Vierenveertig predikanten dienen bij de Staten van Holland hun ‘Remonstrantie’ in. Sindsdien heet de meer-vrijzinnige groepering binnen de calvinistische kerk de ‘remonstranten’.
Het huwelijk van Pieter Cornelisz. Hooft en de achttienjarige Christina van Erp wordt op 23 mei in de Nieuwe Kerk te Amsterdam voltrokken.
Vondels blij-eindend treurspel ‘Het Pascha’ wordt te Amsterdam opgevoerd, waarschijnlijk door de brabantse Kamer.
‘De Nederduytsche Helicon’, nog ontworpen door Carel van Mander, verschijnt in druk.
Gerrit Hendricksz van Breughel, lid van de brabantse kamer, publiceert een bundel Boertighe Cluchten.
Bredero vraagt Badens een schilderij te leen. Deze brief, alleen bekend in druk, werd voor het eerst gepubliceerd in: G.A. Brederoods Nederduytsche Poëmata (Amsterdam 1632) en wel in gotische letter behalve de twee versjes, het franse citaat en de namen erboven en eronder.
Uit de zinsnede 't souw my nu wel moghen beuren valt af te leiden dat Bredero van plan was zelf de bedoelde kopie te schilderen. Op grond van de inhoud is geen nadere datering van deze brief mogelijk.
Naer alle beleefde eerbiedinge, ende vrundelijcke groetenisse aen u mijn lieve eerwaerdighe Heer ende beminde Meester: Soo bidd' ick u uyt de naem van mijn Vader, die wel hartelijck bid ende begeert, oft het u wille nu wel sou wesen ons te willen leenen het gene ghy hem hebt toegeseyt (ghelijck ghy weet, het stucxken van S. Vrancx) met welcke ghy mijn Vader een aengename dienst, ende een over-groote vrundtschap sult doen; het welcke wy niet onvergolden en sullen laten, sonder u daer en teghen danckbaerheyt te bewysen, nae u waerde, 't sy oock in wat het sy, sult ghy my ende mijn Vader voor een goede, ja over-goede Vrundt hebben. Ick weet wel dat ons begheeren groot, stout, ende onbeschaemt is, ende dat u 't selfde stucxken lief ende waert is: nochtans vertrouwende op u jonst ende op u gunstige belofte, soo hebben wy ons verkloeckt dit vrundelijck, doch onnoosel, eenvoudig Requestjen, te bieden ende toonen aen u goed-aerdige milde heusheyt, verhoopende oock anders niet als dat ons versoeck ons sal toe gelaten worden. Waer tegen wy u opofferen onse goede genegentheyt, macht ende wil, om naer u believen die te ghebruycken; steltse vry te werek naer u eygen begeeren, ghy sult ons willich ende bereyt vinden; wie weet waermen elckanderen kan te hulp komen, niemant leeft voor sich selfs. By aldien ghy ons dese jonste doet, ende laet onse wensch gheschien: soo belooven wy u hier neffens, dat wy de Copy niet uyt ons huys sullen laten gaen, want het gheschiet alleenlijck om de sinnelijckheyt van mijn Vader, die 't selfde tot een cieraet op syn plat bewaren wil by syn Juweelen ende schat, ende 't souw my nu wel moghen beuren. Voordts weet ick wel dat ghy met overvloedt van woorden niet beholpen en sijt: den Verstandighen is haest ghenoech gheseyt, of: a un bon Entendeur il ne faut qu'un parolle. Ist u wil hoe eerder hoe liever; dus doende sult wel doen.
G.A. Bredero.
Bredero legt als collecteur van de impost op bieren een notariële verklaring af. (Not. archieven 267, folio 292 recto en verso. Gemeente-Archief van Amsterdam).
Compareerde voor mij Frederick van Banchem Notaris Publicq
byden houe van hollant geadmitteert, residerende binnen
Amsterdamme, ende den getuygen naergenoemt, d'eersame
Adriaen Pietersz Meun out ontrent xlviijch Iaeren
ende Garbrant Adriaensz ontrent xxv. Iaeren out, Poorters
deser Stede, Ende hebben bij waere woorden, In
plaetse van solemnelen Eede, ten versoucke van
Claes Pietersz van vijerhuijsen, verclaert, getuycht ende
geattesteert, hoe waer Is, Ende hem getuygen wel
kennelijck, Dat aenden Impost vande bieren vande
Sesendertich stuiuers, op yder ton, waer van Pachter
Is geweest dese producent, Ingegaen den eersten
October xvjc. Negen, ende geexpireert wesende den eersten
April xvjc. thien, verlooren Is, ouer de Seuen Duysent car. guldens
folio 292 verso
Verclarende voor Redenen van Wetenschap, Dat zij getuygen
als collecteurs d'selue Impost hebben gecollecteert ende de
Boecken daeraff nerstelyck doorsien, Seyden ouersulcx
tgeene voorsz. wel te weeten Alle t'welck zij getuygen des
noot ende in cas van recollement versocht synde, oirbodich
waeren, met Eede solemneel te verstercken, Gedaen
binnen Amsterdamme, ter presentie van Pieter Carelsz
ende Anthonij Claesz visscher, Burgers deser Stede,
als getuygen hyer ouergestaen, Den vyftienden April
xvjc. thien. Coll.

Adriaen Cornelisz heeft van Frans Hendriksz Oetgens voor ƒ44 per jaar een stuk grond buiten de Sint Anthoniespoort in huur. (Rentebrieven No. 15, folio 12 verso en 13 recto. Gemeente-Archief van Amsterdam).
Wij Iacob backer ende Abraham Boom Schepenen
jn Amstelredamme, Oorconden ende kennen dat voor
ons gecompareert js Adrian cornelis zoon jn Breroo, Ende
geliede schuldich te wesen den Eersamen frans
henricxzoon Oetgens Outburgermeester deser Stede
de somme van vierenveertich gulden Jaerlyks loss renten,
houdende op ende ouer de custinge van een erue breet
elff roeden gelegen buyten sint Anthonis poort opt
corte raempadt (t welck hy comparantt breet zal
moeten maken dertien voeten, t selue zoo verre dit erue
strect bejucken hardt ende gangbaer onderhouden, streckende
voor van t' voorschreven padt tot achter aende sloot tusschen
dit erff ende t'landt van Ian Iansszoon olij, Ende sal
de noorder sloot voor t voorschreven padt wijdt moeten blyven
achtien voeten, zonder de selue slooten verder te mogen
verspannen ofte benauwen jn eeniger manieren, Daer
lendenen van syn Iannetgen tijssen weduwe van Willem
Iansszoon aende westsyde ende d'voorschreven frans henricxzoon
aende oostsyde, met een vrijen ouerganck ouer Oetgens
padt tot aen Sint Anthonis dyck mits dat zij comparante
de bruggen streckende van dit landt totte voorschreven dyck nae
rate van dit erve mede sal helpen onderhouden Ende
dat den eygendom zoo wel vande voorschreven paden als halue
slooten zal blyuen aenden voorschreven frans henricxzoon ende
t'gebruyck daer van jnt gemeen, Des sal t'onderhouden
vanden dijck tot dit landt behorende comen ende blyuen tot
laste vanden voorschreven frans henricxzoon, Ende voort
met expresse conditie dat noch de voorschreven frans
henricxzoon noch de voorschreven comparant geen vorder ouerganck
Suytwaerts op ouer dit landt sullen mogen vercopen ofte
toestaen dan elck met elcx consent ende bewilliginge, op
dat de ramen daerop te stellen niet en worden verdoruen,
maer dat den voorschreven frans henricxzoon vry zal staen
dit padt verder te brengen ende laten gaen ouer ende langs
het landt van Gouert dircxzoon naden Amstel toe,
als mede oostop tot naden dyck toe, zoo verre als hem

folio 13 recto
goet duncken zal, ende hy mette voorschreven goouert
dircxzoon ende andere soude mogen accorderen, mits aende
zelue bedingende dat zy mede geen verder ouerganck
tot verderff der voorschreven ramen souden mogen toestaen
dan deen met danders consent, Te betalen dese
renten alle jaren op Meye Ingegaen sijnde meye
lestleden, Ende dat vry gelt zonder eenige
cortinge van hondertste ende vyftichste penning
ofte eenige andere lasten ende jmpositien die nu syn ende
namaels opgestelt sullen mogen werden, nyettegenstaende
eenige ordonnantien ende placcaten alrede gemaect
ende noch te maecken dicterende ter contrarie
daer van hy comparant by desen renunchieerde,
hier voren verbindende alle zijne goederen roerende
onroerende jegenwoordige ende toecomende. Behoudelyck
dat men de voorschreven renten tot allen tyden sal mogen
lossen mits betalende voor elcken penninck
derselver renten sestien diergelycke penningen ende daertoe
d'onbetaelde verschenen renten na beloop des tyts,
Sonder arch ende list, In Oorconde desen brieue
bezegelt met onsen zegelen, den xven Aprilis
anno 1610
Met de kenspreuk 't Kan verkeeren publiceert Bredero een Sonnet met de beginregel: Liefhebbers vande liefd', Beminners vant beminnen, als tweede van de vier lofdichten vóor de uitgave van Carel Quina: De Beschrijvinghe Heliodori vande Moorenlandtsche gheschiedenissen: Vervat in thien Boecken. Inhoudende de Eerbare, Cuysche, ende ghetrouwe Liefde van Theagenes van Thesalien, ende Chariclea van Ethiopien. Eerst int Griecx beschreven: Ende nu wt het Francoysche int Nederlandts vertaelt. Door C.K. (Vignet: Weegschaal) t'Amstelredam. By Hendrick Barentsz. Boecvercooper inde Warmoes-straet int vergulde Schrijff-boeck. 1610. (Vgl. J.A. Worp: Een onbekend lofdichtje van Bredero, in Ts. IX, 1890, blz. 135-137). Het is wellicht de vroegste publikatie van Bredero's hand.
De tweede druk van ‘Den Bloem-Hof Van de Nederlantsche Ieught’, t'Amstelredam uitgegeven door Dirck Pietersz. in de Witte Parsse op het Water, bevat in vergelijking met de eerste druk (1608) enkele uitbreidingen, waaronder het
Liedt. Op de wijse: Esprits qui suspirez, met de aanvangsregel
Ay, hooch verheven ziel en overschoone vrouwe,
een gedicht bestaande uit zeven strofen van vier versregels, zonder naam of kenspreuk. De eerste vier strofen hiervan zijn, met een aantal kleine varianten, ook te vinden in Bredero's Groot Lied-Boeck. (1622). Op deze grond wordt het als een gedicht van Bredero beschouwd.
Adriaen Cornelisz stelt zich met Barthelmeus Philipsz borg voor Jan Sybrandsz, gewezen pachter van de impost op wollen lakens, voor de voldoening van 11 300 gulden. (Schepenkennissen No. 14, folio 258 verso en 259 recto. Gemeente-Archief van Amsterdam).
Compareerde voor Schepenen ondergeschreuen
Adriaen cornelis zoon Brederode, ende Barthelmeus
philipszoon, ende hebben hen tesamen ende elck bysonder
als principael sonder smaldelinge borgen gestelt
als zy hen stellen by desen voor mr. Ian sybrantsszoon
geweest synde pachter vanden Impost vande wolle
lakenen Innegegaen den eersten october anno xvjc acht,
voor de voldoeninge vande somme van Elff duysent
drie hondert guldens, als reste vanden voorschreven
Impost, Belovende de helfte der voorschreven somme
te betalen opden xxviijen nouember eerstcomende,
ende d'andere helfte binnen zes maenden daeraen
volgende. hier onder verbindende alle hunne respectiue
goederen, roerende onroerende tegenwoordige ende toecomende
hen houdende by faulte der voorschreven betalinge geloospandt
folio 259 recto
259
geeygenpandt ende met allen rechten verwonnen, Voorts
compareerde mede voor Schepenen ondergeschreven de voornoemde
Mr Ian sybrants zoon, ende belooffde onder tverbant
van alle syne goederen syne voornoemde borgen van dese
borchtochte mede te Indemneren, Sonder arch ofte
list, Actum in Amstelredamme den laesten
july Sesthien hondert ende thien ondertekent Jan thomasszoon
jonas wits zoon
folio 258 verso, in de marge
d'originele Schepen
Kennisse es op
hyden alhier ter
secretarie verthoont
gecasseert, ergo
desen alhier geroyeert
