncties van continue functies en kwam zo
tot functies behorende tot verschillende ‘klassen van
Baire’. Op dit proefschrift volgde het beroemde van Lebesgue Intégrale, longueur, aire (1902). Met een
direct beroep op Jordan en Borel voerde Lebesgue zijn maatbegrip in.
‘Er is geen begrip meer fundamenteel dan dat van maat’
schreef hij in 1931, wijzend op de rol die dit begrip had gespeeld. Zijn op
dit begrip van maat gebaseerde integratie is nu algemeen aanvaard naast de
oudere integratie van Riemann, omdat ze een hogere eenheid bracht op dit
veel besproken gebied. Een van Lebesgues theorema's was dat een continue
functie van beperkte variatie een eindige afgeleide heeft, behalve misschien
op een verzameling van maat nul.
Lebesgue, na enige provinciale betrekkingen te hebben aanvaard, keerde in
1910 terug naar Parijs, eerst als professor aan de Sorbonne, dan (1921) aan
het Collège de France. Baire doceerde eerst in Montpellier,
daarna in Dijon, maar slechte gezondheid belette hem na 1914 verder
wiskundig werk te verrichten.
Het latere werk van Lebesgue, ook voortgezet door andere wiskundigen als
Maurice Fréchet (ook van de Ecole Normale) brachten meer en meer
wiskundigen ertoe zijn denkwijze te aanvaarden. Niet zonder aarzeling -
waarom moet men zich met al die ‘pathologische’
functies bezighouden? - was de gedachte van vele heren van de oudere school.
Maar de Lebesgue-integraal was in staat allerlei moeilijkheden te overwinnen
die men sedert Riemann en Weierstrass had ontmoet. Het was in de
ideeënkring van Lebesgue en Baire dat Fréchet in 1908
tot zijn begrip van abstracte ruimte kwam en Arnaud Denjoy (die in Utrecht
professor werd) tot zijn generalisatie van de Lebesgue-integraal.
Fréchets ideeën werden weer opgenomen door anderen,
als Stefan Banach in Polen, die in 1920 de
‘Banach-ruimten’ invoerde, in dezelfde tijd dat ook
Nor- | | | | bert Wiener in Amerika met gelijksoortige
ideeën speelde.
De jonge Lebesgue, zo wordt verteld, was zo kritisch ingesteld ten opzichte
van de functietheorie van zijn tijd dat hij eens opmerkte dat een
verfrommelde zakdoek een regeloppervlak moet zijn, omdat zijn professor in
Nancy ‘bewezen’ had dat een oppervlak dat op een plat
vlak kan worden afgewikkeld uit rechte lijnen bestaat. Die kritische
instelling was typisch voor die tijd, ze blijkt uit andere
‘anomaliën’ als de ‘kromme van
Peano’, een afbeelding van een lijnsegment op een vierkant door
continue functies x en y van een
veranderlijke t, dus een kromme die een vlak vult. Ook
Hilbert vond zulk een ‘anomale’ kromme. Zulke vondsten
leidden tot de vraag naar wat nu eigenlijk een kromme is en voerden tot
onderzoek naar het dimensiebegrip.
Vanuit Duitsland kwam nu een verdere bijdrage tot onderzoek in topologie en
verzamelingenleer, welke ertoe bijdroeg deze gebieden algemeen tot
respectabele academische onderwerpen te maken. Bedoeld is het boek van de
professor in Bonn Felix Hausdorff, in 1914 gepubliceerd als Grundzüge der Mengenlehre, later uitgegeven als Mengenlehre (1927, derde uitg. 1937). Het bevatte een
axiomatische definitie van wat men een topologische ruimte begon te noemen.
Een andere generalisatie van het ruimtebegrip, zo typisch voor deze tijd, had
een metrieke maat en werd naar Hilbert genoemd.
We hebben alreeds vermeld dat wiskundigen van de oude stempel nogal
wantrouwend stonden tegenover al die belangstelling voor
‘pathologische’ functies en figuren die zo geheel
anders waren dan de ‘gladde’ objecten waarmee ze
vertrouwd waren. ‘Je me détourne avec
effroi et horreur de cette plaie lamentable des fonctions qui n'ont pas
de dérivées’ schreef Hermite eens
aan Stieltjes.1
Giuseppe Peano, van 1886 tot zijn dood in 1932 professor in Turijn, was een
pionier in de wiskundige logica en axiomatiek, met nadruk op volle
strengheid. Dit bracht hem tot zijn Formulario matematico
in 5 delen (1895-1908, herdrukt in 1960), een samenvatting van de wiskundige
stellingen (ze kwamen tot 4200), lo- | | | | gisch precies met hulp van
een speciaal symbolenschrift. Hij zag ook in hoe fundamenteel het werk van
Grassmann was. Peano was niet in staat de hele wiskundige wereld te
overtuigen, ook niet van zijn wereldtaal Latino sine
Flexione, maar zijn invloed is groot geweest, o.a. op Russell en
Whitehead.
| |
4.
De theorie der reële functies nam steeds uitgebreider vormen aan,
speciaal door de studie van trigonometrische reeksen en harmonische analyse.
Lebesgue schreef hier in 1906 een boek over. Een ander gebied was
functionaalanalyse en in het bijzonder de leer der integraalvergelijkingen.
De naam fonctionelle kwam, als we zagen, van Hadamard, en
nam de plaats in van het meer beperkte begrip van fonction de
ligne, lijnfunctie. De idee van lijnfuncties kwam eerst uit
Italië, waar Volterra, de veelzijdige leerling van Betti en Dini
in Pisa, professor in Turijn van 1893 tot 1900, en daarna in Rome voor
veertig jaren, deze functies in 1889 had ingevoerd. Evenals in andere
gebieden waarin hij werkzaam was, werd hij door fysische beschouwingen
geleid, zoals de afhankelijkheid van de stroomenergie van de vorm van de
draad die in een elektrisch veld wordt bewogen of verbogen.
Hadamard, later ook Fréchet, hadden hun uitgangspunt in de
variatierekening, en dit was ook één der wijzen waarop
Fréchet tot zijn abstracte ruimten kwam. Hadamard, een van de
meest invloedrijke en veelzijdige mathematici van zijn tijd - en die liep
van zijn dissertatie in 1892 tot ver in de jaren '50 (hij werd bijna 98 jaar
oud), was werkzaam in logica en getallentheorie, in analyse en
hydrodynamica. Hij kan met Hilbert, Weyl en Kolmogorov tot de weinige
wiskundigen van de eerste helft der 20e eeuw gerekend
worden die vrijwel de gehele wiskunde scheppend konden overzien. Zijn Série de Taylor et son prolongement analytique
van 1901, een voortzetting van zijn dissertatie, is weleens de
‘bijbel’ genoemd van allen die in dit onderwerp waren
geïnteresseerd.
Een andere bijdrage tot de functionaalanalyse brachten de
integraalvergelijkingen. Dit gebied was al tamelijk oud, we kunnen b.v. aan
de transformatie van Laplace (1792), en zeker vergelijkingen van Abel (1823)
en Liouville (1832 en later) denken. Deze formules waren echter
geïsoleerd. Maar het waren in het bijzonder grenswaardeproblemen
in de potentiaaltheorie en andere gebieden waarin
differentiaalvergelijkingen een belangrijke rol spelen, als b.v. bij
trillingen in een continuüm, die leidden tot een systematische
aanpak. Volterra stelde in 1887 de lineaire integraalvergelijking op die
naar hem is genoemd. Zijn voorbeeld werd in 1900 en | | | | 1903
gevolgd door Ivor Fredholm in Stockholm. Het was eerder Fredholm dan
Volterra die de stoot gaf en dit voornamelijk, zegt men, doordat een van
zijn studenten een voordracht over zijn werk in Hilberts seminarium gaf,
gedurende de winter van 1900-'01. De analogie tussen een lineaire
integraalvergelijking en een stelsel van n lineaire
vergelijkingen in n veranderlijken was bijzonder
aantrekkelijk.1
Hilbert was gefascineerd. Hij zag het verband met potentiaaltheorie, de
constructie van Greens functies voor gegeven grenswaarden en het berekenen
van eigenwaarden en eigenfuncties2, en
deze weer met het herleiden van kwadratische vormen in n
veranderlijken tot kanonische vorm. En dit kan weer leiden tot oneindige
matrices, begrippen die later zulk een rol in de mathematische fysica zouden
spelen. Hilberts Grundzüge einer allgemeinen Theorie
der Integralgleichungen van 1912 opende dus een nieuw gebied.
Verwant met deze onderzoekingen waren abstracte ruimten gedefinieerd door
vectoren, abstracte metrische ruimten, als reeds gezegd naar Hilbert
genoemd.
Hierin traden orthogonale functies op (generalisatie van orthogonale
vectoren). Deze waren karakteristiek voor het werk van Erhardt Schmidt, die
bij Hilbert in 1905 promoveerde en vele jaren professor in Berlijn was. In
dit verband denken we ook aan het theorema van Riesz-Fischer over een zekere
convergente reeks in de leer der orthogonale functies (1907), genoemd naar
de Duitser E. Fischer en de Hongaar F. Riesz. Riesz publiceerde menig
artikel over functionaalanalyse, waarbij hij ideeën van Borel en
Lebesgue met die van Hilbert en zijn school verbond. Hij bracht zijn
zienswijze o.a. uit in het boek Leçons d'analyse
fonctionelle (samen met zijn leerling B.
Szökafnalvy-Nagy, 1952, Engels 1955). Banachs bijdragen zijn weer
hiermee verwant.
Ook op het klassieke gebied van reële en complexe analytische
functies, waar Poincaré en Picard zo veel succes hadden geboekt,
| | | | brachten Borel, Hadamard en anderen nieuwe resultaten.
Hadamard richtte zijn aandacht op de analytische getallentheorie en het
probleem van Riemanns Zètafunctie, waar hij bewees dat
π(x), het aantal priemgetallen
≤x, asymptotisch gelijk wordt aan x/log x, een stelling reeds door Gauss
gepostuleerd. Dat was in 1896, hetzelfde jaar waarin de Leuvense professor
Charles De la Vallée Poussin een ander bewijs gaf van dit
‘priemgetallentheorema’. (Beide mannen waren even oud,
dertig, en leefden even lang.) Poussin verscherpte later zijn theorema en
bewees het vermoeden van Legendre dat de log x in de
formule log x - 1.08366 moet zijn. Zijn Cours
d'Analyse infinitésimale gedurende 1903 en 1906
gepubliceerd en meermalen heruitgegeven bracht de nieuwere onderzoekingen
van Lebesgue, Fréchet, Féjer en anderen als een
standaardwerk. Borel, van 1909 tot 1940 aan de Sorbonne, schreef en
redigeerde een aantal monografieën, zoals die van 1917, door
hemzelf geschreven, over monogene functies (functies die in ieder gebied een
afgeleide hebben). Die monografieën vormden de Collection de monographies sur la théorie des
fonctions, gepubliceerd tussen 1898 en 1950, een verzameling van meer
dan 50 delen. Borel redigeerde ook andere Collections,
waaronder een in 7 delen over waarschijnlijkheidstheorie (1937-50).
Na 1880 begon Poincaré een serie (eine
stürmische Publikations serie, schreef Klein, wiens werk
in die dagen sterk erdoor was beïnvloed) over complexe functies
die onveranderd blijven bij een groep van lineaire transformaties. Zulke
functies werden automorfe functies genoemd, ze zijn generalisaties van
trigonometrische en elliptische functies. Zij maken het mogelijk dat een
analytische betrekking tussen twee veranderlijken kan worden
geüniformeerd, d.w.z. dat de veranderlijken ieder kunnen worden
uitgedrukt door een eenwaardige automorfe functie. Hilberts 22e Parijse
probleem had hierop betrekking. In 1908 gaf Poincaré een bewijs
en ongeveer terzelfder tijd als Kleins leerling Paul Koebe. Koebe, die eerst
in Jena en daarna in Leipzig heeft gedoceerd, heeft ook over conforme
afbeelding gepubliceerd.1
Paul Painlevé, negen jaren jonger dan Poincaré, eerst
professor in Rijssel (1887), daarna in Parijs (1892), werkte op het gebied
van algebraïsche krommen en de singuliere punten bij de
oplossingen van differentiaalvergelijkingen; de resultaten ervan paste hij
toe | | | | op het gebied van rationale mechanica. Wij ontmoeten in
hem een type dat in Frankrijk en Italië meer voorkomt dan elders:
een man van wetenschap die ook een voorname plaats in het politieke leven
inneemt. Painlevé was minister van onderwijs in 1905, van oorlog
in 1917, en was verantwoordelijk voor de benoeming van generaal Foch in het
Conseil Général der
Geallieerden. En was weer eens minister in 1925. Hij doceerde niet alleen
aeronautica, maar was een pionier vlieger. Tot zijn geschriften behoort de
tweedelige Leçons sur la résistance des
fluides non visqueux (1930-31).
| |
5.
De bloei der moderne wiskunde strekte zich ook uit tot de Verenigde Staten,
van waar in de jaren '80 en '90 vertegenwoordigers van een jongere generatie
naar Europa, en speciaal naar Duitsland reisden, om moderne meetkunde en
analyse te studeren en zo mogelijk te promoveren. De eerste Amerikaanse
wiskundige school had als leider Eliakim Hastings Moore, vanaf 1892
professor aan de juist opgerichte (en door Rockefeller gefinancierde)
universiteit van Chicago. Moore had in Berlijn de invloed ondergaan van de
strenge bewijsvoering in de school van Kronecker en Weierstrass. En zo werd
hij in Chicago een meester in abstracte vormen van wiskunde, van axiomatiek
tot integraalvergelijkingen en verbond zijn naam aan een theorie van
functieklassen van zeer algemene aard, beïnvloed door Cantor en
Russell, de general analysis, algemeen genoeg om een
eenheid in verschillende theorieën te omvatten. Hij legde ook
nadruk op notatie en bracht Florian Cajori, de Amerikaanse historicus der
wiskunde (en een geboren Zwitser) ertoe, zijn History of
mathematical Notations (2 dln, 1928-29) samen te stellen.
Zowel als organisator en leraar was Moore gelukkig. Hij had uitstekende
studenten, die op hun beurt de wiskunde in de VS moderniseerden: Robert L.
Moore in Texas, Oswald Veblen in Princeton, George D. Birkhoff aan Harvard.
In Chicago was Leonard E. Dickson zijn collega (na 1900), de Dickson van de
monumentale driedelige History of the Theory of Numbers
(1919-23) en studies over eindige groepen. Zij behoorden tot de eerste
generatie van Amerikaanse wiskundigen, die hun voornaamste opleiding in hun
eigen land hadden verkregen.
R.L. Moore1 en Veblen waren vertegenwoordigers van dat ge- | | | | bied
dat eerst de naam analysis situs had, doch na 1900 meer en
meer als de combinatorische tak der topologie werd beschouwd, in
tegenstelling tot de topologie der verzamelingen; deze gebieden werden op
den duur niet altijd scherp gescheiden, o.a. in en door het werk van L.E.J.
Brouwer. Die analysis situs begon met een aantal vraagstukken die meer op
puzzels leken, zoals Eulers probleem van de zeven bruggen in Koningsbergen,
of het beroemde eenzijdige lint van Möbius, maar met de
Riemann-oppervlakken in complexe functietheorie begon ze zich tot een meer
algemeen gebied te ontwikkelen. Deze ontwikkeling werd dan verder door een
reeks onderzoekingen in de hand gewerkt, als die van Jordans en Peano's
krommen, en vooral door de reeks van onderzoekingen door Poincaré
tussen 1895 en 1904 ingesteld, met betrekking tot simplexen, complexen en de
getallen van Betti in oppervlakkentheorie. Dit bracht ook de theorie der
homologie met haar groepbeschouwingen, ketenen en cyclussen, en haar
onderzoekers als Veblen en zijn Princetonse collega James W. Alexander met
zich mee.
Speciale belangstelling wekten de publikaties van de Nederlander L.E.J.
Brouwer, die zijn debuut maakte met zijn Amsterdamse dissertatie Over de grondslagen der Wiskunde (1907, met Korteweg als
promotor). Zijn belangstelling richtte zich daarna op continue groepen
(Hilberts 5e probleem) en topologie. Tussen 1908 en 1912 vond hij zijn
theorema dat iedere continue afbeelding van een n-dimensionale bol op
zichzelf minstens één punt invariant laat. Hier kwam
hij tot het probleem van de invariantie van het dimensiegetal, dat al
geregeld sinds de dagen van Cantor en Peano was opgekomen, en bewees dat een
afbeelding van ruimten op ruimten van verschillende dimensie niet homeomorf
kan zijn, d.w.z. dat geen een-eenduidige continue afbeelding mogelijk is
(1910). Brouwer toonde ook aan hoe het mogelijk is een cirkelvormige schijf
in drie gebieden te delen met dezelfde grenskromme.
Heel wat van de topologie van deze periode kan men vinden in Veblens Analysis situs (1922) en in L'analyse situs
et la géometrie algébrique (1924) door
Solomon Lefschetz, na 1928 Veblens collega in Princeton.
| |
6.
In deze tijd veranderde algebra geheel van karakter. Vanouds was ze de leer
der algebraïsche vergelijkingen geweest, en daar was dan in de
19e eeuw met de groepentheorie de leer der co- en invarianten bijgekomen. Nu
werd de algebra het gebied van heden met zijn ringen, lichamen, idealen en
verwante abstracte begrippen. | | | | Dit was gedeeltelijk het gevolg
van de ontwikkeling van de theorie van Galois met haar oorsprong in de oude
algebra tot een zelfstandig abstract gebied, dat der groepentheorie. Men kan
deze ontwikkeling volgen in het Lehrbuch der Algebra (2
dln, 1895-'96) van Heinrich Weber, eerst professor in Koningsbergen (waar
hij de leraar was van Hilbert en Minkowski), later in Straatsburg.1 Dit boek
heeft speciale hoofdstukken over groepen en algebraïsche
lichamen. Frege en Peano deden ook hun pionierswerk op dit gebied, totdat
Ernst Steinitz, toen in Breslau, in 1910 zijn Algebraische
Theorie der Körper publiceerde. In dit boek waren
lichamen (Körper) het centrale abstracte
begrip, een stelsel van elementen met twee operaties, optelling en
vermenigvuldiging, die voldoen aan associatieve en distributieve wetten.
Steinitz' program was al zulke lichamen te onderzoeken. Als een invloed op
zijn werk noemde Steinitz ook Kurt Hensel's Theorie der
algebraischen Zahlen (1908, Hensel was in Marburg) met zijn studies
over ‘padische getallen’.
Met Steinitz begint de nieuwe algebra een vlucht te nemen, vooral in de
periode tussen de twee wereldoorlogen. Hier was de invloed van Emmy Noether,
de dochter van Max Noether, de algebraïcus van Erlangen, naar
vele zijden duidelijk. Zij promoveerde in 1907 bij Paul Gordan, collega van
haar vader en de invariantentheoreticus. Haar proefschrift ging over
ternaire bikwadratische vormen. In 1915 begon zij onder Hilbert in
Göttingen te doceren, maar als vrouw en als Jodin had zij met
zware vooroordelen te kampen. Haar hoogste titel was nicht-beambtete ausserordentliche Professor. Toen Hitler kwam,
verloor zij haar slecht betaalde Lehrauftrag, ze moest
uitwijken en van 1933 tot haar dood twee jaar later (ze was 53 jaar oud) had
ze een betrekking aan Bryn Mawr, een vrouwenuniversiteit bij Philadelphia.
In Göttingen, met haar studenten, ontwikkelde ze de ideaaltheorie
en de theorie van niet-commutatieve algebra, alles streng axiomatisch.2 ‘Om dit | | | | onderwerp
grondig te begrijpen moeten we het ganz abstrakt fassen
hoorde ik haar eens zeggen. Onder haar leerlingen bevonden zich Emil Artin,
Richard Brauer en Bartel R.L. van der Waerden, die allen dit werk met groot
succes hebben voortgezet. Het werk van Van der Waerden, neergelegd in zijn
Moderne Algebra (1930 en later) was
geïnspireerd door voordrachten van Emmy Noether in
Göttingen en Emil Artin in Hamburg. In de Sovjet-Unie vond de
nieuwe algebra een beoefenaar in Otto Schmidt, ook bekend als geofysicus en
een organisator van poolonderzoek.
Er bestaan allerlei relaties tussen deze algebraïsche
onderzoekingen en andere gebieden als algebraïsche meetkunde en
verzamelingenleer. Steinitz zelf vestigde de aandacht op het feit dat zekere
theorema's met het Auswahlprinzip, het keuzeaxioma, van
Zermelo samenhingen.
Ernst Zermelo, in die tijd in Göttingen (van 1910-'16 was hij in
Zürich, later in Freiburg) publiceerde zijn welorderingstheorema
in 1902, dit theorema dat zegt dat in iedere verzameling een betrekking kan
worden ingevoerd zodat voor elk tweetal elementen a en b ofwel a = b of a < b(a
komt vóór b) of b
< a, en dat voor drie elementen a,
b, c uit de betrekkingen a < b en b < c
de betrekking a < c volgt,
terwijl iedere deelverzameling een eerste element heeft. De noodzaak van dit
theorema bleek uit de algemene ontwikkeling van Cantors leer, waarin menige
lacunes waren achtergelaten. Een ervan was de axiomatiek, waarvoor in 1908
Zermelo het eerste systeem opzette. Een ander was het
continuümprobleem (Hilberts eerste probleem). Zermelo baseerde
zijn bewijs op het keuzeaxioma, dat zegt dat in een familie van
verzamelingen X er een keuzefunctie F(X) met F(X) ∊ X voor alle X in
de familie bestaat. Dit ontmoette oppositie van sommige zijden omdat er geen
methode kon worden aangegeven om zulk een functie te vinden. Hadamard en
Hilbert waren bereid het te aanvaarden, Poincaré en Borel waren
niet zo gewillig.1
Er waren meer zulke conflicten. Er werden zekere contradicties,
‘paradoxen’, in de structuur zelf van de wiskunde
ontdekt - in de | | | | wiskunde nota bene, die wetenschap van
volkomen zekerheid! Maar iets dergelijks was al meer voorgekomen, in de
Pythagoreische ontdekking van het irrationale dat in tegenspraak was met de
natuur van het getal (arithmos), en in de moeilijkheden
die men ontmoette bij de differentiaalrekening van Newton en Leibniz, waar
een veronderstelde ‘infinitesimaal’ als dx in dezelfde operatie als nul en als niet-nul moest worden
beschouwd. In beide gevallen werd de tegenstelling uiteindelijk opgeheven in
een dialectisch proces, waarin de tegenstellingen in een wijder verband
werden ‘opgeheven’. Eerlijk gesproken braken de meeste
wiskundigen hun hoofd niet over die paradoxen en gingen rustig hun weg,
overtuigd dat hun wetenschap toch per slot van rekening
‘waar’ was. Maar er was ditmaal weer heel wat
discussie, die nog niet ten einde is gebracht.
De paradoxen die volgden uit Cantors leer waren van verschillende aard.
Eén voorbeeld moge een denkbeeld geven, dat van Russell (1903).
Laat S de verzameling zijn van alle verzamelingen die zichzelf niet
bevatten. De vraag is nu: is S een element van zichzelf? Zo ja, dan is S
niet een element van zichzelf. Zo neen, dan is ze een element van zichzelf.
Dit herinnert ons aan de oude paradox van de Kretenzer die zei dat alle
Kretenzers liegen. Het bleek maar al te duidelijk dat de verzamelingenleer
met grote voorzichtigheid moet worden gehanteerd, speciaal als de term
‘alle’ wordt ingevoerd, en men semantisch onachtzaam
is. Om Picard te parafraseren: de wiskunde was bezig en grande
coquetterie met de semantiek te raken - eigenlijk al sinds de dagen
van Boole.
Verscheidene pogingen werden aangewend om de waarheidswaarde der wiskunde te
handhaven. Een strenge axiomatisering van Cantors theorie was nodig. We
hebben die van Zermelo vermeld, zijn axiomatiek had een stelsel van zeven
axioma's en het gebruik van slechts twee technische termen,
‘verzameling’ en ∊
(element van). Een restrictie in de formulering van de eigenschappen van een
deelverzameling maakte het mogelijk de paradox van Russell te omzeilen. Het
zesde axioma was het keuze-axioma. Zermelo ging niet diep in op de vraag
naar de onafhankelijkheid en de consistentie der axioma's. Hierin brachten
Adolf Fraenkel, toen in Marburg, en Thoralf Skolem, later in Oslo,
verscherpingen aan. Toch bleef axioma 6 een punt van discussie, speciaal ook
na de kritiek van Kurt Gödel (1930).
Fraenkel werd, ook buiten de kring van zijn engere vakgenoten, bekend door
zijn elegante Einleitung in die Mengenlehre (1919, meer
uitgebreide editie, 1923), een boek dat zijn oorsprong had in | | | |
voordrachten die Fraenkel gedurende de Eerste Wereldoorlog in de loopgraven
voor zijn medesoldaten hield (dit herinnert ons aan Poncelet in zijn
Russische gevangenschap). Na 1929 doceerde Fraenkel in het land dat
Israël zou worden.
Hilbert, die in zijn boek over de grondslagen der meetkunde (1899) de
consistentie van de meetkundige axioma's had teruggevoerd op die der
rekenkunde, was diep ongerust over de moeilijkheden die zich aan het ophopen
waren in de grondslagen der wiskunde. Hij trachtte die moeilijkheden te
overwinnen door een methode die formalisme wordt genoemd.
Hierbij werd de wiskunde in principe teruggebracht tot een eindig spel met
een oneindig, eindig gedefinieerd, apparaat van formules. De regels van dit
spel mochten geen tegenstrijdigheden bevatten, zodat men nooit het spel zo
kon spelen dat men op zoiets uitkomt als 0 = 1. Dit leidde tot een gebied
dat als metamathematica zelf buiten de eigenlijke wiskunde
lag, een theorie van bewijsgeving, een wetenschap (of wijsbegeerte)
waaronder geformaliseerde wiskunde kan worden beoefend zonder vicieuze
cirkels en tegenstrijdigheden.
Hilberts ideeën, later neergelegd in een boek met W. Ackermann
(1928) en in een ander met Paul Bernays (1934)1 werden
niet algemeen aanvaard. De scherpste kritiek kwam van L.E.J. Brouwer, die in
1907 in het strijdperk trad met zijn reeds vermelde proefschrift en erop
stond dat het wezen der wiskunde veeleer bestond in het vinden van de
waarheid door constructief te werk te gaan dan in het leveren van
consistentiebewijzen. En zo, tussen 1913 en 1919 ontwikkelde Brouwer zijn
intuïtionisme, waarin de oorsprong van de
wiskunde wordt gezien als een Oerintuïtie, en deze brengt ons de
natuurlijke getallen. Dan worden slechts zulke begrippen erkend, waarvan een
wijze van constructie kan worden aangegeven. Volgens deze gedachtengang
behoeft men het principe van het uitgesloten derde niet voor oneindige
verzamelingen te aanvaarden.
Dit intuïtionisme, dat heel wat klassieke wiskunde verwierp,
voerde tot soms nogal scherpe meningsverschillen in de jaren '20, waarin
Herman Weyl, toen in Zürich (hij was bij Hilbert gepromoveerd) de
zijde van Brouwer koos. Weyl had in die tijd reeds belangrijk werk
gepubliceerd over integraalvergelijkingen en grenswaardeproblemen. In zijn
boek Die Idee der Riemannschen Fläche (1913)
verscherpte hij, steunend op Brouwers topologische theorema's, de
grondslagen der complexe functietheorie. Weyl | | | | wijzigde in de
loop der jaren zijn standpunt inzake de grondslagen enigszins; wie zijn
latere ideeën wil bestuderen kan ze vinden in zijn Philosophy of Mathematics and Natural Sciences, een boek van 1949,
gebaseerd op een artikel dat hij in 1926 schreef.1
Ofschoon de meeste wiskundigen Brouwer niet konden volgen in zijn verwerping
van zoveel delen uit de wiskunde die niet in zijn theorie pasten, waren ze
het wel eens met hem dat een aan te geven constructiemethode te verkiezen is
boven een postulaat zonder meer, zelfs als deze met de axioma's consistent
is. Belangstelling in Brouwers voor sommigen nog al verontrustende theorie
nam af en nam toe, maar nadat Kurt Gödel in 1931 had aangetoond
dat Hilberts programma onuitvoerbaar was, kon Brouwers
intuïtionisme in een hernieuwde staat voortleven, in het
bijzonder door het streven van Arend Heyting, professor in Amsterdam (van
1930 af).
Het artikel van Gödel dat zulk een slag toebracht aan Hilberts
opzet, Über formal unentscheidbare Sätze
der Principia Mathematica und verwandter Systeme2
verscheen vóór Hilberts Grundlagen der
Mathematik van 1934. Het voornaamste resultaat was dat, in het
geval dat een arithmetisch systeem S geen tegenstrijdigheden bevat, men deze
contradictieloosheid niet kan bewijzen binnen het raam van dit systeem. Dit
artikel, met zijn beschouwingen over volledigheid, beslisbaarheid en
consistentie opende een nieuwe periode in de grondslagendiscussie.
De Principia Mathematica, in drie imposante delen, van
1910-'13, waren samengesteld door Bertrand Russell en Alfred North Whitehead
in Cambridge, onder de invloed, als we zagen, van Frege, Cantor en Peano.
Deze Principia waren het hoogtepunt in een programma
bekend als logistiek. Het verschilde van Hilberts
formalisme in zoverre dat het trachtte de gehele wiskunde op te bouwen door
logische deductie van een klein aantal begrippen en beginselen. Die drie
delen waren in een ingewikkeld, maar precies symbolisme geschreven, en zij
die het bestudeerd hebben, hebben de logische schoonheid bewonderd. Maar
Gödels kritiek trof de logistiek alswel als het formalisme, en
toonde aan dat in laatste instantie het doel niet kan worden bereikt. Toch
is de bijdrage van | | | | de Principia, evenals die
van Hilbert, tot de wiskundige logica aanzienlijk geweest.
Whitehead, elf jaren ouder dan Russell (die van 1872 tot 1970 heeft geleefd)
had reeds een Universal Algebra (1898) geschreven, op
Grassmann, Boole en Hamilton gebaseerd, en had ook over de axiomatiek der
projectieve en beschrijvende meetkunde gepubliceerd (1906-'07). In 1924 werd
hij professor aan Harvard en maakte naam als een filosoof. Zijn veelgelezen
Science and the modern World (1925) heeft een
enigszins Platonisch karakter. Russell is ook de auteur van een Essay on the Foundations of Geometry (1897).
| |
8.
Deze grondslagen der meetkunde, onderwerp van de studies van Pasch, Whitehead
en Russell werden in het volle daglicht der wiskundige wereld getrokken door
Hilberts Grundlagen der Geometrie. Dit boek, voor het
eerst in 1899 gepubliceerd, is herhaaldelijk herdrukt, ook na de dood van
Hilbert, waarbij de herziening in handen was van Paul Bernays, vele jaren
Hilberts medewerker en professor in Zürich (9e uitg. 1962), zelf
een grondige Grundlagenforscher. Met dit boek, dat ook
buiten wiskundige kringen blijvende aandacht genoot, werd een nieuw tijdperk
geopend in het onderzoek naar de grondslagen der meetkunde, en niet alleen
van die van Euklides. Projectieve, affiene, niet-Pascalse,
niet-Archimedische, niet-Euklidische meetkunden werden onderzocht of
opgesteld. Als een voorbeeld kunnen we Max Dehns Göttinger
theorema nemen, dat de noodzakelijkheid van het Archimedische postulaat voor
het bewijs van Legendres theorema aantoont. (Legendres theorema zegt dat de
som van de hoeken van een vlakke driehoek niet groter kan zijn dan twee
rechte hoeken, 180°). We vermeldden reeds Dehns oplossing van
Hilberts derde Parijse probleem.
In het voorbericht van zijn boek wijdt Hilbert aandacht aan Giuseppe
Veronese, professor in Padua. Veronese was een der eersten die een
niet-Archimedische meetkunde schiep, en hij was eveneens een pionier in de
metrische en projectieve theorie van meerdimensionale ruimten Sn. In de S5 ligt een oppervlak dat
zijn naam draagt en dat, op een S3 geprojecteerd, een
oppervlak van Steiner geeft (zie Hoofdstuk VIII, sectie 3). Een aantal
collega's volgden hem in die studies. Corrado Segre onderzocht lineaire
transformaties en algebraïsche oppervlakken in zulke ruimten. Een
zijner leerlingen was J.L. Coolidge, na 1908 aan Harvard, die ook, evenals
C.L.E. Moore, later aan het MIT, een leerling was | | | | van Eduard
Study in Bonn. Study had vele oorspronkelijke ideeën op het
gebied van meetkunde en groepentheorie, b.v. in een uitvoerige studie van
boldriehoeksmeting; hij kon nogal polemisch worden als het erop aankwam
slordige formuleringen in de meetkunde te verwerpen, ook op het gebied van
de invoering van complexe getallen in de meetkunde, waarin vanaf de dagen
van Poncelet nogal vrijmoedig consequenties waren getrokken.1
We ontmoeten op dit Italo-Duitse gebied van Sn een
Nederlander: Pieter Hendrik Schoute, professor in Groningen. Hij was de
auteur van een tweedelige Mehrdimensionale Geometrie. Het
tweede deel (1905) gaat over polytopen, de analogie van de veelvlakken der
gewone ruimten. Een der regelmatige polytopen in S4 is
de tessaract (hyperkubus). Hij werkte op dit gebied samen met Alice Boole
Stott, een dochter van George Boole, de logicus. In 1913, bij gelegenheid
van het 300-jarige bestaan van de universiteit, hielden Schoute en Alice
Boole een tentoonstelling van hun modellen.2
Op een geheel andere en meer fundamentele wijze werd Riemann in zijn
publikatie van 1854 tot het begrip van een meerdimensionale ruimte gebracht.
Voor hem was zulk een ruimte een topologische uitgebreidheid, waaraan hij
een metriek toekende door de introductie van een kwadratisch lijnelement,
dat we nu ds schrijven, met ds2 = gij dxidxj. Dit voerde, door het werk van
Christoffel, Beltrami en anderen, tot de zgn. absolute differentiaalrekening
van Gregorio Ricci-Curbastro in Padua (1883 en later). Een samenvatting van
zijn resultaten en die van zijn leerling Tullio Levi-Civita, met
toepassingen op differentiaal-invarianten, differentiaalmeetkunde en
mechanica kwam uit in de Mathematische Annalen van 1901,
met titel Méthodes de calcul différentiel
absolu. Dit artikel werd na 1913 beroemd, omdat Einstein deze calcul voor zijn algemene relativiteitstheorie overnam en
de naam gaf van tensorrekening. Wis- en natuurkundigen begonnen nu | | | | deze tensorrekening toe te passen op allerlei vraagstukken in
relativiteitstheorie, differentiaalmeetkunde en mechanica, vooral toen
Levi-Civita, in 1917 het begrip parallellisme invoerde (evenals J.A.
Schouten in 1918). Dit voerde weer tot generalisaties van Riemanns
meetkunde, vooral door het werk van Herman Weyl (1918) en Arthur Eddington
(1923). Een algemene classificatie van de nieuwere meetkunde werd door
Schouten gegeven en samengevat in zijn Ricci-Calcül van 1924 (in het Duits, een complete
herziening verscheen in het Engels in 1954).
Geleid door zijn grondige beheersing van Lie's theorie der continue groepen,
reeds het onderwerp van zijn Parijse dissertatie van 1894, en zijn theorie
van formes extérieures differentielles
ω(d) = ν1dx1 + ... + ν11dx11, met hun directe verbinding met het probleem van
Pfaff, trad Elie Cartan, na 1909 professor in Parijs, nu met zijn eigen
ideeën in deze wereld van nieuwe meetkunden, waarin zijn (ω-theorie op elegante manier in de
tensorrekening paste, waar ω als ν1dx1 covariante vectorvelden beschrijft. Hier bracht hij
ook topologische beschouwingen in. Zijn artikelen en boeken over ruimten van
euklidische, affiene en projectieve connecties tonen groot meesterschap in
de hantering van meetkundige en analytische begrippen, in de traditie van
Monge en Darboux, zoals in La Méthode du
Repère mobile, la Théorie des Groupes continus et
les Espaces généralisés (1935) en
La Théorie des groupes finis et continus et la
Géométrie différentielle
traitées par la Methode du Repère mobile
(1937).
De term tensor in de moderne betekenis (reeds Hamilton had
deze term gebruikt in een andere zin) was ingevoerd door de natuur- en
kristalkundige Woldemar Voigt in Göttingen omstreeks 1900. Voor
Voigt was deze tensor een generalisatie van de vectorrekening, het werk van
Gibbs en Heaviside gedurende de jaren '80, en die in kringen van ingenieurs
en natuurkundigen na 1900 meer en meer gewaardeerd werd. Hier was de Vector Analysis van E.B. Wilson, een leerling van Gibbs,
van grote invloed. Dit boek was van 1901, doch reeds vroeger had de
fysicus-ingenieur August Föppl in Leipzig de vectoranalyse in
Duitsland bekendgemaakt, ook door Grassmanns erfenis beïnvloed:
Einführung in die Maxwellsche Theorie der
Elektrizität (1894). Met de generalisaties van vectors
tot dyaden, tensoren, affinoren, rotoren enz. kwam een grote verwarring in
notatie en nomenclatuur, zodat er scholen waren van Grassmannianen,
Hamiltonianen, en zo meer. Toen Minkowski in zijn rede van 1908 Raum und Zeit Einsteins speciale relativiteitstheorie een
vierdimensionale betekenis had gegeven, | | | | kwamen er nu ook Vierer- en Sechservektoren op de markt.
Deze anarchie werd vaak besproken en L'Enseignement
mathématique van 1909 en 1910 bracht een hele discussie.
De zaak raakte langzamerhand op de achtergrond door de op groepentheorie
gebaseerde classificatie dezer begrippen, waarvan Klein, Schouten1 en Cartan de
noodzakelijkheid aantoonden. De groeiende invloed van de tensorrekening na
1915 bracht ook meer eenheid, en ook de mogelijkheid de grondslagen van deze
rekening vast te leggen.2
Sommige nieuwe theorema's werden ook in de oude elementaire meetkunde
ingevoerd. In de negentiende eeuw was de zgn. nieuwere driehoeksmeetkunde
door verscheidene wiskundigen ontwikkeld - we denken aan K.W. Feuerbach (de
jong gestorven broer van de filosoof) en de negenpuntcirkel (1822), van
Pierre Brocard en Emile Lemoine met de naar hen genoemde punten (1886,
1873). Een theorema dat omstreeks 1900 door Frank Morley werd geformuleerd
en voor vele jaren een geliefd onderwerp van wiskundigendiscussie was, en
vaak op verschillende wijze bewezen, stelde vast dat de drie snijpunten van
corresponderende trisectrices van de hoeken van een driehoek een
gelijkzijdige driehoek vormen.3
| |
9.
Ook de klassieke getallentheorie werd belangrijk verrijkt. We hebben reeds
enige ontdekkingen van Hadamard en De la Vallée Poussin in
analytische getallenleer vermeld. De vertegenwoordiger van dit gebied in
Göttingen was Edmund Landau met zijn gedrongen euklidische stijl,
zoals blijkt uit zijn Handbuch der Lehre von den
Primzahlen (1909). In Engeland ontmoeten we het beroemde tweetal G.H.
Hardy en J.E. Littlewood, waarover later, in Rusland G.E.
Voronoǐ, die de Nederlander J.G. van der Corput
beïnvloedde. Voronoǐ beoefende ook de door Minkowski
ingevoerde Geometrie der Zahlen (1896, 2e uitg. 1910),
resultaat van zijn werk in ternaire kwadratische vormen. Hier vindt men ook
stellin- | | | | gen over convexe lichamen en de
‘stapeling’ van bollen en andere lichamen in een
gegeven ruimte.
Minkowski, die in 1881 de Grand Prix van de Parijse Académie had
verkregen toen hij 18 jaar oud was (over de samenstelling van gehele
getallen door sommen van vijf kwadraten van gehele getallen) was, na een
professoraat in Zürich van 1896 tot 1902, de collega van zijn
vriend Hilbert tot zijn vroege dood (45 jaar) in 1909. Hij beheerste vele
gebieden in de wiskunde en de mathematische fysica, zoals elektromagnetisme,
zodat hij de geleerde wereld in 1908 kon verbazen met zijn Raum
und Zeit: ‘Von Stund an sollen Raum
für sich und Zeit für sich völlig zu
Schatten herabsinken und nur noch eine Art Union der beiden soll
Selbständigkeit bewahren.’1 De weg naar de algemene
relativiteitstheorie was gebaand, maar deze rede heeft ook tot veel zuiver
wiskundig onderzoek geleid.
Dicksons geschiedenis der getallentheorie is al vermeld.
| |
10.
De Eerste Wereldoorlog (1914-'18) onderbrak en vernielde zelfs allerlei
internationale betrekkingen. Wiskunde was geen uitzondering. Duitse
wiskundigen beschuldigden hun Franse collega's (Klein deed mee, Hilbert
niet), de Fransen op hun beurt beschuldigden de Duitsers. Sommige
wiskundigen, als Volterra en Veblen, werden adviseurs van hun regering. Maar
vergeleken met wat in de Tweede Wereldoorlog gebeurde was de wiskunde nog
maar weinig in de oorlog betrokken. De ‘Internationale Commissie
over het Onderwijs in de Wiskunde’, in 1908 op het congres in
Rome gesticht, met Klein als voorzitter, beleefde nog net een veelbelovende
conferentie in Parijs gedurende april 1914 tot ze uiteenviel en niet
vóór 1928 in Bologna werd hersteld.2
Na de oorlog kwam er een internationaal congres in Straatsburg (1920) en in
Toronto (1924) bijeen, maar de verslagen naties waren uitgesloten.
Eindelijk, in 1928 kwam een werkelijk internationaal | | | | congres
bijeen in Bologna, met als voorzitter S. Pincherle, waar ook Volterra, een
pionier in de functionaalanalyse, aanwezig was. Nog steeds was Europa
overheersend; onder de 826 deelnemers waren er slechts 52 van buiten Europa,
en die waren allen uit de VS. De Internationale Mathematische Unie, in 1919
in Brussel gesticht, werd nu ook in werkelijkheid internationaal.
Op het volgende internationale congres, in Zürich (1932) waren er
667 deelnemers uit 40 landen, 66 uit de VS, en 10 uit de Sovjet-Unie (die
ook in Bologna met 37 afgevaardigden vertegenwoordigd was). Het congres van
1936, in Oslo, was wat kleiner (487 deelnemers, 27 landen), we zijn in de
Hitlerperiode van wereldspanning. De wereldoorlog was oorzaak dat de
volgende internationale conferentie pas in 1950 bijeenkwam.
Het centrum van de wiskundige wereld bleef, ook na 1918, in de traditionele
gebieden van Europa, doch de VS en de nieuwe Sovjet-Unie waren grote
sprongen vooruit aan het maken. Reeds waren, in de jaren '20, Cambridge
(Mass.), Princeton, Moskou en Leningrad belangrijke centra. In Polen (sinds
1918 onafhankelijk) bestond een school van zeer getalenteerde wiskundigen
die zich toelegden op topologische en grondslagenkwesties. De bloei der
wiskunde in Italië en Centraal Europa werd echter in de jaren '30
onderbroken door de komst van het fascisme, waarvan echter andere landen,
speciaal de VS, profiteerden. Moderne wiskunde kwam nu ook uit Canada,
Japan, Australië en Brits-Indië. Het aantal wiskundige
publikaties steeg meer en meer.
Nu kwamen er ook tijdschriften gewijd aan speciale gebieden. De Fundamenta Mathematica, een Poolse uitgave die in 1920 was
begonnen, was gericht op topologie en grondslagenonderzoek. Het Duitse ZAMM
(Zeitschrift für angewandte Mathematik und
Mechanik) begon in 1921 en had als stichter Richard von Mises, een
Oostenrijkse wiskundige die was gespecialiseerd in mechanica en aerodynamica
en die, na in 1933 uit Europa te zijn verdreven, professor aan Harvard werd.
Hij had ook zijn eigen waarschijnlijkheidstheorie (de zgn.
frequentietheorie), o.a. in het Mathematische Zeitschrift
van 1919 te vinden. Een aantal reeksen van monografieën
verschenen, als de Mémorial des Sciences
mathématiques (Frankrijk), de Ergebnisse
der exakten Wissenschaften en de Grundlehren
(Springers bekende ‘gele boeken’) in Duitsland, de Monografie Matematyczne in Polen. Er kwamen nu ook
internationale conferenties over speciale onderwerpen als die in Delft over
toegepaste wiskunde en mechanica van 1924, georganiseerd door professors
Biezeno en Burgers. Of die in Moskou over tensors (1934) en topologie
(1935).
| |
| | | |
11.
Göttingen behield gedurende de jaren van de Weimarse Republiek de
leidende rol die ze al lang had gehad, vooral na Kleins komst in 1886, en na
zijn dood in 1925 door Hilberts positie, zelfs na diens pensionering in
1930. Rond hem bevond zich een sterke faculteit, met Landau (getallenleer),
Gustav Herglotz (verschillende gebieden van analyse en mathematische
fysica), Richard Courant, Kleins opvolger (die zich bezighield met
grenswaarden en het beginsel van Dirichlet), Emmy Noether, Paul Bernays,
Prandtl. Een even sterke natuurkundige faculteit werd geleid door Max Born
en speelde een belangrijke rol bij de ontdekking van de nieuwe mechanica der
quanta door Walter Heisenberg, Wolfgang Pauli en anderen. Numerieke
problemen waren het gebied van Carl Runge, en vanaf 1921 was Felix Bernstein
het hoofd van het Instituut voor Wiskundige Statistiek, nadat hij alreeds
naam had gemaakt in de leer der verzamelingen, met het equivalentietheorema
van Cantor-Bernstein. Studenten en bezoekers bleven naar dit Mekka stromen.
Hilbert, in 1922 zestig jaar oud, kwam in 1896 naar Göttingen van
Koningsbergen in Pruisen, op initiatief van Klein. Zijn eerste werk lag op
het terrein van algebraïsche invarianten en
algebraïsche getallenleer, waar zijn Zahlbericht, in 1897 voor de Deutsche Mathematische Gesellschaft
samengesteld, voor vele jaren toonaangevend was. We hebben zijn verdere
algemene onderzoekingen alreeds gevolgd, maar moeten toevoegen dat hij ook
speciale problemen aanvatte, als dat van Waring (ieder positief geheel getal
kan worden voorgesteld door de som van hoogstens n hde machten, waar n alleen van
h afhankelijk is, b.v. een som van hoogstens 4
tweedemachten) en de stelling dat alle oppervlakken van constante negatieve
kromming in de gewone ruimte singulariteiten hebben, b.v. de pseudosfeer van
Beltrami. Als gezegd, hij nam afscheid in 1930, en werd opgevolgd door-Weyl;
hij stierf onder de nazi's, zijn Göttingen als een wiskundige
ruïne achterlatend.
Weyl moest in 1933 Göttingen verlaten en ging naar het juist
opgerichte Institute for Advanced Study in Princeton, waarheen ook Einstein
en Gödel (en later Von Neumann) waren gegaan. Van zijn boeken,
alle invloedrijk, noemen we nog Gruppentheorie und
Quantenmechanik (1928) en Algebraïsche
Zahlentheorie (1938), die al in hun titels Weyls veelzijdigheid
uitdrukken. Hij stierf in 1955.
Andere Duitse universiteiten konden ook op uitstekende wiskundigen bogen. In
Berlijn vinden we I. Schur (algebra en groepentheorie), zowel als Erhardt
Schmidt, die zijn naam aan het | | | | zgn. orthogonaliseringsprincipe
in Hilbert-ruimten gaf (1907). Na 1924 vinden we in München
Constantin Carathéodory, een Berlijner van Griekse afkomst (zijn
vader was een diplomaat), die elegant werk deed in variatierekening, o.a. in
zijn inleiding tot Eulers Methodus inveniendi in diens Opera Omnia.
| |
12.
Frankrijk had vele jonge mannen in de oorlog verloren, maar behield toch nog
menige belangrijke wiskundigen: Hadamard, Borel, Fréchet,
Lebesgue, Gaston Julia, Paul Lévy, Cartan, wier onderzoekingen in
vele richtingen gingen. Parijs bleef het centrum, met (evenals in
Göttingen) grote fysici - Madame Curie, Paul Langevin, zijn
student Louis de Broglie (proefschrift van 1908) naast grote mathematici.
Naast de reeds vermelde series Mémorial en Actualités bevatten ook de Annales van het Institut Henri Poincaré (1930 en later)
studies in zuivere en toegepaste wiskunde. De oudere generatie leefde lang
genoeg om een jongere te inspireren, de generatie die in 1940 de Bourbaki-groep vormde.
Een ander centrum, weer met een eigen karakter, ontwikkelde zich in
Cambridge, waar tenslotte de jarenlange Britse insulaire positie definitief
doorbroken werd. Ook hier vond men naast de wiskundigen grote fysici: van
1919 af aan presideerde Ernest Rutherford (een geboren Nieuw-Zeelander) over
het Cavendish Laboratorium. Alreeds vermeld is de vertegenwoordiging van de
moderne analyse door J.E. (John Edensor) Littlewood en G.H. (Godfrey Harold)
Hardy was vanaf zijn studententijd in 1896 tot zijn 65e jaar aan Trinity
College verbonden, met uitzondering van een periode in Oxford van 1919 tot
1931; Littlewood bleef in Cambridge vanaf zijn studententijd tot 1950 (en
van 1910 ook aan Trinity), met slechts drie jaren in Manchester. Hardy's Course in pure Mathematics (1908) bracht op strenge wijze
de toen moderne begrippen in de analyse tot Engeland - getal, limiet,
functie. In het opus van Hardy en Littlewood vindt men studies in
harmonische analyse, de problemen van Waring en Goldbach, diofantische
approximaties en het priemgetallenprobleem. Alles
‘zuivere’ wiskunde, bewonderend beschreven in Hardy's
veelbesproken en niet altijd geapprecieerde Mathematicians
Apology1 (1940). De
‘romantische gebeurtenis’ (Hardy's woorden) was zijn
ontdekking van het Indische getallengenie Srinivasa Ramanujan uit Madras,
die het op voorspraak van Hardy mogelijk werd gemaakt om naar | | | |
Cambridge te komen. Hier verbleef hij van 1917 tot 1919, om daarna terug te
keren, een ziek man; hij stierf op 32-jarige leeftijd. Hardy en Ramanujan
werkten samen aan vele problemen, meestal in partitio
numerorum.1
Hardy's collega's in Cambridge waren A.E. Besikovitch en E.C. Titchmarsh
(beiden analyse), de laatste de auteur van een veelgebruikte Theory of Functions (1932). Tussen de zuivere wiskunde van Hardy
en deze collega's en de experimentele fysica van Rutherford stond R.H.
Fowler die zich bewoog op het terrein van de toegepaste wiskunde. Tot zijn
breed opgezette Statistical Mechanics (1929) hadden zowel
Littlewood als zijn leerling P.A.M. Dirac bijgedragen. Dirac, die de
golfmechanica met de speciale relativiteitstheorie verbond, verkreeg in 1933
de Nobelprijs tezamen met Schrödinger. Hun werk
beïnvloedde vele gebieden van de wiskunde, van
differentiaalvergelijkingen tot tensorrekening.
Toen in en na 1933 vele wiskundigen in Duitsland en elders tot ballingschap
werden gedwongen, kwamen verscheidene van hen naar Cambridge, dat een der
brandpunten der wis- en natuurkundige wetenschappen werd. Van deze
uitgestotenen vertrokken een aantal naar Amerika, waar zij meehielpen het
wetenschappelijk leven op hoger peil te brengen.
Edmund T. Whittaker, van 1912 tot 1946 professor in Edinburgh, was een
wiskundige en mathematisch fysicus (en een Katholiek filosoof), die
generaties van studenten aan zich verplichtte met de Modern
Analysis van 1915, geschreven samen met G.N. Watson, toen in
Cambridge. Deze ‘Whittaker-Watson’ is een mooi
uitgegeven presentatie van de meest bekende functies als die van Legendre,
Bessel, enz., ook in het complexe gebied. Het boek bevat oefeningen,
verscheidene lastig genoeg, een eigenschap die dit boek deelt met andere
Engelse boeken als die van Hardy en Titchmarsh. Dit is in een oude traditie
geworteld, die verband houdt met de oude Tripos-examens met hun nadruk op de
techniek van het oplossen van soms moeilijke oefeningen, een traditie die
nog lang niet is vergeten.
William Henry Young, die ook in Cambridge had gestudeerd, | | | |
bekleedde verscheidene academische posten, o.a. een in Calcutta (1913-1916).
Hij was het die reeds vroeg (ca. 1902) de ideeën van Lebesgue en
Baire naar Engeland bracht. Met zijn vrouw, Grace Chisholm Young schreef hij
de Theory of Sets of Points (1906).
Mevrouw Young behoorde tot de eerste vrouwen die in de wiskunde promoveerden
(niet de eerste, Sofia Kowalewskaja was haar voorgegaan, in 1874), haar
onderwerp was een groepentheoretische behandeling der boldriehoeksmeting
(1895). Young publiceerde ook op het terrein van de harmonische analyse en
verwante gebieden. Zij waren de ouders van Laurence Young, die ons een zeer
persoonlijk verslag heeft gegeven van het Cambridge in de dagen van Hardy en
Littlewood, enigszins te vergelijken met de (of-schoon niet zo persoonlijke)
schets die Constance Reid ons heeft gegeven van het Göttingen in
de dagen van Hilbert en Courant.1
| |
13.
De Oktober-revolutie van 1917 gaf een machtige stoot aan de ontwikkeling der
wetenschappen in Rusland en de Oekraïne, en de wiskunde deelde in
die ontwikkeling. Er bestond reeds een sterke traditie, die van zulke
mathematici als N.I. Lobačevskiǐ, M.V.
Ostrogradskiǐ en P.L. Čebyšev (Tsjebychef),
de laatste de leider van de zgn. school van St. Petersburg (nu Leningrad),
waaruit A.A. Markov en A.M. Ljapoenov voortkwamen.
Čebyšev was in St. Petersburg, van 1847 tot zijn dood
in 1894, werkzaam op verscheidene gebieden, getallentheorie (o.a. het
priemgetallenvraagstuk), benaderingsproblemen, integratie,
differentiaalmeetkunde, kinematica en waarschijnlijkheidsrekening, gebieden
van zuivere en toegepaste wiskunde. In de waarschijnlijkheidsrekening stelde
| | | | hij scherpe definities en bracht Markov, van 1886 tot 1905
professor in St. Petersburg, daarna emeritus, tot de bekende Markov-ketens
in stochastische processen (1906 en later). Deze ketens hebben hun waarde
bewezen in de statistische natuurkunde, in de erfelijkheidsleer, in de
economie en andere vakken; hun theoretische basis werd versterkt door A.N.
Kolmogorov.1
Ljapoenov volgde in zijn vele onderzoekingen de lijn van Laplace, in de
hemelmechanica zowel als in de waarschijnlijkheidsrekening. Misschien het
meest bekend is hier zijn generalisatie en verscherping van het fundamentele
limiettheorema (1900-'01), dat in zijn oorsprong tot Jakob Bernoulli
teruggaat.
Tot de school van St. Petersburg behoort ook G.E. Voronoǐ, na 1894
professor in Warschau (toen onder de Tsaar), reeds vermeld als een
getallentheoreticus.
Na de Revolutie werd Moskou de hoofdstad van het Sovjet-bestuur. Hier bestond
reeds de zgn. Moskouse school onder de sterke invloed van N.N. Loezin, een
leerling van D.T. Egorov, naar wie een theorema over meetbare functies is
genoemd (1911). Loezin bezocht Göttingen en Parijs (1901, 1910)
en doceerde in Moskou van 1914 tot zijn dood in 1953. Hij behoorde tot de
eersten die de maattheorie op reële functies toepaste; ook gaf
bij veel aandacht aan trigonometrische reeksen. Door zijn seminaries, zijn
colleges en zijn tekstboeken leidde hij hele generaties van jongere
wiskundigen op in vele gebieden van analyse, integratie, en de leer der
verzamelingen. Sierpinski, in menig opzicht voor Polen wat Loezin voor
Moskou was, stond met hem in nauw contact.
Onder de jongere wiskundigen die door Loezin werden beïnvloed,
waren Paul S. Aleksandrov, A. Ya. Hinčin (Chintchin), P.S.
Urysohn, A.N. Kolmogorov, P.A. Ljoesternik en L.S. Pontrjagin. Aleksandrov,
met Pontrjagin en Urysohn waren de stichters van de Moskouse topologische
school, die met het Westen (Brouwer, Göttingen, Hausdorff) in
regelmatig contact stond. Urysohn stierf reeds in 1924 op 26-jarige leeftijd
(hij verdronk in Bretagne tijdens een vakantie). Kenmerkend voor deze
wiskundigen, volgelingen van Loezin in de functietheorie en de topologie,
was het nauwe verband tussen hun zuivere en toegepaste wiskunde, een
richting reeds aangewezen door Čebyšev, en verder
verwelkomd door de Sovjetregering. Waarschijnlijkheidsrekening bleef een
onderwerp van intense studie, een der meest bekende resulta- | | | | ten
was de axiomatiek vanuit de verzamelingenleer, neergelegd in de Grundbegriffe der Wahrscheinlichkeitsrechnung (1934) van
Kolmogorov.
De leidende getallentheoreticus was I.M. Vinogradov, eerst in Leningrad, na
1934 in Moskou. Zijn vele bijdragen, beïnvloed door de oudere
Voronoǐ en in menig opzicht verwant met die van Hardy en
Littlewood, behandelen de klassieke en eeuwig jonge problemen van partitio numerorum, van Waring, Goldbach en Riemann - zie
Hilberts achtste probleem. Na 1929 begint ook de reeks van publikaties van
A.O. Gelfond in Moskou.
De meetkunde was vertegenwoordigd door V.F. Kagan, eerst in Odessa, na 1922
in Moskou. Hij begon zijn onderzoekingen van de grondslagen der meetkunde in
de geest van Hilbert, en bestudeerde Lobačevskiǐ's
werk, doch in Moskou wijdde hij zich aan de differentiaalmeetkunde en de
tensorrekening, waaraan hij een seminarium met tijdschrift Troediǐ (1933 en later) wijdde. Zijn boek over
Lobačevskiǐ is van 1944 (en 1948).
In Charkov in de Oekraïne vinden we Serge Bernstein, aldaar docent
van 1907 tot 1933, waarna hij eerst naar Leningrad, en dan in 1943 naar
Moskou overging. Hij had in Göttingen gestudeerd en schreef zijn
proefschrift in Parijs (1907). Zijn publikaties tonen de invloed van
Čebyšev (benaderingen, waarschijnlijkheidsrekening) en
van Weierstrass. Bij hem zien we weer die Russische verbinding van zuivere
en toegepaste wiskunde - in dit geval op het terrein van de biologie.
Reeds in 1911, voor Polen onafhankelijk werd, had Sierpinski de grondslag
gelegd voor de Poolse topologische school met het tijdschrift Fundamenta Mathematica, het eerste wiskundige tijdschrift dat aan
één speciaal gebied was gewijd. Onder Sierpinski
studeerden Kazimierz Kuratowski en Alfred Tarski, de laatste, die in 1946
professor werd in Berkeley, Californië, werd bekend door zijn
werk in logische semantiek, beslisbaarheid en waarheidsbegrip: Der Wahrheitsbegriff in den formalisierten Sprachen (1936).1 Naast die in Warschau kwam een tweede school tot stand in
Lwów (Duits: Lemberg), van 1919-45 in Polen, geleid door Stefan
Banach. Banachs naam is aan vele bijdragen tot functionaal-analyse
verbonden; hij heeft geholpen deze tak van wiskunde, na Volterra en Hilbert,
tot een zelfstandig gebied te maken. Dit werk was nauw verbonden met zijn
beschouwingen over de genormeer- | | | | de lineaire ruimten die naar
Banach zijn genoemd (1922 en later). In het nabijgelegen Lublin, aan de
nieuwe universiteit, werkte Banachs collega Hugo Steinhaus, die veel
aandacht schonk aan toepassingen, op verschillende gebieden van
waarschijnlijkheidsrekening alsook biologie en ingenieurswetenschappen. Hij
heeft velen aan zich verplicht door zijn Mathematical
Snapshots, een mooi voorbeeld van visuele wiskunde. Banach en Steinhaus
publiceerden vanaf 1929 de Studia Mathematica.
De bezetting van Polen door de Nazi's, van 1939 tot 1945, was een catastrofe
voor de wetenschap. Verscheidene wiskundigen zagen kans hun land te
verlaten, anderen verdwenen in concentratiekampen. Steinhaus en Banach
overleefden de ellende, maar Banach stierf kort na zijn bevrijding.
Sierpinski leefde tot 1969. Een van zijn eerste boeken was zijn Hypothèse du Continu (1934).
| |
14.
Italië had een sterke meetkundige traditie, in het bijzonder in de
algebraïsche meetkunde, zoals die door Brill en Noether in de
jaren '70 en '80 was ontwikkeld. Wij hebben reeds C. Segre en G. Veronese
vermeld. Hun werk werd voortgezet door Guido Castelnuovo, Francisco Severi
en Federigo Enriques. Vele van hun resultaten kunnen in Severi's publikaties
worden bestudeerd, speciaal in de Duitse Vorlesungen
über algebraische Geometrie (1921). Hier behandelt de
schrijver algebraïsche krommen en variëteiten van twee
en meer dimensies, Riemann-oppervlakken en Abelse integralen. Enriques
stelde ook veel belang in wiskundig onderricht, en zijn Problèmes de la Science et la Logique (1909) zowel als
de Storia del Pensiero Scientifica (1932, met G. de
Santillana) tonen hoe diep Enriques ook in de wijsbegeerte der wiskunde was
geïnteresseerd - hier nam hij een rationalistische positie in
tegenover positivistische en idealistische stromingen.
Al deze wiskundigen werden naar Rome beroepen, waar ook Volterra (sinds 1900)
en Levi-Civita (sinds 1918) doceerden. Dit gaf Rome een atmosfeer die vele
studenten en bezoekers trok, met Parijs en Cambridge een secundair Mekka
naast Göttingen, (althans tot 1933). Levi-Civita leverde
bijdragen aan differentiaalmeetkunde en tensorrekening, hydrodynamica,
mechanica (het drielichamenprobleem) en relativiteit. Zowel Levi-Civita als
Cartan waren toegewijde correspondenten van Einstein.
In Pisa vinden we, tot zijn dood in 1928, Luigi Bianchi, wiens publikaties
over differentiaalmeetkunde lange jaren groot gezag hadden, o.a. door de
Duitse ‘Bianchi-Lukat’: Vorlesungen
über
| | | |
Differentialgeometrie (vertaling van M. Lukat, 1899). Hij
schreef ook over groepentheorie.1 Zowel hij als
Volterra waren senatoren van het koninkrijk.
In Turijn, van 1910 tot 1938, doceerde Guido Fubini, en behandelde op zijn
eigen, oorspronkelijke, wijze de tensorrekening en de
differentiaalmeetkunde, hier speciaal de projectieve differentiaalmeetkunde,
eerst ontwikkeld in Chicago door E.J. Wilczynski, doch uitgaande van
lineaire differentiaalvergelijkingen. In 1938 moest hij Italië
verlaten en nam een uitnodiging van Princeton aan.
Gino Loria, een meetkundige in Genua, is vooral bekend geworden door zijn in
het Duits vertaalde boek over allerlei speciale krommen in het platte vlak,
een ware encyclopedie op dit gebied.2
In Nederland begint de beoefening der moderne wiskunde in de jaren '80,
gelijktijdig met het herleven van het gehele economische en intellectuele
leven. In de fysica vinden we J.D. van der Waals en H.A. Lorentz, in de
biologie Hugo de Vries, in de sterrenkunde J.C. Kapteyn. De Theory of Electrons van Lorentz dateert van 1909. Stieltjes moest
nog naar Franrkijk gaan om waardering te vinden (1885), maar in Nederland
konden D.J. Korteweg in Amsterdam, P.H. Schoute in Groningen en J.C. Kluyver
in Leiden de leiding geven. Korteweg is bekend gebleven door de vergelijking
van Korteweg-De Vries in de theorie van kanaalgolven (1895), hij redigeerde
ook 5 delen van de Oeuvres van Huygens.3 Van de
tweede generatie hebben we reeds J.A. Schouten, Van der Corput en Brouwer
vermeld. G. Mannoury, een autodicact wiskundige, voerde de topologie in
Nederland in. Hij was ook de stichter van dat type van semantiek dat hij significa noemde, en waarin hij in D. van Dantzig een
aanhanger vond. Van Dantzig, begonnen als medewerker van Schouten in
projectieve en andere vormen van differentiaalmeetkunde, werd later een
leidende wiskundige statisticus.
| | | |
Wij hebben ook reeds B.L. van der Waerden vermeld, wiens Amsterdams
proefschrift van 1926 aftellende meetkunde kritisch behandelt. In de
Naziperiode kwam Hans Freudenthal naar Nederland, in 1940 werd hij professor
in Utrecht.1
In Hongarije waren er eminente beoefenaars der analyse, zoals F. Riesz in
Szeged (na 1946 in Boedapest), reeds vermeld bij het Riesz-Fischer-theorema.
Hier was ook L. Fejér, van 1911 tot zijn dood in 1959 (met een
korte onderbreking) in Boedapest, een levendige, interessante geest wiens
voornaamste onderzoekingen lagen op het terrein van Fourier-reeksen en
harmonische analyse in het algemeen.
Wat het Oostenrijk van die tijd betreft denken we allereerst aan Hans Hahn,
na 1921 in Wenen. Hij werkte, evenals Banach en Fréchet, op het
terrein van reële functies, functionalen en abstracte ruimten.
Hij was ook filosofisch geïnteresseerd en hielp de
fysicus-filosoof Max Schlick naar Wenen te brengen, waar deze de leerstoel
van Mach en Boltzmann verkreeg en spoedig de zgn. Wiener
Kreis om zich verzamelde. Deze Weense Kring bestond uit wiskundigen en
andere wiskundig-filosofisch ingestelde personen die streefden naar een
wereldbeschouwing gebaseerd op wetenschap ‘zonder
metafysica’. Tot deze groep van zgn. logische positivisten
behoorden naast Hahn ook Rudolf Carnap, Kurt Gödel en Karl
Menger. Ook Ludwig Wittgenstein, wiens Logisch-philosophische
Abhandlung2 in 1921 was
verschenen, had met deze groep contact. Carnap werd bekend als de
semanticus, de auteur van Die logische Syntax der Sprache
(1934). De deelnemers aan deze Kreis zochten, ieder op
zijn manier, een wereldbeschouwing gebaseerd op semantiek, wiskundige logica
en de beginselen van wetenschappelijk onderzoek.3 De meeste leden van
de kring waren nogal links (en verscheidene waren Joods), zodat de komst der
Nazi's het einde bracht. Schlick werd vermoord (1936). Sommigen konden zich
invloedrijke posities in Engeland en Amerika verwerven, Carnap in Chicago,
Menger (Dimensionstheorie, 1928) aan | | | | Notre
Dame (Indiana), later ook Chicago, Gödel in Princeton.
Wittgenstein kwam naar Cambridge, Engeland.
In Scandinavië vermelden we T.A. Skolem in Noorwegen,
Gösta Mittag-Leffler en zijn opvolger als directeur van het M.L.
Instituut in de buurt van Stockholm: T. Carleman, en Harald Bohr (de broer
van de fysicus Niels Bohr) in Kopenhagen. Mittag-Leffler, een leerling van
Weierstrass, maakte het mogelijk voor Sofia Kowalewskaja een professoraat in
Stockholm te krijgen (1891), het eerste vrouwelijke professoraat sinds Maria
Gaetana Agnesi. Carlemans onderzoekingen lagen op het terrein van
integraalvergelijkingen en zgn. quasi-analytische functies. Bohr, door zijn
studie van het beginsel van Dirichlet en de Fourier-reeksen, kwam tot zijn
quasi-periodieke functies (1924-'46), waardoor hij weer Weyl, Wiener en
anderen beïnvloedde.
Wat Zwitserland betreft vermeldden we reeds Hurwitz en Minkowski. We voegen
hier nog Andreas Speiser aan toe, al was het maar om zijn mooie boek over
eindige groepen met fraaie toepassingen.1 Vanaf 1911 begon
men hier ook dat grote werk, de Opera omnia van Euler, te
publiceren, een taak thans nauwelijks ten einde gekomen.
Ook Japan begon van zich te laten spreken. Hier bestond een oude traditie die
aanknoopte aan de ‘matrix’-methode van de oude Chinese
wiskunde. De nieuwe Europese algebra vond een vertegenwoordiger in Tejii
Takagi, die in Duitsland bij Hilbert had gestudeerd en in 1900 aan de
universiteit in Tokyo begon te doceren. Hij stichtte een school waarin
problemen in verband met het twaalfde Parijse probleem van Hilbert (Abelse
lichamen) werden onderzocht. In de jaren '30 begon A. Kawaguchi de
tensorrekening op algebraïsche en meetkundige problemen toe te
passen, hierin gevolgd door Kentaro Yano en anderen, in het tijdschrift Tensor.
| | | |
In Tsjechoslowakije werd de tensorrekening beoefend door V. Hlavaty, die met
Schouten, en E. Čech, die met Fubini (in projectieve
differentiaalmeetkunde) samenwerkte.
| |
15.
De wiskunde in de Verenigde Staten na de eerste Wereldoorlog had verscheidene
vertegenwoordigers die zich met de beste mathematici in Europa konden meten.
Aan Harvard University vinden we George D. Birkhoff, die na zijn succes in
1913 met het bewijs van Poincaré's ‘laatste
theorema’ over het drielichamenprobleem voortging in de geest van
Poincaré te werken. Hier verrijkte hij diens nalatenschap met het
begrip metrische transitiviteit en de studie van ergodische theorema's. Hij
was een veelzijdig wiskundige, die ook een gravitatietheorie publiceerde
(1944), waarin hij met Einstein instemde in de speciale, doch niet in de
algemene relativiteitstheorie. Wij hebben reeds even zijn Aesthetic Measure (1944)1 vermeld, en hij bewoog
zich van kunst en wiskunde tot ethiek en wiskunde. Zijn zoon Garrett
Birkhoff begon zijn studies in de algebra's van Boole (lattices) in de jaren '40.
Veblen, aan Princeton, wendde zich na 1920 van topologie naar
differentiaalmeetkunde en tensorrekening, aangespoord door de publikaties
van Levi-Civita en Weyl. Hier, met zijn collega Luther Pfahler Eisenhart, en
enige leerlingen, ontwikkelde hij een nieuwe aanpak van de meetkunde der
ruimten van Riemann en hun generalisatie in de zgn. meetkunde der paden,
generalisaties van geodetische lijnen. In dit gebied vormden zich dus drie
scholen, die van Schouten, die van Cartan en die van Veblen. Maar hij bracht
ook zijn ideeën over topologie en axiomatiek over tot dit gebied
in de Foundations of differential Geometry (1932),
geschreven met J.H.C. Whitehead. Verwant met Veblens werk was dat van zijn
collega's J.W. Alexander en Solomon Lefschetz, die zich toelegde op
algebraïsche topologie en homologische algebra.
Veblen was van 1932 tot 1950 verbonden aan het Institute for Advanced Study,
een nieuwe onderneming, namelijk een instituut voor zuiver wetenschappelijk
onderzoek, opgericht in Princeton naast de universiteit. Dit Instituut,
financieel onafhankelijk, was gesticht in de geest van ideeën
neergelegd in het kritische boek Universities, American,
British, German (1930), geschreven door Abraham Flexner. Het
Instituut begon met een School voor Wiskunde, geleid door Veblen, en waaraan
uitstekende geleerden werden verbonden, speciaal ook toen de
Nazi-vervolgingen kwamen. | | | | Hier vonden Weyl, Von Neumann en
Einstein een plaats voor ononderbroken studie. Ook Marston Morse, student en
collega van Birkhoff, die in zijn geest diep in de variatierekening drong,
vond zijn weg naar het Instituut.
John von Neumann, Hongaar van geboorte, kwam na een lectorschap in
Göttingen naar Princeton in 1930. Tot zijn onderzoekingen
behoorden studies in groepentheorie en Hilbert-ruimten, operatoren en
ergodische theorema's, met bijdragen tot Hilberts vijfde probleem. Hij was
een der meest geniale wiskundigen van zijn tijd, wiens veelomvattend werk
zich uitstrekte tot quantum-mechanica en quantum-thermodynamica, en tot de
theorie der elektronische computers. Hij was een grondlegger van de moderne
speltheorie (1926), met haar vele ‘strategische’
toepassingen, vooral in economie. Zijn boek erover, met O. Morgenstern als
co-auteur, is Theory of Games and economie Behavior
(1944).
Er is een zekere verwantschap tussen zijn werk en dat van Norbert Wiener,
vanaf 1919 verbonden aan Massachusetts Institute of Technology (MIT),
evenals Harvard in Cambridge, Massachusetts. Wiener, na een begin in logica
beïnvloed door Russell, vond zijn eigen terrein in de wiskunde
van de Brownse beweging, in harmonische analyse en in theorema's van het
Tauber-type.1 Zijn onderzoekingen, in samenwerking met leerlingen
als Raymond Paley en Claude Shannon, voerden hem tot de formering van de
communicatietheorie en de verbetering van computers, en na 1946 tot zijn
cybernetica.
Andere wiskundigen uit deze periode waren Marshall Stone aan Harvard (later
Chicago) met zijn studies over lineaire operatoren in Hilbert-ruimten en
algebra's van Boole, en G.A. Bliss in Chicago, collega van E.H. Moore, wiens
onderzoekingen in variatierekening zijn neergelegd in zijn Calculus of Variations (1925) en Lectures on the
Calculus of Variations (1946). Zijn collega E.J. Wilczynski was,
als reeds vermeld, een beoefenaar der projectieve differentiaalmeetkunde.
Aan Harvard vinden we nog Julian Lowell Coolidge, een meetkundige, leerling
van Segre en Study, die goede leerboeken schreef over niet-euklidische en
complexe meetkunde, zowel als een Introduction to mathematical
Probability (1923), een der eerste tekstboeken over dit onderwerp
in het Engels. Historici der wiskunde | | | | vinden veel interessants
in zijn History of Geometrical Methods (1940). Aan Harvard
was ook William E. Osgood verbonden, die bij Klein had gestudeerd en in
Göttingen was gepromoveerd (1890). Zijn Lehrbuch der
Funktionentheorie (1907) was een der meest gebruikte leerboeken van
zijn tijd, het had een pedagogische precisie die typerend was voor zijn
onderwijs.
De wiskunde in de VS profiteerde geweldig van de komst van eminente
mathematici die uit Europa door de Nazi's waren verdreven. Naast degenen die
we reeds genoemd hebben als Weyl, Courant, Emmy Noether en Von Mises, denken
we aan E. Artin, G. Polyá, H. Rademacher, V. Hurewicz, O.
Neugebauer, André Weil en O. Scász. J.D. Tamarkin, aan
Brown University in Providence, bevond zich daar reeds als emigrant uit
Rusland.
| |
16.
De grote tijd van de computer kwam eerst na de Tweede Wereldoorlog, maar er
was een lange voorbereidingsperiode, die, zo men wil, met de abacus in de
Oudheid aanvangt. In de moderne periode kunnen we beginnen met Wilhelm
Schickard, een vriend van Kepler, met een instrument van 1623-'24, gevolgd
door Pascal (1641) en Leibniz (1673). In 1808 vond de Franse wever
Joseph-Marie Jacquard een methode uit om een weefgetouw van buitenaf te
besturen met behulp van geponste kaarten. Deze gedachte werd door Charles
Babbage overgenomen voor zijn ‘analytical engine’
(1833), hierbij ondersteund door Byrons dochter Lady Ann Lovelace. In deze
nooit voltooide rekenmachine waren vele ideeën belichaamd die in
de moderne automatische computer verwezenlijkt zijn, ze kon opslaan (store, het geheugendeel), besturen (control) en bewerkingen uitvoeren (mill). Maar deze
machines waren geheel mechanisch en stelden eisen die alleen de elektronica
van de tegenwoordige tijd in praktijk heeft kunnen brengen.1
Tussen 1884 en 1890 ontwikkelde Herman Hollerith, een statisticus in de V.S.
die aan de volkstelling van 1890 werkte, een systeem waarbij uit geponste
kaarten gegevens mechanisch konden worden gelezen, één
kaart voor iedere persoon waarbij iedere ponspositie een toestand (beroep,
leeftijd, enz.) voorstelde. Konrad Zuse, een Duitser, verbeterde dit systeem
in 1934 door ideeën van Leibniz over het gebruik van het
tweetallig stelsel over te nemen.
Onafhankelijk hiervan bouwde Vannevar Bush, een ingenieur | | | | en
professor aan het MIT, ondersteund door Wiener en andere collega's, in de
jaren '30 een analog-computer om zekere integralen uit te
werken en zekere differentiaalvergelijkingen op te lossen. In Princeton, in
1936, definieerde Alan M. Turing, een jonge Engelsman, de
‘Turing-machine’, een abstract model van een mogelijke
logische machine, geconstrueerd om zulke vraagstukken als Hilberts
beslissingsprobleem in de grondslagendiscussie aan te brengen.1 In 1945 paste Turing, na 1948 in Manchester, zijn
ideeën toe op de bouw van een werkelijke computer (MADAM).2 Claude E.
Shannon, toen aan het MIT, werkte deze ideeën verder uit in zijn
communicatietheorie.
Het nieuwe tijdperk in praktische computers begon met de Mark I, waaraan in
1937 aan Harvard werd begonnen door Howard H. Aiken, met hulp van de
International Business Machine Corporation (IBM). Computers begonnen de
belangstelling te wekken van grote ondernemingen. De Mark I had de voordelen
van moderne technologie en moderne financiering. Er waren evenwel nog vele
mechanische operaties. In de Mark II (1945, 1947) werden alle rekenkundige
en overdrachtoperaties verricht door elektromagnetische relays. De eerste
zuivere elektronische computer, de ENIAC, werd tussen 1943 en 1946 in
Philadelphia aan de Universiteit van Pennsylvanië gebouwd. Dit
was nog altijd academisch geëxperimenteer. In de jaren '50
begonnen computers in de handel te komen, en het computertijdperk was
aangebroken.
| |
Literatuur
Er zijn algemene overzichten van bepaalde gebieden van de wiskunde van deze
eeuw in de reeds geciteerde boeken van Boyer, Kline, Bourbaki en Wussing,
zowel als in de bijdrage van Pogrebysski tot de Russische en Duitse
vertaling van de Concise History of Mathematics.
Verder, naast de publikaties die in de voetnoten zijn geciteerd:
| J.M. Dubbey, Development of Modern Mathematics, New
York, 1970. |
| H. Freudenthal, The implicit Philosophy of Mathematics
today, in Contemporary Philosophy, a Survey,
gered. door R. Kilbansky (Florence 1968) 342-368. |
| | | |
| G. Prasad, Mathematical Research in the last twenty
Years (Berlin 1923). |
| H. Weyl, Half a Century of Mathematics, Amer. Math.
Monthly 58 (1961) 523-583. |
De levensbeschrijvingen in de vijftien delen van de D.S.B. bevatten een schat
van gegevens over wiskundigen en hun werk, en vaak goede
bibliografieën. Ook sommige encyclopedieën hebben
gegevens met korte bibliografie, o.a. de Grote Winkler Prins. Korte schetsen
vindt men ook in Meschkowski's Mathematiker-Lexikon
(Mannheim etc., 3e Aufl. 1980). Zie ook
| P. Benacerraf en H. Putnam, Philosophy of Mathematics,
Selected Readings. (Englewood Cliffs, N.J.) 1969. Artikelen van
Carnap, von Neumann, Bernays, Gödel, Wittgenstein e.a. |
| P. Bockstaele, Het Intuitionisme bij de Franse
Wiskundigen, Verh. Kon. Vlaamse Acad. Wet 11 (1949) No. 2. |
| R. Bott, Marston Morse and his mathematical works,
Bull. Amer. Math. Soc. (New Ser.) 3 (1980) 907-950. |
| Cahiers du Seminaire d'Histoire des
Mathématiques (1980 - heden). Vele artikelen over
hedendaagse auteurs en onderwerpen. |
| D. van Dalen-A.F. Monna. Sets and Integration. An Outline
of the Development (Groningen 1972). |
| J. Dieudonné, Cours de géometrie
algébrique I (Paris, 1974) (heeft een geschiedenis
van dit gebied tot na 1950). |
| History of functional Analysis (Amsterdam, 1981). |
| L. Felix, The modern Aspect of Mathematics. |
| H.H. Goldstine, The Computer from Pascal to Von
Neumann (Princeton, N.J. 1970). |
| I. Grattan-Guinness, On the Development of Logic between
the two World Wars. Amer. Math. Monthly 88 (1981) 495-529. |
| J. Hawkins, Lebesgue's Theory of Integration.
Madison, Wis. 1970. |
| S.J. Heins, John von Neumann and Norbert Wiener.
(Cambridge, Mass 1980). |
F. Le Lionnais, Les grands Courants de la
Pensée mathématique. (Paris, 1948, 2e ed.
augmentée 1962). Een verzameling artikelen van Borel,
Fréchet, Denjoy e.a. |
| Ch. Loezin: Uspechi Matem. Nauk 6 (1951), 7 (1952),
8 (1953). |
| H. Kennedy: Life and Work of Giuseppe Peano
(Dordrecht-Boston, 1980). |
| Emmy Noether, A Tribute to her Life and Work, gered.
door J.W. Brewer en M.K. Smith (New York, Bazel 1981). |
| | | |
| C. Reid, Hilbert (Berlin etc., 1970). |
C. Reid, Courant in Göttingen and New
York (New York, 1976). Ook in het Duits: Richard
Courant 1888-1972 (Springer Berlin 1979). |
| M.D. Resnik, Frege and the Philosophy of Mathematics
(Ithaca-Londen, 1980). |
| J.C. van der Corput, Wiskunde in Geestelijk Nederland 1920-1940, gered. door K.F. Proost en
J.M. Romein (Amsterdam-Antwerpen, 1949) 255-291. Zie ook |
| The Development of Science in the Netherlands during the
last half Century (Leiden, 1930) 44-51. |
| Over Volterra: Rendiconti Semin.-Matem. e Fis.
Milano 17 (1946) 6-61. |
| A. Weil, L'Avenir des mathématiques, in
Le Lionnais, hierboven 307-320 |
| Over N. Wiener: Bull, Am. Math. Soc. 72 No. 1, p. 2,
1966 (1451). |
| B.A. MacKenzie, Statistics in Britain 1865-1930. The Social Construction of scientific Knowledge,
Edinburgh, 1981. |
Levensbeschrijvingen van gestorven of jubilerende wiskundigen vindt men
geregeld in de maandelijkse nummers van de Mathematical
Reviews.
|
1‘De wiskunde is bezig hevig met de filosofie te
koketteren.’
1Jan Romein, Op het Breukvlak van twee
Eeuwen (2 dln, Leiden-Amsterdam, 1967) Hoofdstuk xxii (deel ii, 7-25) behandelt de natuur-
en wiskunde.
1Christian Goldbach was een Duitser verbonden met de Academie in
St.-Petersburg, en correspondeerde met Euler tussen 1729-'63. Zie
A.P. Yuškevič (Jouschkevich) en E. Winters Briefwechsel tussen beiden (Berlijn, 1965). Hier
een paar voorbeelden waarop het vermoeden van Goldbach berust: 10 =
3 + 7 = 5 + 5,24 = 1 + 23 = 5
+ 19.
1Maurice D'Ocagne, van de Ecole
Polytechnique in Parijs, kan beschouwd worden als de stichter van de
nomografie, d.i. de wetenschap vergelijkingen op te lossen met
behulp van grafische voorstellingen (nomogrammen); hij voerde ook de
naam in: Nomographie (1891), Traité de nomographie (1899). Het principe is
ouder, o.a. te zien in het werk van Junius Massau in Gent
(1884).
2Deze zgn. aftellende meetkunde was ook een geliefde vorm van
onderzoek in Nederland, o.a. van Jan de Vries in Utrecht. De
dissertatie van B.L. van der Waerden (Amsterdam) was een bijdrage
tot de strenge formulering.
3Von Federov was een
mijningenieur in de Oeral. Schoenfliesz, later een professor in
Frankfurt a. M., was bij Klein in Göttingen toen zijn
eigen werk en dat van Federov (over de 230 kristallografische
ruimtegroepen) verscheen, in 1891 en 1896. Zie AHES 4 (1967)
235-240. Federov, in 1891, ontdekte ook dat er precies 17
tweedimensionale symmetriegroepen van zich herhalende patronen
(zoals op behangselpapier) bestaan. Dit werd door G. Polya en P.
Niggli in 1924 herontdekt. Zie H.S.M. Coxeter, Introduction to Geometry (New York, 1981), Hoofdstuk
4.
1Tussen 1907 en 1912 gaf K.F. Sundman in Helsinki een
algemene oplossing van dit oude probleem, maar ze was weinig
praktisch voor numeriek werk - dit was vóór we
computers hadden.
2‘Je hebt de gehele wiskunde van de 20 e eeuw aan je verpacht’. Over al deze
problemen zie de laatste sectie van Hoofdstuk viii
plus voetnoot, zowel als het overzicht door H. Freudenthal in DSB vi (1972) 393-394.
2Deze naam is vaak
gekritiseerd. Eduard Heine, een professor in Halle (waar ook Cantor
doceerde), had in 1872 een theorema opgesteld dat met dat van Borel
overeenstemt, maar Borel was de eerste die de betekenis ervan
begreep.
1Lebesgue en Baire, met Gauss en Monge,
behoren tot de weinige vooraanstaande wiskundigen van het verleden die
afkomstig zijn uit de arbeidersklasse. Elie Cartans vader was een
hoefsmid, Loezins grootvader was een lijfeigene. Newton stamde uit een
geslacht van onafhankelijke boeren ( yeomen). De meeste
leidende wiskundigen van de laatste eeuwen kwamen uit de middenklasse
(onderwijs, kerk, rechten).
1‘Ik wend me met vrees en
afschuw af van deze betreurenswaardige pestilentie als functies zonder
afgeleide.’ Ik zelf hoorde nooit iets over integratie van
Lebesgue tijdens mijn studentenjaren rond 1916 in Leiden. Zelfs in 1925
vond ik weinig waardering in Göttingen. Het was Wiener, die
ik in Göttingen ontmoette, die me erop wees hoe belangrijk
het werk van Lebesgue was.
1Herman Weyl heeft opgemerkt dat
‘Fredholms ontdekking me altijd heeft getroffen als iets dat
veel te laat kwam. Wat is natuurlijker dan het denkbeeld dat een stelsel
van lineaire vergelijkingen verbonden met een eindig stelsel van
massapunten leidt tot een integraalvergelijking als we tot de grenzen
van een continuüm overgaan?’ (Am. Math. Monthly 58
(1951)). De vergelijking van Fredholm kan als volgt worden geschreven
φ( x) +
∫ 10
f( x, y) φ( y) dy = ψ( x), φ( x) is de onbekende
functie.
2Deze curieuze Germanismen (in het Engels eigen values
en eigen functions), die nu ingeburgerd zijn, tonen
aan hoe groot de Duitse invloed op dit gebied is geweest.
1Over Kleins sterke reactie
tot Poincarés werk op dit gebied zie zijn Vorlesungen über die Entwicklung der Mathematik im
19.ten Jahrhundert
i (Berlin, 1926) 376-381.
1Men moet drie Moores uit elkaar houden:
E.H. Moore in Chicago (general analysis), R.L. Moore in Texas
(topologie) en Clarence L.E. Moore (meetkunde, tensors) aan het
MIT.
1Weber, met zijn vriend Dedekind, was de uitgever van
Riemanns werken (1870) en was ook de uitgever van Riemanns voordrachten
over partiële differentiaalvergelijkingen, in een boek lang
bekend als ‘Riemann-Weber’, later herzien door
anderen, doch na 1924 gedeeltelijk vervangen door de reeds geciteerde
‘Hilbert-Courant’. We hebben ook reeds de Enzyklopädie der Elementar-mathematik
vermeld, die Weber met zijn Straatsburgse collega J. Wellstein en
anderen te zamen heeft uitgebracht (3 delen, 1903-07).
2Abstrakter Aufbau der Idealtheorie in
algebraischen Zahl- und Funktionen Körper, Mathem.
Annalen 96 (1927).
1Zermelo's publikaties werden druk
besproken en hadden grote invloed in die dagen. Ik herinner een
‘Bierrede’ van Alfred Pringsheim, een wiskundige
van München en een beroemd ceremoniemeester (evenals Julian
Lowell Coolidge van Harvard), waarin hij zei dat de functietheorie van
die dagen ‘ ist bekleidet mit dem Zermelin der
Mengenlehre’ ( Mengenlehre =
verzamelingenleer). Pringsheim was een wiskundige uit de school van
Weierstrass en - tussen haakjes - de schoonvader van Thomas Mann.
1Grundzüge der theoretischen Logik (1928);
Grundlagen der Mathematik (1934).
1In
R. Oldenburg, Handbuch der Philosophie (1926).
2Monatsheft für Mathematik und Physik 38 (1931)
173-198. Zie E. Nagel en J.R. Newman, Gödel's
Proof (New York, 1958). Zeer interessant is ook D.R.
Hofstadter, Gödel, Escher, Bach (New York,
1979), waarin Gödels ideeën, Bachs muziek en de
kunst van de Nederlander Maurits Cornelis Escher in een
‘eeuwige gouden band’ zijn verbonden.
1Zie Hoofdstuk vii, sectie 17.
2George
Boole had vijf dochters, alle zeer getalenteerd. Mary Ellen (1853-1907)
huwde de wiskundige C.H. Hinton van Princeton, schrijver van het
semi-populaire boek The fourth Dimension (1909). Alice
(1860-1940) huwde Walter Stott, een actuaris. Margaret (1858-1934) was
de moeder van de fysicus Geoffrey Taylor, biograaf van Boole. Lucy
(1862-1904) was een scheikundige. En Ethel (1864-1960), die de Poolse
bibliofiel en nationalist W.M. Voynick huwde, schreef de roman The Gadfly (1895), die vooral in Rusland vele lezers
vond.
1J.A. Schouten, Gründlagen der
Vektor und Affinoranalysis (Leipzig, 1914).
2F. Klein, Elementarmathematik von höheren Standpunkte aus II
(Berlin, 1908). Wat de grondslagen der tensoranalyse betreft, vindt men
deze wel het eerst in O. Veblen-J.H.C. Whitehead, The
Foundations of Differential Geometry (1932). In R.
Weitzenböck, Invariantentheorie (1923) kan
men de betrekkingen tussen de tensorrekening en de klassieke
invariantentheorie vinden.
3Zie H.S.M. Coxeter,
Introduction to Geometry (1967) 23-25. Morley was
een Engelsman en werd professor aan Johns Hopkins in Baltimore (hij was
de vader van de schrijver Christopher Morley).
1Vanaf dit uur moeten ruimte op zichzelf en tijd op zichzelf
volledig tot schaduwen zinken, en slechts een soort unie van beiden moet
zelfstandigheid behouden.
2Deze commissie werd door de Duitsers IMUK genoemd. Op het
Parijse congres waren er 160 deelnemers uit 17 landen. Onder hen vinden
we Castelnuovo (voorzitter), Borel, Darboux, D'Ocagne en
Stäckel. Zie hierover de Comptes Rendus,
geredigeerd door H. Fehr (Genève, 1914) en het daarop
volgende verslag van R.C. Archibald van Brown University in Providence,
Rhode Island, met bijdragen uit 18 landen (1918).
1Herdrukt in 1967 met een voorwoord
van C.P. Snow (Hardy was in 1947 overleden).
1Hardy vertelt de volgende, nu
beroemde, anekdote. Hij bezocht Ramanujan in het hospitaal. Hij kwam in
een taxi. ‘Het nummer ervan was 1729,’ zei Hardy,
‘een niet erg interessant getal.’
‘Integendeel,’ antwoordde Ramanujan onmiddellijk,
‘het is het kleinste getal dat op twee wijzen als som van
twee derdemachten kan worden uitgedrukt.’ Inderdaad 1729 =
1 3 + 12 3 = 9 3 + 10 3.
1L. Young, Mathematicians and their Times (Amsterdam etc., 1981);
C. Reid, Hilbert (New York, 1970) en Courant in Göttingen and New York (New York, 1976).
Het hoofd van een Londense school, waar Young een leerling was, was de
theoloog Edwin A. Abbott, schrijver van Flatland
(1884), een fantasie over een wereld van twee afmetingen, meer dan eens
herdrukt en vertaald, ook in het Nederlands als Platland,
een Roman van vele Afmetingen, door een Vierkant (1886, 4e druk
1920). De populariteit van dit geestige boek werd verhoogd nadat
Minkowski en Einstein hun vierdimensionale wereld hadden gelanceerd. In
aansluiting hierop: D. Burger, Bol-land door een
Zeshoek (Blommendaal, 's-Gravenhage, 1957), ook in het Duits: Silvestergespräche eines Sechsecks (Aulis
Verlag, Köln). Deze familie Young stond niet in betrekking
tot John Wesley Young in Amerika, medewerker van Veblen, zie sectie 15.
En deze stonden niet in betrekking tot Alfred Young die met J.H. Grace,
medeleerling in Cambridge, de schrijver was van The Algebra
of Invariants (1903) in de geest van Gordan.
1Voor de theorie der Markovketens zie
o.a. M. Fréchet, Recherches
théoriques modernes sur le calcul des
Probabilités (Parijs, 1934).
1K. Kuratowski, A half Century of Polish
Mathematics: Remembrances and Reflections (Oxford, Warsaw,
1980).
1Lezioni sulla teoria dei gruppi di sostituzioni e delle equazioni
algebraiche secondo Galois (Pisa, 1900).
2Spezielle algebraische und transcendente ebene Kurven (1902).
Een andere uitgebreide ‘catalogus’ van zulke
krommen kwam terzelfder tijd in Madrid uit: Gomes Teixeira, Tratado de las curvas especiales notables.
3De eerste redacteur was D. Bierens de Haan, opgevolgd door
J. Bosscha, D.J. Korteweg en J.A. Vollgraff (1888-1950). De redacteuren
bleven anoniem tot op het laatste deel, waarin Vollgraff onder eigen
naam optrad, o.a. met een (Franse) biografie van Huygens.
1Zie verder Two Decades of
Mathematics in the Netherlands, 1920-1940 door E.M.J. Bertin
e.a. (2 dln, Amsterdam, 1970).
2Later bekend als Tractatus logico-philosophicus (1922).
3Het
standpunt van de Kreis is vaak gekritiseerd als
idealistisch, zie b.v. M. Cornforth, Marxism and the
linguistic Philosophy (New York, 1965). Cornforth als student
bezocht Wittgensteins discussiezittingen in Cambridge. Zie ook J.
Schreiter, Zur Kritik der philosophischen Grundpositionen
des Wiener Kreises (Berlin, 1977).
1A. Speiser,
Theorie der Gruppen von endlicher Ordnung (Berlin,
1923, 4 e uitg. Basel, 1956). Het verband tussen
wiskunde en de kunsten (perspectief, mozaïeken, architectuur)
werd ook gelegd in het veel gelezen boek van de Amerikaanse schilder en
illustrator Jay Hambidge, The Elements of dynamic
Symmetry (1926, Dover herdruk 1967). Zie ook Hermann Weyl, Symmetry (1952) en G.D. Birkhoff, Aesthetic Measure (1933, herzien 1961). We hebben reeds
Steinhaus' Mathematical Snapshots vermeld. Bij het
18 e Parijse probleem van Hilbert hebben we ook
op het verband tussen groepentheorie en kristallografie gewezen en in
Hoofdstuk I op de etnowiskundige betrekkingen.
1Zie W.L. Schaaf,
Amer. Math. Monthly 55 (1951) 157-177.
1Alfred Tauber (1866-1942) in Wenen,
publiceerde zekere integraalvoorwaarden in een studie over reeksen
(1896), die door Hardy en Littlewood (en door Wiener) werden verder
ontwikkeld.
1Een handig overzicht van deze voorgeschiedenis kan men
vinden in het artikel van S.F.A.M. Nillen, Grote Winkler Prins 5 (1968)
643-649.
1On computable Numbers, with an application to
the Entscheidungsproblem, Proc. London Math. Soc. 42 (1937)
230-265.
2Turing werd maar 42 jaar oud. Hij stierf in 1954. Zie
S. Turing, Alan M. Turing (1959).
|
|