[p. 60]

DEEL II
HISTORIOGRAPHIE VAN HET BEGRIP ‘METAPHOOR’

Hoofdstuk I
Het begrip ‘metaphoor’ in de rhetorica

§ 1 - Het ontstaan van de term. De prae-aristotelici

Wie voor het eerst ons phaenomenon heeft waargenomen en beschreven, in wiens geest voor het eerst onze term is ontstaan, wij weten het niet 1)  . Dat Aristoteles, met wien men de geschiedenis van de term rekent te beginnen, deze werkelijk zelf gecreëerd zou hebben, is a priori niet zeer waarschijnlijk. Hij, de systematicus, die de denk-resultaten van een gehele cultuur-periode samenvat, schept niet in de eerste plaats, doch refereert en ordent in groot verband, wat anderen hebben gevonden. Wat heeft hij, die zijn loopbaan begon als leraar in de rhetorica aan Plato's Academia, hier overgenomen van sophisten als Corax en Tisias van Syracuse, Protagoras van Abdera, Hippias van Elis, Prodikos van Keos, of vooral van Thrasymachos van Chalkedon en Glaukon van Theos, die hij zelf noemt als auteur resp. van een rhetorica en een poëtica? 2)   Wij weten het niet, want van hun geschriften is weinig of niets bewaard gebleven. Het is echter zeer waarschijnlijk, dat ook zij over het verschijnsel geschreven hebben, hoewel het aan de andere kant opvallend is, dat in de enig overgeblevene prae-Aristotelische rhetorica (die van Anaximenes) de term niet voorkomt 3)  .

 1)  Met de term μεταφορα is het dus anders dan met de term πραγματικος, waarvan wij Polybios als auctor intellectualis kunnen aanwijzen, al is de associatie tussen naam en begrip bij hem ook nog niet geheel gestabiliseerd (vgl. R. Eucken: Geschichte der philosophischen Terminologie, pag. 170).
 2)  Zie Rhet., III, 1, 3 en 7, en Poet., XXV, 16.
 3)  Zie L. Spengel: Rhetores Graeci (Leipzig, 1856). - Wij gaan er nu maar vanuit, dat de bedoelde rhetorica (ρητορικη προς ' Αλεξανδρον) werkelijk van Anaximenes, althans voor-Aristotelisch is. Een uitvoerige discussie over deze kwestie vindt de lezer onder de rubriek Anaximenes in Paulys-Wissowa's Real-Encyclopädie der classischen Altertumswissenschaft. Dat de term μεταφορα in deze rhetorica niet voorkomt, blijkt - behalve uit de index van het genoemde werk van Spengel - uit de opmerking: ‘ein Isokratiker hätte .... von den Rhythmus und Metaphern nicht ganz Umgang nehmen können’. Vgl. ook de noot 70) genoemde studie van Süss (aldaar pag. 176).


[p. 61]

Toch behoeven wij in dit geval niet met een aprioristische waarschijnlijkheid genoegen te nemen. Uitgaven van Diels 4)   en Spengel 5)   geven ons als feit, dat reeds vóór den Stagiriet de metaphora is waargenomen. Gorgias, Isokrates en Nausiphanes hebben de term reeds gebruikt. Verder terug kunnen wij niet. De mensheid moge een praehistorie hebben, de taak van den terminograaf begint eerst daar, waar hij het begrip, gegraveerd in de symbolen der letters, vóór zich ziet. - Maar zeker behoort het ook tot zijn taak te zoeken naar het verband tussen een bepaalde term en de tijd waarin deze ontstond, d.w.z. de psychologische wortels van zijn ontstaan bloot te leggen. Het is niet toevallig, dat West-Europa in de tijd der Renaissance de term ‘Middeleeuwen’ creëerde 6)  , en het is ook niet toevallig, dat Griekenland in de vijfde eeuw v.C. de term ‘metaphoor’ schiep.

De Griekse wetenschap bevond zich toen in haar z.g. ‘anthropologische periode’. De philosophische interesse richtte zich op practische problemen en vele eerst theoretische wetenschappen kregen nu hun practisch correlaat. Elk theoretisch onderricht werd in wezen pragmatisch: de sophisten leidden op voor het politieke leven. En in de politiek moest (en moet) men kunnen spreken, debatteren. Daarom werd de rhetorica de voornaamste wetenschap. Nadenkend over de regelen der welsprekendheid (eerst een kunst), kwam men vanzelf tot een studie van de taal, en hier konden dan door vergelijking van woorden, van hun klanken en betekenissen, o.a. de begrippen ‘synoniem’, ‘homoniem’ en ‘metaphoor’ gewonnen worden. Zo ontstond een theorie, die, wanneer later door sociologische veranderingen het practische doel op de achtergrond geraakte, haar eigen weg kon gaan.

Wat wij in de vorige alinea zeiden, geldt voor al de toen ontstane taalkundige termen, niet voor de metaphoor alleen. Deze laatste echter staat ook nog op een andere wijze met de rhetorica in verband. Het doel der sophisten was voornamelijk: den tegenstander, hoe dan ook, te overreden,

 4)  H. Diels: Die Fragmente der Vorsokratiker4 (Berlin, 1922) met Index.
 5)  L. Spengel: Συναγωγη Τεχνων, sive artium scriptores ab initiis usque ad editos Aristotelis de rhetorica libros (Stuttgart, 1828).
 6)  Wij houden ons aan de mening van P. Lehmann (door hem verdedigd in zijn: Vom Mittelalter und von der lateinischen Philologie des Mittelalters (Quellen und Untersuchungen zur lateinischen Philologie des Mittelalters, V, 1) (München, 1914)), dat niet eerst in 1667 de term medium aevum is gecreëerd door G. Horn (in zijn Orbis politicus) om dan door de leerboeken van Cellarius verder verspreid te zijn, maar reeds in 1639 bij Rausin wordt aangetroffen, en misschien 15e- doch ongetwijfeld 16e-eeuws is.


[p. 62]

het zwijgen op te leggen 7)  , - een practisch en in wezen onedel doel, dat vaak met onedele middelen werd nagestreefd. De verdachte rol, die de metaphoren in de eristiek van die tijd en van alle tijden hebben gespeeld, zal ons later nog bezighouden 8)  ; maar het is wel zeker, dat men toen het grote belang van de metaphoor voor dispuut en sophisme-vorming heeft ingezien. Het opzettelijk misverstaan immers van een door den tegenstander overdrachtelijk gebruikt woord was (en is nog) een strategisch middel van de eerste orde: men kon zo de gehele uitspraak tot nonsens verdraaien, en wanneer er nog een redelijke zin overbleef, daarop, d.i. dus op iets anders dan de eigenlijke controverse, overgaan 9)  . De sophisten werkten graag met homoniemen 10)  , daarop bouwden zij hun ‘klank-syllogismen’ 11)  . Maar niet elke homonymiteit kon hier in aanmerking komen; zeker niet de ‘toevallige’ slechts op phonetische ontwikkelingen berustende, daar hier het bedrog te apert zou zijn, en voor de hoorders dus ook zelfs de schijn van logiciteit afwezig. Tussen de homoniemen moest een semasiologisch verband bestaan als: ruimer - enger, figuurlijk - eigenlijk. Wij wijzen hier b.v. op het sophisme over den goeden slechten schoenmaker 12)  .

Hier hebben wij ongetwijfeld de psychologische wortel van ‘metaphoor’ als wetenschappelijke term 13)  . Hoezeer de metaphoor - ondanks het feit dat Aristoteles juist in zijn Poetica een definitie en systematische descriptie geeft - in oorsprong een rhetorisch en niet een poëtisch begrip is, moge ten overvloede blijken uit de omschrijving der ‘tropen’ niet als poëtische, maar als redekunstige (ndl., dui. ‘rhetorische’) figuren. -

Bewijzen de ons overgeleverde uitspraken van Gorgias, Isokrates en

 7)  Vgl. Volkmann's definitie van ‘rhetorica’ (Deel I, Hoofdstuk II, § 3, tweede alinea). - Hoezeer bij dat overreden het doel de minder fraaie middelen moest ‘heiligen’, bewijzen o.a. de peroraties van Plato en Aristoteles tegen de slechte sophistische rhetorica.
 8)  Zie Deel III, Hoofdstuk II, § 1 en Hoofdstuk III, § 6.
 9)  Zie hierover A. Schopenhauer: Parerga und Paralipomena, Band II, Kap. II. Zur Logik und Dialektik, § 26. Het door ons hierbeneden bedoelde ‘klank-syllogisme’ is een van zijn Stratagemata.
 10)  Zie Aristoteles: Rhet., Lib. III, Cap. II, 7: Των δ'ονοματων τω μεν σοφιστη ομωνυμιαι χρησιμοι.
 11)  Zie hiervoor Deel III, Hoofdstuk III, § 6.
 12)  Dit sophisme is te vinden bij Aristoteles (Soph. El., XX, 177 b. 14); vgl. ook Prantl: Geschichte der Logik im Abendlande, I, pag. 22, 49.
 13)  Natuurlijk heeft dit met het ontstaan van het object niets te maken! - De sophisten zijn ook nog om een andere reden voor het begrip ‘metaphoor’ van belang (zie Hoofdstuk III, § 1).


[p. 63]

Nausiphanes (althans met zekerheid van de eerste twee) 14)   ons het bestaan van de term vóór Aristoteles, over het object leren zij ons maar zeer weinig; zij expliceren in het geheel niet, wat wij een (wetenschappelijk) begrip noemen.

Het schamele fragment van Gorgias 15)  : και ετι τεταρτον το ψυχρον εν ταις μεταφοραις γινεται... οιον brengt ons met de term ψυχρον in de aesthetica van de stijl: (het te overmatig gebruik maken van) de metaphoor maakt de stijl koud, nietszeggend, vruchteloos (d.w.z. hij werkt niet meer op de hoorders in, omdat zij niet meer begrijpen, wat er bedoeld wordt) 16)  .

Isokrates zegt 17)  : ονοματι δε χρησθαι η μεταφορα η τω καλλιστω η τω ηκιστα πεποιημεν ω η τω γνωριμωτατω. Vergissen wij ons niet, dan worden hier drie bekende eisen voor de metaphoor genoemd.

Het grootst is het fragment van Nausiphanes 18)  . Hij zegt: θαυμαστεον μεν ουν φυσιολογου και την λαλιαν. ως συνεστωσαν ακρως κατ' ευοδιαν των ωμιλημενων και μεταφοραις επι το αγνοουμενον πραγμα αριστα μετενηνεγμενην και ου πλασματι κενωι και νομωι γεγονυιαν αλλα τηι των πραγματων φυσει και κατα την συνηθειαν. Ook deze passus is moeilijk volledig juist en duidelijk te interpreteren. Typerend is, dat Von Arnim geen letterlijke vertaling geeft 19)   doch een paraphrase, welke wij hier laten volgen. ‘(De woorden van Nausiphanes) enthalten die Schilderung der an der früheren Stelle gerühmten διδακτικη λεξις .... Als Vorzug dieser λεξις wird gerühmt, dass sie sich einerseits an die im Umgang gebräuchliche Ausdrucksweise hält (τα ωμιλημενα, κατα συνηθειαν) und nicht auf conventionellen Schulkunstgriffen beruht (πλασματι κενωι και νομωι), sondern aus der Natur des Gegenstandes erwächst, und doch andererseits der Metaphern nicht entbehrt. Diese Metaphern, die nicht zu müssigem Schmuck,

 14)  Zie over Nausiphanes: Paulys-Wissowa, Band XVI, pag. 2021, vlg. Susemihl ziet hem in zijn rhetorische begrippen als een epigoon van Aristoteles, maar anderen zien Methrodoros van Chios als zijn leermeester op dit gebied. Von Arnim zegt: ‘.... eine Abhängigkeit des Nausiphanes von seinem Zeitgenossen Aristoteles ist nicht wahrscheinlich’ (H. von Arnim: Leben und Werke des Dio von Prusa. Mit einer Einleitung: Sophistik, Rhetorik, Philosophie in ihrem Kampf um die Jugendbildung (Berlin, 1898), pag. 59).
 15)  H. Diels: Die Fragmente der Vorsokratiker4, Band II, pag. 265, regel 4.
 16)  De vertaling van ψυχρον is moeilijk. De Duitse vertalingen geven hier ‘frostig’, maar deze metaphoor kunnen wij niet meer navoelen. ‘Afgezaagd’ (A.H.G.P. van den Es: Grieksch Woordenboek6) past hier wel niet, daar de beelden wel gloednieuw kunnen zijn. Is de stijl ‘koud’, omdat hij de hoorders niet kan bezielen, daar hij onbegrijpelijk is?
 17)  L. Spengel: Συναγωγη Τεχνων, pag. 162.
 18)  H. Diels, t.a.p., pag. 158, regel 9, vlgg.
 19)  Dit geldt ook voor Paulys-Wissowa.


[p. 64]

sondern zur Verdeutlichung eines schwerfasslichen Gegenstandes dienen, sind selbst dem Gebiet der ωμιλημενα entlehnt. Denn die einmalige Setzung des Artikels των zeigt, dass es eben die ωμιλημενα selbst sind, die zur metaphorischen Verdeutlichung dunkler Gegenstände benutzt werden. Dadurch entsteht eine ευοδια, ein leichter, bequemer Gang der Rede, die nicht mit fremdartigem Schmuck überladen ist; und gleichwohl wird die höchste stilistische Wirkung erreicht (συνεστωσαν ακρως). Man glaubt hier nicht sowohl ein stilistisches Ideal als den Stilcharakter eines bestimmten Autors schildern zu hören’ 20)  . Deze paraphrase is nogal vrij. Ons lijkt de passus syntactisch niet geheel duidelijk. Maar zoveel blijkt wel, dat het hier gaat om het beschrijven (benoemen) van een onbekende zaak door middel van een metaphoor. En deze metaphoor resulteert uit het wezen van het te beschrijven (te benoemen) object en de omgangstaal, d.w.z. het nieuwe woord wordt niet volmaakt willekeurig gekozen, is dus geen totaal maar een partieel neologisme, kent een phonetisch kurion 21)  , terwijl de overdracht berust op een wezensovereenkomst tussen het onbekende object en het object, hetwelk door dat phonetisch kurion wordt geïntendeerd. De tegenstelling νομωι - φυσει doet ons denken aan de strijd rond het taal-philosophisch probleem van zijn dagen: het probleem der taal-genesis.

Eenzelfde stilistisch ideaal ziet Von Arnim in de volgende (volgens hem vermoedelijk ook aan Nausiphanes van Theos toe te schrijven) woorden:.... επιτετηδευμεναις ουδ' απηρτημεναις του συνηθους μεταφοραις ουδε αλλοις εμιμησατο ματαιοτητ' ανθρωπων. -

En dit is alles vóór Aristoteles 22)  . Eerst bij hem vinden wij μεταφορα tot een wetenschappelijk begrip uitgewerkt.

 20)  Deze auteur zou dan waarschijnlijk Demokrites zijn, van wien Nausiphanes een leerling was (vgl. E. Zeller: Die Philosophie der Griechen in ihrer geschichtlichen Entwicklung (Leipzig, 1892, vlg.)). Het woord φυσιολογος verklaart, waarom Nausiphanes' fragment is opgenomen onder de fragmenten der vóór-Socratici, hoewel hij na Socrates leefde. Voor hem was de philosophie, de wijsheid, slechts de φυσιολογια, d.i. de ionischen natuur-philosophie, tot welker adepten hij als leerling van Demokrites behoorde (zooals Von Arnim (t.a.p., pag. 48) opmerkt).
 21)  Vgl. voor deze term de volgende § en vooral ook Deel III, Hoofdstuk I, § 1.
 22)  Het bericht van Suidas (Diels, Band II, pag. 236, reg. 14) komt hier natuurlijk niet in aanmerking.

§ 2 - Aristoteles

In een hoekje van Aristoteles' monumentaal levenswerk, als een betrekkelijk nietig maar toch noodzakelijk en tamelijk scherp geciseleerd ornament in deze ‘classieke kathedraal van menselijke kennis’, wordt de term μεταφορα voor het eerst duidelijk in de beschavingsgeschiedenis der mensheid

[p. 65]

zichtbaar. De Stagiriet moge dan al de term van anderen hebben overgenomen, hem slechts hebben binnengedragen en op zijn juiste plaats gezet in zijn systeem, feit is, dat de door hem gegeven visie voor millenniën de belangrijkste phase is in de evolutie van het begrip. Daarom moet deze phase hier zo nauwkeurig mogelijk worden beschreven en geanalyseerd.

Voor wij hiertoe overgaan, willen wij erop wijzen, dat, hoewel Aristoteles vrijwel in de gehele literatuur over ons onderwerp wordt genoemd, toch maar zeer weinig een werkelijke descriptie en analyse van zijn begrip gegeven is. Meestal neemt men genoegen met de definitie uit de Poetica (Cap. XXI) 1)   of met een meer of minder vrije vertaling der betreffende capita 2)  . Een immanente critiek treffen wij hier en daar wel aan, o.a. bij Volkmann 3)  , Gerber 4)  , Vahlen 5)  , echter weer niet bij Brinkmann 6)  , A. Biese en Pongs 7)  , hoewel vooral de laatste twee op sommige punten wel tot een analyse komen. - Hoezeer de persoonlijke visie op het object, ja de geheele levenshouding, invloed kan hebben niet alleen op de critiek maar ook op de descriptie van een door een ander gebruikte term, zal hieronder nog vaak blijken. Wat die critiek betreft: voor Biese 8)   is Aristoteles de eerste taal-criticus, die de metaphoren der aitia enz. vernietigt, - voor Mauthner 9)   heeft hij dergelijke inzichten juist voor eeuwen en eeuwen tegengehouden; voor Biese 10)   is Aristoteles verre superieur aan Quintilianus en Cicero, - voor Brinkmann 11)   niet. Hieruit resulteert nog eens

 1)  Zo b.v. nog K. Bühler: Sprachtheorie (Jena, 1934), pag. 342, noot.
 2)  Zo b.v. Fr. Biese: Die Philosophie des Aristoteles, in ihrem inneren Zusammenhange, mit besonderer Berücksichtigung des philosophischen Sprachgebrauchs aus dessen Schriften entwickelt (Berlin, 1835-'42), Band II, pag. 632, vlg., pag. 643, vlg., pag. 687, vlg., pag. 690, vlg.; J.A. Hartung: Lehren der Alten über die Dichtkunst, durch Zusammenstellung mit denen der besten neueren (Hamburg und Gotha, 1845); Ed. Müller: Geschichte der Theorie der Kunst bei den Alten (Breslau, 1834-'37), Band II, pag. 131, vlgg.
 3)  R. Volkmann, t.a.p., pag. 419, vlg.
 4)  G. Gerber: Die Sprache als Kunst, Band II, pag. 25, 26.
 5)  J. Vahlen: Beiträge zu Aristoteles' Poetik2 (Berlin, 1914), pag. 128, 132. Een hermeneutisch werk van de eerste orde.
 6)  Brinkmann, pag. 23, vlg.
 7)  Pongs, pag. 1, vlgg.
 8)  Biese, pag. 157. - De bedoelde analyse vinden wij pag. 3, vlgg.
 9)  F. Mauthner: Aristoteles. Ein unhistorischer Essay (Die Literatur. Sammlung illustrierter Einzeldarstellungen, herausgegeben von Georg Brandes. Zweiter Band), pag. 34. - Voor Mauthner is Aristoteles slechts een (weliswaar zeer ijverige maar ook) zeer onintelligente compilator (ibidem, pag. 14).
 10)  Biese, pag. 19.
 11)  Brinkmann, t.a.p.


[p. 66]

de eis van een zo objectief mogelijke descriptie, die echter, wil zij meer zijn dan een (meer of minder letterlijke) vertaling van Griekse zinnen, niet mogelijk is zonder immanente critiek 12)  . -

Op verschillende plaatsen vinden wij in Aristoteles' geschriften de term μεταφορα 13)  . Maar hoewel veel van de rest wel van enig belang is voor een volledige kennis van zijn begrip, in zijn Περι ποιητικης en in zijn Τεχνη Ρητορικη heeft hij verreweg het uitvoerigst over het object geschreven. Op de kwestie, welke van deze twee werken het eerst is voltooid, zullen wij hier niet ingaan. In de Poetica verwijst hij soms naar de Rhetorica 14)  , maar ook omgekeerd 15)  , en dit laatste is juist in verband met de metaphoor het geval. Waarschijnlijk zijn dergelijke verwijzingen eerst later door anderen ingevoegd, zijn zij een soort van in de oorspronkelijke tekst vergroeide commentaren. Van veel belang voor onze terminographie is de chronologische volgorde ook niet, vooral omdat wij hier niet twee verschillende phasen aantreffen. Alleen in het eerste werk wordt het begrip gedefinieerd en systematisch ontwikkeld; het tweede is rijker aan toelichtende voorbeelden. Daarom gaan wij bij onze descriptie van de Poetica uit, het daarin ontwikkelde begrip met uitspraken uit de Rhetorica (hier en daar ook uit andere geschriften) vergelijkend en combinerend. -

De literatuur over het Aristotelische begrip valt in twee groepen uiteen: 1e. paraphraseringen van de gehele Poetica (al of niet als onderdeel van een geschiedenis der dichtkunst c.q. van Aristoteles' philosophie) of monographieën van het daarin aangetroffen ‘tropologisch systeem’ (als phase van een geschiedenis der tropologie), en 2e. monographieën van het begrip zelf (als phase in een terminographie van ‘metaphoor’). Nu is het opvallend, dat juist de schrijvers van deze laatste niet hebben ingezien, dat het begrip zich niet alleen constitueert in de bekende definitie van Caput XXI en de ‘uitbreiding’ daarvan, maar ook als moment van een systeem. Zodra het optreedt, vinden wij het aan andere begrippen gecoördineerd en gesubordineerd aan een hoger gelegen begrip. Wat is nu dat hoger gelegen begrip, waarvan de andere ‘soorten’ zijn, en wat is het indelingsprincipe? - Dit moet de volgende uitspraak ons leren: απαν 'δε ονομα εστιν, η κυριον, η γλωττα, η μεταφορα, η κοσμος, η πεποιημενον, η επεκτεταμενον, η υφηρημενον, η εξηλλαγμενον.

 12)  Vgl. Deel I, Hoofdstuk I, § 6, § 7.
 13)  Zie de Index Aristotelicus van F. Bonitz, verschenen als Band V van de uitgave der Pruisische Academie (Berlin, 1831-'70).
 14)  Poet., Cap. XIX.
 15)  Rhet., Lib. I, Cap. XI, 29; Lib. II, Cap. II, 2, 7; Lib. III, Cap. I, 10, Cap. XVIII, 7.


[p. 67]

Het is dus al zeer eenvoudig: κυριον enz. zijn soorten van woorden 16)  . Moeilijker is de vraag naar het indelingsprincipe te beantwoorden. Terecht zegt Vahlen, dat hier verschillende principia werkzaam zijn geweest 17)  . Hoe wij κυριον ook moeten opvatten (als gebruikelijk, eigenlijk of oorspronkelijk), in allen gevalle verwachten wij daaraan gecoördineerd te zien een ακυρον, dat dan weer onderverdeeld kan worden. Dat Aristoteles wel zo iets bedoeld heeft, blijkt uit Cap. XXII, waar hij de κυρια stelt tegenover de ξενικα. De eerste vormen dan de buiten de wil van elk individu afzonderlijk bestaande woorden-schat 18)  , in alle andere gevallen grijpt het individu scheppend in: phonetisch bij het επεκτεταμενον, het υφηρημενον, het εξηλλαγμενον; semantisch bij de μεταφορα; phonetisch en semantisch bij het πεποιημενον en de γλωττα. Want ook de γλωττα is in zekere zin een neologisme; weliswaar heeft het individu niet iets gecreëerd dat nog in het geheel niet bestond, maar wel iets dat in zijn taal nog niet of niet meer (ook het archaisme valt hieronder (zie Vahlen, t.a.p., pag. 128)) bestond: voor die taal is het, precies als het πεποιημενοη, een nieuwe phonetisch-semantische eenheid. Dus in alle ξενικα zien wij (totale of partiële) neologismen en wij menen hiermee geheel in de visie van Aristoteles te blijven, die immers de nadruk legt op het bewust-creatieve moment van deze ‘woord-soorten’. - Wat hij met κοσμος bedoelt, is niet duidelijk, want definitie en voorbeeld zijn verloren gegaan, zijn althans niet aanwezig. Wij mogen echter veilig aannemen, dat dit het z.g. epitheton ornans is. Dit kan echter in de indeling der ονοματα, zoals wij die geinterpreteerd hebben (en deze interpretatie is de meest logische), geen plaats vinden, want ook b.v. het κυριον kan

 16)  Naast deze indeling der woorden staat nog een andere, nl. in simplicia en composita (απλουν ονομα - ονομα διπλουν, τριπλουν, τετραπλουν, πολλαπλουν), die Aristoteles eraan vooraf laat gaan. Deze indelingen staan naast elkaar, en niet is de tweede aan de eerste gesubordineerd, zoals Vahlen (t.a.p., pag. 127) meent; immers de uitspraak: ‘jedes Wort (gleichgültig ob απλουν oder διπλουν) ist entweder κυριον oder γλωττα, enz.’ is omkeerbaar (‘jedes Wort (gleichgültig ob κυριον oder γλωττα, enz.) ist entweder απλουν oder διπλουν). - Het zou te ver voeren, het verband tussen beide indelingen geheel te analyseren. Wel willen wij erop wijzen, dat, blijkens enkele plaatsen uit de Poetica, ook het απλουν enz. een stilistische functie heeft.
 17)  Vahlen, ibidem.
 18)  Wij gaan er dus vanuit, dat κυριον hier ‘gebruikelijk’ en niet ‘eigenlijk’ betekent. Op de twee laatste begrippen - zo uitermate moeilijk in hun identiteit en verschil, maar ook zo uitermate relevant voor het begrip ‘metaphoor’ - komen wij nog herhaaldelijk (ook in deze §) terug. Noch de γλωττα, noch het πεποιημενον is te begrijpen als een ‘oneigenlijke’ uitdrukking, en hetzelfde geldt voor de eerste drie ξενικα. Maar als neologisme, als nieuw, ongebruikt, ongebruikelijk woord zijn zij alle te begrijpen (vgl. ook Vahlen, t.a.p., pag. 142).


[p. 68]

een κοσμος zijn. Terwijl bij alle andere soorten het woord als een op zich zelf staande phonetisch-semantische eenheid wordt beschouwd, suggereert de κοσμος ons een grammatisch (syntactisch) verband.

Wanneer wij dus trachten bovengeciteerde uitspraak van Aristoteles zo te interpreteren, dat de systematische samenhang zoveel mogelijk tot uiting komt, vinden wij het volgende indelingsschema, waarin dan de κοσμος ontbreekt:



(Schema IV) 19)  

 

In Caput XXII, waar het begrip ξενικον wordt ingevoerd 20)  , blijkt eigenlijk eerst, dat wij met een tropologisch systeem te doen hebben: de genoemde ‘woord-soorten’ hebben een stilistische functie. De κυρια moeten de uitdrukking duidelijk (begrijpelijk) maken, de ξενικα moeten haar van banaliteit bevrijden 21)  . Een goede stijl resulteert uit een harmonische verhouding tussen beide; duidelijkheid is in zekere zin ook een aesthetisch moment, en het κυριον is in zekere zin ook een troop. De aesthetische intentie is het overeenkomstige tussen de κοσμος en de andere soorten; daarom vonden wij haar aan deze gecoördineerd, hoewel zij logisch in de nu eenmaal op een ander criterium gebaseerde indeling niet thuishoort.

 19)  Hierin vinden wij dus naast elkaar de z.g. ‘tropen’ en de z.g. ‘grammatische figuren’ (vgl. hierover Deel III, Hoofdstuk I, § 1).
 20)  ξενικον δε λεγω, γλωτταν, και μεταφοραν, και επεκτασιν, και παν το παρα το κυριον.
 21)  σαφεσατη μεν ουν εστιν η εκ των κυριων ονοματων, αλλα ταπεινη.... σεμνη δε και εξαλλαττουσα το ιδιωτικον, η τοις ξενικοις κεχρημενη.


[p. 69]

Ook later zullen wij nog zien, dat de ‘tropen’ en de ‘rhetorische figuren’ vaak niet scherp gescheiden worden 22)  .

Wanneer men nu echter zou menen (b.v.) de metaphoor te moeten begrijpen zonder meer als een individuele aesthetisch gerichte afwijking van het gebruikelijke, zou men zich misschien toch vergissen. Want aangevende welke soorten van woorden voor de verschillende dichtgenres het meest passend zijn, zegt Aristoteles, dat men in jambische verzen, waar het erom gaat zoveel mogelijk de gesprek-toon te imiteren, die soorten moet gebruiken, die ook in het dagelijkse proza gebruikt worden, nl. het gewone woord, de metaphoor en het epitheton ornans. Hoe moeten wij deze incorrelatie begrijpen? Hoe kan de metaphoor ξενικον zijn en toch tegelijkertijd fungeren in het proza van een gewoon gesprek?

Voor wij deze vraag trachten te beantwoorden, zullen wij eerst nagaan, wat volgens Aristoteles de metaphoor niet als ξενικον maar op zichzelf is. Zijn definitie luidt: Μεταφορα δ' εστιν ονοματος αλλοτριου επιφορα, η απο γενους επι ειδος, η απο ειδους επι γενος, η απο ειδους επι ειδος, η κατα το αναλογον.

Slechts met het eerste gedeelte hebben wij hier te maken, in het laatste geeft hij een indeling, waarover wij aanstonds zullen spreken.

Gudeman 23)   vertaalt: ‘Eine Metapher besteht darin, dass man einem Worte eine ihm (ursprünglich) nicht zukommende Bedeutung beilegt’. Zo geeft ook Benseler 24)  : ‘μεταφορα, das Übertragen der Bedeutung von einem Wort auf das andere’. Daarentegen Van den Es 25)  : ‘μεταφορα, het overdrachtelijk gebruiken van een woord, hetzij dat de naam van het geslacht op de soort wordt overgebracht’, enz.; Biese 26)  : ‘Eine Metapher ist die Übertragung einer Benennung’, enz.; Pongs 27)  : ‘das “Herantragen” oder “Herzutragen” des “andern” fehlenden Namens 28)  . - Wat staat nu

 22)  Vgl. Deel III, Hoofdstuk I, § 1.
 23)  A. Gudeman: Aristoteles über die Dichtkunst (Der philosophische Bibliothek, Band I (Leipzig, 1921)).
 24)  Benselers Griechisch-Deutsches Schulwörterbuch (13e Auflage bearbeitet von A. Kaegi). Feitelijk is dit meer een vrije definitie dan speciaal een vertaling van die van Aristoteles.
 25)  A.H.G.P. van den Es: Grieksch Woordenboek. - De toevoeging bewijst, dat hij zeker wel een vertaling van Aristoteles bedoelt.
 26)  Biese, pag. 3.
 27)  Pongs, pag. 456, 1. - Hij geeft, afgezien van dat ‘fehlenden’, wel de meest letterlijke vertaling. - επιφορα is hier een woord en geen term (het kan nl. ook term zijn, zowel in de rhetorica als in de logica).
 28)  De cursivering van ‘naam’ en ‘betekenis’ is van ons. Natuurlijk had het aantal vindplaatsen van deze controverse nog uitgebreid kunnen worden. Zie ook noot 30) (Steinthal).


[p. 70]

eigenlijk in die definitie: is voor Aristoteles de metaphoor een betekenis-of een naamsoverdracht? Er staat: het overdragen van een niet toekomende ονομα, en op de interpretatie van het laatste woord komt het hier aan.

Nu geeft wel geen enkel Grieks woordenboek ονομα als ‘betekenis’ op en niets dwingt ons het hier zo te vertalen; het betekent ‘woord’ of ‘naam’ 29)   (‘woord’ dan natuurlijk in de zin van ‘phonetisch-semantische eenheid’). De Grieken onderscheidden de beide laatste begrippen natuurlijk wel, maar toch niet consequent en zij hebben dit onderscheid zeker nog niet consequent terminologisch tot uiting gebracht, hetgeen de vertaling van ονομα vaak zo moeilijk maakt 30)  . Maar hier behoeven wij niet te twijfelen: aan een begrip kan slechts een naam en niet een woord worden toegekend; het overdragen van een woord is, althans in dit verband 31)  , volkomen onmogelijke beeldspraak.

Wanneer wij rekening houden met hetgeen wij over het ξενικον in het algemeen zeiden, komt de definitie in moderner terminologie dus hierop neer: ‘Metaphora is het occasioneel toekennen van een aan een bepaald begrip (A) usueel geassocieerde naam (N) aan een ander begrip (B); zo ontstaat een nieuw woord (N ↔ B)’. Opzettelijk hebben wij bij het definiendum geen lidwoord geplaatst (zoals Gudeman doet), daar men het hier als nomen actionis moet opvatten (het praedicaatsnomen is ook een nomen actionis). Ongetwijfeld wordt de term ook door Aristoteles gebruikt voor het resultaat van die handeling, voor het nieuw-ontstane woord (in de eerste plaats wel daar, waar hij de metaphora een soort van woord noemt), maar het is toch wel typisch, dat in de definitie (en trouwens ook in de naam) vooral de ontstaanswijze van dit ξενικον tot uiting komt. Nu is het waar, dat als een naam wordt toegekend aan een begrip, tevens een betekenis wordt toegekend aan een naam. Daarom hebben wij ook in Schema IV de metaphoor begrepen als een neologisme naar het semantisch moment. Maar daar was zij ook als resultaat bedoeld; in de definitie echter

 29)  En bovendien nog hetgeen wij aangeven door middel van een samenstelling van deze twee: ‘naamwoord’.
 30)  Vgl. Fr. Biese: Die Philosophie des Aristoteles, II, pag. 55, noot 4: ‘λογος ist das bedeutungsvolle Wort, ονομα dagegen der äuszerliche Name für einen Gegenstand: λογος bezieht sich auf den Gedanken, der sich im Worte offenbart und in den Begriff zusammengefasst wird’. Dit moge idealiter theoretisch het geval zijn, in de practijk wordt ονομα zeker ook gebruikt als ‘woord’, waarvan de λογος een der momenten is. Voor een subtiele analyse van ονομα en λογος verwijzen wij naar H. Steinthal: Geschichte der Sprachwissenschaft bei den Griechen und Römern mit besonderer Rücksicht auf die Logik2, Erster Teil (passim). - Op pag. 268 spreekt hij ook over Aristoteles' definitie van metaphora: ‘Uebertragung eines einer Sache fremden Namens auf diese Sache’. Hij vult dus ‘zaak’ in; maar ook hier is ‘betekenis’ onmogelijk.
 31)  Anders wordt dit bij de ‘overdracht in een andere sfeer’.


[p. 71]

wordt gesproken over de handeling (het overdragen) zelf. Nu past de naam als object van deze handeling in Aristoteles' stilistische beschouwingswijze beter dan de betekenis: het individu wil banaliteit vermijden en zoekt nu voor het begrip, dat hij tot uitdrukking wil brengen, een nieuwe naam; dat begrip is in zijn psyche primair, niet de naam, waaraan hij nu een betekenis gaat toekennen.

Maar een dergelijk inzicht in het ontstaan van deze ‘troop’ behoefde nog niet constituerend te zijn voor het inzicht in het wezen, in de metaphoor als resultaat. Elk ξενικον is slechts ξενικον ten opzichte van een κυριον en dit geldt natuurlijk ook voor de metaphora. Zo wordt de vraag: Als contrast van welk κυριον constitueert zij zich?

Wanneer men een niet-gebruikelijk woord aantreft van de structuur N ↔ B, zijn er twee mogelijkheden van interpretatie. Men vergelijkt het met het woord M ↔ B en zegt dan dat het begrip B met een ongebruikelijke naam benoemd is, òf men vergelijkt het met het woord N ↔ A en spreekt dan van de oneigenlijke (ongebruikelijke) betekenis van de naam A, d.w.z. men ziet het woord òf als synoniem òf als homoniem. Nu is echter het phonetisch moment van het woord vrijwel altijd preferent: slechts door middel van de fixeringsvorm kan men over een begrip spreken, het physische is ‘grijpbaarder’ dan het psychische. Dus wordt de naam-klank als vaste pool aangenomen en vergelijkt men de metaphoor meestal met dat κυριον, dat dezelfde naam heeft als zij. Zo komt men ertoe, hoewel men de metaphoor ziet als het resultaat van een naams-overdracht, toch te spreken van een oneigenlijke (ongebruikelijke) betekenis. De ongebruikelijkheid van de betekenis (en dus niet van de naam) dringt zich vooral op, wanneer het woord M ↔ B in de taal niet bestaat, wanneer het begrip B dus nog niet eerder met een naam benoemd werd, wanneer het dus gaat om een anonymon 32)  . - Het wil ons voorkomen, dat ook Aristoteles dit niet anders gezien heeft. De metaphoor immers onderscheidt zich van alle andere ξενικα (behalve dan van het πεποιημενον), omdat de (door ‘overdracht’ verkregen) naam-klank niet veranderd wordt, op zichzelf beschouwd in de taal gebruikelijk is; alleen de betekenis, als betekenis bij die naam, is ongebruikelijk. Bovendien: Aristoteles spreekt juist uitvoerig over het (metaphorisch) benoemen van een ανωνυμον en dit kent geen gebruikelijke naam. Daarom handhaven wij onze opvatting van zijn begrip ‘metaphora’ als een semantisch neologisme; de metaphora constitueert zich als contrast van het kurion N ↔ A. Deze opvatting impliceert tevens, dat in de zin

 32)  Voor een uitvoeriger behandeling van deze kwestie verwijzen wij naar Deel III, Hoofdstuk I, § 1. Nu en dan is het natuurlijk noodzakelijk in het historiographische gedeelte ‘systematische’ beschouwingen te geven (zie voor dit begrip ‘systematisch’ Deel I, Hoofdstuk I, § 3).


[p. 72]

απαν δ 'ε ονομα εστιν, enz. ονομα vertaald moet worden door woord en niet door naam (Steinthal 33)   vertaalt ook met ‘woord’).

Voor het Aristotelische begrip is verder van belang de indeling, die direct op de definitie volgt. Om die indeling te begrijpen hebben wij de voorbeelden nodig.

Als voorbeeld van een overdracht ‘van het geslacht op de soort’ geeft hij: νηυς δε μοι ηδ εοτηκε, en hij voegt er ter verklaring aan toe: το γαρ ορμειν εστιν εσταναι τι. Gudeman 34)   vertaalt hier wel niet geheel juist: ‘denn “vor Anker liegen” bezeichnet das “Stehen” eines bestimmten Gegenstandes’. Wij geven de voorkeur aan een vertaling, welke wij reeds in 1780 aantreffen: ‘want, in de haven blijven staan (voor anker leggen) is ene soort van staan blijven in 't algemeen’ 35)  . Een overdracht ‘van de soort op het geslacht’ is μυρια i.p.v. πολλα. Het voorbeeld voor een overdracht ‘van de soort op de soort’ is onduidelijk; misschien is de tekst hier wel corrupt 36)  . Van meer belang is de μεταφορα κατα το αναλογον.

Zoals bekend, moeten wij αναλογον 37)   liever niet vertalen door ‘overeenkomst’ of ‘het overeenkomstige’, doch door ‘evenredigheid’, ‘verhouding’, ‘proportio’ 38)  . Omdat A: B = C: D, wordt de naam van B op D overgedragen, of omgekeerd die van D op B. Soms voegt men aan de metaphoor ook toe het met het oorspronkelijke begrip in relatie staande. B.v. aan ‘de drinkschaal van Ares’, ↔ ‘het schild van Dionysos’ en aan ‘de avond des levens’ ↔ ‘de ouderdom des dags’ ligt een dergelijke proportio ten grondslag. Wanneer een der proportionele leden niet in de taal aan een naam geassocieerd is (dus wanneer een ανωνυμον wordt benoemd) is de naamsoverdracht niet omkeerbaar 39)  , maar spreken wij toch van een μεταφορα κατα το αναλογον. Voor het αφιεναι την φλογα απο του ηλιου bestaat in de taal geen woord. Toch is er een proportio mogelijk, want ομοιως εχει τουτο προς τον ηλιον και το σπειρειν προς τον καρπον, zegt Aristoteles. Vahlen 40)   vertaalt hier: ‘denn für den Sonnenstrahl ist dieses

 33)  Zie noot 30).
 34)  A. Gudeman, t.a.p., pag. 43, 44.
 35)  (Anonymus:) Aristoteles. Verhandeling over de Dichtkunst. Uit het oorspronkelijk Grieksch in het Nederduitsch vertaald (Amsterdam, 1780), pag. 52.
 36)  R. Volkmann, t.a.p., pag. 419 spreekt uitvoerig over deze soort van metaphoor en het daarbij gegeven voorbeeld, en komt hier tot een immanente critiek (vgl. noot 3)).
 37)  Vaak wordt dit nog als twee woorden geschreven: το ανα λογον.
 38)  Zie Aristoteles: Nik. Eth., Lib. V, Cap. 6: η αναλογια ισοτης εστι λογου και εν τετταρσιν ελαχιστοις.
 39)  Over die omkeerbaarheid van een dergelijke metaphoor, zie Rhet., III, 4. Vgl. ook de latere indeling in μεταφοραι ακολουθοι (communes, reciprocae) en ανακολουθοι (unius partis), die wij o.a. bij Charisius en Diomedes aantreffen.
 40)  Vahlen, t.a.p., pag. 131.


[p. 73]

unbenannte αφιεναι das nämliche, wie für das Samenkorn das Säen (σπειρειν)’. Dat deze passus moeilijkheden oplevert, heeft Vahlen ook wel gezien. Zijn vertaling geeft een redelijke zin, maar bij Aristoteles staat letterlijk iets geheel anders, dat, althans als wij καρπος door ‘zaad’ vertalen, niet een ‘kleine Ungenauigkeit’ doch een aperte illogiciteit is 41)  . Ook Spengel, Schmidt en Castelvetro achten de plaats corrupt 42)  ; de emendatie van den laatste (.... και το σπειρειν προς τον [αφιεντα τον] καρπον 43)  ) lijkt nog het plausibelst. Het is wel merkwaardig, dat geen van allen gezien heeft, dat καρπος hier niet door ‘zaadkorrel’ maar door ‘handpalm’ vertaald moet worden 44)  . De handpalm immers is wel bij uitstek ‘de uitzender van het zaad’ 45)  . Nu behoeft er geen letter in de tekst veranderd te worden: de proportio is er volkomen logisch in verklaard. - Maar om een andere reden bevredigt ons de passus niet, en hier komen wij tot een critiek op die gehele indeling.

Waarom moet σπειρειν speciaal als een evenredigheidsmetaphoor geinterpreteerd worden? Kan men niet zeggen: voor de naam van het algemene begrip αφιεναι wordt de naam van het speciale begrip σπειρειν in de plaats gezet, dit is dus een overdracht van de soort op het geslacht? Of: σπειρειν en het anonymon zijn beide soorten αφιεναι, het is een overdracht van de soort op de soort? Zo kan men ook de eerste twee voorbeelden als overdrachten van de soort op de soort interpreteren: ‘drinkschaal’ en ‘schild’ zijn beide soorten ‘attributen’, en ‘ouderdom’ en ‘avond’ zijn beide soorten.... ‘einde’. Voorts kan men εσταναι en ορμειν in een proportio brengen, nl. staan: mens = voor anker liggen:

 41)  De uitdrukking ‘kleine Ungenauigkeit’ bij Vahlen, pag. 132.
 42)  Zie over deze emendaties: Vahlen, pag. 293. - Over het algemeen concludeert men uit een (vermeende of werkelijke) illogiciteit te spoedig tot het corrupt zijn van een plaats.
 43)  Bij Vahlen is in het citaat van Castelvetro παρπον wel een drukfout voor καρπον.
 44)  Ook Pongs niet, die bij zijn tekstinterpretatie ‘de gebruikelijke vertalingen’ volgt (zie Pongs, pag. 5 en pag. 456).
 45)  Dit kunnen wij in de werkelijkheid observeren. Gemakkelijker nog op schilderijen en tekeningen (b.v. die van Van Gogh). In ‘Sabbath’ van Herman van den Bergh (De Boog) lezen wij:
 ‘Zesmalen had hij de hand gewend, zesmaal
 baarde de vruchtbare ruimte; de donder
 der schepping rolde zesmalen, zonder
 dat 't tot rust kwam in zijner palme' ovaal’.
Hier is dus het scheppen voorgesteld als een zaaien, een zaaien uit de palmen der handen. - Wijzen wij er nog op, dat reeds Minturno vermoedelijk heeft ingezien, dat de vertaling door ‘zaadkorrel’ een illogiciteit oplevert (vgl. § 6).


[p. 74]

schip; dit is een μεταφορα κατα το αναλογον. Rest dus ‘(tien)duizend’ als metaphoor voor ‘veel’ als enig juist en overtuigend voorbeeld.

De theoretische en practische waarde van een indeling kan overigens slechts aan zeer vele gevallen getoetst worden; een enkel geval zegt weinig. Maar wanneer bijna alle gekozen voorbeelden ook zo geïnterpreteerd kunnen worden, dat zij tot een andere groep behoren, dan die welke zij moeten illustreren, mag men toch aan de waarde der indeling twijfelen, te meer, daar men meestal zo verstandig is aperte gevallen te nemen.... en over de rest te zwijgen 46)  . Wij krijgen de indruk, dat Aristoteles' vier-deling niet resultaat is van de bestudering van een uitgebreid empirisch materiaal, maar a priori is opgesteld en te weinig aan het materiaal is getoetst. Het relatie-criterium, waarnaar de begrippen in γενος- en ειδος-begrippen worden ingedeeld, is t.o.v. hun fijne en ingewikkelde structuur een primitief, vrijwel onbruikbaar instrument; de enkele voorbeelden zijn zeer aanvechtbaar en tonen juist door die aanvechtbaarheid de onjuistheid van het indelingsprincipe aan. Zo is die gehele vierdeling zeer gebrekkig en wij kunnen niet anders zeggen, dan dat Biese in zijn bewondering voor den Stagiriet oncritisch heeft gelezen 47)  . Hoe dit zij, genoemde vier-deling staat aan het begin van een geheel systeem. -

Naar aanleiding van het Aristotelische begrip zegt Biese, 1e. dat daaronder ook vallen de metonymia en de synecdoche; 2e. dat zijn meest essentiële kenmerk de analogie is; 3e. dat de μεταφορα κατα το αναλογον samenvalt met wat wij heden in engere zin ‘metaphoor’ noemen.

Met de onder 1e. geformuleerde mening zijn wij het niet eens. Bezien wij nog eens de vier-deling, nu niet in verband met de gegeven voorbeelden, doch op zichzelf. Reeds Gerber heeft erop gewezen, dat de vier soorten niet eenvoudig naast elkaar gesteld kunnen worden, maar dat de indeling er eigenlijk alsvolgt behoorde uit te zien 48)  :



(Schema V)

 

 46)  Vgl. hetgeen Van der Laan hierover zegt naar aanleiding van de in de grammatica's gegeven voorbeelden van abstracte en concrete substantiva (J.E. van der Laan: Abstrakt en Konkreet (De Nieuwe Taalgids, XXVI, pag. 290)).
 47)  Zie Biese, pag. 3, 4. Vgl. ook de 2e alinea van deze § en Deel I, Hoofdstuk II, § 6.
 48)  Gerber, II, pag. 28.


[p. 75]

I, 1 en I, 2 vallen inderdaad, zij het ook slechts gedeeltelijk, met de synecdoche samen 49)  . Doch er is geen enkele overeenkomst tussen I, 3 en hetgeen Biese en Gerber ‘metonymia’ noemen, zoals uit de door Gerber zelf als metonymia's gegeven voorbeelden (en ook uit wat hij over het wezen en de indelingen van deze troop zegt) onmiddellijk blijkt. Want de beide begrippen, d.w.z. de semantische momenten der beide kuria, kan men desnoods wel tot dezelfde ‘sfeer’ rekenen - juist omdat dit begrip ‘sfeer’ zo uitermate vaag is -, maar als ‘soorten’ van hetzelfde ‘geslacht’ laten zij zich onmogelijk begrijpen 50)  .

Ook met Biese's derde mening zijn wij het niet eens. In zijn dagen 51)   (en ook in de onze) wordt b.v. ‘gouden’ als epitheton bij ‘hart’ een metaphoor genoemd. Maar in welke proportio zou het als lid moeten fungeren? Dat wij het ook niet in een der drie andere groepen kunnen plaatsen, bewijst slechts de gebrekkigheid, de practische onbruikbaarheid van Aristoteles' tetrachotomie.

Maar het meest apert is wel de onjuistheid van Biese's tweede mening (en de hierin aangeroerde kwestie is voor ons wel het belangrijkst): ‘het wezenlijkste kenmerk der metaphora is de analogie’. Want als de proportio-metaphoor slechts een der soorten is, kan de proportio (de analogie) onmogelijk constituerend zijn voor het gehele begrip. Niet de proportio, doch de ομοιοτης, de overeenkomst is constituerend. Dit blijkt b.v. uit: το γαρ ευ μεταφερειν, το ομοιον θεωρειν 52)  , en uit: οι μεταφεροντες κατα τινα ομοιοτητα μεταφερουσιν 53)  . En onder dit algemene gezichtspunt kan men de vier soorten begrijpen, al mag men niet vergeten, dat Aristoteles die

 49)  Slechts gedeeltelijk. Want tot de synecdoche wordt ook gerekend de overdracht van het deel op het geheel en die van het geheel op het deel. En nu is de vraag nog niet eens zo zeer: Kan men de relatie ‘deel - geheel’ als hetzelfde begrijpen als de relatie ‘soort - geslacht’? als wel: Heeft Aristoteles die relaties als hetzelfde begrepen? - Er is, voorzover wij weten, niets dat daarop wijst.
 50)  Op de verhouding tussen metaphoor en metonymia en op het begrip ‘sfeer’ komen wij nog herhaaldelijk terug. Hier verwijzen wij naar Gerber, II, pag. 53, vlg. - Wij polemiseren hier tegen Biese, maar de drie genoemde meningen vinden wij in vrijwel de gehele literatuur over het Aristotelische begrip, waarin deze punten worden aangeroerd; b.v. ook bij Volkmann, Brinkmann, Gerber, Stählin. Vooral de tweede mening is langzamerhand tot een overlevering geworden. Dit blijkt wel hieruit, dat Stählin zich niet eens meer op Aristoteles zelf, maar op Albani beroept! (zie J. Albani: Die Metaphern des Epheserbriefes (Zeitschrift für wissenschaftliche Teologie, 1902, pag. 402)). Vgl. ook J. Bauer: Das Bild in der Sprache (Programm zur Schlussfeier des Jahres 1878/79 an der königl. Studienanstalt Ansbach (Ansbach)).
 51)  Zie b.v. Brinkmann, pag. 64.
 52)  Poet., Cap. XXII, 7.
 53)  Soph. El., VII, 2.


[p. 76]

ομοιοτης in de verste verte niet tot een wetenschappelijk begrip heeft uitgewerkt. Er is overeenkomst tussen soort en geslacht, er kan overeenkomst zijn tussen twee soorten, die dan natuurlijk soort zijn t.o.v. hetzelfde geslacht, en eindelijk kan er overeenkomst zijn in relatie.

Uit dit alles volgt dus, dat de μεταφορα een (met een aesthetische intentie geschapen) naamsoverdracht wegens overeenkomst is.

Moeilijker is het om precies aan te geven waartussen die naamsoverdracht plaats heeft, of (wat hetzelfde is) waartussen die overeenkomst bestaat. Van het begin af zijn wij er van uit gegaan, dat bedoeld is: een overeenkomst, een overdracht tussen begrippen. Hiertegenover staat, dat Steinthal (zie noot 30) de vertaling geeft: ‘Übertragung eines einer Sache fremden Namens auf diese Sache’. Nu vinden wij zeker in latere definities van de metaphoor (o.a. in die van pseudo-Plutarchus) het woord ‘zaak’, maar ook wel het woord ‘betekenis’ (Charisius, C. Julius Victor, C. Chirius Fortunatianus 54)  ); overigens bewijst dit voor Aristoteles weinig. Maar het lijkt ons niet waarschijnlijk, dat hij in b.v. ‘veel’ en ‘staan’ πραγματα zag, en dat de termen γενος en ειδος op een indeling van ‘zaken’ wijzen. Aan de andere kant suggereert de analogische overeenkomst 55)   een zakelijke relatie. Men kan natuurlijk, gezien de vaagheid der termen, in de definitie niet nader preciseren met ‘betekenis’, ‘begrip’ of ‘zaak’, maar dan heeft men aan die definitie toch maar weinig houvast. Feit is, dat ‘naamsoverdracht van het ene begrip op het andere wegens overeenkomst’ Aristoteles' visie nog het meest als een logische eenheid interpreteert. Naar het ons voorkomt is deze interpretatie ook de meest adaequate. Ongetwijfeld blijven er ook nu discrepanties bestaan, maar deze verdwijnen zeker niet, wanneer wij de metaphora als een betekenis-overdracht opvatten, of spreken van een naamsoverdracht op een zaak, of de analogie tot haar meest essentiële kenmerk decreteren; zij zijn aan het begrip wezenlijk inhaerent.

Over de discrepanties tussen soorten en voorbeelden spraken wij reeds 56)  . Zij wijzen er ons in de eerste plaats op, dat de ομοιοτης eigenlijk geen begrip, doch een probleem is; de ‘overeenkomst’ is een blinde vlek in de Aristotelische

 54)  Zie hierover de volgende §.
 55)  Wij kiezen deze term om uit te laten komen, dat de analogie een der soorten van overeenkomst is. Zo spreekt ook pseudo-Plutarchus van μετενενεγ μενη κατα την αμφοιν αναλογον ομοιοτητα, en onderscheidt o.a. Vossius de ‘eenvoudige’ overeenkomst van de analogie, hetgeen slechts mogelijk is, wanneer beide aan het begrip ‘overeenkomst’ gesubordineerd worden.
 56)  Wij wezen erop, dat het voorbeeld van een evenredigheidsmetaphoor ook op een andere wijze geïnterpreteerd kan worden. Daarnaast staan nog voorbeelden, die zelfs in het geheel niet tot een proportio zijn terug te brengen (zo b.v. de uitdrukking van Iphikrates, geciteerd in Rhet., Lib. III, Cap. X, 7).


[p. 77]

visie op de metaphoor, een der belangrijkste desiderata tot het begrijpen van het verschijnsel.

Een andere moeilijkheid schuilt in die ‘aesthetische intentie’. De metaphora is voor Aristoteles een xenikon, d.w.z. een afwijking van het gebruikelijke met het doel banaliteit te vermijden, en het ongebruikelijke lijkt ons het verhevene, het schone 57)  . De poëzie, die vooral verheugen wil, zal van de metaphoor een veelvuldig gebruik maken (al zijn er grenzen, wil zij niet tot een raadseltje worden). Aan den rhetor, die vooral leren en overtuigen wil, staat Aristoteles een gepast gebruik van versieringen toe (N.B. wegens de bedorven smaak van het publiek!) 58)  . En eindelijk zegt hij, dat iedereen in metaphoren spreekt en dat ook in het proza de metaphoor van de prachtigste werking is 59)  . En hier komen wij terug op de boven (pag. 69) gestelde vraag: Hoe kan de metaphoor een xenikon zijn en toch tegelijkertijd fungeren in het proza van een gewoon gesprek? Heeft hem misschien het (eerst in de latere ontwikkeling van ons begrip geexpliceerde) verschil tussen auteur (poëtische)- en taal-metaphoren voor ogen gestaan? - Toen hij εσταναι als metaphoor voor ορμειν opgaf, had hij niet nagegaan, of εσταναι in de betekenis ορμειν ten tijde van Homeros misschien niet een kurion was, een gebruikelijke uitdrukking 60)  .

Aan dergelijke overwegingen had hij het begrip ‘taalmetaphoor’ (en zelfs het begrip ‘(on)bewuste metaphoor’) kunnen winnen. Nu kenden de classieken eigenlijk geen (wetenschappelijke) diachronistische taal-beschouwing, en daardoor ook niet die momenten van de synchronistische taal-beschouwing, welke uit het contrast met de eerste resulteren. Toch moet het Aristoteles wel zijn opgevallen, dat er ook wel gebruikelijke woorden bestaan, die zich verhouden als kurion tot metaphora, .... tenzij hij ieder usueel geworden overdrachtelijk gebruik in elk concreet geval weer als iets occasioneels interpreteerde 61)  . Een ‘poëtische metaphoor’ noemt hij met name 62)  , maar wij weten niet, of deze zich volgens hem slechts van de

 57)  Reth., III, 2.
 58)  Vgl. Ed. Müller: Geschichte der Theorie der Kunst bei den Alten, II, pag. 133. - Zie over deze merkwaardige toevoeging hier beneden.
 59)  Rhet., Lib. III, Cap. II, 6, 8.
 60)  Ορμειν komt, althans bij Homeros zelf, niet voor, wel ορμιξειν (zie o.a. A. Gering: Index homericus (Leipzig, 1891)).
 61)  Volkmann (pag. 418, noot 1)) zegt: ‘Da die Alten, wenn sie sich mit der Sprache beschäftigten, immer nur die als mustergültig betrachtete, dabei fertig überlieferte Schriftsprache ihrer Zeit darunter verstehen, ohne sich um das geschichtliche gewordensein derselben zu bekümmern, so ist ihnen auch der Gedanke fremd geblieben, dass in der Sprache schliesslich alle Ausdrücke mehr oder weniger metaphorisch sind’. - Zie ook § 3 over Quintilianus.
 62)  Metereol., II, 3 p 357, 1.


[p. 78]

in het gewone gesprek fungerende onderscheidt, doordat zij in verzen voorkomt, of dat er ook nog andere verschillen zijn. In allen gevalle levert de vertaling van κυριον moeilijkheden. Soms komen wij het verste met ‘gebruikelijk’, soms met ‘eigenlijk’. Wanneer wij de bestaande vertalingen van Aristoteles beschouwen, vinden wij op dezelfde plaats bij den een ‘eigenlijk’, bij den ander ‘gebruikelijk’. Naast κυριον treffen wij nog κοινον, dat Stahr door ‘eigentlich’ vertaalt (tegenover ‘gemeinüblich’ voor κυριον) 63)  , en waarvan Vahlen opmerkt, dat κυριον ermee synoniem wordt (wordt, dus het was er niet mee synoniem) 64)  . De relativiteit van ‘usueel’ en ‘occasioneel’ is Aristoteles niet opgevallen. Evenmin is het hem opgevallen, dat de usueel geworden (poëtische) metaphoor de rede juist bijzonder banaal kan maken. - In de dubbelzinnigheid van de term κυριον spiegelt zich een probleem van het object 65)  . -

Naast de hierboven geanalyseerde indeling vinden wij nog een andere. Als soorten speciaal van de analogische metaphoor worden opgegeven: de personificatie, de hyperbool en de vergelijking. Dat aan een dergelijke indeling zeer verschillende criteria ten grondslag liggen, is duidelijk; eveneens, dat het begrip ‘analogie’ hier geheel vormloos wordt 66)  . De vergelijking (εικων) onderscheidt zich van de metaphoor slechts door het voorgevoegde ωσπερ en heet ook wel μεταφορα πλεοναζουσα. -

Hoe is Aristoteles' appreciatie van de metaphoor? Het antwoord op deze vraag zal ons tevens een dieper inzicht geven in zijn begrip.

Voor hem is de metaphoor de belangrijkste troop, waaruit het genie van den schrijver blijkt en die niet van anderen te leren is 67)  . Haar hoogste werking bestaat in het aanschouwelijk maken der rede (προ ομματων ποιειν). Dit doet zij - en wel voornamelijk als analogie-metaphoor 68)   - door het dode als levend, het onbezielde als bezield voor te stellen (το τα αψυχα εμψυχα ποιειν (δια της μεταφορας) 69)  . Hier vinden wij het begrip der ενεργεια, dat zo'n essentieel moment in Biese's philosophie zal zijn 70)  .

 63)  A. Stahr: Aristoteles' drei Bücher der Redekunst (Stuttgart, 1862).
 64)  Vahlen, pag. 144, waar hij als derde synoniem ook συνηθες opgeeft (verg. het citaat van Nausiphanes in § 1). Nog uitvoeriger over het begrip κυριον: ibidem, pag. 127, 128, waar wij zelfs nog een vierde ‘synoniem’ vinden, nl. οικειον.
 65)  Vgl. wat wij over de ‘overeenkomst’ zeiden.
 66)  Rhet., Lib. III, Cap. IV, 1 en Cap. XI, 5.
 67)  Poet., Cap. XX, 17; Rhet., Lib. III, Cap. X.
 68)  Vandaar dat zovelen in de analogie het meest wezenlijke kenmerk van Aristoteles' begrip zien.
 69)  Rhet., Lib. III, Cap. XI, waar vele voorbeelden.
 70)  Het begrip der ενεργεια schijnt niet speciaal Aristotelisch te zijn. Zie hierover W. Süss: Ethos. Studien zur älteren Griechischen Rhetorik (Berlin, 1910), pag. 182.


[p. 79]

Van hieruit zal zich ook de vier-deling ontwikkelen, welke berust op een scheiding der phaenomena in levende en dode, bezielde en onbezielde, geestelijke en zinnelijke.

Deze positieve appreciatie geldt voornamelijk de metaphoor der poëzie 71)  . Hoe is echter zijn houding tegenover de metaphoor in het (philosophisch) denken? Hierover lichten ons verschillende uitspraken in, die wij in twee groepen kunnen samenvatten:

I. In het herkennen van het overeenkomstige in ver uiteenliggende objecten ligt het genie der philosophen 72)  . Zij ontdekken niet-verwachte relaties, werpen door het metaphorisch benoemen van een object daarover een geheel nieuw licht en doen zo dat object beter kennen 73)  . De metaphoor bevordert de duidelijkheid 74)  .

II. Waar wetenschappelijke nauwkeurigheid en duidelijkheid worden vereist, mag de metaphoor niet gebruikt worden, daar zij als uitdrukking juist niet nauwkeurig en duidelijk is 75)  . (Deze uitspraak zien wij als resultaat van dezelfde gedachtegang, die hem ook aan den rhetor een gepast gebruik van versieringen doet toestaan wegens de bedorven publieke smaak; de rhetorica moet het slechts om de zaak te doen zijn, de rest is slechts franje, waarin het volk de waarheid gehuld wil zien.) De overeenkomst moet in werkelijkheid bestaan en mag niet ‘te ver liggen’.

I en II schijnen moeilijk met elkaar gecombineerd te kunnen worden. Hoe kunnen wij deze paradoxen oplossen? Hoe is het mogelijk dat de metaphoor tegelijkertijd èn duidelijk èn onduidelijk is, tegelijkertijd én geprezen èn gelaakt wordt, omdat zij op een verre overeenkomst berust?

Het verst komen wij, door uit te gaan van de boven gegeven definitie en deze uitspraken geheel in de stilistische sfeer te interpreteren. Van de latere ‘taal-critiek’, die wijst op het metaphorische karakter van al ons denken en kennen, vinden wij hier niets; hier blijkt niet, dat voor Aristoteles het geïntendeerde object van elke metaphoor niet een realiteit doch een fictie is 76)  . Neen, juist als de philosophen overeenkomsten ontdekken, ontdekken zij iets essentieels van de realiteit. Dat zij hun ontdekking κατα μεταφοραν uitdrukken, is in zekere zin iets bijkomstigs, is niets dan een stilistisch effect. De metaphoor beeldt een phaenomenon in zijn overeenkomst

 71)  Deze positieve appreciatie blijft gedurende zijn evolutie zeker niet aan het begrip inhaerent; bovendien varieert zij in gevoelsintensiteit van een nuchtere constatering tot een dithyrambische verheerlijking en een mystieke extase toe.
 72)  Rhet., Lib. III, Cap. XI, 5.
 73)  Top., Cap. VI, 2.
 74)  Rhet., Lib. III, Cap. II, 6, 8.
 75)  Top., Cap. VI, 2; Meter., Cap. II, 3; Metaph. XII, 5.
 76)  Zie echter Hoofdstuk III, § 1.


[p. 80]

met een ander phaenomenon onmiddellijker en verrassender af, dan de kuria, die net zo goed mogelijk zouden geweest zijn. De bedoelde ‘duidelijkheid’ is hier dus ‘aanschouwelijkheid’, en deze verkrijgt óók de philosoof, óók de geleerde, door zich metaphorisch uit te drukken. Maar wat didactisch en stilistisch een winst is, is wetenschappelijk een verlies, want wetenschappelijke duidelijkheid, exactheid, eist een vaste associatie van één naam aan één begrip; vorming van een metaphoor is vorming van homoniemen, en deze zijn wel goed voor de sophistiek, maar niet voor het logisch denken. Terwijl voorts het ontdekken en praegnant uitdrukken van een verre overeenkomst bij den geleerde (en ook bij den dichter) te waarderen is, doet een redenaar goed zich niet te ver van het woord-gebruik en de associaties van zijn publiek te verwijderen, wil hij voor dat publiek niet onduidelijk worden. Alles hangt dus af van het doel dat men zich stelt, van het publiek waarvoor men spreekt of schrijft. - In zijn peroratie tegen de publieke wansmaak roert hij nog een andere kwestie aan. Hij ziet, hoe in de eristiek zijner dagen de metaphoor gebruikt wordt juist niet om praegnant, duidelijk, aanschouwelijk de zaak aan anderen mee te delen, maar hoe zij daar een onethische functie vervult: zij levert het lege woordenspel, waarachter de zaak verloren gaat en dat door het publiek wegens zijn schijn-schoonheid wordt toegejuicht. Wij menen dat Aristoteles, zo de sophistiek in zijn tijd niet had bestaan, van den rhetor een gepast gebruik van xenika had geëist en niet noodgedwongen had geduld. -

Ondanks zijn begrip der ενεργεια gaat voor Aristoteles de metaphoor geheel in haar rhetorische, d.i. mededelende, en in haar afbeeldende, ‘darstellende’, functie op; over haar expressieve zegt hij eigenlijk niets. In de rhetorica verwachten wij dit ook niet. Dat het ook in de Poetica niet aan de orde komt, vindt zijn verklaring in zijn gehele opvatting van ‘kunst’: kunst is nabootsing van de natuur. Terecht heeft Pongs hierop gewezen 77)  . Wij komen hierop in het systematische Deel terug (Hoofdstuk IV, § 1). -

Tenslotte wijzen wij nog op een passus in de Rhetorica (III, 11): και αι παροιμιαι μεταφοραι απ' ειδους επ' ειδος εισιν 78)  , waaruit blijkt dat voor hem niet alleen een woord doch ook een zin een metaphoor kan zijn; hij werkt dit echter niet verder uit. -

 

En hiermee hebben wij het Aristotelische begrip beschreven. Wij hebben het leren kennen als een uitsluitend stilistisch begrip, dat echter daardoor ook een taalkundig begrip is. De werk-definitie leek in haar strenge, logische

 77)  Zie Pongs, t.a.p. - Voor de termen ‘mededeling’, ‘afbeelding’ en ‘expressie’ verwijzen wij naar Deel III, Hoofdstuk III en Hoofdstuk IV.
 78)  Een nieuw bewijs, dat voor Aristoteles ‘analogie-metaphoor’ geen pleonasme kan zijn.


[p. 81]

formulering een gesloten continuüm; maar de uitbreiding, de indelingen en de voorbeelden reten er scheuren in, waarachter de problemen van andere nog niet tot klaarheid gebrachte begrippen zichtbaar werden, welke meer of minder duidelijk enige problemen van het verschijnsel zelf spiegelen. Sommige discrepanties wezen niet naar essentiële problemen, andere bestonden slechts schijnbaar; het is de taak van den terminograaf deze laatste tot oplossing te brengen.

Ongetwijfeld mogen wij hier, ondanks verschillende aporieën, van een wetenschappelijk begrip spreken. Voorlopig zullen wij nu slechts begripsfragmenten kunnen refereren.

§ 3 - De Griekse en Latijnse rhetores

Het materiaal dat wij in deze § behandelen, lijkt wel zeer heterogeen: geschriften in het Grieks en in het Latijn (waaronder ook van Germanen) 1)  , die tot verschillende wetenschappen behoren en bovendien nog in een periode van een kleine duizend jaar verspreid liggen: van vóór het begin onzer jaartelling (Demetrius) tot ver in de Middeleeuwen (Beda).

Nu bestaan er tussen de in die geschriften geëxpliceerde visies op de metaphoor ongetwijfeld verschillen. Deze verschillen zien wij echter niet als essentieel. En wat nog meer klemt: die visies verschillen niet omdat zij in het Latijn (en niet in het Grieks), niet omdat zij in een grammatica (en niet in een rhetorica), niet omdat zij in de 2e (en niet in de 4e) eeuw zijn beschreven. Daarom kunnen zij juist alle tezamen ‘thematisch’ behandeld worden 2)  . Aan onze analyse laten wij nog een enkele opmerking voorafgaan over de poetica, de rhetorica en de grammatica in de bedoelde periode, voorzover deze althans met ons onderwerp in verband staan 3)  .

Bij Aristoteles zagen wij reeds, dat het voor de metaphoor (en voor de troop in het algemeen) niet relevant was, of zij nu in een Poetica dan wel in een Rhetorica werd behandeld; het in de eerste ontwikkelde begrip werd in de tweede eenvoudig overgenomen, maar had ook daar ontwikkeld kunnen worden, zonder dat dan een nieuw aspect voor de dag was gekomen. De vele verhandelingen, welke wij bij Spengel in zijn Rhetores Graeci onder de titel Περι Τροπων aantreffen, kunnen precies even goed als hoofdstukken uit leerboeken der Poetica begrepen worden; sommige heten trouwens Περι ποιητικων τροπων 4)  . - Wij willen niet trachten naar een kenschetsing

 1)  In de titel van deze § betekent ‘Latijnse’ dus niet ‘tot de Latijnse volksstam behorend’ of iets dergelijks, maar slechts ‘in het Latijn geschreven hebbend’.
 2)  Zie voor ‘thematisch’: Deel I, Hoofdstuk I, § 8.
 3)  Vgl. ook Deel I, Hoofdstuk II, § 3.
 4)  B.v. Anonymos (Spengel, III, pag. 208).


[p. 82]

van hetgeen de Ouden onder τεχνη γραμματικη verstonden. Zoveel is zeker, dat het hun grote moeite heeft gekost de grammatica systematisch tegen andere wetenschappen af te grenzen. Soms vinden wij haar als ancilla rhetoricae, zoals bij Magnus Aurelius Cassiodorus en Diomedes. In verschillende definities wordt de taal der dichters als studie-object met name genoemd, zoals in die van Dionysios Thrax, Varro, Asklepiades. Eindelijk worden speciaal de tropen als onderdeel van de grammatica genoemd 5)  . Dionysios van Halicarnassus en Aquila Romanus zagen in, dat poetica, rhetorica en grammatica, wat de leer der uitdrukking betreft, een gemeenschappelijk gebied hadden 6)  . Dit gebied echter wordt bovendien nog op dezelfde wijze bewerkt. -

Wanneer wij nu het historisch materiaal uit deze periode bestuderen, valt ons in de eerste plaats op, dat de naam μεταφορα aan een begrip wordt geassocieerd, hetwelk geringer van omvang is dan het Aristotelische. Dit staat in direct verband met het opkomen van de term τροπος, waarvoor wij in het Latijn translatio en immutatio (Cicero), tropus (passim), motus (Quintilianus), en (alleen pluralis) mores en modi (Beda) vinden. Of werkelijk al deze termen precies aequivalent zijn, zullen wij hier niet onderzoeken. Ons interesseert voornamelijk de verhouding van ‘tropos’ tot de metaphoor van Aristoteles. Nu is het zeker onjuist dit ‘tropos’ eenvoudig te vertalen door ‘overdrachtelijke uitdrukking’, zoals altijd gebeurt 7)  . Moge de uitspraak van Hermogenes: ‘De grammatici noemen nog μεταφορα wat de rhetores τροπη (d.i. τροπος) noemen’ 8)   deze vertaling wettigen, daartegenover staat b.v. de definitie van een Anonymos: Τροπος εστι λεξις η φρασις πεποιημενη η τετραμμενη απο του κυριου επι το μη κυριον, enz. 9)  . Daartegenover staan ook de talrijke gevallen, waarin onder de titel Περι τροπων allerlei soorten van uitdrukkingen ressorteren, die onmogelijk als overdrachtelijke begrepen kunnen worden, als de ονοματοποιια en het πεποιημενον 10)  . Hieruit moge blijken, dat onder τροπος (als contrast van κυριολογια) ook formele (phonetische) neologismen kunnen vallen, en dat dus tropos, althans zeer dikwijls, niet identiek is aan Aristoteles' metaphora,

 5)  Zie over het begrip ‘grammatica’ uitvoerig: Steinthal, II, pag. 162, vlgg. - Niet altijd werden de tropen in de grammatica's behandeld, zoals die van Priscianus bewijst.
 6)  Zie resp. W. Scherer: Poetik, pag. 52 en Gerber, I, pag. 358. - ‘Uitdrukking’ heeft hier zeker niet de betekenis van ‘expressie’.
 7)  Zie b.v. de werken van Gerber en Volkmann.
 8)  Hermogenes: Τεχνη ' ρητορικη (Spengel, II, pag. 254).
 9)  Anonymos: Περι τροπων (Spengel, III, pag. 227).
 10)  De onomatopee bij Trypho: Περι τροπων (Spengel, III, pag. 196), beide bij Kokondrios: Περι τροπων (Spengel, III, pag. 231). Ook bij Gerber zelf vinden wij de onomatopee onder een geheel andere rubriek dan de metaphoor.


[p. 83]

doch aan diens xenikon. Deze gevallen echter kunnen, zoals vanzelf spreekt, geen invloed hebben op de evolutie van ons begrip.

Wenden wij ons dus tot die gevallen, waarin tropos en metaphora, althans wat de grond-definitie betreft, gelijk zijn. Niet plotseling zal een nieuwe naam zich van een reeds tot term geworden begrip meester maken. Een tijd lang zullen twee namen aan hetzelfde begrip geassocieerd zijn. Zo vinden wij (zie Hermogenes) nog tot in de tijd van Marcus Aurelius beide termen naast elkaar, zij het dan in verschillende wetenschapsgebieden: tropos in de rhetorica, metaphora in de grammatica 11)  . Er ontstaat nu een nieuw begrip ‘metaphora’, dat aan ‘tropos’ gesubordineerd wordt. Welke redenen kunnen er nu voor deze terminologische verschuivingen zijn geweest? - Wij zoeken de verklaring in de strijd tussen etymologische en geijkte (van de oudere rhetorica overgenomen) betekenis van ‘metaphora’. Zolang dit woord als.... metaphoor levend was, kon het steeds weer als technische term gebruikt worden voor elk geval, waarin men een afwijking van de gebruikelijke taal als overdracht begreep, ook al zag men die overdracht in het geheel niet meer als juist op een overeenkomst berustende. Hield men echter vast aan de geijkte (technische) betekenis, dan werd de term onmogelijk, zodra men als overdracht begreep, wat niet op een overeenkomst berustte; maar dan had men ook voor het ruimere begrip ‘overdracht’ een andere term nodig (tropos). In het eerste geval heeft er dus een uitbreiding plaats van de technische, in het tweede een inkrimping van de etymologische betekenis; en het tweede geval ‘wint het’. -

In de loop der eeuwen breidt het aantal tropen zich steeds uit 12)  . De analyse groeit ten koste van de synthese. Steeds subtielere onderscheidingen worden er gemaakt, de coördinatie wint het verre van de subordinatie. Wij kunnen dan ook beter van een tropologische ‘aggregatie’ dan van een tropologisch ‘systeem’ spreken. Het valt direct op, dat de metaphoor onder de xenika lang niet meer zo'n vooraanstaande plaats inneemt als bij Aristoteles. Zij is nu ook slechts één uit zeer vele en wordt daarom meestal in een klein bestek behandeld, zij het ook vaak als de eerste of een der eerste. -

Wij verklaarden zoëven het ontstaan van de term ‘tropos’ uit het persisteren van ‘metaphora’ in de oorspronkelijke technische betekenis, d.w.z. als ‘overdracht wegens overeenkomst’. Het is echter mogelijk dat een definitie formeel hetzelfde blijft, maar dat er toch verschillende inwendige

 11)  Dat juist de grammatica hier de term ‘metaphora’ heeft, heeft twee oorzaken: 1e. De grammatici voelden zich minder dan de rhetores aan het oude rhetorische begrip gebonden; 2e. Zij gebruikten ‘tropos’ nu eenmaal al in een andere betekenis (zij onderscheidden etymologische en dialectische tropen (zie Steinthal, I, pag. 360)).
 12)  Zie voor al die soorten: Volkmann, pag. 416, vlgg.


[p. 84]

veranderingen optreden. En dit is hier het geval, omdat het begrip ‘overeenkomst’ niet hetzelfde blijft.

Tot goed begrip van de intredende veranderingen leggen wij er nog eens de nadruk op, dat, ondanks de (aesthetische) preponderantie van de analogie-metaphoor, Aristoteles' begrip toch méér omvat dan die ene soort 13)  . Daarom zijn wij het niet eens met Gerber, als hij zegt 14)  : ‘Wir finden nun, dass nur bei dem Ps. Plutarch die Definition des Aristoteles bewahrt ist’. Deze definitie luidt: μεταφορα εστιν απο του κυριως δηλουμενου πραγματος εφ' ετερον μετενενεγμενη κατα την αμφοιν αναλογον ομοιοτητα. Hier wordt immers de proportio essentieel niet voor één soort, doch voor het gehele begrip. Overigens vinden wij deze definitie ongetwijfeld eveneens nog bij Demetrius, zij het ook implicite: Σφονδυλος μεντοι και κλεις τα επι του σωματος, και κτενες, ου κατα μεταφοραν ωνομασται, αλλα καθ' ομοιοτητα δια το εοικεναι το μεν κτενι μερος, το δε σφονδυλου 15)  . Hier is een duidelijke tegenstelling tussen μεταφορα en ομοιοτης, welke alleen te verklaren is vanuit het door pseudo-Plutarchus geponeerde begrip. Van belang is, dat deze opmerking van Demetrius een tegenspraak vormt met een andere, waar hij spreekt over de reciproque substitutie van στρατηγος, κυβερνητης, ηνιοχος. Een uitdrukking als κυβερνητης της πολεως voor στρατηγος had hij vanuit een proportio kunnen verklaren, dus als een metaphoor in de zin van het eerste citaat kunnen interpreteren; zo was het logisch verband tussen beide passages bewaard gebleven. Hij doet dit echter niet, spreekt van een (metaphora) εκ του ομοιου, en voegt ter verklaring van de substitutie toe: παντες γαρ ουτοι αρχοντες εισιν, waaruit blijkt, dat hij hier een geval ziet van ‘de soort op de soort’. Bovendien geeft hij hier een voorbeeld voor zijn stelling, dat de metaphoor niet πορρωθεν doch αυτοθεν moet zijn, hetgeen voor de proportio-metaphoor toch niet altijd opgaat 16)  .

Zo zien wij de onderlinge relatie van ομοιοτης en αναλογια veranderen: bij Aristoteles werd de tweede aan de eerste gesubordineerd, bij Demetrius

 13)  Zie hierover uitvoerig § 2. Gerber hinkt eigenlijk op twee gedachten. Aan de ene kant brengt hij meermalen de bestreden mening tot uitdrukking (behalve in de geciteerde zin ook nog II, 1, pag. 80: ‘Ich glaube, dass man des Aristoteles Definition für zu eng hielt und deshalb die der Metapher zu Grunde liegende Proportion nicht betonte’), aan de andere kant zegt hij, dat Aristoteles met ‘metaphora’ ons begrip ‘troop’ bedoelde (I, pag. 361 en II, 1, pag. 26).
 14)  Gerber, II, 1, pag. 80.
 15)  Demetrius: Περι ερμενειας (ο εστι περι φρασεως) (Spengel, III, pag. 282). Terecht zegt Gerber (II, 1, pag. 81): ‘nicht Metapher, d.h. also Proportion, sondern einfache Aehnlichkeit’. Dit heeft echter met de Aristotelische metaphora niets te maken.
 16)  Demetrius, t.a.p., pag. 280.


[p. 85]

bestaat (althans in de betreffende passus) een coördinatie, waarin het contrasterend moment wordt geaccentueerd 17)  . Hieruit resulteren voor het begrip ‘metaphoor’ alvast drie mogelijkheden:

1e. het ruimere begrip ομοιοτης is essentieel (Aristoteles),

2e. het begrip αναλογια is essentieel (Pseudo-Plutarchus en Demetrius op bepaalde momenten),

3e. het engere begrip ομοιοτης is essentieel.

Wanneer wij alle in aanmerking komende definities nauwkeurig bekijken, dan blijkt, dat deze laatste mogelijkheid nergens werkelijkheid is geworden. Wanneer men volkomen ‘immanent’ analyseert (d.i. geheel in de visie blijft), dan kan men immers slechts van het engere begrip ομοιοτης spreken, indien ergens in de visie zelf de ομοιοτης tegenover de αναλογια wordt gesteld en deze laatste als een ‘overeenkomst’ begrepen wordt. Nu vinden wij in die definities altijd het begrip ομοιοτης (ομοιωσις, similitudo); de naamsoverdrachten, welke als voorbeeld dienen, kunnen wij in vele gevallen zeker vanuit een proportio verklaren, maar zij worden door de rhetores zelf niet zo verklaard. Er is hier dus geen ruimer of enger begrip; wij moeten eenvoudig zeggen: ‘Het begrip ομοιοτης is essentieel’. Dit begrip is in tegenstelling met het Aristotelische ongedifferentieerd; daardoor vervalt ook de in Schema V gegeven primaire twee-deling der metaphora.

Eveneens vinden wij de onderverdeling (1, 2 en 3 van Schema V) bij de latere rhetores niet terug. In de vorige § toonden wij aan, dat de mening, als zouden soort 1 en 2 en soort 3 als zelfstandige tropen (resp. synecdoche en metonymia) verder leven, gedeeltelijk apert onjuist is en gedeeltelijk de zaken te simplistisch voorstelt. Wij willen hier niet verder op ingaan. Zoveel is wel zeker, dat onder de metaphoor, nu zij zovele concurrenten gekregen heeft, veel minder gevallen kunnen ressorteren; vinden wij de overdrachten van het geslacht op de soort en van de soort op het geslacht als gevallen van synecdoche 18)  , dan moet de relatie tussen γενος en ειδος niet meer als een ‘overeenkomst’ begrepen worden en de ομοιοτης in de definitie van de metaphoor minder omvatten dan die van Aristoteles. In verband met de metaphoor vinden wij de termen ειδος en γενος slechts één maal, en wel bij een Anonymos 19)  . Deze vat bepaalde gevallen van naamsoverdracht wegens overeenkomst samen onder de rubriek απο γενους επι γενη. Het poneren van één soort volmaakt op zichzelf is natuurlijk geheel en al zinloos (het is alsof men de mensen indeelt in ‘oude mensen’ en dan met zijn

 17)  Die scheiding van ομοιοτης en αναλογια vinden wij ook bij de grammatici, b.v. bij Proklos (zie hierover Steinthal, I, pag. 356).
 18)  B.v. Anonymos: Περι τροπων (Spengel, III, pag. 210) en Pseudo-Plutarchus: De vita et poesi Homeri, II, 22.
 19)  Anonymos: Περι τροπων (Spengel, III, pag. 229).


[p. 86]

indeling ophoudt!). De begrippen kunnen bovendien, wanneer er overeenkomst tussen beide is, moeilijk alle twee tegelijkertijd γενος zijn. Dit blijkt al dadelijk uit het gegeven voorbeeld: αλος ιππος voor ναυς. Men kan immers zowel ‘paard’ als ‘schip’ zien als soorten van ‘drager’ (dus de overdracht als een geval van απο ειδους επι ειδος). Voorts is het zeer gewoon om te zeggen: ‘Het paard (de kameel) is eigenlijk 20)   een soort schip’ (dus er is overdracht van het geslacht op de soort). Maar mogen wij vergeten, dat ‘soort’ hier dan een andere betekenis heeft dan in de zin: ‘Bajonet is een soort van wapen’? In het laatste geval immers heeft het alle kenmerken van het ‘geslacht’, in het eerste echter slechts een enkel 21)  . Er zijn ook verschillenden soorten.... ‘soort’. - Maar wij behoeven dit alles hier niet philosophisch te doordenken, daar onze Anonymos ook niets doordacht heeft. Zijn woord γενη is even vaag van betekenis, als hij zelf vaag van naam is. Gerber heeft gelijk, als hij in het hier besproken geval de derde soort van Aristoteles ziet; echter niet, als hij zegt dat het gegeven voorbeeld noodzakelijk als een proportio-metaphoor geïnterpreteerd moet worden 22)  .

Het is opvallend, dat, terwijl toch de overeenkomst voor de metaphoor in vrijwel alle definities als essentieel wordt gesteld, naast deze metaphoor in hun tropologisch systeem nog plaats is voor een troop, die ομοιωσις genoemd wordt 23)  . Wij vinden deze niet alleen als tropos, maar ook als σχημα 24)  . Een der soorten is de εικων, die dus wel geheel van de metaphoor gescheiden wordt, waarvan hij juist bij Aristoteles een soort was; hier wordt een nieuwe wijziging in het begrip gebracht. Over de verhouding van metaphoor en vergelijking spreken wij nog in het laatste deel van deze paragraaf.

Wij spraken tot dus ver over de feitelijke basis van ‘overdracht’: de ‘overeenkomst’. Als type-voorbeeld diene de definitie van Cornificius: ‘translatio est, quum verbum in quandam rem transfertur ex alia re, quod propter similitudinem recte videbetur posse transferri’ 25)  . Voor wij nu de

 20)  Een typisch woord hier, dat ‘eigenlijk’! ‘Eigenlijk’ is een der woorden, die bij de analyse van het begrip ‘metaphoor’ telkens weer even raadselachtig opdoemen. ‘Het schip is eigenlijk een (soort) paard’ en toch is ‘paard’ een oneigenlijke uitdrukking voor ‘schip’.
 21)  Maar is het met ορμειν t.o.v. εσταναι eigenlijk anders?
 22)  Gerber, II, 1, pag. 84.
 23)  Trypho, t.a.p.; Kokondrios: Περι τροπων (Spengel, III, pag. 239).
 24)  Herodianos: Περι σχηματων (ibidem, pag. 104), Polybios Sardianos: Περι σχηματισμου (ibidem, pag. 106). Deze laatste onderscheidt, evenals Trypho drie soorten, nl. εικων, παραδειγμα en παραβολη.
 25)  Q. Cornificius: Rhetorica ad C. Herennium. Zie voorts o.a. de definities van Anonymos (Spengel, III, pag. 208), Gregorios van Korinthe (ibidem, pag. 216), Anonymos (ibidem, pag. 228), Kokondrios (ibidem, pag. 232), Georgios Choiroboskos (ibidem, pag. 245), en die van Cicero, Charisius, Julius Victor, Chirius Fortunatianus.


[p. 87]

motieven gaan beschouwen, die er voor een dergelijke overdracht kunnen bestaan, moeten wij eerst nog iets zeggen over dat ‘overdragen’ zelf.

Jean Paul heeft er reeds op gewezen, dat ‘metaphoor’ zelf ook een metaphoor is. Het niet in ruimtelijke zin bedoelde ‘overdragen’ vinden wij echter niet alleen in het subject, doch ook in het praedicaat der definities (μεταφορα εστι λεξις μεταφερομενη, metaphora est dictio translata), en de vraag rijst: ‘Wat betekent deze metaphoor eigenlijk?’ 26)   Volledig wetenschappelijk zinvol wordt zij eerst in het wijdere verband van een woord-theorie. Deze wordt echter niet gegeven. Toch benaderen wij dat begrip ‘overdracht’ wel iets, wanneer wij nagaan, wàt overgedragen wordt en waarop het wordt overgedragen. Als object van het verbum vinden wij: λεξις, μερος λογου, verbum, dictio, res; de overdracht ge