[p. 162]

Hoofdstuk II
Het begrip ‘metaphoor’ in de linguistiek

§ 1 - Brinkmann. De (taal-)metaphoor als spiegel

De eerste, die de metaphoor belangrijk genoeg vond om aan haar alleen een groot werk te wijden, was F. Brinkmann. Terwijl in de gehele tot dusver behandelde literatuur de metaphoor slechts een meer of minder belangrijk moment was in een tropologisch systeem, en dit systeem weer een onderdeel van een rhetorica, poetica, grammatica of aesthetica, vinden wij haar hier als zelfstandig object van wetenschappelijke studie. Dit is niet alleen een kwestie van quantiteit (een monographie over één verschijnsel kan nu eenmaal uitvoeriger zijn over dat verschijnsel dan een handboek tot een gehele wetenschap), maar ook van qualiteit. Een dergelijke monographie is eerst mogelijk geworden, nu ons phaenomenon op een andere wijze wordt beschouwd, nu andere verschijnselen ermee in verband worden gebracht dan in de stijlboeken, nu ons begrip in een andere ‘sfeer’ is getreden. Uit de rhetorica, de poetica, de aesthetica, is het getreden in de vergelijkende grammatica, de etymologie, de semasiologie, uit de studie der literatuur in de studie der taal 1)  . Dit staat in direct verband met de ontwikkeling der taal-wetenschap (in de ruimste betekenis) in de 19e eeuw: eerst in deze eeuw slaat die wetenschap nieuwe wegen in. Het is in de evolutie van de menselijke geest een opmerkelijk verschijnsel, dat dit eerst zo laat gebeurt. Terwijl de natuurwetenschappen zich reeds spoedig van de traditie der classieken emanciperen, zij van de Ouden slechts overnemen het steunen op eigen geest en het persoonlijk onderzoek als het middel om tot nieuwe kennis te komen, blijft de taalwetenschap nog lang in epigonisme gevangen. De rhetorica (enz.) was wel de wetenschap van de stijlvormen in abstracto, maar men lichtte het (in hoofdzaak classieke) begrippen-apparaat toch voornamelijk toe met zinnen aan classieke auteurs ontleend; en de practijk was in overeenstemming met de theorie: een goed deel der poëzie was ge-impregneerd met Griekse mythologie en beeldspraak. De grammatica van de moedertaal volgde in theoretische opzet en terminologie die van het

 1)  Zie ook Deel I, Hoofdstuk II, § 4.


[p. 163]

vereerde Latijn en was meer prescriptief dan descriptief 2)  ; het practisch correlaat hiervan was, dat men bij het schrijven de syntaxis der moedertaal verlatiniseerde. De algemene beschouwingen over de taal, met name dan over haar oorsprong (Rousseau, Condillac, Herder), brachten wel iets nieuws, maar waren in hoge mate speculatief.

Langzamerhand begint er in de 18e eeuw een eind te komen aan de suprematie der classieke talen 3)  . Het Gotisch (Ten Kate), het Oudnoors (reeds ten tijde van Leibnitz) en - wat zeker nog van meer belang is - het Sanskrit (Coeurdoux, Jones) worden ontdekt. De indogermanistiek ontstaat, het begrip ‘Indo-europees’ (Bopp) wordt geponeerd, en van dit moment af is het mogelijk in het Grieks en het Latijn slechts twee indo-europese ‘dialecten’ te zien, gecoördineerd aan vele andere, gelijkwaardige. De vraag naar het ontstaan en de ontwikkeling van een bepaalde indo-europese taal treedt naast de vraag naar het ontstaan van de taal. Speculatie maakt plaats voor empirie en deductie. De taal-vergelijking geschiedt volgens vaste wetenschappelijke principes en heeft niet tot doel hun relatieve ‘waarde’ vast te stellen (zoals b.v. Jenisch wilde). Het begrip ‘klankwet’ - ook al was het nog wel eens en vooral in het begin voor een gedeelte ‘letterwet’ en al bleven ook hier in sommige gevallen speculatie en mysticisme niet uit (zie Grimm) - was iets fundamenteel nieuws voor het begrijpen van de samenhang en de ontwikkeling der talen, zo iets als de wetten van Keppler voor de bouw en de beweging van het zonnestelsel waren geweest.

De etymologie, de vergelijkende grammatica groeiden snel uit, zelfs zo, dat zij gedurende lange tijd de groei van andere takken der taalwetenschap sterk belemmerden. Vooral de semasiologie werd hiervan het slachtoffer. De woord-afleiding was in de eerste plaats klank-afleiding; voor de etymologie was de klank de vaste pool, het psychisch moment van het woord, de betekenis, was van minder belang. Het probleem: ‘Zijn deze woorden etymologisch hetzelfde woord?’ luidde eigenlijk: ‘Zijn deze klanken etymologisch dezelfde klank?’ Men hield zich in zekere zin met physische verschijnselen bezig, niet met psychische. Wie vroeg er b.v. naar de psychologische motieven, waarop de klank-veranderingen berusten? Om de betekenis-veranderingen bekommerde men zich weinig. - Zo bleven de

 2)  Vgl. over een en ander o.a. O. Jespersen: Language, Book I, en G. von der Gavbelenz: Die Sprachwissenschaft, ihre Aufgaben, Methoden und bisherigen Ergebnisse (Leipzig, 1891), pag. 24-30.
 3)  Een dergelijke uitspraak moet natuurlijk met een korreltje zout genomen worden, want ook nu nog is de grammatica der moedertaal niet van Latijnse ‘smetten’ vrij, en ook nu nog leeft die suprematie in de hoofden van een bepaalde groep geleerden voort.


[p. 164]

werken der vergelijkende taalwetenschap voor het begrip ‘metaphoor’ vrijwel gesloten 4)  .

Heeft aan de ene zijde de etymologie de ontwikkeling der semasiologie tegengehouden, aan de andere zijde heeft zij die toch ook weer bevorderd. Want vond men aan etymologisch-dezelfde klanken (‘woorden’) in verschillende talen andere betekenissen geassocieerd, dan trachtte men tussen die betekenissen toch vaak verband te leggen, een betekenis-wortel te construeren, waaruit zij alle te verklaren waren (wij vragen hier nu niet, of deze methode wel juist was). Zo was een semasiologie in principe gegeven, al was het dan een gelegenheidssemasiologie ten dienste van haar machtigere zusterwetenschap. Bovendien: nu de taal-vergelijkende methode eenmaal bestond en beproefd was, kon deze ook op andere verschijnselen worden toegepast. Het inzicht, dat de gehele taal metaphorisch is - welk inzicht voor de latere taal-critiek en het latere agnosticisme zo uitermate relevant zal zijn - is voor een groot gedeelte het indirecte gevolg van de vergelijkende taalwetenschap en er bestaan studies over bepaalde groepen van metaphoren, die zelfs direct op dergelijke werken zijn gebaseerd 5)  .

Toch was in 1878 de tijd voor een werk als dat van Brinkmann eigenlijk nog niet geheel rijp. Al werd vóór hem de metaphoor in algemeen taal-theoretische handboeken behandeld 6)  , deze waren toch zo weinig talrijk, dat Brinkmann bij zijn descriptie van het begrip ‘metaphoor’ behalve Max Müller alleen maar aesthetica's en rhetorica's citeert 7)  . De bloeitijd van de etymologie als ‘natuurwetenschap’, waarin de klankwetten zonder uitzondering werden verklaard, was juist begonnen; de ‘Junggrammatiker’ (Brugmann, Delbrück, Osthoff, Paul) gaven hun eerste werken in het licht. Paul's ‘Prinzipien’, het standaardwerk der positivistische school, dat gedurende twintig jaar de taalwetenschap zou beheersen 8)  , moest nog verschijnen. Wel zei Paul zelf: ‘Das psychische Element ist der wesentlichste Faktor in aller Kulturbewegung’ 9)   en behandelt hij wel degelijk de betekenis-veranderingen

 4)  Zie b.v. A. Fr. Pott: Etymologische Forschungen auf dem Gebiete der Indo-Germanischen Sprachen mit besonderem Bezug auf die Lautumwandlung im Sanskrit, Griechischen, Lateinischen, Litauischen und Gotischen, I-II (Lemgo, 1833-1836). Wel wijst hij erop (II, pag. 370, vlg.), dat de ‘Bedeutungslehre eine nothwendige Ergänzung der Formlehre’ is. Zie noot 81).
 5)  Zie noot 42) en noot 81).
 6)  B.v. A.F. Bernhardi: Sprachlehre, II (Berlin, 1803), pag. 84, vlgg.; K.W.L. Heyse: System der Sprachwissenschaft (Berlin, 1856), pag. 93, vlgg.
 7)  Hij noemt ook nog een enkele (Latijnse) grammatica (van Zumpt, vgl. Hoofdstuk I, § 7, noot 57)).
 8)  Zie voor deze invloed G. Ipsen: Sprachphilosophie der Gegenwart, pag. 1.
 9)  H. Paul: Prinzipien zur Sprachgeschichte5 (Halle a.S.), pag. 6.


[p. 165]

en hun oorzaken, maar er is in zijn werk toch niets, waarbij Brinkmann had kunnen aanknopen. Paul weet met de metaphoor niet veel aan te vangen; hij ziet er slechts een der logische voorwaarden voor betekenis-verandering in 10)  .

Een en ander mag ertoe hebben bijgedragen, dat de ‘Theilname des Publikums’, waarop Brinkmann in zijn ‘Vorwort’ hoopt en die hem de moed zou geven het geweldige werk te beëindigen, zò gering is geweest, dat slechts het eerste deel verschenen is. De volledige titel van zijn dus lang niet voltooid werk luidt: ‘Die Metaphern. Studien über den Geist der modernen Sprachen’, de titel van Band I: ‘Die Thierbilder der Sprache’. Tegelijk met het eerste deel, waarvan verschillende hoofdstukken reeds van 1870 tot 1877 afzonderlijk en in nog niet geheel definitieve vorm in Herrig's Archiv für das Studium der neueren Sprachen (te beginnen met Band XLVI, pag. 425-465) gepubliceerd waren, geeft hij een inleiding op het gehele werk, die voor de ontwikkeling van het begrip ‘metaphoor’ van veel groter belang is dan het werk zelf.

Het eerste hoofdstuk van deze inleiding bevat ‘Allgemeines über Ziel und Zweck dieses Werkes’. Hij betreurt het, dat een Bedeutungslehre in de grammatica's ontbreekt. Als verreweg het belangrijkste van een semasiologie ziet hij een rationele behandeling der metaphoren, daar hier toch het allergrootste gedeelte van alle betekenissen van een woord uit bestaat. In de woordenboeken worden zij slecht behandeld; het tere weefsel van hun samenhang wordt ruw verscheurd door de alphabetische volgorde, men tracht niet ‘die bunte Mannigfaltigkeit der einzelnen Bedeutungen eines Wortes als ein einziges, organisches, aus einer Wurzel hervorgewachsenes Ganzes darzustellen’ 11)  . Men heeft geen oog voor deze ‘Blumen der Sprache’, zoals hij ze met een echo van Jean Paul's metaphoren-verheerlijking noemt. Hij ziet als laatste resultaat van een rationele behandeling der metaphoren: ‘die Erkenntnis der hohen Bedeutung, welche die Metaphern als Offenbarungen des menschlichen Geistes haben, als treuer Spiegel der Aussen- und Innen-Welt des Menschen, als Monumente so vieler Thatsachen seiner Geschichte, mit einem Worte von der Philosophie der Metaphern’ 12)  . Zo sluit hij aan bij de visie van Jean Paul en bereidt - n'en déplaise à Biese zelf - die van Biese voor 13)  .

Hij zoekt het natuurlijke systeem der metaphoren. Hoofddoel is: ‘die Erfassung des Geistes und der Poesie der Sprache’ 14)  . Deze poëzie echter

 10)  Zie voor Paul voorts § 2.
 11)  Pag. 3.
 12)  Pag. 4.
 13)  Zie Hoofdstuk III, § 6.
 14)  Pag. 7.


[p. 166]

is een latente poëzie; om haar te leren kennen, moeten wij de weg die de metaphoor heeft afgelegd om tot ons te komen, in omgekeerde richting afleggen. In dit verband laat hij zich reeds even uit over de oorsprong der metaphoor (als vorm): zij is geschapen door het volk, vroeger, toen het nog in zijn jeugd-stadium verkeerde, toen het nog een levendige frisse phantasie had, ja toen het volk nog één groot dichter was; later echter verbleekte zij, degenereerde zij, sleet zij af. Dit is geheel in overeenstemming met de romantiek en haar idealisering van het verleden ten koste van het heden en haar platonische verheerlijking van het volk. Met heimwee staart Brinkmann naar dat verloren paradijs der taal, toen de beelden nog over-vloedig fonkelden als dauwdroppen onder een lente-zon. Hoe snel moet de menselijke geest in de periode na Brinkmann evolueren, wil een afstand zijn afgelegd als tussen dit onschuldige idealisme en de (niet eens meer!) pessimistische visie van Werner, voor wien de metaphoor is ontstaan uit angst voor vernietiging, uit leugen en achterdocht!

De aesthetische waarde der metaphoren ziet Brinkmann als zeer groot: zij schilderen als met enkele vluchtige streken ons het gehele object. Ter illustratie plaatst hij het Italiaanse woord ‘cavallo(ne)’ (= grote golf) naast een gehele versregel van Homeros: (κυματα) κυρτα φαληριαοντα, προ μεν τ 'αλλ', αυταρ επ' αλλα 15)  . Hij vindt dan het eerste scherper, plastischer; het is ‘das ganze Homerische Bild in ein einziges Wort zusammengedrängt’ 16)  . Gelukkig is deze opmerking niet, want - nu afgezien van elke waardering - Homeros gebruikt hier in het geheel geen beeld. Maar hoe dit zij, zeker treffen wij hier niet alleen aan een appreciatie van de metaphoor boven de vergelijking, het uitgewerkte beeld of het kurion, maar ook een appreciatie van de volkstaal boven de dichtertaal, van de taal boven de literatuur. Hierop komen wij straks nog naar aanleiding van zijn indelingen terug. -

Hoe wil hij nu de metaphoren ordenen? Zij staan met elkaar in verband door de uitdrukking of door de gedachte; daarom zijn er slechts twee systemen mogelijk. Hiervan is het eerste het belangrijkste: samengenomen worden die metaphoren, waaraan hetzelfde concretum ten grondslag ligt en de zo gevonden groepen worden geordend naar de natuurlijke samenhang van deze concreta; dit levert het eigenlijke natuurlijke systeem, eerst zo ziet men ‘ihre enge Verknüpfung mit ihrer Wurzel, der sinnlichnen Anschauung’ 17)  . Het tweede systeem wordt gevormd door alle metaphoren, die dezelfde gedachte uitdrukken. Hierdoor worden de idiotismen der

 15)  Ilias, XIII, vs. 799.
 16)  Pag. 9.
 17)  Pag. 13.


[p. 167]

verschillende talen duidelijk naast elkaar gesteld; bovendien dient het als recapitulatie en, alphabetisch gerangschikt, als register op het eerste.

Gebruik makend van de terminologie van Stählin (zie § 3), die wij reeds eerder invoerden (zie Vossius), kunnen wij zeggen: I. is een ordening naar het beeld-object (het geïntendeerde object van het phonetisch kurion), II. is een ordening naar het zaak-object (het geïntendeerde object van het semantisch kurion). -

De overdracht nu van een naam van het ene begrip op het andere berust steeds op een overeenkomst tussen beide begrippen. Deze overeenkomst is altijd een partiële: het is voldoende, dat er onder de vele eigenschappen die een object karakteriseren, één is, die ook als essentieel moment van een ander begrip verschijnt 18)  . Op dit punt contrasteert zijn mening dus met die van Qazwînî. Deze immers kende een indeling in metaphoren waarbij het verenigingspunt wel, en metaphoren waarbij het verenigingspunt niet tot het wezen van beide begrippen behoort 19)  . Behalve de vraag: ‘Welke eigenschappen zijn voor een begrip constituerend?’ doet zich hier ook voor de vraag: ‘Is bij elke metaphorisering het verenigingspunt qualitate qua een essentiële eigenschap van het zaak-object?’ Voor Brinkmann is dit blijkbaar het geval.

Uit zijn opvatting volgt, dat er voor een object (begrip) evenveel metaphoren mogelijk zijn, als het eigenschappen heeft. Hieruit ontstaan ‘Metaphernketten’, want elke metaphoor kan weer de karaktertrek verschillend nuanceren en zich verder ontwikkelen door synecdochisering, metonymisering en ook door metaphorisering, zodat zij geen overeenkomst meer heeft met het grondbegrip (metaphoren van de 2e, 3e, ne macht 20)  ). In de eerste plaats moet men uit de gehele groep die metaphoren vinden, welke a.h.w. de hoofdstammen zijn, onmiddellijk uit de wortel ontstaan. Deze metaphoren reflecteren, welke characteristica van het object door de taal als de voor-naamste worden opgevat. Dus luidt het probleem: ‘Unter welchen Charakterzügen erscheint der Gegenstand in der Sprache, was ist sein Bild, das er in den Metaphern abspiegelt?’ 21)   Deze karaktertrekken zijn door inductie te vinden. Dit doel en het hoofddoel vallen samen. En dit samenvallen heeft een diepere grond. ‘Es waltet nicht nur ein natürlicher Zusammenhang ob zwischen den Metaphern und den Charakteren der Dinge und Menschen, und es spiegeln sich diese Charaktere nicht nur treu in den Metaphern, sondern, wie der Geist des Dichters die ihm persönlich eigenen Metaphern

 18)  Deze slordige terminologie (‘Gegenstand - Begriff’) is van Brinkmann zelf.
 19)  Zie Hoofdstuk I, § 4.
 20)  Vgl. Werner's ‘potenzierte Metaphorik’ (§ 4).
 21)  Pag. 16.


[p. 168]

als sein Bild geschaffen, so haben die Ideen der Dinge 22)   und der Geist des Menschen in ihrem Zusammenwirken die der Sprache incarnirten Metaphern als ihre Bilder geschaffen 23)  .

De vergelijking, die in deze zin als verduidelijking bedoeld is, kan niet geheel juist zijn: een dichter kan t.o.v. zijn soortgenoten eigen beelden hebben, maar soortgenoten hebben de geest des mensen en de ideeën der dingen niet. Dit is echter van minder belang. Belangrijker is: hier wordt weer een philosophisch aspect van de metaphoor zichtbaar. Hier voert de taalkunde langs de taaltheorie in de wijsbegeerte, al gaat het ook niet aan deze gedachte tot de wijsbegeerte te rekenen; daarvoor heeft Brinkmann zijn gedachte te weinig uitgewerkt, te weinig heeft hij over haar consequenties nagedacht. Trachten wij haar naar verschillende zijden te ontwikkelen.

Ongetwijfeld vinden wij hier kennistheoretische en glottologische problemen achter de trits ‘ding - geest - metaphoor’. Kenmerkend is hier het derde lid (‘metaphoor’) in plaats van het bij de behandeling en formulering van deze problemen gebruikelijker ‘taal’. Dit bewijst, hoe zeer hier de metaphoor als centraal moment genomen is. Het laatste blijkt misschien ook uit het feit, dat zij niet als middel, doch als resultaat wordt begrepen. Zij is resultaat van de samenwerking van geest en object. Over de aard van deze samenwerking laat Brinkmann zich niet verder uit; het blijft .... een ‘metaphoor’ met een tamelijk onduidelijk zaak-object. Maar wij mogen wel aannemen, dat zijn metaphysisch standpunt zich bevindt tussen het naieve realisme en het solipsisme in: hij gelooft aan het verschijnsel, waarvoor wij later bij Pongs de naam ‘Begegnung’ zullen vinden. Taal-critiek kunnen wij bij hem dus niet verwachten: de mens komt wel boven het anthropologisme uit, de metaphoor ‘drukt’ niet alleen den mens ‘uit’, maar ‘beeldt’ ook de wereld ‘af’, zij kent de eerste en de derde functie 24)  . Op de expressieve functie echter legt hij verreweg de meeste nadruk. Immers noch in de ondertitel van zijn werk, noch in het ene lid van de bovenbedoelde vergelijking (zie het citaat) spreekt hij over (de ideeën van) de dingen, maar slechts over (de geest van) den mens. Dit inzicht in het expressieve en creatieve moment betekent een enorme vooruitgang in de visie op ons phaenomenon, een vooruitgang, welke overigens reeds met de romantiek begint en welke Biese - die Brinkmann slechts negatief critiseert - niet eens gezien heeft.

De critiek is voor Brinkmann niet welwillend en niet billijk geweest (zie b.v. ook Wundt). Laten wij deze gedachte van hem dus nog eens onderstrepen.

 22)  Onder de ‘Ideen der Dinge’ verstaat hij hun ‘Charaktere’ (zie pag. 17). Is hier misschien invloed van Plato?
 23)  Pag. 17.
 24)  Zie voor deze termen Deel III, Hoofdstuk III, § 1.


[p. 169]

Terwijl een dichter tot nu toe in verband met de metaphoor alleen maar werd geciteerd om als illustratie-materiaal te dienen voor een of andere logische of logicistische indeling, ziet híj in, dat een bepaalde metaphoor niet slechts een overdracht is van levend op levenloos enz. en ook niet slechts ‘mooi’ is, maar dat een persoonlijke ziel zich daarin uitspreekt, dat aan zijn metaphoren een (groot) dichter te herkennen is. Zo staat hij - al werkt hij deze gedachte niet ver uit, omdat hij zich een ander doel gesteld heeft - aan het begin van een lange reeks studies over het beeld bij een bepaalden auteur 25)  .

Wat zijn andere gedachte betreft, dat nl. de geest van een volk zich zou openbaren in de metaphoren van zijn taal: hier had hij direct kunnen aanknopen bij E. Renan: ‘Chaque peuple s'est attaché dans la création des métaphores à des rapports divers, selon son caractere intime et la nature qui l'entourait’ 26)  . Hij noemt deze echter niet. Als voorlopers of geest-verwanten kan men ook die geleerden zien, welke verband leggen niet speciaal tussen de metaphoren maar tussen de gehele taal en het karakter (de ziel, de geest) van een bepaald volk; b.v. Harris, Von Humboldt en Abel 27)  . Hierbij kan weer worden uitgegaan van het semantisch aspect der taal of van het phonetisch aspect: klank-logica, klank-symboliek, klank-metaphoriek als (taal-)musicale expressie van de volksziel 28)  . Eindelijk

 25)  Enige titels gaven wij reeds hierboven (Algemene Inleiding, § 2, noot 11); zie ook § 3 en § 6.
 26)  E. Renan: De l'origine du langage2 (Paris, 1858; de eerste druk is van 1848), pag. 123, vlg.
 27)  J. Harris: ‘Hermes’ or a Philosophical Inquiry Concerning Language and Universal Grammar (London, 1751), pag. 403, vlgg., die hiermee weer op Bacon teruggaat (vgl. O. Funke: Studien zur Geschichte der Sprachphilosophie (Bern, 1927), pag. 42, vlgg.); W. von Humboldt: Ueber die Verschiedenheit des menschlichen Sprachbaues und ihren Einflusz auf die geistige Entwicklung des Menschengeschlechts (Berlin, 1835); C. Abel: Ueber Sprache als Ausdruck nationaler Denkweise (Berlin, 1869). Van de recentere publicaties op dit gebied noemen wij K. Bergmann: Deutsches Leben im Lichtkreis der Sprache (Frankfurt a.M., 1926); F.N. Finck: Der deutsche Sprachbau als Ausdruck deutscher Weltanschauung (Marburg, 1899); K. Vossler: Frankreichs Kultur im Spiegel seiner Sprachentwicklung (Heidelberg, 1904); E. Lerch: Französische Sprache und französische Wesensart (Handbuch der Frankreichkunde, I) (Frankfurt, 1928). Zie ook H. Freyer: Theorie des objektiven Geistes (Leipzig, 1923), die als hoogste doel van de taalwetenschap ziet ‘zu verstehen, wie sich ein bestimmtes Volkstum in der Wortbildung, Lautfarbe, syntaktischen Fügung seiner Sprache spiegelt’ (t.a.p., pag. 74); hij noemt hier de metaphoor niet afzonderlijk. Vgl. over een en ander L. Weisgerber: Muttersprache und Geistesbildung (Göttingen, 1929), pag. 153; dit werk behoort ook tot deze reeks. Eindelijk wijzen wij nog op Lin Yutang: My country and my people (London, 1938), pag. 19.
 28)  Een enkel voorbeeld hiervan. Van het semantisch aspect uitgaande zegt Pott (t.a.p., I, pag. 150): ‘Virtus’ ≠ ‘Tugend’: es bleibt ein irrationaler Rest’. Van het phonetisch aspect uitgaande zegt Leonhard (Das Wort, pag. 8): ‘wer .... “Mond” mit langem O spricht, hat eine andre Auffassung vom Gegenstande, als .... (wer) es .... mit kurzem O spricht’. Zie voorts § 2, en Deel III, Hoofdstuk IV, § 1.


[p. 170]

kunnen wij nog wijzen op studies over de taal of de metaphoren van een bepaalde sociale groep (studenten, matrozen, enz.). In een dergelijke samenhang zouden wij Brinkmann kunnen plaatsen, maar dat is toch meer een systematische dan een historische samenhang. -

Typerend voor Brinkmann's visie is het zeker ook, dat hij naast een theoretische waarde aan zijn werk ook een practische waarde toekent. De metaphoren slijten af, de verbleekte beelden moeten weer opgefrist worden, men moet ‘der Sprache ihr sinnliches Leben wiedergeben’ 29)  , het verprutste weer goed maken. Dit komt niet alleen de taal, maar ook den dichter en den redenaar ten goede. Zijn studie is dus voor deze ‘beroepen’ van het grootste nut. Hierbij beroept hij zich op Rückert's uitspraak:

 ‘Wenn du deinen Ausdruck willst beleben,
 So dass er nie todtgeboren sei,
 Musz auf Wortes Ursprung Achtung geben,
 Wie fern er ihm verloren sei,
 Nur der Wurzel kann die Frucht entstreben’ 30)  . -

Na deze in een apologie eindigende algemene beschouwingen over het doel van het gehele werk, komt hij dan tot een onderzoek naar ‘das Wesen der Metapher’ (Hoofdstuk II). Over het begrip is volgens hem zeer veel minder te zeggen dan over het verschijnsel en zijn betekenis 31)  . Hij grijpt terug op Cicero en Quintilianus, die z.i. het begrip reeds op juiste wijze in een definitie hebben vastgelegd, maar vooral op Max Müller, en zegt: ‘Die Metapher ist die auf Grund der Aehnlichkeit zweier Begriffe gemachte Uebertragung (Tropus) des Namens des einen auf den andern. Ergänzend fügen wir hinzu, dass mit diesem Ausdruck auch das Wort selbst bezeichnet wird, welches auf den andern Begriff übertragen wird’ 32)  .

Het is er nu verre van, dat wij door het lezen en registreren van deze definitie Brinkmann's begrip hebben begrepen en weergegeven. Want die definitie is terminologisch gebrekkig en daardoor logisch onduidelijk. Dit moeten wij echter niet zien als een fout van hem persoonlijk; in zijn tijd bestaat er geen vaste nomenclatuur (in onze tijd ook nog wel niet, maar de taal- en woord-theorie is toch wel iets verder gekomen). Natuurlijk haalt

 29)  Pag. 18.
 30)  Hetzelfde idee treffen wij aan bij Rilke. Zie R.M. Rilke: Briefe aus den Jahren 1902 bis 1906 (Leipzig, 1930), pag. 120, 162.
 31)  Vgl. onze critiek op deze uitspraak (Algemene Inleiding, § 4).
 32)  Pag. 25, 26.


[p. 171]

hij weer eens ‘naam’ en ‘woord’ door elkaar. Waarom in de eerste zin het ene, in de andere zin het andere? In de eerste zin definieert hij de metaphoor als nomen actionis, als de handeling van het overdragen zelf, en hier kan althans dat ‘overdragen’ begrijpelijke beeldspraak zijn. Maar wat betekent het, dat een woord op een begrip wordt overgedragen? 33)   Vervangen wij nu ‘woord’ door ‘naam’, dan blijven er nog moeilijkheden genoeg. Zou de metaphoor slechts een naam zijn (symbool N) en dan nog een naam die overgedragen wordt, niet die overgedragen is? Vreemd is vooral dat hulpwerkwoord van de lijdende vorm. Het beeld-object ‘overdragen’ is een handeling, die èn in de ruimte èn in de tijd plaats vindt. Het zaak-object - de (taal-)psychologische handeling van het naam-overdragen - is niet-ruimtelijk, maar het is zeer de vraag, of het de tijdsfactor niet kent. In allen gevalle wordt ons die tijdsfactor door dat ‘worden’ sterk als reale gesuggereerd. Gedurende de tijd dat N van A op B wordt overgedragen, is N noch aan A noch aan B geassocieerd, is N dus geen naam meer en nog geen naam, en daarom is het vreemd om N juist op dit moment een metaphoor te noemen. Het blijft onbegrijpelijke beeldspraak 34)  . Vergeten wij ook niet, dat hij ons semasiologie zou geven en dat hij de metaphoren betekenissen van een woord heeft genoemd. - Maar wij zullen hier op de problematische verhouding tussen de begrippen ‘woord’, ‘naam’, ‘betekenis’, ‘begrip’ en tussen de begrippen ‘naamsoverdracht’, ‘overgedragen naam’ (c.q. ‘naam, die overgedragen wordt’) en ‘resultaat van naamsoverdracht’ niet verder ingaan.

Brinkmann tracht net wezen van de metaphoor nog nader te omschrijven in een contrast-definitie ten opzichte van een andere ‘troop’, nl. de allegorie. Opzettelijk had hij voor de grond-definitie niet een of andere variant van het ‘brevior similitudo’ gekozen, niet zozeer omdat deze typering verkeerd is, dan wel omdat zij onduidelijk is en verwarrend werkt, juist als men metaphoor en allegorie tegen elkaar wil afgrenzen: lengte of kortheid kan geen criterium zijn voor de indeling der tropen en figuren. Hij toont dan - in een tamelijk onlogische passus, waarin de begrippen nu eens in ruimere dan weer in engere zin, nu eens in coördinatie dan weer in subordinatie verschijnen 35)   - aan, dat metaphoor en allegorie vaak ten onrechte met elkaar worden verward. Hiertegenover merkt hij echter op, dat, hoewel er theoretisch een essentieel verschil tussen beide soorten bestaat, de grens in ‘het leven der taal’ inderdaad vaak is uitgewist. Daarom is het beter, hier niet tot de theoretisch-juiste coördinatie van twee gelijkwaardige

 33)  Vgl. Hoofdstuk I, § 2 en vooral ook Hoofdstuk I, § 6, noot 91).
 34)  Hier spiegelt het begrip weer het object.
 35)  Vgl. over deze passus Deel I, Hoofdstuk I, § 7.


[p. 172]

tropen te komen, maar de gebruikelijke (op de practijk gebaseerde) subordinatie te handhaven 36)  .

Deze redenering maakt een onsolide indruk. Op wel zeer wonderlijke wijze openbaart zich hier de wrong tussen theorie en practijk, tussen begrip en object, tussen Denken en Zijn. Hoe is Brinkmann tot die theoretisch-essentiële verschillen, tot die (nog te bespreken) contrast-definities gekomen, ànders dan door uit te gaan van aan de taal-practijk ontleende gevallen? Bovendien: waarom is het gemakkelijker om twee verschillende soorten van één troop dan om twee verschillende tropen van elkaar te onderscheiden? En eindelijk: hoe kan die (contrast-)definitie van de metaphoor nog een definitie van de metaphoor blijven, als het de definitie van de niet-allegorische metaphoor wordt? 37)  

De bedoelde definities luiden: ‘Sie (d.i. de allegorie en de metaphoor) unterscheiden sich dadurch, dass die Allegorie ein aus einem oder mehreren Sätzen bestehender, aber in allen Theilen durchaus bildlicher Ausdruck eines Gedankens ist, dass ein Gedanke durch einen aehnlichen Gedanken als Bild ausgedrückt wird, ohne dass sich dieser durch seinen Ausdruck als Bild zu erkennen gäbe, dass die Worte von Anfang bis zu Ende etwas anderes sagen, als sie meinen....; dass hingegen der metaphorische Ausdruck eines Gedankens nur zum Theil Bild ist, zum anderen Theil eigentlicher Ausdruck, dass er eine Doppelnatur hat, theils eigentlich, theils bildlich gemeint ist, meistentheils die Verkoppelung eines geistigen und eines sinnlichen Elementes ist, folglich in jedem Falle sich als Bild durch sich selbst zu erkennen gibt’ 38)  .

Het lijkt even, of wij voor deze ‘Doppelnatur’ historisch aansluiting kunnen zoeken bij die momenten in de evolutie van ons begrip, waarop het inzicht doorbrak, dat de metaphoor bi-semantisch is, dat in de metaphoor het semantisch moment van het phonetisch kurion niet geheel verloren gaat. Bij nader inzien blijkt echter, dat toch een andere interpretatie noodzakelijk is. Niet meer is de metaphoor hier één woord, één overgedragen naam. Was dit wel het geval, dan was het contrast ‘zin - woord’ voldoende om het verschil tussen beide tropen te typeren en dan was ‘lengte’ weer wèl een indelingscriterium. Neen, hij bedoelt met ‘metaphorische uitdrukking’ (hij zegt niet meer ‘Metapher’) een zin, een grammatische samenhang van woorden, waarvan sommige kuria (‘eigentlich gemeint’), andere metaphoren

 36)  Hij bedoelt dan die, welke sedert H. Blair gebruikelijk is (‘An allegory may be regarded as a continued metaphor’ (t.a.p., pag. 396)); wij vinden deze echter reeds lang vóór Blair.
 37)  Hier openbaart zich ook weer het probleem ‘hetzelfde - niet-hetzelfde’, de strijd tussen verbinden en scheiden, tussen synthese en analyse.
 38)  Pag. 28, 29.


[p. 173]

(‘bildlich gemeint’) zijn. Het eigenlijke en het figuurlijke zijn niet momenten van één woord, maar van een zin. Geformuleerd in Qazwînî's terminologie luidt zijn definitie: ‘De metaphoor kent een toevoegsel, de allegorie niet’. In hoeverre een zin, waarin een of meer metaphoren (in de zin van Brinkmann's eerste definitie) staan, een metaphorische uitdrukking mag worden genoemd, in hoeverre in ‘metaphorisch’ de betekenis van ‘metaphoor’ als een van het ene begrip op het andere overgedragen naam gehandhaafd blijft, is een andere kwestie. Wij komen er straks in verband met zijn begrip ‘praegnante metaphoor’ op terug. -

Naast de definitie(s) is voor het begrip ook van belang de indeling. Volgens Brinkmann zijn er twee indelingen mogelijk.

Bij de eerste indeling gaat men uit van de natuur van het beeld en van het daaronder voorgestelde begrip. Beide kunnen materieel zijn of immaterieel, een van beide kan materieel zijn, het andere immaterieel. Zo zijn er dus vier hoofdgroepen. Een ander criterium, nl. ‘levend - levenloos’ doet de eerste groep weer in vier groepen uiteenvallen. Hierdoor verenigt hij de indeling van Gottschall-Bouterwek met die van Quintilianus (e.a.).

 

I. A materieel, B materieel { a. A levenloos, B levenloos

I. A materieel, B materieel { b. A levend, B levenloos

I. A materieel, B materieel { c. A levend, B levend

I. A materieel, B materieel { d. A levenloos, B levend

II. A materieel, B immaterieel

III. A immaterieel, B materieel

IV. A immaterieel, B immaterieel

 

(Schema VII),

 

waarin A (als steeds) = beeld-object en B = zaak-object.

Voor II en III kent hij afzonderlijke namen, nl. ‘versinnlichende’ resp. ‘vergeistigende’ metaphoor. Natuurlijk wordt weer van beeld en zaak de relatieve ‘waarde’ vastgesteld (hoger en lager, edeler en onedeler). In II daalt, in III stijgt de zaak in standing. In I is het beeld edeler, staat hoger in de reeks der materiële wezens, in IV staat het beeld dichter bij het materiële, zodat dus I tot III en IV tot II nadert.

Wanneer wij nu de voorbeelden, die elke groep moeten typeren, vergelijken met de genoemde criteria, dan is er stof te over voor een inwendige critiek. Het is bijna potsierlijk om te zien, welke moeite Brinkmann zich getroost om aan te tonen, dat in ‘Einsamkeit des Dichters Braut’ het beeld materiëler is dan het begrip; ‘Braut’ is immers deels materieel, deels immaterieel, terwijl ‘Einsamkeit’ als geheel immaterieel (geestelijk) hoger staat! Arme eenzaamheid, die in standing achteruitgaat door zijn syntactische

[p. 174]

mésalliance met de bruid. Brinkmann en de eenzaamheid kunnen zich ermee troosten, dat in de wereld van de beeldspraak zoiets niet ongewroken blijft, dat de bruid zèlf geheel tot materie wordt verlaagd, zo dikwijls als een minnaar in verrukking ‘oh, étoile de ma vie!’ zucht. -

Maar in het rationeel geconstrueerde en vanuit de verte gezien goed onderhouden tuintje van deze indeling krioelt het zo van slakken, dat het ondoenlijk is op elk slakje zout te leggen. Wij zouden kunnen vragen, of deze indeling wel zin heeft, of het wel mogelijk is om ‘namen die worden overgedragen’ in te delen volgens de (im)materialiteit van beelden en zaken, of de begrippen ‘sinnlich’ en ‘geistig’ niet soortgelijke moeilijkheden opleveren als de begrippen ‘concreet’ en ‘abstract’, of eindelijk ‘Braut’ in het bedoelde voorbeeld wel een metaphoor is in de zin van de eerste definitie. Vooral de laatste vraag is hier van belang; op de andere gaan wij niet verder in. Dergelijke indelingen zijn trouwens reeds vaak door anderen aan een critiek onderworpen geweest, o.a. door Gerber 39)  , Wundt  40)   en Stählin 41)  . Brinkmann maakt het nog niet eens erg; Mützell b.v. onderscheidt nog achttien onderafdelingen 42)  . -

De vraag: ‘Is “Braut” wel een metaphoor?’ openbaart zich ook, als Brinkmann naar aanleiding van zijn eerste indeling komt te spreken over

 39)  Gerber, II, 1, pag. 86, vlg.
 40)  Zie § 2.
 41)  Zie § 3. - Bij deze critiek gaat het om het contrast ‘stoffelijk - onstoffelijk’, niet om het contrast ‘lager - hoger’. Reeds meermalen spraken wij over de aan den dichter gestelde eis, het lagere niet als beeld voor het hogere te gebruiken. Deze gedachte vinden wij in andere vorm bij Van Ginneken, als hij de bedoelde beeldspraak kenmerkend noemt voor de onbeschaafde talen. Hij zegt nl. naar aanleiding van de ‘bewuste beteekenisoverdracht of beeldspraak’: ‘Onbeschaafde talen vergelijken hun omgeving altijd met dingen van een lagere, beschaafde talen altijd met dingen van een hoogere orde’. Indien met ‘onbeschaafde talen’ de talen der primitieve volkeren zijn bedoeld (en dat ‘altijd’ niet met veel zout moet worden genomen), zijn de door Werner (zie § 4) juist in die talen gesignaleerde euphemismen volkomen onbegrijpelijk. Zie J. van Ginneken: De oorzaken der taalveranderingen (Mededeelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen, Afdeeling Letterkunde, Deel 59, serie A (Amsterdam, 1925), pag. 13, vlgg.), pag. 23 (35).
 42)  D. Mützell: De translationum quae vocantur apud Curtium usu (Berlin, 1842), pag. 20, vlg. Het is onjuist om (zoals Gerber (t.a.p., pag. 87) doet) in dit verband Vossius te noemen, want diens onderverdeling berust slechts op de aard van het beeld-object en niet op die van beeld- en zaak-object tegelijkertijd. Wel kan men hier historisch aansluiten bij de Grieken en de Arabieren. In principe is een onderverdeling der vier soorten reeds door Quintilianus gegeven; vgl. ook Augustinus (Hoofdstuk III, § 2) en Melanchton (Hoofdstuk I, § 6, noot 27)).


[p. 175]

de personificatie. ‘Es ist dies eine solche Metapher, wodurch anstatt eines nicht persönlichen Begriffs, sei er ein materieller oder ein bloss gedachter, ein Abstractum (eine Eigenschaft, eine Handlung, ein Zustand), ein persönlicher gesetzt wird: And throned Eternity in icy halls’ 43)  .

Wanneer wij dit vergelijken met de door hem gegeven definitie van ‘metaphoor’, blijken incorrelaties. De bedoelde personificatie is ‘Eternity’, maar in hoeverre is hier de naam van een begrip op een ander begrip overgedragen? ‘Einsamkeit’ en ‘Braut’ zijn verschillende namen, maar ‘eternity’ en ‘eternity’ zijn als naam hetzelfde. Het is nu de vraag, of de twee begrippen ‘eternity’ wel op een dusdanige wijze van elkaar verschillen, dat hun verschil kan worden begrepen als een soort van het verschil tussen de begrippen ‘Einsamkeit’ en ‘Braut’. In ‘de eenzaamheid is des dichters bruid’ geeft Brinkmann ‘bruid’ als metaphoor op en ‘eenzaamheid’ is de zaak, waarmee niets gebeurt; anders gezegd: ‘bruid’ is de metaphoor, ‘eenzaamheid’ het (immaterieel blijvend) toevoegsel, waaruit het metaphorisch zijn van ‘bruid’ blijkt. M.m. hetzelfde geldt voor de zin: ‘De eeuwigheid is een vorst (tronend) in zalen van ijs’; ‘vorst’ is metaphoor, ‘eeuwigheid’ toevoegsel. In ‘De eeuwigheid troont’ verandert dit echter geheel; nu is het subject metaphoor en met de rest ‘gebeurt niets’. Het is het probleem, dat wij reeds naar aanleiding van Georgios Choiroboskos en Qazwînî signaleerden. Hetzelfde probleem rijst met betrekking tot zinnen als: ‘De eenzaamheid is groot’, die Brinkmann echter nooit als metaphorisch opgeeft. Ook hier kan men vragen: Wordt ‘groot’ een metaphoor, of wordt ‘eenzaamheid’ geconcretiseerd, is het een ‘concretificatie’? - Straks komen wij op dit probleem in een ander verband terug; wij zullen dan zien, dat het dan ook als ‘bewust’ probleem optreedt 44)  .

Onduidelijk blijft voorts de verhouding tussen de personificatie en de soorten Ib en III van schema VII. ‘De sterren zien je aan’ vinden wij onder Ib, maar ‘De sterren groeten je’ onder III. Waarom? En waarom zijn het geen personificaties? Het lijkt even of het ontbreken van het lidwoord voor de personificatie relevant wordt gesteld, maar als dat relevant was, zouden er in het Engels meer personificaties mogelijk zijn dan in het Nederlands, en zou personifiëring van materiële begrippen (die hij in de definitie noemt) geheel onmogelijk zijn: opvallend is het, dat hij slechts abstracta als voorbeelden geeft. -

Maar wij stappen af van deze eerste indeling, wijzen er alleen nog op, dat volgens Brinkmann de personificatie evenals de metaphoor een allegorische

 43)  Pag. 35, 36.
 44)  Zie voor de begrippen ‘bewuste en onbewuste problemen’ Deel I, Hoofdstuk I, § 7.


[p. 176]

vorm kent. Het is de allegorie in engere zin, een uitgewerkte personificatie; zie de dramatis personae der moraliteiten. In het algemeen slaat hij de aesthetische waarde hiervan niet bijzonder hoog aan: eeuwenlang, zegt hij, ‘lastete das Allegorienwesen noch .... auf der französischen Poesie, es wurde so zu sagen als die unvermeidliche Maschinerie der erhabenen Gattung angesehen’ 45)  . Met deze appreciatie staat hij niet alleen; velen stellen de allegorie ver beneden de metaphoor 46)  . -

De tweede indeling is volgens hem essentiëler voor het wezen van de metaphoor dan de eerste. Criterium is ‘der Grad, bis zu welchem die einzelnen Metaphern in die Sprache eingedrungen sind, der Umstand, ob sie wirklich zu einem Bestandtheil der Sprache selbst geworden sind, oder ob sie bloss Eigenthum der Person sind, die sie braucht’ 47)  . En zo komt hij weer terug tot de vraag naar het ontstaan van de metaphoor (als vorm). De metaphoor ontstond vroeger niet anders, dan zij nu dagelijks nog ontstaat: in de geest van een enkeling of ook wel in verschillende individuen op verschillende plaatsen tegelijkertijd, maar zij is zeker niet uitsluitend het eigendom der dichters. Het is duidelijk, dat in deze zin ‘dichter’ een engere betekenis heeft dan bij Vico en ook dan bij hemzelf, als hij (zie boven) de oudere volkeren ‘dichters’ noemt; in het laatste wordt immers juist het scheppen van metaphoren voor het dichterschap van essentieel belang.

De drang om metaphoren te vormen ontstaat ‘aus derselben Wurzel wie der Drang zur Begriffsbildung, Sprachbildung. Das, was in alledem waltet, ist die Erkenntnis des Gleichen im Verschiedenen und das Bestreben dieses Gleiche hervorzuheben’ 48)  . De primaire wortel is dus: de drang tot synthese 49)  . Daarbij kwam, dat het volk later niet meer het vermogen bezat geheel nieuwe woorden te scheppen. Maar ook toen een dergelijke noodtoestand niet meer bestond, werkte die drang onverzwakt door. Het is een spel der phantasie, die het zintuiglijke een ziel en het geestelijke een lichaam wil lenen, en daardoor de objecten van binnen- en buiten-wereld souverein beheerst. ‘(Die Phantasie) weidet sich an ihrer eigenen Schönheit, die ihr im Spiele mit der Mannigfaltigkeit und Schönheit der Welt zum Bewusstsein kommt’ 50)  .

Wanneer Brinkmann opmerkt, dat reeds de Ouden deze dubbele wortel

 45)  Pag. 36.
 46)  Zie b.v. het Hoofdstuk I, § 7, noot 57) geciteerde werk van Eckhard.
 47)  Pag. 37.
 48)  Pag. 37, 38.
 49)  Vgl. Deel I, Hoofdstuk I, § 5.
 50)  Pag. 38.


[p. 177]

van de metaphoor kenden, heeft hij hierin slechts ten dele gelijk. Merken wij op, dat hij eigenlijk drie wortels heeft genoemd: drang tot synthese, taalnood, phantasie. Zoals zo vaak in dergelijke beschouwingen worden ontologie en genesis door elkaar gehaald. Het best is zijn mening nog alsvolgt te formuleren: ‘De mens komt er al dan niet noodgedwongen toe, het verschillende als hetzelfde (in taal) samen te grijpen; zo ontstaat de metaphoor’. Wel noodgedwongen is de inopia-metaphoor der Ouden, niet-noodgedwongen hun decus-metaphoor, en juist deze laatste wijkt van Brinkmann's tweede soort af, al is zij er natuurlijk wel het prototype van. Het moderne begrip is zeker minder uiterlijk, ‘psychologischer’, dan het classieke, dat de nadruk legde op het ‘versieren’ der rede. Het begrip van het vrije spel der phantasie zullen wij o.a. bij Werner aantreffen; Biese en Stählin echter zullen betogen, dat metaphoriseren altijd op inopia berust 51)  .

Vele metaphoren blijven persoonlijk, andere worden in de taal opgenomen en in de keuze komt de hoogste wijsheid van de taal tot uiting. Calderon spreekt van de zee als ‘een tuin van schuimgolven’. Dit beeld is niet in de taal opgenomen. Wél is dit ‘la mer couverte de moutons, pecorelle’. Want het beeld der lammeren is treffender, levendiger, plastischer, poëtischer. Hier vinden wij weer de boven gesignaleerde verheerlijking van volk boven dichter (enkeling), van taal boven literatuur. De taal is meer kunst dan de kunst zelve. Arme dichters! Of moet het hun tot troost strekken, dat hun beeldspraak, al is die dan minder mooi, tenminste niet latent is als de volks-(taal-)metaphoor, maar apert? Wanneer ‘de taal’ werkelijk een keuze deed uit de metaphoren-schat der dichters, zou een critiek op de laatste wel zeer gemakkelijk zijn.

Voor het verschil tussen de wel en de niet in de taal overgenomen metaphoren zoekt Brinkmann nu een vaste technische uitdrukking. Hij verwerpt de termen van Bouterwek 51a)  , nl. ‘prozaïsch’ resp. ‘poetisch’ en sluit aan bij Gottschall, die de eerste groep ‘incarnirte Metaphern’ noemt. Hij lanceert ook nog de termen: ‘gemeine - besondere (communis - singularis 52)  , ‘linguale - persönliche’, ‘Sprach- - Autor-metaphern’. Van Max Müller neemt hij het door ons nog te bespreken begrip ‘radikale Metapher’ over 53)  , welke hij echter niet tegenover de poëtische plaatst (zoals Müller doet), maar welke hij als soort van de taal-metaphoor beschouwt. Zo komt hij dus tot de volgende indeling:

 51)  Vgl. de desbetreffende §§ en voorts Hoofdstuk I, § 3.
 51a)  Fr. Bouterwek: Aesthetik3 (Leipzig, 1824), pag. 274.
 52)  Vgl. Wundt's reguliere en singuliere betekenis-veranderingen.
 53)  Vgl. Hoofdstuk III, § 5.


[p. 178]



(Schema VIII)

 

Hierin is de oorspronkelijk gemaakte onderscheiding in taal-metaphoren uit taal-nood en taal-metaphoren uit het vrije spel der phantasie ontstaan geheel geëcarteerd. -

Na deze indelingen, die voor Brinkmann's visie van fundamenteel belang zijn, volgt een beschouwing over de taal-vormen, waarin de metaphoren optreden. Juist deze beschouwingen zijn door de critiek als ‘Spielerei’ verworpen, en zelf slaat hij ze eveneens niet bijzonder hoog aan, al meent hij ook, dat ook het kennen van de vorm noodzakelijk is voor het kennen van het wezen. Het is o.i. echter nog zeer de vraag, of deze kwestie wel zo onbelangrijk is, als men over het algemeen aanneemt. Zijn voorts ‘vorm’ en ‘wezen’ hier wel wetenschappelijke begrippen, kan men inderdaad zeggen, dat het subject- of het substantief-zijn van een metaphorisch woord ‘vormen’ zijn van de metaphoor? En eindelijk: als men de vorm nodig heeft voor de kennis van het wezen, is dan ook de vorm niet wezenlijk?

Brinkmann gaat dan na, in welke syntactische functies het metaphorische woord kan optreden, en tot welke woordsoorten het kan behoren 54)  ; hij maakt hier geen principiële scheiding tussen taal- en redekundige ontleding. Eerst bespreekt hij de metaphoor als bestanddeel van de enkelvoudige zin. Grondvorm is: S (subject) is P (praedicaat), ‘König ist der Hirtenknabe’ 55)  , of M is X (hij gebruikt voor de naam van het zaak-object het symbool X, in verband met zijn opvatting, dat men dat object moet

 54)  In verband met de descriptie van ons phaenomenon vonden wij zuiver grammaticale termen het eerst bij de Arabische rhetores. Vgl. ook Anonymus: De stylo Poëtico, ad usum studiosae juventutis (Antwerpen, 1823), pag. 24-25, waar de woordsoorten worden gegeven, welke metaphoor kunnen zijn, nl. substantief, adjectief, verbum en partikel; voorts de bij Pecz genoemde studies van Altum, Hoppe, Radtke, Rappold, Langen, Lichtenegger en Sobiëski.
 55)  Brinkmann begint hier met het praedicaatsnomen; de ontleding blijft natuurlijk hetzelfde.


[p. 179]

raden 56)  ). Dit is de grondvorm van de appositie (‘die Ameise Vernunft’ 57)  ) en van de genitivus appositionis (‘des Lebens goldener Baum’), tot welke laatste veel geïncarneerde metaphoren behoren.

Deze vormen de zeer aparte klasse der geëxpliceerde metaphoren; hiertegenover staan dan de praegnante. De geëxpliceerde ‘zeichnen sich.... dadurch aus, dass in ihnen allen der Begriff, den sie metaphorisch ausdrücken, ausserdem auch mit seinem eigentlichen Ausdrucke bezeichnet ist.... In allen übrigen Formen, worin die Metaphern erscheinen, gibt es bloss den metaphorischen Ausdruck, M, für den zu bezeichnenden Gegenstand, der eigentliche, X, bleibt fort und muss errathen werden’ 58)  .

Dit alles is zeer instructief voor het probleem, dat wij bij de descriptie en analyse van ons begrip reeds meermalen hebben beroerd. In de eerste plaats: ‘metaphoor’ is hier geen naam meer, doch een zin (evenals in de passus, waar de metaphoor tegenover de allegorie werd gesteld), want in de (geëxpliceerde) metaphoor verschijnt een begrip met twee namen; tegelijkertijd is de metaphoor weer wel een naam, want een van die twee namen wordt ‘metaphoor’ genoemd. In de tweede plaats: de S ↔ P-relatie is een relatie tussen woorden; maar in ‘M is X’ is X symbool voor een begrip, M symbool voor een naam. In de derde plaats: wanneer het zaak-object in een zin met zijn eigenlijke naam genoemd is, behoeft het niet meer geraden te worden en kan X daarvoor dus niet meer als symbool dienen, suggereert dus hetzelfde symbool X twee verschillende verhoudingen ten onrechte als hetzelfde. En in de vierde plaats: wanneer M een andere naam is voor X en niets anders dan een naam voor X, kan de zin slechts betekenen: ‘X is X, Der Hirtenknabe ist Hirtenknabe’.

Dit alles bewijst, dat de beide door Brinkmann beschreven gevallen niet als soorten van de metaphoor in de zin van zijn definitie, niet als verschillende vormen van in wezen hetzelfde begrepen kunnen worden, .... althans niet op deze wijze. Maar dit bewijst ook, dat dit gedeelte van zijn onderzoek niet tevergeefs is geweest; hij worstelt hier inderdaad met een probleem van het verschijnsel zelf, een probleem, dat sedert de Arabieren vrijwel niet (en ook niet ‘onbewust’) is aangeroerd. Het is het probleem van de verhouding tussen woord en zin, en dit nog op verschillende wijze:

 56)  De samenhang van metaphoor en raadsel vonden wij reeds bij Aristoteles.
 57)  Ten onrechte meent Brinkmann, dat tot deze groep ook de als liefkozings- of scheldwoorden gebruikte diernamen als ‘Mein Mäuschen’ behoren. Wel behoort in beide gevallen het beeld-object tot de ‘sfeer’ der dieren, maar om dit kenmerk gaat het hier in het geheel niet. ‘Mäuschen’ als appellativum is geen geëxpliceerde metaphoor.
 58)  Pag. 49.


[p. 180]

1e. tussen woord en zin in het algemeen, 2e. tussen metaphorisch woord en zin (tussen metaphoor en toevoegsel), 3e. tussen metaphorisch woord en metaphorische zin 59)  .

Dit probleem laat Brinkmann bij de verdere descriptie van de ‘vormen’, waarin de metaphoor kan optreden, niet meer los. Hij bespreekt eerst de verschillende genitief-vormen, waarin de praegnante metaphoor verschijnt: genitivus subjectivus (possessivus), objectivus, generis en partitivus, waarbij het primaire woord metaphoor, het secundaire (de bepaling) het in eigenlijke zin te begrijpen toevoegsel is, en de genitivus qualitatis, waarbij uit het primaire woord het metaphorisch zijn van het secundaire blijkt. Zo wijst hij dus in een bepaalde junctio zonder enige aarzeling aan welk woord eigenlijk, welk woord metaphorisch gebruikt is.

Maar, voegt hij eraan toe (hierbij dan niet doelende op de genitivus qualitatis), ‘umgekehrt äussert auch das regiernde Wort einen Einfluss auf den Sinn des regierten, scheinbar bloss im eigentlichen Sinne gebrauchten Wortes: die Innigkeit des genitivischen Verhältnisses bewirkt, dass dieses Wort in das Bild des metaphorischen Ausdrucks mit hineingezogen wird und so seinerseits selbst bildlich wird. Beide Wörter, das regierende und das regierte, üben eine Wechselwirkung auf einander aus, beide gehören, im eigentlichen Sinne genommen, mehr oder weniger verschiedenen Sphären von Begriffen an, ein jedes von beiden sucht aber das andere aus seiner ursprünglichen Sphäre heraus- und in seine eigene hereinzuziehen. Es findet also ein eigenthümlicher Antagonismus statt, man möchte sagen, ein Kampf des Verstandes und der Phantasie.... Dieser Antagonismus findet nun seine Versöhnung im folgenden Parallellismus, in welchem jedem von beiden Theilen sein Recht wird. Der eigentliche nackte Gedanke wird hergestellt durch die metaphorische Bedeutung des regiernden Casus und die eigentliche des Wortes im Genitiv; umgekehrt wird das Bild für diesen Gedanken hergestellt durch die eigentliche Bedeutung des Wortes im regierenden Casus und die metaphorische des Wortes im Genitiv.... Das Wort Wahrheit hat den Einfluss auf das Wort Schleier, dass dieses metaphorisch gefasst wird, da die Wahrheit keinen Schleier im eigentlichen Sinne des Wortes haben kann. Der Verstand schält gleichsam aus dem Bilde den abstrakten Gedanken heraus, verbindet ihn mit Wahrheit und wirft das Bild des Schleiers als etwas für ihn wertloses fort. Dieses findet aber freundliche Aufnahme bei der Phantasie. Sie erfreut sich an seiner Schönheit, und da ein Schleier nicht gedacht werden kann ohne etwas Verschleiertes, so zieht sie auch den Begriff Wahrheit, womit die Sprache es verbunden hat, herüber, verwandelt

 59)  ‘Zin’ is hier steeds te begrijpen als syntactische samenhang (nexus of junctio).


[p. 181]

ihn aus einem nackten Begriffe in ein Bild, in einen Frauengestalt, in eine Göttin, und verbindet damit das Bild des Schleiers. So ist denn aus jenem Gedanken das Bild geworden: eine verschleierte Göttin, deren Schleier sich nicht heben lässt. Das in dem Ausdruck: “Schleier der Wahrheit” liegende Bild besteht also aus der eigentlichen Bedeutung von Schleier und aus einer versinnlichenden Metapher von Wahrheit. Der Gedanke selbst besteht aus einer vergeistigenden Metapher von Schleier und aus der eigentlichen Bedeutung von Wahrheit’ 60)  .

Tot zover Brinkmann. Hij heeft ongetwijfeld problemen gezien en doet een serieuze poging om ze op te lossen. In hoeverre mag deze poging geslaagd heten? Slechts een logische analyse kan ons dit leren, maar die is bijzonder moeilijk. In de eerste plaats gaat het hier om de begrippen ‘gedachte, beeld, uitdrukking, metaphoor’ en hun relatie, in de tweede plaats om de begrippen ‘woord, betekenis, begrip, metaphoor’ en hun relatie; het begrip ‘sfeer’, dat de lezer hier voor het eerst in een citaat met name vindt genoemd, maar dat reeds lang vóór hem bij de descriptie van de metaphoor dienst doet, is hier van minder belang 61)  .

Hij spreekt (voorlaatste zin) van het beeld, dat in de uitdrukking ligt. Of de gedachte ook ‘in’ de uitdrukking ‘ligt’, zegt hij niet explicite maar in verband met de gehele passus is het wel duidelijk, dat de uitdrukking bi-semantisch wordt begrepen: de ene betekenis is het beeld, de andere betekenis is de gedachte. Beide betekenissen zijn tegelijkertijd in het bewustzijn aanwezig, doch op verschillende wijze: het beeld is aanwezig in de phantasie, de gedachte in het verstand. Verstand en phantasie interpreteren dus op verschillende wijze dezelfde uitdrukking, maar voor beide bevat de uitdrukking een metaphoor. Dus de ‘eigenlijke naakte’ gedachte is voor een gedeelte metaphorisch (duidelijk zegt Brinkmann: de gedachte bestaat uit een metaphoor en een kurion). Maar geldt dit nu wel voor de gedachte zelf en niet voor de uitdrukking van de gedachte? Afgezien daarvan, het typische van deze opvatting is, dat niet de gedachte door (in) een beeld wordt uitgedrukt, maar dat er een gedachte en een beeld worden uitgedrukt.

Even lijkt het, of de metaphoor evenals het beeld - waarmee het (zie voorlaatste zin van het citaat) niet geïdentificeerd moet worden 62)   - als bi-semantisch wordt begrepen. De beide woorden hebben wel elk tegelijkertijd

 60)  Pag. 54, 55.
 61)  De term ‘sfeer’ reeds bij Bernhardi, t.a.p.
 62)  ‘Beeld’ heeft hier dezelfde betekenis als in de passus over metaphoor en allegorie ‘metaphorische uitdrukking’ heeft. In de eerste zin van het citaat echter is ‘metaphorische uitdrukking’ weer gelijk aan ‘woord’ of ‘naam’.


[p. 182]

twee betekenissen, maar alleen als een woord een oneigenlijke (dus één) betekenis heeft, wordt er van ‘metaphoor’ gesproken. De schematische voorstelling van Brinkmann's opvatting is dan ook:



(Schema IX)

 

waarin P en N namen, A, B, C en D begrippen zijn; de ←←→→ symboliseert hier niet een nexus- maar een junctio-relatie 63)  .

Wanneer het nu waar is, dat beide woorden (namen, begrippen, betekenissen?) metaphorisch gebruikt zijn en het secundaire woord slechts ‘scheinbar bloss im eigentlichen Sinne’ verschijnt 64)  , waarom gaat Brinkmann dan eerst van de schijn uit en decreteert hij zonder enige aarzeling eerst het primaire woord (en in de genitivus qualitatis juist het secundaire woord) tot de metaphoor? Dit wordt noch vanuit de geciteerde passus, noch vanuit de definitie duidelijk. Waarom is in ‘de eeuwigheid troont’ het substantief, in ‘de sterren groeten’ het verbum metaphorisch gebruikt, waarom geeft

 63)  Het is interessant, Brinkmann's opvatting te vergelijken met die der Arabische rhetores, die met hetzelfde probleem hebben geworsteld. ‘Sluier der waarheid’ is hetzelfde geval als ‘briesende held’ (en in het praedicatieve: ‘de dood slaat zijn klauwen naar ons uit’), dat wij hierboven (Hoofdstuk I, § 4) bespraken. Voor de Arabieren zou ‘waarheid’ niets dan de eigenlijke betekenis hebben, maar de metaphorische (‘vrouw’) zou daarmee in de phantasie verbonden moeten worden (in de phantasie wortelende metaphoor, die niet in de taal wordt uitgedrukt); de (woord-) metaphoor zou ‘sluier’ zijn.
 64)  Eerste zin van het citaat; wij cursiveren.


[p. 183]

in het ene geval het beeld (de phantasie), in het andere geval de gedachte (het verstand) de doorslag? -

Doch genoeg over deze kwesties. Wij zullen ze naar aanleiding van zijn beschouwingen over de andere ‘vormen’ niet meer releveren, noch deze beschouwingen in details volgen. Zoveel blijkt wel, dat Brinkmann zo niet het eerste dan toch het tweede maar zeker niet het laatste woord over deze problemen gezegd heeft. Wijzen wij nog op twee bijzonderheden.

Zijn descriptie is niet zeer systematisch. De adjectiva en de adverbia b.v. rangschikt hij naar de betekenis en zo geeft hij hier een indeling naar de ‘sfeer’ van het beeld-object, die wij bij de substantiva en verba tevergeefs zoeken. Naar aanleiding van de adverbia nu beroert hij opnieuw (maar nu onbewust) de relatieve (aesthetische) waarde van taal- en auteur-metaphoor. Bij de indeling der adverbia baseert hij zich op Förstemann 65)  , die hier van ‘Begriffsschwächung’ spreekt, en zegt dan: ‘Aber die Metaphern sind auch nichts anders als Begriffsschwächungen, ja manchmal ganz grossartige Begriffsschwächungen, da die Sprache nicht selten Aehnlichkeiten entdeckt, die uns niemals einfallen würde aufzustellen’; hij wijst hier nog op ‘kraan, bok’ 66)  . Hieruit zou logisch moeten volgen, dat de taal-metaphoren dus blijkbaar lang niet altijd plastischer en duidelijker zijn dan die der dichters; deze consequentie trekt hij natuurlijk niet. Trouwens, de personifiëring van ‘taal’ is niet bijzonder gelukkig. Wanneer de metaphoren altijd in de geest van den enkeling ontstaan (zie boven), kan de zin niets anders betekenen dan: ‘Bij het creëren van de bedoelde woorden, bij het benoemen van de bedoelde zaken, is het individu uit een vroegere taal-periode van overeenkomsten uitgegaan, die (blijkens het feit dat die woorden door anderen zijn aanvaard, dus in de taal zijn opgenomen) voor de leden van die taal-gemeenschap apert waren, maar door ons niet meer als zodanig worden herkend’ 67)  .

Zijn onderzoek naar de vormen, waarin de metaphoor kan optreden, heeft een materieel en een formeel resultaat. Het materiële resultaat is: Niet alleen in de genitief-relatie maar in vrijwel alle syntactische relaties verklaren de woorden elkander; door hun verband kunnen wij ze als metaphoren enz. herkennen. Het formele resultaat is: De metaphoor kan - al zijn ook bepaalde preferent - alle grammatische functies hebben. Zij kan optreden als rededeel van de enkelvoudige zin, als lid van de samengestelde

 65)  E. Förstemann: Zur Bedeutungslehre der deutschen Adverbien (Neues Jahrbuch der Berlinischen Gesellschaft für deutsche Sprache, herausgegeben von Von der Hagen, Band VI, pag. 44-51).
 66)  Pag. 81.
 67)  Vgl. ook § 2. Wij konden ook formuleren: Blijkbaar ziet het ene individu andere overeenkomsten dan het andere.


[p. 184]

zin en in een ketting van hoofdzinnen. In het laatste geval onderscheidt zij zich van de allegorie, doordat zij toch eerst als metaphoor optrad 68)  . Eerst in de laatste vorm is de metaphoor volledig uitgegroeid tot een ‘völlig erschlossene Blume’; de andere vormen zijn ‘kaum geöffnete Knospen’ of ‘noch halb geschlossene Kronen’ 69)  .

In het derde en vierde Hoofdstuk vraagt hij resp. naar de practische en de theoretische betekenis van de metaphoor. De practische betekenis is de betekenis, welke de metaphoor heeft voor het uitdrukken der gedachten. Dus: waarom heeft de taal haar ‘uitgevonden’? Om deze vraag te beantwoorden is een studie noodzakelijk van de oudste taal en de oudste menselijke begrippen, alsmede van de ontwikkeling der taal en de ontwikkeling des geestes. Basis dezer studie is de vergelijkende grammatica der indo-europese talen. En dit brengt ons terug op wat wij hierboven in de inleiding op de beschrijving van Brinkmann's visie zeiden: de grote invloed van de etymologie van zijn tijd op zijn werk, het verband tussen de etymologie en zijn semasiologie. Herhaaldelijk wijst hij erop, hoe zijn metaphoren-studies juist voor de etymologie van eminent belang zijn. Wat hij hier van Max Müller overneemt - alle woorden hebben oorspronkelijk een materiële betekenis, de mythologieën zijn ziek geworden metaphoren - zullen wij hier niet behandelen, daar dit op een andere plaats ter sprake komt. Evenmin zullen wij behandelen de aesthetische eisen, waaraan volgens hem de poëtische (auteur-) metaphoren moeten voldoen, daar deze kwestie, hoe belangrijk zij ook moge zijn en hoeveel belangrijks hij er ook over moge zeggen, voor het grootste gedeelte buiten de opzet van onze studie valt 70)  .

Hoofdzaak is per slot van rekening voor hem toch de theoretische (materiële) betekenis der metaphoren. ‘Welche Belehrung können wir durch die Betrachtung der historisch gegebenen Metaphern gewinnen, was für Gedanken sind in ihnen selbst niedergelegt?’ 71)   Het gaat hier om niets meer of minder dan om de interpretatie van de metaphoor als zelf-expressie.

Het karakter van een auteur spiegelt zich in zijn beeldspraak. De metaphoor is de troop van de hartstocht (Shakespeare, Byron), al komt het ook voor dat bloemrijke taal niet gepassionneerd is (Calderon); het beeld is dan ‘Selbstzweck’, spel van de phantasie. De diepe Olympische rust van Goethe en Homeros kan zich niet in metaphoren uitdrukken, zoekt het eenvoudige, ware, eigenlijke. ‘Die Innigkeit des Gefühls, die Sprache des Herzens, verschmäht jegliche Lüge, ja jeden Schein von Unwahrheit, und darum macht sie nur einen mäszigen Gebrauch

 68)  Twee betekenissen van ‘metaphoor’.
 69)  Pag. 93.
 70)  Vgl. Deel I, Hoofdstuk II, § 1.
 71)  Pag. 119.


[p. 185]

von der Metapher. Denn etwas Unwahres, wir können es nicht verhehlen, liegt in der Metapher, in dieser Vermischung von Gedanke und Bild (damit erkennen wir die Schattenseite derselben an), und etwas reinliches, zum Herzen dringendes liegt in dem ungeschminkten, die Sache beim rechten Namen nennenden Ausdrucke’ 72)  .

Deze passus heeft de woede van Biese opgewekt; wij echter gevoelen geen woede maar bevreemding. De uitspraak: ‘de metaphoor is (voor een gedeelte) een leugen’ komt voor ons geheel onverwacht, is èn in verband met de passus, èn in verband met het gehele werk onbegrijpelijk. Want wat zijn de consequenties? Het innige gevoel verfoeit de leugen, en daarom liegt het maar matig; het innige gevoel is een echt, de hartstocht een onecht (gehuicheld) gevoel; de metaphoor is schmink en leugen en toch tegelijkertijd een trouwe spiegel van individu en volk, van mens en wereld; moest behalve de mens ook de buitenwereld niet in de metaphoor liegen, moest deze spiegel niet een lach-spiegel zijn, waarbij ons het lachen verging? Enz.

Hoe is hij nu tot deze vreemde uitspraak gekomen? Evenals Du Marsais zag hij in, dat sommige niet beeldsprakige gedichten mooier zijn dan andere wel beeldsprakige. Nu gaat hij generaliseren (de metaphoor behoort altijd slechts tot het middelste stijl-niveau 73)  ) en komt daardoor met andere momenten van zijn visie in strijd (wat is de waarde van ‘cavallone, pecorella’, als ‘(schuimende) golf’ meer tot het hart spreekt?). Daar hij de metaphoor als middel tot expressie interpreteert, moet hij nu wel het door de metaphoor uitgedrukte gevoel als minder innig, als minder diep zien. Vergeten wij nu niet het verband met de taal-critiek van Max Müller, onder wiens invloed hij staat (vgl. zijn mening over de mythen). Of misschien kunnen wij beter zeggen (hierbij zijn eigen beeldspraak van de reële in de noëtische sfeer overdragende): een ander moment van Brinkmann's complexe geest, een ander moment van het complexe verschijnsel ‘metaphoor’ spiegelt zich hier in zijn begrip. De metaphoor is een leugen, beeldt iets anders af dan afgebeeld moest worden (critiek op de derde functie) 74)  . Dit past hij nu toe op de eerste functie: de metaphoor drukt iets anders uit dan ‘eigenlijk’ gevoeld wordt, het gevoel zelf is gelogen 74a)  .

Hier openbaart zich voor het eerst in de evolutie van ons begrip duidelijk het relatie-probleem ‘Kundgabe - Darstellung’. -

Eindelijk komt hij dan tot wat voor hem het belangrijkste is: ‘Wie

 72)  Pag. 123, 124.
 73)  Vgl. Hoofdstuk I, § 6, noot 85), voorts de meningen van Hegel en Bolland en vooral ook de § over Pongs.
 74)  Het is nog de leugen in de niet metaphysisch belaste werkelijkheid; vgl. Hoofdstuk I, § 4.
 74a)  Vgl. § 3.


[p. 186]

spricht sich der Volksgeist in den Metaphern der Sprache aus?’ 75)   Hij ziet het verband tussen volksgeest en taal-metaphoren als nog enger dan dat tussen den dichter en diens auteur-metaphoren. Slechts Reisig 76)   heeft tot nu toe de kwestie behandeld en dan nog incidenteel en gedeeltelijk onjuist; hij wil er ernst mee maken. Hij geeft dan een proeve (tracht uit de metaphoren der Spaanse taal het Spaanse volkskarakter af te lezen), die wij hier niet zullen bespreken 77)  .

Naast of zelfs nog boven de laatste vraag staat de vraag naar ‘das Bild des Menschen als solchen in den Metaphern’ 78)  . Maar hier treedt dan een ander principe op, hetgeen nog duidelijker blijkt, wanneer hij hiermee ‘het beeld der dingen (der gehele buitenwereld)’ in één adem noemt. Zegt men: ‘Een dichter, een volk, de mensheid, de wereld spiegelen zich in de metaphoren’, dan coördineert men ongelijksoortige grootheden. Het karakter van een dichter of van een volk openbaart zich in de wijze, waarop zij (d.i. dichter en volk) mens en wereld zich in de metaphoren laten spiegelen. Dichter en volk zijn nooit beeld-object, mensheid en vooral buitenwereld zijn dit wel 79)  . Het behoeft ons dan ook niet te verwonderen, dat Brinkmann naar aanleiding van het ‘beeld van mensheid en buitenwereld’ een indeling geeft naar het beeld-object, een indeling naar ‘sferen’, die in het systematische Deel 80)   ter sprake zal komen.

In zijn systematische beschrijving neemt hij als vast punt het beeld (verder dan één klasse der ‘concreta’, nl. de dieren, is hij niet gekomen) en verzamelt nu uit verschillende Europese talen de woorden en zinnen, waarin dit beeld gebruikt wordt. Hierbij wil hij dan laten aansluiten een ordening naar het zaak-object: dan wordt nagegaan, welke verschillende beelden èn in elke taal afzonderlijk èn in de verschillende talen voor een en dezelfde gedachte dienst doen; zij worden dan naar aesthetische, psychologische en cultuurhistorische gezichtspunten belicht. Zo zal eerst het

 75)  Pag. 128.
 76)  Ch. K. Reisig: Vorlesungen über lateinische Sprachwissenschaft (Leipzig, 1839), § 173.
 77)  Zie over deze kwestie Deel II, Hoofdstuk IV, § 1.
 78)  Pag. 168.
 79)  Wij bedoelen natuurlijk: dichter en volk zijn nooit beeld-object voor de metaphoren, die zij zelf scheppen. - De kwestie roerden wij reeds hierboven aan, toen wij het algemene doel van Brinkmann's studie bespraken: soortgenoten hebben de mensheid en de buitenwereld niet (vgl. een dichter, de buitenwereld). De mens als beeld-object is niet ‘hetzelfde’ als de mens, die dat beeld-object kiest: de ‘ene mens’ wordt dargestellt, de ‘andere’ drukt zichzelf uit (dus weer de kwestie van ‘Kundgabe’ en ‘Darstellung’).
 80)  Deel III, Hoofdstuk II, § 3.


[p. 187]

enorme gebied der metaphoren geheel, nl. in twee richtingen - verticaal van beneden naar boven, van oorspronkelijke (‘sinnliche’) tot uiteindelijke (metaphorische) betekenis, en horizontaal van metaphoor tot metaphoor - onderzocht zijn. -

En hiermee hebben wij Brinkmann's visie in haar voornaamste momenten beschreven. Stählin's visie zal van de zijne de meest directe voortzetting wezen 81)  .

 81)  Over hetzelfde beeld-object schreven R. Oroz: El uso metafórico de animales en al lenguaje familiar y vulgar chileno, en Preis: Die Animalisierung von Gegenständen in den Metaphern der spanischen Sprache. Maar Brinkmann's reusachtig plan is eerst ruim een halve eeuw na hem in zijn geheel voor het romaans uitgewerkt door Gottschalk (hierop heeft de critiek ook gewezen; zie Archiv, 160, 3/4). Bedoeld is W. Gottschalk: Die bildhaften Sprichwörter der Romanen, I. Die Natur im romanischen Sprichwort, II. Der Mensch im Sprichwort der romanischen Völker, III. Schluss-kapitel und Nachschlageregister (Heidelberg, 1935-'38). Hierin vinden wij sferen als: Jagd, Tanz und Spiel, Sport, Malerei und Musik, Kirche, Familie und Familienereignisse enz., enz. - In aanmerking komen voorts de vele werken, die hetzij zich bepalen tot een of ander beeld- of zaak-object (ook wel tot een of andere beeld- of zaak-sfeer), hetzij de metaphoren beschouwen als uitdrukking van een persoon of van een sociale of ethnologische groep, c.q. van een cultuur-periode (sommige ressorteren onder beide rubrieken); tot de laatste rubriek behoren ook die studies, welke niet uitsluitend over de metaphoren in een bepaalde (groeps)taal handelen, doch deze wel zien als een belangrijk expressief moment van die taal. Daar Brinkmann toch in de eerste plaats over de taal-metaphoren spreekt, zullen wij de vele studies over auteur-metaphoren hier niet noemen. Uit de andere doen wij slechts een keus. - A. Fr. Pott: Metaphern, vom Leben und von körperlichen Verrichtungen hergenommen (Zeitschrift für vergleichende Sprachforschung, II (1853), pag. 101, vlgg.); Ch. Beaudelaire: Mon coeur mis à nu, XXXIX-XLI (Oeuvres, II (Essais et Notes), pag. 654) noemt de ‘métaphores militaires’ kenmerkend voor de Fransen (hij interpreteert ze met betrekking tot het volkskarakter ongunstig); J. Alexander Sawhill: The use of athletic metaphors in the biblical homilies of St. John Chrysostom (Princeton, 1928); F. Kürnberger heeft uit de taal der kranten z.g. ‘Grundmetaphern’ verzameld en tot ‘sferen’ (als stijlsoort, b.v. ridderlijke stijl, getypeerd) samengenomen (vgl. R.M. Meyer: Künstliche Sprachen, I). Een combinatie van beeld- en zaak-object levert een studie over overdrachten van namen voor lichaamsdelen als ‘Kosenamen’ (van Müller-Graupa; zie § 4, noot 50)). Speciaal over een zaak-object handelt O.J. Fallgren: L'expression figurée adverbiale de l'idée de ‘promptitude’. Essai pour contribuer à un chapitre de la future sémantique polyglotte (Helsingsfors, 1917) (zie Neuphilologische Mitteilungen, XVIII, pag. 112, vlgg.). Hier verdient ook de § 3, noot 84) genoemde studie van Palache vermelding. - O. Weise: Charakteristik der Lateinischen Sprache4 (Leipzig und Berlin, 1909), die in I. Sprache und Volkscharakter der Römer, speciaal (9-11) schrijft over ‘Der Volkscharakter im Spiegel der Metapher’ en zo wel zeer bij Brinkmann aansluit; F. Kluge: Deutsche Studentensprache (Strassburg, 1895), waar blijkt, dat de Duitse studententaal gebouwd is op een complex van verschillende metaphoren (op één metaphoor gebouwd is de taal der carbonari: vgl. R.M. Meyer, t.a.p.); O. Mausser: Deutsche Soldatensprache. Ihr Aufbau und ihre Probleme (Strassburg, 1917), zie o.a. pag. 6, vlgg., pag. 73; K. Bergmann: Wie der Feldgraue spricht. Scherz und Ernst in der neusten Soldatensprache. 1. Zehn-tausend (Giessen, 1916); G. Esnault: Le Poilu tel qu'il se parle. Dictionnaire des termes populaires récents et neufs, employés aux armées en 1914-1918, étudiés dans leur étymologie, leur développement et leur usage (Paris, 1919); G. Esnault: L'imagination populaire. Essai sur les valeurs imaginatives concrêtes du français parlé en Basse-Bretagne, comparé avec les patois, parlers techniques et argots français (Paris, 1925); reeds Leibnitz: Nouveaux Essais, III, 2, noemt de metaphoor als middel tot argotvorming; M. Schwob et G. Guieysse: Etude sur l'argot français (Mémoires de la Société de Linguistique de Paris, Tome septième (Paris, 1899), pag. 33, vlgg.) verwijt de studies over geheimtalen, dat ‘Le procédé d'interprétation n'a guère consisté qu'à voir partout des métaphores’ (deze interpretatie zou onjuist zijn, daar de geheimtaal een kunsttaal is, terwijl de metaphoor op natuurlijke, spontane wijze ontstaat; hierop komen wij in een ander verband (Deel III, Hoofdstuk II, § 2) terug); met deze mening is het slechts gedeeltelijk eens J.G.M. Moormann: De Geheimtalen. Een studie over de geheimtalen in Nederland, Vlaamsch-België, Breyell en Mettingen (Zutphen, 1932), pag. 4, vlg., die tot de ‘metaphoor’ ook de metonymia rekent en metaphoren van de tweede graad onderkent (over zijn synthese van metaphoor en metonymia spreken wij Deel III, Hoofdstuk II, § 3); veel meer dan in de laatst genoemde studies wordt de metaphoor als uitdrukking beschouwd door K. Westendörpf: Der soziologische Charakter der englischen Bildersprache (Leipzig, 1939), dat echter historisch is, d.w.z. veranderingen in de beeldspraak interpreteert in verband met veranderingen in de sociale verhoudingen; vgl. ook F.H. Fischer: Gorters ‘Mei’ is vijftig jaar (Het Algemeen Handelsblad van Dinsdag 26 December 1939, Ochtendblad), waarvan een periode is getiteld ‘Psychologie van de beeldspraak’.


[p. 188]

§ 2 - Wundt. De psychologische metaphoor

Al wijdt Wundt dan niet een monographie aan de metaphoor zoals Brinkmann, Biese, Stählin, Werner en Pongs, zijn visie op het verschijnsel is, niet alleen op zichzelf maar ook door haar invloed op latere visies, van te fundamenteel belang, dan dat wij deze niet in een aparte paragraaf zouden behandelen. Het quantitatieve kan hier trouwens ook moeilijk de doorslag geven 1)  . Het moge dan waar zijn, dat Wundt's denken niet zelden ‘verschwommen’ is 2)   - dit zal ook in onze analyse herhaaldelijk blijken -, hij is de eerste, die ons verschijnsel psychologisch interpreteert; juist hierdoor heeft hij richtinggevend gewerkt. Ongetwijfeld geeft ook b.v. Bruchmann naar aanleiding van de metaphoor psychologische opmerkingen 3)  ,

 1)  Overigens doet Wundt ook quantitatief niet veel voor Stählin onder.
 2)  Zie de mening van Oesterreich (geciteerd bij Reichling (Het Woord, pag. 86)).
 3)  K. Bruchmann: Psychologische Studien zur Sprachgeschichte (Leipzig, 1888), pag. 177, vlgg., die het metaphoriseren terug brengt tot het principe ‘des kleinsten Kraftmasses’. Hierbij baseert hij zich op R. Avenarius: Philosophie als Denken der Welt gemäss dem Princip des kleinsten Kraftmasses (Leipzig, 1876). Critiek op deze opvatting bij Mauthner (Beiträge, II, pag. 463, vlg.).


[p. 189]

maar zijn interpretatie is logisch en niet psychologisch, zodat zijn opvatting niet wezenlijk van de tot nu toe besprokene opvattingen afwijkt. Wundt echter brengt iets principieel nieuws.

De sprong van Brinkmann op Wundt is betrekkelijk groot. De psychologie heeft in de decennia die hen scheiden, een snelle ontwikkeling doorgemaakt, en ook de semasiologie is intensiever beoefend. Het is ondoenlijk alle werken te behandelen, die de genoemde ‘sprong’ meer tot een continue evolutie zouden maken, die dus Wundt's visie hebben voorbereid, èn bovendien nog die opvattingen volledig te analyseren, welke met de zijne in contrast staan. Wij zijn verantwoord, wanneer wij in zijn visie een ‘volle’ begripsphase zien, het beste voorbeeld van een behandeling, die de verschijnselen psychologisch interpreteert, en wanneer wij dus de andere werken slechts terloops noemen. Trouwens, zoals reeds gezegd is, in zeker opzicht hebben wij hier inderdaad met een ‘mutatie-sprong’ te maken (om in het beeld te blijven),

In verschillende samenhangen schrijft hij over het verschijnsel, en de twee termen ‘Lautmetapher’ en ‘Metapher’ typeren deze samenhangen reeds. Beginnen wij (in tegenstelling met Wundt zelf) met de laatste, omdat het compositum het simplex vooronderstelt 4)  .

Door Wundt wordt de metaphoor in het grote verband der betekenis-veranderingen opgenomen 5)  . Deze vallen in twee primaire groepen uiteen: de correlatieve en de zelfstandige betekenis-verandering. De eerste openbaart de nooit geheel door andere factoren uit te roeien relatie tussen klank en betekenis en sluit dus aan bij de klank-metaphoor 6)  . Tot de tweede groep behoren alle betekenis-veranderingen, ‘die unabhängig von etwaigen Lautänderungen vermöge einer in den ursprünglichen Eigenschaften der Begriffe begründeten Entwicklung erfolgen’ 7)  . Zo'n verandering is (de

 4)  W. Wundt: Völkerpsychologie. Eine Untersuchung der Entwicklungsgesetze von Sprache, Mythus und Sitte. Zweiter Band, Die Sprache4. Zweiter Theil (Leipzig, 1922), Achtes Kapittel: Der Bedeutungswandel.
 5)  Interessant voor het kennistheoretisch aspect van de metaphoor is reeds dadelijk zijn aanval op de gebruikelijke beeldspraak, waarin de taal als een levend organisme verschijnt met een physiek en een psychisch moment (klank - betekenis). Vgl. beneden.
 6)  Met deze opvatting kunnen wij het, gezien Wundt's eigen grond-begrippen, niet eens zijn. Vgl. beneden.
 7)  Pag. 466. - Die ontwikkeling, die voor hem toch ‘slechts’ een organistische metaphoor moest zijn, wordt ons zelfs in zijn ‘Schemata der beiden Grundformen des regulären Bedeutungswandels’ (Fig. 46, pag. 467) reëel voor ogen gesteld als een stam met takken en zijtakken.


[p. 190]

relatie tussen de latere betekenissen en de grond-betekenis als criterium genomen 8)  ) òf partieel òf totaal. Opvallend is, dat deze indeling blijkens de tekst (pag. 467) op alle veranderingen slaat, doch blijkens het onderschrift bij Fig. 46 slechts op de reguliere. Men zou zeggen: ook bij de singuliere kunnen wij de secundaire betekenis(sen) met de primaire vergelijken.

De indeling in reguliere en singuliere betekenis-verandering is voor Wundt's begrip ‘metaphoor’ van zeer grote betekenis. Hun contrasterende eigenschappen zijn:

1. De nieuwe betekenis is uit de oude ontsproten - zij is er uiterlijk opgeplant; (hiermee hangen dan samen):

2. Er is een betekenis-wisseling - er is een betekenis-overdracht: de oude betekenis blijft naast de nieuwe voortbestaan, terwijl zij bij de eerste soort vaak verdwijnt, d.w.z. in de nieuwe overgaat; (en)

3. Het proces is langdurig, continu - het proces is plotseling;

4. Ontstaat ‘mehrmalig’ bij vele individuen (‘generell’) en wel onbewust, onwillekeurig (als ‘Triebhandlung’) - ontstaat ‘einmalig’ bij één individu of bij enkele individuen en wel bewust, willekeurig. - Aan de laatste eigenschap ontlenen de beide soorten hun naam.

Deze descriptie van de eigenschappen der reguliere en singuliere betekenis-veranderingen zou een dankbaar object wezen voor de taal-critiek; zij is het zeker ook voor een immanente critiek, om over een transcendente maar te zwijgen. Eerst maakt Wundt gebruik van een N.B. door hem zelf gewraakte beeldspraak. De betekenis wordt vergeleken met een plant, met een levend organisme, dat zich ontwikkelt en waaraan iets afsterft, omdat er iets nieuws ontstaat. Het is zeer de vraag, of deze beeldspraak werkelijk meer ‘homologie’ bevat (om met Victoria Welby te spreken 9)  ) dan die volgens welke een woord een psycho-physische eenheid ‘is’. Wat wil de beeldspraak onder 1. ‘eigenlijk’ (d.i. dus volgens Wundt zelf: in de realiteit der menselijke psyche) zeggen? Niets anders, dan dat de reguliere betekenis-veranderingen ‘als vanzelf’ (onbewust, onwillekeurig) door de mensen worden gemaakt. Daarnaast staat dan het bewuste, willekeurige ingrijpen bij de singuliere. Maar deze eigenschappen vinden wij verderop nog eens genoemd. Hoogst merkwaardig is het ook te lezen, dat de eigenschap betekenis-overdracht te zijn ‘samenhangt’ met de eigenschap betekenis-overplanting te zijn. Zijn dit niet voor precies hetzelfde twee verschillende beelden, die zich verhouden als.... een taal- en een auteur-metaphoor? Wat is trouwens een overdracht of overplanting van een betekenis op een

 8)  Het criterium is uiterlijk, de indeling logisch en niet psychologisch. Vgl. beneden.
 9)  Zie Hoofdstuk III. § 7; vgl. ook Algemene Inleiding, § 1, noot 4). Een analyse van het begrip ‘metaphoor’ is telkens weer een analyse van ‘metaphoren’.


[p. 191]

betekenis? 10)   En wanneer het kenmerkende van een overdracht is: het blijven voortbestaan van de oude betekenis naast de nieuwe, waarom wordt dan de indeling in partiële en totale veranderingen soms juist speciaal voor de reguliere opgegeven (zie boven)? De verhouding tussen beide indelingen blijft onduidelijk.

En zo zijn er nog meer incorrelaties. Want als wij de toelichting op de contrast-definities lezen, bemerken wij, dat er nog een ander criterium in het spel is, nl. de relatie tussen oude en nieuwe betekenis. Berust deze relatie op voor het begrip zelf toevallige omstandigheden, dan hebben wij altijd te doen met een singuliere verandering, zelfs al is zij niet ‘individueel’ ontstaan! Dit levert een contradictio in adjectis. Bovendien is dit criterium weer volkomen ‘logisch’. (Dit laatste geeft Wundt ook toe: hij noemt al die criteria t.o.v. van de psychologische, die hij nog behandelen zal, ‘uiterlijk’). Bezien wij het nog nader. Als voorbeeld wordt gegeven de betekenis-ontwikkeling van ‘moneta’. ‘Moneta’ (de inspirerende = Μνημοσυνη, de moeder der Muzen) was de bijnaam van Juno; in haar tempel nu was een muntplaats, vandaar dat ‘moneta’ appellativum voor de muntplaats werd en eindelijk ‘munt’ ging betekenen. Ieder zal het ermee eens zijn, dat er hier voor het begrip toevallige omstandigheden hebben gewerkt. Maar wat wil het nu zeggen, dat een betekenis-verandering berust op voor het begrip toevallige omstandigheden? Dat wil niets anders zeggen, dan dat oorspronkelijke en latere betekenis niets meer met elkaar gemeen hebben, dat de verandering berust noch op een wezenlijke noch op een toevallige ‘eigenschap’ van het begrip. Hoe kan deze dan uit een ‘in der ursprünglichen Eigenschaften der Begriffe begründeten Entwicklung’ resulteren, hoe kan deze dan een zelfstandige betekenis-verandering zijn? 11)   Afgezien daarvan: Wundt zal nog moeten aantonen, dat wat voor ‘moneta’ geldt, óók geldt voor wat hij ‘metaphoor’ noemt (volgens hem immers ook een singuliere betekenis-verandering), dat ook bij die metaphoor niet de minste betrekking bestaat tussen oorspronkelijke en latere betekenis.

De verhouding ‘singulier - regulier’ formuleert hij eindelijk nog op een andere wijze, en hij zegt, dat deze formulering ons het meeste houvast geeft voor de beslissing in concrete gevallen. Zij luidt: ‘Der singuläre Bedeutungswandel ist in erster Linie die Geschichte eines Wortes, nur in nebensächlicher Weise berührt er sich mit der Geschichte des Begriffs, den das Wort bezeichnet. Der reguläre Bedeutungswandel ist die Geschichte

 10)  Op de leegte achter deze beeldspraak (het kan geen beeld van een zaak zijn) hebben wij reeds meermalen gewezen. Op andere plaatsen (b.v. pag. 470) spreekt Wundt weer van een naamsoverdracht, maar hij bedoelt daarmee zeker niet de overdracht van een naam op een naam.
 11)  Zie zijn definitie van ‘zelfstandige betekenis-verandering’.


[p. 192]

eines Begriffs: er ist Wortgeschichte in sofern, als der Begriff durch ein Wort ausgedrückt werden muss’ 12)  .

Het is de vraag, of wij bij de meeste van de genoemde criteria wel te doen hebben met inderdaad verschillende criteria en niet met verschillende formuleringen van een en hetzelfde. Voorts staat hier een troebele woordterminologie het begrijpen in de weg. Een betekenis-verandering is in het ene geval een begrips-, in het andere geval een woord-verandering 13)  . Het vermag ons niet duidelijk te worden, en wij geven het volgende dan ook slechts als een exegetische proeve, een poging om deze uitspraak een redelijke zin te verschaffen. ‘Begripsverandering (-ontwikkeling)’ impliceert, dat het begrip óók ‘hetzelfde’ blijft, en als dit hetzelfde blijft, is het niet vreemd, dat ook hetzelfde woord (om in Wundt's terminologie te blijven) dat begrip gedurende zijn gehele evolutie blijft betekenen. Daarom valt het woord niet op, het heeft geen verdere verklaring nodig. Anders is dit echter, wanneer een woord een totaal ander begrip gaat betekenen. Dan valt de nadruk op het feit, dat dezelfde naam twee zo verschillende betekenissen heeft. ‘Poot’ (van een dier) en ‘poot’ (van een tafel) zijn hetzelfde begrip (nl. ‘poot’) en worden daarom met hetzelfde woord benoemd; ‘moneta’ (inspiratrice) en ‘moneta’ (muntplaats) zijn alleen maar hetzelfde woord. - Hier openbaart zich weer het probleem ‘hetzelfde - niet-hetzelfde’, d.i. ‘anders en toch hetzelfde - alleen maar anders’, en het Weisgerberiaanse woord-probleem 14)  . - Wij kunnen niet inzien, dat wij voor de beslissing in concrete gevallen aan het laatste criterium meer hebben dan aan de andere. Op zijn best formuleert hij hier nog eens op een andere wijze, wat hij reeds meermalen heeft gezegd: de reguliere betekenis-verandering is klein, de singuliere groot (wezenlijk). -

Na enige motieven voor de wetmatigheid der betekenis-verandering te hebben aangevoerd, bespreekt en critiseert hij de gebruikelijke wijzen, waarop het semasiologisch materiaal wordt beschouwd. De historische interpretatie is slechts mogelijk voor een klein gedeelte der gevallen en leert ons alleen iets over de uiterlijke, niets over de innerlijke factoren van de betekenis-veranderingen. De logische classificatie treft wel het gehele materiaal, maar zegt over de voorwaarden (ook de uiterlijke) niets, komt slechts tot een kunstmatige ordening. Een ethische critiek ziet ten onrechte de waarde-veranderingen als essentieel; zij zijn terug te brengen tot algemene of cultuur-historische veranderingen 15)  . De teleologische beschouwingswijze

 12)  Pag. 472.
 13)  Wat is ‘geschiedenis’ hier anders dan ‘verandering’?
 14)  Vgl. Deel I, Hoofdstuk I, § 4.
 15)  Hij keert zich hier tegen de bekende ‘pessimistischer Zug in der Entwicklung der Wortbedeutungen’ van Bechstein, en tegen de optimistische verklaring hiervan door Bréal en de pessimistische door Trench.


[p. 193]

eindelijk lijdt schipbreuk op talloze gevallen: ‘Deutlichkeits-’ en ‘Bequemlichkeitstrieb’ zijn logicistische begrippen 16)  . De psychologische interpretatie is de enig juiste.

Deze legt geen logische, ethische of teleologische maatstaf aan, maar analyseert elk concreet geval zorgvuldig. Wij verwachten nu in de eerste plaats een psychologische fundering van de reguliere en singuliere betekenis-verandering, wij verwachten voor beide een psychologisch criterium, d.w.z. (volgens Wundt zelf) geen uiterlijk, doch een wezenlijk. Wij zijn daarom zeer verbaasd bij zijn psychologische beschouwingen weer precies dezelfde criteria en formuleringen aan te treffen, die hij eerst ‘uiterlijk’ heeft genoemd 17)  . Bij nader inzien is dit echter niet zo verwonderlijk, daar immers, terwijl men toch in het algemeen wetenschappelijke begrippen benoemt naar als wezenlijk begrepen eigenschappen, de termen ‘regulier’ en ‘singulier’ met een psychologische onderscheiding niets hebben uit te staan; het is om zo te zeggen een quantitatieve 18)  . Een onderzoek en een descriptie van wat bij die betekenis-veranderingen in de psyche van vele individuen, resp. van enkele individuen voorvalt, maakt van die onderscheiding nog geen psychologische. En mocht met genoemd ‘quantitatief’ verschil een psychologisch verschil altijd samengaan, dan was het beter geweest aan dat psychologisch criterium de naam van beide soorten te ontlenen.

Psychologischer nu dan ‘individueel - algemeen’ klinken de termen ‘willekeurig - onwillekeurig’, d.i. ‘bewust - onbewust’. Ook de metaphoor is dus een bewust gewilde betekenis-verandering. Zij komt tot stand door ‘successieve’ associaties 19)  , die weer voortkomen uit individueel beperkte voorwaarden der apperceptie; de overgang tussen de ‘geassocieerde voorstellingen’ lijkt een ‘sprunghafte’. Dit heeft de metaphoor gemeen met de andere soorten van singuliere betekenis-verandering, nl. de naamgeving naar singuliere associaties en de singuliere naamsoverdracht. Deze laatste twee sluiten aan bij de assimilatieve betekenis-veranderingen (assimilatie heeft plaats tussen momenten, behorende tot hetzelfde ‘Sinnesgebiet’) en

 16)  Tegen G. von der Gabelentz en Caroline Michaelis; zie ook noot 3).
 17)  Algemene beschouwingen over de reguliere betekenis-verandering op pag. 528-530, over de singuliere op pag. 586-587.
 18)  Dan is b.v. de op de intentie gebaseerde indeling der metaphora, die wij in de oude rhetorica's hebben aangetroffen (necessitatis, pudoris gratia) toch veel psychologischer.
 19)  Hiermee contrasteren dan de simultane associaties bij de reguliere betekenis-verandering.


[p. 194]

de metaphoor sluit aan bij de complicatieve (verschillende ‘Sinnesgebiete’ 20)  ). Wundt geeft reeds op deze plaats een onderverdeling in taal-metaphoren en rhetorische (dichterlijke) metaphoren; beide zijn op dezelfde wijze ontstaan, maar de eerste zijn tot de gewone (omgangs)taal gaan behoren, omdat zij nog zeer dicht staan bij de ‘natuurlijke’ complicaties.

Het zou ons te ver voeren de beide aan de metaphoor gecoördineerde soorten van singuliere betekenis-verandering in hun contrast te analyseren; wij zouden dan zien, dat het contrast ‘naam-geving - naamsoverdracht’ allesbehalve duidelijk is. Wij willen er alleen op wijzen, dat de derde rubriek van de eerste soort gevallen omvat, waarvoor wij hierboven de term ‘inopia-metaphoor’ aantroffen. Voorts, dat hij bij de tweede soort philosophische termen behandelt als ‘nihilisme, materialisme, realisme’, welke hem echter niet voeren tot taal-critische beschouwingen, doch hem slechts dienen als demonstratie-materiaal voor het kenmerkende van deze soort van naam-geving: de persoonlijke willekeur. -

Komen wij dan nu speciaal tot de metaphoor 21)  . Wundt behandelt haar natuurlijk op de haar toekomende plaats in zijn semasiologisch systeem, maar ook op enige andere plaatsen, nl. bij de complicatieve en de assimilatieve betekenis-verandering, waar zij dienst doet als contrast-begrip 22)  . Over dit contrast spraken wij reeds: het is het contrast tussen alle singuliere veranderingen enerzijds en alle reguliere anderzijds. Dus moet ‘mindestens im Moment der Entstehung das Bewusstsein des Aktes der Übertragung vorhanden, diese selbst .... also eine willkürliche, zum Zweck der stärkeren sinnlichen Gefühlsbetonung eines Begriffs geschaffen sein’ 23)  . Blijft dit bewustzijn van een willekeurige overdracht bestaan, dan is de metaphoor ‘lebendig’, gaat deze overdracht in een vaste associatie over, dan is zij ‘verblasst’; alle metaphoren verbleken langzamerhand, als zij veelvuldig worden gebruikt 24)  . Dus de ontstaanswijze beslist erover, of

 20)  Pag. 587. - Critiek op deze onderscheidingen bij B. Delbrück: Grundfragen der Sprachwissenschaft, mit Rücksicht auf W. Wundts Sprachpsychologie erörtert (Strassburg, 1901), pag. 174; hij noemt ze irrelevant voor het typische van elk concreet geval.
 21)  De Vooys geeft in zijn reeds (Algemene Inleiding, § 2, noot 9)) genoemd artikel een nauwkeurige refererende descriptie van Wundt's begrip. Vgl. ook ons artikel: Psychologische interpretatie van taal-verschijnselen (Een immanente critiek) (De Nieuwe Taalgids, XXXI (1937), pag. 259, vlgg.).
 22)  Resp. pag. 596, vlg., en pag. 534, vlg., pag. 569, vlg.
 23)  Pag. 570.
 24)  Tegen deze opvatting zullen Erdmann en Stählin protest aantekenen door erop te wijzen, dat er woorden zijn, die vaker in overdrachtelijke dan in eigenlijke zin worden gebruikt en toch steeds als metaphoor gevoeld worden.


[p. 195]

wij al dan niet met een ‘wirkliche’ metaphoor te maken hebben. Dit begrip ‘wirkliche’ metaphoor is geheel gelijk aan het begrip ‘echte’ metaphoor van Werner 25)  , waar deze dan een pseudo-metaphoor tegenover stelt. Dit laatste doet Wundt niet. Wel kent hij nog de term ‘gewöhnliche’ metaphoor, en wij mogen wel aannemen, dat hij hiermee niets anders dan de ‘wirkliche’ bedoelt. Hij zegt nl.: ‘Dagegen ist es klar, dass alle jene Wörter (d.i. de zogenaamde complicaties) in dem Augenblicke zu gewöhnlichen Metaphern werden, wo wir nachträglich vom Standpunkt des reflektierenden Beobachters aus die späteren und die früheren Bedeutungen eines Wortes vergleichen’ 26)  .

Men zou zo zeggen: dat hangt van de mening van dien Beobachter af; meent hij, zoals Wundt, dat de metaphoor staat of valt met haar ‘bewuste’ ontstaanswijze, dan kan geen enkele reflectie er een metaphoor van maken. Maar dit is op dit punt van onze analyse van minder belang. Fundamenteel is, dat hier voor het eerst in verband met de metaphoor de eis klinkt, taal-beschouwing en taal-gebruik streng van elkaar gescheiden te houden. En het is wel zeker, dat hiermee in het begrip ‘metaphoor’ een der principieelste veranderingen optreedt, die wij tot nu toe hebben geregistreerd. De wrong tussen logische en psychologische metaphoor (dit laatste als begrip, niet als verschijnsel) heeft zich reeds eerder geopenbaard (zie onze analyse van Vico en Jean Paul), maar die gehele kwestie bleef toen ‘onbewust’, d.w.z. men was er zich niet van bewust, dat er twee interpretatie-wijzen mogelijk zijn en dat men zelf nu eens psychologisch, dan weer logisch interpreteerde. Maar Wundt ziet scherp het verschil tussen beide en aanvaardt slechts de psychologische. Of hijzelf echter ook niet nu en dan onbewust logisch interpreteert, is een vraag, welke ons nu zal bezighouden.

Het is duidelijk, dat hij in vele door zijn voorgangers als metaphoren opgegeven gevallen geen metaphoren meer kan zien; hij rekent deze tot de complicaties, c.q. tot de assimilaties. Zo b.v. ‘de poot van een tafel’, welke uitdrukking geheel gelijk schijnt aan ορους κορυφη, door de Griekse rhetores als metaphoor opgegeven.

Hij zegt, dat wij een dergelijk woord niet als overdracht gevoelen, doch als een adaequate uitdrukking, ‘und es liegt kein Grund vor anzunehmen, dass dies anders gewesen sei, als jene Benennungen zuerst entstanden. Auch hier wurden die Füsse eines Tisches als wirkliche Füsse betrachtet, die den schon vorher so benannten Teilen der menschlichen und tierischen Gestalt entsprächen’ 26)  ). En op een andere plaats zegt hij: ‘Der einzige

 25)  Zie § 4. Werner's visie is in zekere zin meer als opvolger van die van Wundt te beschouwen dan die van Stählin, omdat de laatste van den hoorder, de beide eersten (althans in principe) van den spreker uitgaan.
 26)  Pag. 598.
 26)  Pag. 598.