[p. 525]

Hoofdstuk II
Het begrip ‘metaphoor’ in de linguistiek

§ 1 - ‘Psychologische’ en ‘logische’ metaphoor

Het begrip ‘metaphoor’ in de taalkunde lijkt natuurlijk in vele opzichten op dat in de rhetorica. Veel van wat wij in het vorige Hoofdstuk zeiden, zouden wij dan ook hier kunnen herhalen. Wij willen echter slechts die momenten behandelen, waarin het eerstgenoemde begrip van het tweede afwijkt.

Kenmerkend voor het begrip in de linguistiek is in de eerste plaats, dat het vaak psychologisch gedefinieerd wordt. Over deze ‘im psychologischen Sinne gefasste’ metaphoor hebben wij in Deel II naar aanleiding van Wundt, Stählin en Werner uitvoerig gesproken. De analyse van dit psychologisch moment bleef daar noodzakelijk teveel aan een concreet geval gebonden, was niet duidelijk genoeg gescheiden van de analyse van andere momenten, was te weinig principieel. Willen wij die psychologische metaphoor (en haar contrast: de logische) systematisch behandelen, dan moeten wij haar zien in een wijder verband als voorbeeld van een psychologische interpretatie van taal-verschijnselen 1)  .

Deze vindt voornamelijk haar contrast in een logische interpretatie 2)  . Als beschouwingswijze was de tweede er vóór de eerste, als term was de eerste er vóór de tweede. Eerst met het ontstaan van de psychologische interpretatie kreeg de gebruikelijke de contrast-bepaling ‘logisch’ (ook wel pejoratief: ‘logicistisch’) 3)  .

Het woord ‘logisch’ heeft twee betekenissen: het kan het tegengestelde zijn van ‘psychologisch’, maar ook van ‘onlogisch’. Daarom is het geen contradictio in terminis, wanneer wij de eis stellen: Een psychologische beschouwing moet - als elke wetenschappelijke beschouwing - logisch

 1)  Vgl. ook ons artikel: Psychologische interpretatie van taal-verschijnselen. Een immanente critiek (De Nieuwe Taalgids, XXXI, pag. 259, vlgg.).
 2)  Er zijn (zoals wij zagen) ook nog wel andere contrast-begrippen, b.v. ‘historische interpretatie’; maar hierover straks.
 3)  Het is met deze term dus net als met de naam ‘De oude Gids’, welke naam eerst kon ontstaan, nadat de Nieuwe Gids was gesticht (vgl. ook ‘natuur-boter’).


[p. 526]

zijn, dat wil in de eerste plaats zeggen: de eenmaal als principieel gestelde methode moet consequent worden gevolgd. - Hoe moeilijk het voor psychologen 4)   schijnt te wezen om aan deze eis te voldoen, hebben wij in het vorige Deel meermalen gedemonstreerd. En hier zullen wij nu, systematischer dan tot nu toe kon geschieden, moeten nagaan, of de gevonden illogiciteiten individuele en incidentele aberraties zijn, òf dat wij ze moeten beschouwen als aan de gevolgde methode noodzakelijk inhaerent. Daarvoor moeten wij zelf de psychologische methode tot in haar laatste consequenties doordenken. Misschien bereiken wij zo een punt, vanwaaruit de empirisch aangetroffen illogiciteiten niet meer ‘toevallig’ schijnen. Dan zou de door ons toegepaste immanente critiek eerst volledig zijn, daar zij dan de incorrelaties enz. niet slechts signaleert, doch ook verklaart.

Vooreerst moeten wij vaststellen, wat met ‘psychologische interpretatie’ bedoeld wordt. Wanneer iemand de bewustzijnsprocessen beschrijft in een taal-gebruiker of taal-schepper (voorzover deze processen althans tot de taal-daad behoren), interpreteert hij nog niet psychologisch taal-verschijnselen. Wij kunnen ook niet zeggen, dat de phoneticus, die de bewegingen der spraak-organen gedurende dezelfde taal-daad beschrijft, nu phonetisch interpreteert. Beiden beschrijven zij de taal-daad in één van haar aspecten, of (zo men wil) zij beschrijven twee verschillende phaenomena. Interpretatie omvat méér dan descriptie. Bij een psychologische interpretatie gaat een psychologische descriptie van verschijnselen (beter: een descriptie van bepaalde psychische verschijnselen) gepaard met een psychologische definitie van begrippen (dus niet: met een definitie van bepaalde psychologische begrippen).

Wundt's definitie van de metaphoor luidt: ‘Wil een betekenis-verandering een metaphoor zijn, dan moet, tenminste op het moment van het ontstaan, het bewustzijn van een overdracht aanwezig zijn’ 5)  . In haar algemene vorm luidt dus een psychologische definitie: ‘Een taal-verschijnsel kan slechts A genoemd worden (is slechts A), als hij, in wiens psyche zich dat verschijnsel manifesteert, zich van dat A-karakter bewust is’. En zowel in de speciale als in de algemene vorm openbaart zich een illogiciteit, want de definitie is telkens eerst mogelijk, als wij logisch hebben vastgesteld, dat er een betekenis-verandering, een taal-verschijnsel is. Zijn wij met de psychologische methode consequent, dan geldt de gegeven definitie niet slechts voor ‘metaphoor’, doch ook voor ‘betekenis-verandering’, en in laatste instantie ook voor ‘taal-verschijnsel’ zelf. Er zijn dus alleen maar

 4)  ‘Psycholoog’ wil hier zeggen: ‘iemand, die taal-verschijnselen psychologisch interpreteert’.
 5)  Straks zullen wij nog zien, hoe hier een historische beschouwingswijze de psychologische doorbreekt.


[p. 527]

‘bewuste’ taal-verschijnselen. Een onbewust taal-verschijnsel kan nooit het ‘geïntendeerde object’ zijn van een psychologisch gedefinieerd begrip. Daarom besluit Wundt in een bepaald geval even logisch (logicistisch) tot een taal-verschijnsel, een betekenis-verandering, een assimilatie of een complicatie, als men vóór hem in een bepaald geval besloot tot een metaphoor.

Als Wundt zijn psychologische metaphoor aan de logische contrasteert, drukt hij daarmee uit, dat er in de taalkunde twee begrippen ‘metaphoor’ zijn, maar dat er in de taal (de taal-werkelijkheid) slechts één verschijnsel ‘metaphoor’ is 6)  . De contrast-bepaling heeft alleen maar zin t.o.v. de reeds bestaande en foutieve mening, t.o.v. de realiteit levert zij een pleonasme. M.m. kan men hetzelfde zeggen over ‘psychologische (bewuste) betekenis-verandering’ en ‘psychologisch (bewust) taal-verschijnsel’; ook hier kan de bepaling vervallen, daar er geen onbewuste zijn, .... althans niet voor een consequente psychologische beschouwingswijze.

Onze redenering schijnt misschien niet zeer aannemelijk, omdat dat ‘onbewust’ er toch zo goed psychologisch uitziet. Maar substitueert men in de boven gegeven definitie voor A b.v. ‘onbewuste betekenis-verandering’, dan krijgt men de aperte onzin, dat iemand zich van een onbewuste betekenis-verandering bewust moet zijn.

Maar als men wèl consequent is en altijd ‘bewust taal-verschijnsel’ met ‘taal-verschijnsel’ identificeert, zijn er dan nog wel meer taal-verschijnselen dan de metaphoor en kunnen ook nog andere begrippen uit de ‘logische’ taalkunde de contrast-bepaling ‘psychologisch’ krijgen? - Beide vragen zijn niet hetzelfde. Gesteld, dat het probleem ‘bewust of onbewust?’ altijd is op te lossen, en dat zou blijken dat hetgeen de rhetorica als ‘vergelijking’ opgeeft altijd een bewust taal-verschijnsel is, dan heeft het geen zin van een ‘psychologische’ vergelijking te spreken. Eerst als onder het logische begrip méér gevallen gesubsumeerd worden dan onder het psychologische, kunnen wij de contrast-bepaling verwachten (zie ‘metaphoor’) 7)  .

Overal waar de taal-beschouwer logisch een verandering vaststelt, overal waar hij naast een kurion een xenikon ziet staan (b.v. bij de tropen, de rhetorische figuren, misschien zelfs bij de grammatische figuren), kan hij naar echte (d.i. hier dus: bewuste) taal-verschijnselen zoeken en eventueel reeds bestaande termen ‘im psychologischen Sinne fassen’. Overal dus,

 6)  Aan de logische metaphoor beantwoordt dus geen realiteit. Vandaar dat zij ook wel ‘pseudo-metaphoor’ genoemd wordt. Hiertegenover staat dan de psychologische als de ‘echte’, de ‘eigenlijke’. Naast de contrasterende termen ‘logisch - psychologisch’ en ‘pseudo - echt’ staat ook nog ‘objectief - subjectief’. Zie hiervoor Deel II, Hoofdstuk II, § 4.
 7)  Een aantal gevallen hebben zij natuurlijk gemeen; dit verklaart o.a., waarom de psychologische taal-wetenschap toch de termen van de logische behoudt.


[p. 528]

waar hij een afwijking constateert van de oorspronkelijke, eigenlijke, gebruikelijke wijze van zeggen.

Het blijft voorlopig onbegrijpelijk, waarom alleen de metaphoor op de bedoelde wijze geïnterpreteerd wordt. Reeds een vluchtige beschouwing leert, dat zij in dit opzicht haar uitzonderingspositie niet verdient 8)  . Hoe is het b.v. met de contaminatie? Kan de spreker, terwijl hij contamineert, zich van die contaminatie bewust zijn? - Ongetwijfeld, nl. als hij die contaminatie gewild heeft (vgl. Werner's ‘metaphoor’). Hij kan deze willen om een zot of geestig effect te bereiken, en zijn ‘bewustheid’ zal zich uiten in een lach op zijn gelaat of een lach in zijn stem. Zo is het ook met de volksetymologie; wij kunnen ons best voorstellen, dat de door De Vooys uit de ernstige mond van een kind opgetekende woord-verklaring: ‘Op de barometer kun je zien hoe bar het is’, na enige storm- en regen-dagen door een volwassene voor de grap wordt gegeven 9)  . Het door elkaar gebruiken van suppositio formalis en materialis kan eveneens bewust gebeuren, zoals de bekende zin: ‘Je bent een engel met een B ervoor’ bewijst 10)  ; het bewustzijn van suppositie-verschil openbaart zich vaak visueel (b.v. in aanhalingstekens: het begrip ‘metaphoor’) 11)  . Met het ‘onbewuste’ correlaat hiervan heeft iedere taal-leraar wel eens te strijden (‘Sport! Wie kent niet dit woord, en doet er niet op de een of andere wijze aan’). Hierbij sluiten zich alle andere gevallen aan, die onbewust stijl-fouten zijn, maar bewust stijl-effecten, de stijl-effecten van humoristische schrijvers (zie b.v. Beets in zijn Camera Obscura); men weet, dat het ‘eigenlijk’ fout is en zegt het juist daarom.

Wij wijzen nog op het vervangen van een gebruikelijk woord door een niet gebruikelijk synoniem 12)   en voorts op de tautologie, het pleonasme en de catachrese. Vooral een onverenigbare beeldspraak wordt vaak bewust

 8)  De zaak is nog iets ingewikkelder. Werner b.v. interpreteert ook het euphemisme en de ironie psychologisch; hij beschouwt ze echter als vormen van de metaphoor. Wil men met het oog hierop in de eerste zin van deze alinea ‘metaphoor’ door ‘troop’ vervangen, dan is daar natuurlijk niets tegen; de uitspraak blijft waar. Maar zeker is, dat de termen ‘psychologische metonymia’ en ‘psychologische synedoche’ nergens worden aangetroffen.
 9)  Zie C.G.N. de Vooys: Iets over woordvorming en woordbetekenis in kindertaal (De Nieuwe Taalgids, X, pag. 93, vlg. en 128 vlgg.). De Vooys spreekt hier van ‘zogenaamde’ volksetymologie: ‘eigenlijk’ is het geen etymologie, omdat het niet bewust is. In het door ons bedoelde geval is het wel bewust en toch .... volksetymologie.
 10)  Vgl. Erdmann, pag. 67.
 11)  Vgl. Deel II, Hoofdstuk I, § 5, noot 25).
 12)  Vgl. Hoofdstuk I, § 3. - Een en ander komt ook aan de orde in ons artikel: Bewuste, onderbewuste en onbewuste ‘fouten’ (Levende Talen, Nr. 101 (1938), pag. 273, vlgg.).


[p. 529]

gelanceerd. Interessant is het verschil in habitus tussen den homme d'esprit, die bewust een fout maakt, en den gelegenheidsredenaar aan een of ander jubileumsdiner, die zich eerst achteraf van zijn war-taal bewust wordt. Al deze begrippen kunnen logisch en psychologisch zijn. En voor den psychologischen interpretator zijn er ongetwijfeld méér taal-verschijnselen dan de metaphoor; en het is niets dan inconsequentie, dat de termen ‘psychologisch(e) pleonasme, tautologie, contaminatie, catachrese’ in zijn beschouwingen ontbreken. En nog eens: eveneens inconsequent is het, ‘bewuste’ en ‘onbewuste’ catachresen enz. te onderscheiden, daar hiermee wordt uitgedrukt, dat er twee (van elkaar verschillende en toch weer in essentie identiek zijnde) verschijnselen bestaan 13)   en dat ook het logische begrip een reëel object intendeert. Stelt men echter de psychologische interpretatie niet essentieel - d.w.z. stelt men de bewustheid van het sprekende individu niet constituerend voor een taal-verschijnsel -, dan is natuurlijk tegen een dergelijke onderscheiding niets in te brengen. Erdmann 14)   geeft de catachrese enz. op als gevallen van ondoordacht taal-gebruik, maar, zoals wij gezegd hebben, zij kunnen zeer doordacht zijn.

Met het pleonasme, de catachrese, de tautologie, bevinden wij ons op de grens van taal-wetenschap en logica. Toch zijn het taalkundige termen, meer speciaal stilistische; wij vinden ze in stijl-boeken 15)  . Zo'n ‘grensbegrip’ is ook het sophisme, dat wij in de taalkunde echter niet aantreffen. Waarom niet? De overeenkomst met de catachrese en met de metaphoor is toch opvallend. De catachrese is een grammatisch-juiste verbinding van logisch-onverenigbare woorden tot een zin, althans tot een nexus of junctio 16)  , - het sophisme is een formeel- (wij zouden kunnen zeggen: een phonetisch-) juiste verbinding van logisch-onverenigbare oordelen tot een syllogisme 17)  . De major en de minor hebben geen middenterm (M), maar in de ene staat een woord, dat dezelfde klank heeft als een woord uit de ander, en daarmee wordt logisch geopereerd, of die woorden niet slechts phonetisch doch ook semantisch identiek waren, of zij dus hetzelfde woord waren. De bedoelde homonymie moet van een bepaalde soort zijn (op de

 13)  Zoals wij zagen, geldt het contrast ‘logisch - psychologisch’ slechts voor begrippen.
 14)  Erdmann, pag. 154, vlg.
 15)  Zie b.v. J.M. Acket: Stijlstudie en Stijloefening, XI, XII, XVI.
 16)  Het is duidelijk, dat wij ‘grammatisch’ hier in engere zin bedoelen dan b.v. Schächter (zie J. Schächter: Prolegomena zu einer kritischen Grammatik), meer in de zin, welke Vossler eraan geeft (zie zijn opmerkingen naar aanleiding van Goethe's ‘Grau, teurer Freund, ist alle Theorie, enz.’ in zijn Sprachphilosophie). Een verbinding als ‘driehoekige cirkel’, die Schächter als grammatisch-zinloos opgeeft, is toch nog altijd als een junctio te begrijpen en te ontleden.
 17)  Zie hierover ook Hoofdstuk III, § 6.


[p. 530]

homonymie van ‘mijn’ (subst.) en ‘mijn’ (pron.) kan natuurlijk geen sophisme gebouwd worden); van welke soort zullen wij hier niet onderzoeken. Zeker is, dat iemand die bewust sophistiek pleegt, zich van de duosemie van de middenterm bewust zal zijn, die dubbele betekenis gewild heeft, - hèt kenmerk van Werner's psychologische metaphoor 18)  . Dat de spreker zelf zich van zijn sophisme bewust kan zijn, behoeven wij wel niet te betogen. Een sophisme wordt niet slechts logisch, maar ook (als ‘leugen’) ethisch beoordeeld 19)  . ‘Sophist’ is een scheldwoord, doch een geheel ander dan ‘idioot’. Iemand die volgens onbewuste sophismen redeneert, is (althans op dat moment) niet bijzonder scherpzinnig, iemand die bewust een drogredenaar is, is wel scherpzinnig, doch op minderwaardige wijze. Of, zo men uitgaat van de theorie: ‘het doel heiligt de middelen’, is het criterium voor die minderwaardigheid niet de bewustheid zelf, maar de reden, waarom men een ander door middel van een sophisme wil overtuigen: redeneert men sophistisch terwille van den ander of terwille van zichzelf?

En nu bemerken wij opeens, dat die psychologische interpretatie toch nog veel verder reikt dan de metaphoor en de taalkunde: tot in de ethica, tot in ons leven. Ook ethische begrippen worden vaak ‘psychologisch’ begrepen (gedefinieerd). Of wij een daad ‘wreed’ of (in het algemeen) ‘slecht’ zullen noemen, en als wreed of slecht zullen veroordelen, hangt af van het bewustzijn van den dader. De daden van primitieven, van vroegere geslachten, trachten wij te beoordelen vanuit hun ethisch bewustzijn 20)  . Ons recht met zijn begrip der ‘toerekenbaarheid’ interpreteert vanuit het bewustzijn van den dader op het moment van de daad volmaakt psychologisch. Jezus is ons hierin voorgegaan, als Hij zegt: ‘Vader! vergeef het hun, want zij weten niet, wat zij doen’ 21)  . - In scherpe tegenstelling met het moderne recht staat het recht, dat dier-processen kent (b.v. het oud-Germaanse). Pongs merkt naar aanleiding hiervan op: ‘Ein natürliches Gemeinschafts-gefühl zu aller Kreatur erscheint hier als Untergrund germanischen Fühlens’ 22)  .

 18)  Nl. dat wilsmoment; het bewustzijn van de dubbele betekenis is ook voor Wundt's begrip relevant.
 19)  Ook dit is een overeenkomst met de metaphoor. Meermalen (het duidelijkst bij Nietzsche) echter wordt ‘leugen’ niet-ethisch begrepen en daarmee weer de metaphoor logisch geinterpreteerd.
 20)  En passant wijzen wij erop, dat dit parallellen kent op aesthetisch en logisch gebied. Wij leggen vaak bij het beoordelen van kunstwerken uit een vroegere periode de aesthetische normen aan, die in die periode golden (elke literatuur-geschiedenis levert hiervan wel voorbeelden). En wij zeggen: ‘Voor een kind is dit volkomen logisch geredeneerd’; wij noemen ‘logica’, wat het niet is, wanneer wij ‘logica’ .... ‘logisch’ opvatten.
 21)  Lukas, XXIII, vs. 34.
 22)  Pongs, pag. 204.


[p. 531]

Maar als dat waar is, moet dat natuurlijke gemeenschapsgevoel zich ook uitstrekken tot de dode dingen, want er zijn ook ding-processen geweest. Pongs' opvatting is de gebruikelijke. Men meent, dat de dieren (c.q. de dingen) als mensen werden behandeld, gepersonifieerd werden personificatie-theorie). Mr. Van Praag heeft echter overtuigend aangetoond, dat omgekeerd de mensen als dieren (dingen) werden behandeld. ‘Het dier werd niet gestraft, omdat men, het personifieerend, het maatstaven aanlegde van menschelijke schuld; juist omdat men ook bij menschen niet naar schuld vroeg, kon men in de alleroudste tijden dieren “straffen”, daar het strafrecht niet anders dan eene reactie op daden beoogde’ 23)  . Psychologische begrippen als ‘met voorbedachte rade’ en ‘toerekenbaar’ kende men niet, men hield met het bewustzijn van den dader in het geheel geen rekening. Het gaat natuurlijk te ver, om te zeggen, dat hier de ‘daad’ logisch geïnterpreteerd en in laatste instantie het begrip ‘rechtsverschijnsel’ logisch gedefinieerd wordt; daarvoor immers is het rationele moment in het oude strafrecht te gering. Maar het contrast tussen logische en psychologische interpretatie van taal-verschijnselen vindt toch ongetwijfeld in het contrast tussen de twee bedoelde rechtsvormen een analogon.

Een ‘psycholoog’ zegt: Een misdaad (d.i. een ethisch of juridisch te veroordelen daad) kan slechts gepleegd worden door een wezen met ethisch bewustzijn. Of nog algemener: Een verandering, die wij in de werkelijkheid waarnemen, kan slechts een daad genoemd worden, als een bewust wezen deze verandering deed ontstaan. - En - wanneer hij althans de metaphoor niet psychologisch interpreteert - kan hij eraan toevoegen: Dingen (en natuurlijk ook abstracta) kunnen ‘eigenlijk’ niets doen; gebruiken wij hier het woord ‘doen’ toch, dan gebruiken wij slechts .... een metaphoor 24)  .

En zo bereiken wij langs een geheel andere weg de metaphoor opnieuw, en krijgt de tegenstelling ‘psychologisch - logisch’, die wij eerst leerden kennen als een controverse op een detail-gebied van een detail-wetenschap, een algemene, diepe, ‘philosophische’ portee 25)  .

Maar hierover meer in het volgende Hoofdstuk. Komen wij nog even terug op de ‘denk-fouten’ 26)  . - Het sophisme kan dus bewust en onbewust zijn, d.w.z. het kan psychologisch en logisch geïnterpreteerd worden. In

 23)  A. van Praag: Het strafproces tegen dieren (Themis, 1932, pag. 000).
 24)  Dat een psychologische interpretatie van andere verschijnselen niet behoeft samen te gaan met een psychologische interpretatie van de metaphoor, bewijst de taal-critiek.
 25)  ‘Spiegel en spiegeling’.
 26)  Of zo men wil ‘grammatische fouten’, en ‘stijl-fouten’, voorzover zij althans onbewust zijn.


[p. 532]

het laatste geval is het ethisch indifferent, in het eerste geval niet. En toch appelleert het bewuste sophisme niet steeds aan ons ethisch gevoel. Het kan ook als humoristisch bedoeld en begrepen worden, en ressorteert dan weer onder de aesthetica, meer speciaal onder de stijl (humoristische stijl, Witz; vgl. de metaphoor). Wij geven een enkel voorbeeld. Een rijks-ambtenaar, tevens gramophoon-liefhebber, leest op dezelfde dag, dat hem een salaris-afslag van 5% is toegekend 27)  , in de krant, dat de platen van 5 tot 4 gulden zijn teruggebracht, en zegt nu: ‘Mijn salaris is met 5% achteruit-gegaan, de platen met 20%; dus kan ik 4 maal zoveel platen kopen als eerst’. Vergelijk ook de bekende redenering, volgens welke een onderwijzer ‘eigenlijk’ in het geheel niet werkt; deze berust op een duosemie van ‘dag’. Het spreekt vanzelf, dat dergelijke redeneringen ook ‘onbewust’ kunnen wezen en dan voor hem die het sophisme psychologisch interpreteert, geen sophismen zijn. Iedere leraar staart wel eens bij het corrigeren van opstellen met verbazing op ‘dus’-sen en ‘want’-en 28)  .

Behalve ‘want, omdat, dus’ leveren ‘en, ook, maar, echter’ vele illogiciteiten (laten wij ze voor het gemak maar zo noemen), en zowel onbewuste als bewuste. Wij bepalen ons tot ‘maar’. Adama van Scheltema zegt 29)  :

 ‘En met den droomende' avond in zijn oogen,
 Maar zonder woorden in zijn stillen mond’, enz.

Het is duidelijk, dat ‘maar’ hier ten onrechte beide zinnen verbindt. Er is geen enkele tegenstelling tussen de zinnen, er is slechts een tegenstelling tussen twee woorden (‘met’ en ‘zonder’), en deze heeft dat ‘maar’ opgeroepen. Er is hier een onbewuste illogiciteit 30)  . Het voegwoord kan echter bewust onlogisch gebruikt worden en natuurlijk weer terwille van een humoristisch effect. In de volgende onweerstaanbaar-comische zin verschijnt het als knooppunt in een heel war-net van niet meer te rubriceren fouten:

 27)  Dit woord is bewust gebruikt!
 28)  Na een diepere analyse blijkt vaak, dat het onlogische gebruik van ‘dus’ (en ook van ‘maar, want, echter, ook’, enz.) niet altijd berust op een gebrekkig redeneren. Als de leerling zijn gedachten over het hem opgedrongen onderwerp heeft neergeschreven, bemerkt hij zelf, dat de zinnen of de alinea's zonder verband op elkaar volgen. Hij voelt dit zelf als een fout en tracht nu door het invoegen van genoemde woordjes voor zichzelf en misschien vooral voor den leraar een logisch verband te suggereren, dat er niet is.-Wij wijzen nog op de merkwaardige woordjes ‘anders’ en ‘even (zo)goed’; b.v. - nadat er een kwartier niets gezegd is, of nadat er over iets totaal anders is gesproken - ‘Het is evenzogoed nog koud’.
 29)  C.S. Adama van Scheltema: De Kudde, vs. 5, vlg. (De keerende Kudde, pag. 7.).
 30)  De verklaring: ‘De dichter gebruikt “maar” om de herhaling van “en” te vermijden’, is onjuist.


[p. 533]

‘The Kaiser issues his manifestoes, but a beggar manifests his toes without his shoes’.

En dit laatste voorbeeld brengt ons weer op de woord-speling, over welker samenhang met de metaphoor wij reeds meermalen spraken. Voor den psycholoog moet dit een echt taal-verschijnsel wezen. Een onbewuste parallel schijnt hier de volksetymologie te zijn (het voorbeeld van bewuste volksetymologie, dat wij hierboven gaven, nadert de woordspeling dicht). Ook de vergelijking zal de psycholoog als echt taal-verschijnsel erkennen, maar daar de onbewuste parallel hier geheel ontbreekt, zal hij aan ‘vergelijking’ niet de contrast-bepaling ‘psychologisch (echt)’ behoeven toe te voegen 31)  .

Maar wij eindigen deze periode, waarin wij menen voldoende bewezen te hebben, dat ten onrechte slechts de metaphoor (of op zijn best: de troop) object is van een psychologische interpretatie. -

 

Wij keren terug tot Wundt's definitie: ‘Wil een betekenis-verandering een metaphoor zijn, dan moet, tenminste op het moment van het ontstaan, het bewustzijn van een overdracht aanwezig zijn’, en wij beschouwen hiervan een ander moment. Wij zeiden reeds (noot 5)), dat hier een historische beschouwingswijze de psychologische doorbreekt. De ontstaanswijze immers beslist voor altijd over het woord. De term ‘dode metaphoor’ is een logische consequentie van zijn definitie. Maar een psychologische beschouwingswijze moest q.q. synchronistisch wezen. Een woord (van een bepaalde taal-gemeenschap in een bepaalde taal-periode) kunnen wij slechts ‘dode metaphoor’ noemen, als wij etymologiseren. In het bewustzijn van de sprekers heeft het het essentiële kenmerk van de metaphoor niet; het is een complicatie 32)  . Wundt houdt hier de ‘Sprache als Entwicklung’ en de ‘Sprache als Schöpfung’ niet goed uit elkaar. Wil men het etymologisch moment uit de definitie wegnemen, dan heeft men slechts voor ‘ontstaan’ ‘gebruik’ te substitueren. En hiermee naderen wij meer het begrip van Stählin, die zegt, dat de dode metaphoren alleen maar philologisch van belang zijn, en dus niet psychologisch. Met ‘philologie’ bedoelt hij dan natuurlijk de logische, niet de psychologische.

De kwestie is echter ingewikkelder. De term ‘dode metaphoor’ bestond reeds lang vóór Wundt, en hieruit volgt, dat men reeds lang vóór Wundt de metaphoor psychologisch interpreteerde, rekening hield met het bewustzijn

 31)  Dit geldt ook voor ‘woordspeling’, waarvan de onbewuste parallel altijd reeds een andere naam heeft gehad, dus als ‘anders’ werd begrepen. Vgl. voor de formulering van deze gehele periode Hoofdstuk III, § 5, noot 16).
 32)  Dat wil natuurlijk niet zeggen, dat het volgens onze mening een complicatie is, maar Wundt had het zo moeten noemen.


[p. 534]

van den spreker. ‘Logisch’ was men slechts in zoverre als men aannam, dat overal waar men als etymoloog een woord als metaphoor herkende, dat woord ook als bewuste metaphoor ontstaan moest zijn. Iemand als Jean Paul definieerde de metaphoor (in een bepaald en hier alleen relevant opzicht) niet anders dan Wundt, maar hij nam sommige verschijnselen anders (misschien verkeerd) waar. Het verschil tussen beiden is misschien niet beter te typeren dan door middel van een analoog geval. Toen de ontdekkingsreizigers de stam, die zij in Amerika aantroffen, ‘Indianen’ noemden, kwam dat niet, doordat zij onder ‘Indiaan’ een bewoner van Amerika verstonden, dus dit begrip anders definieerden dan als ‘bewoner van Indië’. Maar zij meenden (ten onrechte), dat zij in Indië waren.

Wij vonden dus vier meningen tegenover elkaar staan, die wij, uitgaande van enige concrete voorbeelden, alsvolgt zo kort mogelijk kunnen formuleren:

I. Zuiver logisch: ‘Kraan’ en ‘Weten’ (waren en) zijn metaphoren (Mauthner) 33)  .

II. Psychologisch en etymologisch (Jean Paul): ‘Kraan’ en ‘Weten’ zijn dode metaphoren.

III. Psychologisch en etymologisch (Wundt): ‘Kraan’ is een dode metaphoor, ‘Weten’ een complicatie.

IV. Zuiver psychologisch (dus synchronistisch): ‘Kraan’ noch ‘Weten’ zijn metaphoren. Zijn zij dit in een vroeger taal-periode geweest, dan moeten wij ze bij een descriptie van die taal ook ‘metaphoren’ noemen en als zodanig beschrijven; voor wat zij in de tegenwoordige taal zijn, is hun voorgeschiedenis volslagen irrelevant. -

 

Tot welke verschillende opvattingen het al dan niet substitueren van ‘ontstaan’ door ‘gebruik’ aanleiding kan wezen, hebben wij hierboven aan de klank-symboliek gedemonstreerd 34)  . Ook ten opzichte van de klank-symboliek is het on-psychologisch aan de ene kant de ontstaanswijze voor altijd over het karakter van het woord te doen beslissen - een compromisvorm (‘dood c.q. verbleekt klank-symbool’) treffen wij hier zelfs in het geheel niet aan - aan de andere kant alle gevallen van klank-symboliek, die door omgekeerde associaties zijn ontstaan, maar eenvoudig van het taal-onderzoek uit te sluiten. Hiermee berooft men zich van vele gevallen, die volgens een consequente psychologische beschouwingswijze juist (echte) taal-verschijnselen zijn.

 33)  De uitspraak ‘De gehele taal is metaphorisch’ is slechts mogelijk, als de metaphoor niet psychologisch maar logisch geïnterpreteerd wordt; vgl. noot 24).
 34)  Zie Deel II, Hoofdstuk II, § 2.


[p. 535]

De wrong tussen synchronistische en diachronistische taal-beschouwing openbaart zich ook nog bij een andere interpretatie-wijze, die men eveneens wel ‘psychologisch’ zou kunnen noemen, maar die toch zeer afwijkt van die, welke wij naar aanleiding van de metaphoor hebben leren kennen. Zij houdt ook rekening met het bewustzijn van het sprekende individu, althans met zijn inwendige taal-schat, echter niet met die taal-schat, voorzover deze juist op het moment van het spreken geactiveerd wordt. Criterium is: de betekenis, welke de woorden gewoonlijk voor den spreker hebben. Verschijnselen, die zo geïnterpreteerd kunnen worden, hebben wij hierboven reeds naar aanleiding van de andere interpretatie-wijze leren kennen; het zijn b.v. de contaminatie, het pleonasme, de catachrese. De definitie luidt in dit geval: ‘Men kan een woord of een syntactische verbinding van woorden alleen dan “contaminatie” (c.q. “pleonasme”, “catachrese”) noemen, wanneer de spreker zelf vanuit zijn eigen taal-schat zich dit woord of deze verbinding als zodanig bewust kan maken’.

Dit is de definitie van (b.v.) Erdmann 35)  . Wel wordt hier rekening gehouden met het ‘subject’, maar dan toch op een geheel andere wijze dan in het geval Wundt - Werner. Nemen wij als voorbeeld de uitdrukking ‘witte schimmel’. Is dit een pleonasme? Dat hangt af van de betekenis, die ‘schimmel’ gewoonlijk voor den spreker heeft, zal Erdmann zeggen. Is hij niet deskundig op het gebied van paarden en verstaat hij onder ‘schimmel’ niets dan ‘een wit paard’, dan is het een pleonasme. Is hij wel deskundig en verstaat hij eronder ‘een paard, waarbij het witte haar domineert over het gekleurde haar’, dan is het géén pleonasme. In het eerste geval is het adjectief een pleonastisch attribuut, in het tweede geval is het een werkelijke bepaling (d.i. beperking), immers de spreker kent ook ‘blauwschimmels’. Zetten wij de junctio om in een nexus (‘de schimmel is wit’) dan is de zo ontstane zin (en nu drukken wij ons uit in de bekende terminologie van Kant 36)  ) in het eerste geval een analytisch oordeel (tautologie), in het tweede geval een synthetisch oordeel a posteriori 37)  . - Een dergelijke redenering is m.m. ook van toepassing op de contaminatie en de catachrese. Wat de catachrese betreft: Logisch 38)   wordt vastgesteld, of een

 35)  Erdmann, pag. 154, vlgg.
 36)  I. Kant: Kritik der reinen Vernunft, Einleitung, IV; vgl. A. Schopenhauer: Parerga und Paralipomena, II, Kap. II, § 23.
 37)  Wij zien hier geheel af van de stilistische waarde, die het pleonastisch attribuut als ‘epitheton ornans’ hebben kan. Spreekt iemand b.v. in een gedicht van de witte sneeuw, dan is dat geen vergissing, geen pleonasme in bovenbedoelde zin. Maar evenmin is het een psychologisch pleonasme.
 38)  Hier als contrast van ‘psychologisch’.


[p. 536]

bepaalde verbinding van begrippen onlogisch 39)   is, maar de begrippen worden altijd genomen als momenten van een individueel taal-organisme. Een immanente critiek, een logische analyse van wetenschappelijke werken, doet niet anders. Erdmann's redenering ligt ook ten grondslag aan onze uitspraak: Als een psychologische interpretator spreekt van bewuste en onbewuste taal-verschijnselen, is dit een pleonasme, resp. een catachrese; in de mond van een logischen interpretator is dit geen pleonasme resp. geen catachrese.

De bedoelde beschouwingswijze is natuurlijk synchronistisch. Voor haar is ‘ben’ (ags. béom) geen contaminatie als voor de etymologische 40)  , ‘hazewindhond’ geen pleonasme, ‘droge humor’ geen catachrese. Dit is geheel in overeenstemming met de zuiver-psychologische, hoewel al die begrippen toch logisch gedefinieerd worden. Voor de laatste blijft toch steeds het criterium: ‘Was de spreker zich op het moment zelf van die contaminatie enz. bewust, d.i. in laatste instantie: Heeft hij die bewust gewild?’ Gesteld, dat het inderdaad mogelijk is om te beslissen, of een bepaald geval, dat wij logisch een contaminatie enz. noemen, in een vroegere periode bewust ontstaan is, dan kan de psychologische interpretator weer spreken van een ‘dode’ (‘verbleekte’) contaminatie, enz. Blijkt in andere gevallen, dat er geen bewustheid was, dan zal hij andere termen moeten invoeren, welke zich tot ‘contaminatie’ enz. verhouden als ‘complicatie’ tot ‘metaphoor’.

Wij vonden dus ook hier wijzen van interpretatie, die wij hierboven naar aanleiding van de metaphoor signaleerden 41)  , en bovendien nog een vierde, die ‘logisch’ is en toch tegelijkertijd rekening houdt met het individuele taal-organisme (subjectief en natuurlijk synchronistisch is). Slechts schijnbaar vinden wij deze vierde ook t.o.v. de metaphoor in Wundt's uitspraak: ‘Dagegen ist es klar, dass alle jene Wörter (nl. de z.g. complicaties) in dem Augenblick zu gewöhnlichen Metaphern werden, wo wir nachträglich vom Standpunkt des reflektierenden Beobachters aus die späteren und die früheren Bedeutungen eines Wortes vergleichen’ 42)  . Wel wordt hier rekening gehouden met een individueel bewustzijn, echter niet met een taal-organisme. Het is altijd het bewustzijn van den etymologiserenden taal-beschouwer.

 39)  Hier in de gewone betekenis.
 40)  Zie b.v. R.C. Boer: Oergermaans Handboek2, pag. 273: ‘Contaminatie-vormen van es- en bi- zijn de 1e s. ags. béom, ndl. ben.’
 41)  Zoals wij zagen, waren het er maar drie; immers ook Jean Paul moest met zijn term ‘dode metaphoor’ het begrip psychologisch en etymologisch interpreteren.
 42)  Wij zien hier nu af van de Deel II, Hoofdstuk II, § 2 gesignaleerde incorrelatie, die resulteert uit het definiëren van de metaphoor naar de ontstaanswijze. Immers de taal-beschouwer schept hier geen woord.


[p. 537]

En is niet veel meer het begrip ‘metaphoor’ in hem aanwezig dan het object? De taal-criticus wijst op het metaphorische en daardoor bedrieglijke karakter van de gehele taal. Maar dat brengt niet de minste verandering teweeg in zijn taal-organisme, dat maakt daar alle woorden niet tot echte, tot bewuste metaphoren. Was dat wel het geval, hij zou geen mond meer open kunnen doen. Zijn gehele taal-critiek kan slechts bestaan, omdat hij naast taal-beschouwer ook taal-gebruiker is. Weet hij, dat ‘begrijpen’ een metaphoor is en denkt hij opzettelijk aan ‘grijpen’ als hij zegt: ‘Wij kunnen de werkelijkheid niet begrijpen’ 43)  , dan gebeurt er in hem iets totaal anders, dan wanneer hij zegt: ‘Nur das Ruhebedürfnis unseres Geistes, der nicht in aller Ewigkeit und bis zur Bewusztlosigkeit den unendlichen Fernen verzweifelt nachjagen mag, läszt uns schlieszlich müde von einem Zenith sprechen’ 44)  . Een professor in de vergelijkende taalwetenschap, die toch zo heel goed weet dat ‘ben’ een contaminatie is, hoort zichzelf of een ander in de zin: ‘Ik ben ziek’ of zelfs in de zin: ‘Ik ben mij ervan bewust, dat “ben” een contaminatie is’ niet contamineren.

Door een merkwaardige duosemie van ‘bewustheid’ worden in Wundt's uitspraak de eerst principieel gescheiden begrippen ‘taal-beschouwing’ en ‘taal-gebruik’ weer tot één teruggebracht. Op het moment dat de etymologiserende logische interpretator vaststelt, dat ‘begrijpen’ (of b.v. ‘kraan’) een metaphoor is, wordt dat woord niet in zijn taal-bewustzijn tot een psychologische (echte) metaphoor. De vroegere en de latere betekenis zijn wel in zijn bewustzijn aanwezig en hij stelt de overeenkomsten tussen beide vast, maar zij versmelten niet tot één voorstellingsgeheel (om in Wundt's terminologie te blijven). Trouwens: hoe dikwijls gebeurt het niet, dat de etymoloog niet begrijpt, hoe die betekenis-verandering ooit mogelijk is geweest? Om bovengenoemde redenen kan hij natuurlijk evenmin, wanneer hij zo'n woord gebruikt heeft, post factum vanuit zijn eigen taal-schat vaststellen, dat hij metaphorisch sprak. Hier werkt dus ook niet een logisch-synchronistische, doch een logisch-diachronistische interpretatie-wijze.

Het is duidelijk, dat wij de bedoelde duo-semie van ‘bewustheid’ slechts ‘transcendent’ konden vaststellen. Wij wilden echter niet, terwille van een ‘systeem’, opmerkingen, die bij elkaar behoren, te veel uiteenrukken. -

 

Vatten wij de resultaten van het voorgaande onderzoek nog even kort samen.

 43)  Om over de andere ‘metaphoren’ (‘werkelijkheid’) in deze zin maar niet te spreken!
 44)  Mauthner, Beiträge, I, pag. 709. - Wij doen maar een greep; bij Mauthner krioelt met van de zg. auteur-metaphoren. - Wat wij zeggen, geldt natuurlijk ook voor den etymoloog als ‘passief’ taal-gebruiker.


[p. 538]

1e. De psychologische interpretatie vonden wij in de taal-wetenschap.

2e. Zij bleek ook in de logica mogelijk, en in de ethica gebruikelijk.

3e. Dit laatste voerde ons tot de taal-critiek en zo weer langs een andere weg tot de metaphoor terug. De taal-critiek, die woorden als ‘daad’ enz. natuurlijk psychologisch opvat, definieert in haar uitspraak: ‘De gehele taal is metaphorisch’ de metaphoor zelf juist logisch.

4e. In de taal-wetenschap wordt slechts de metaphoor (de troop) psychologisch geïnterpreteerd; maar ook (o.a.) de contaminatie, de catachrese, het pleonasme kunnen zo geïnterpreteerd worden.

5e. De psychologische en de logische beschouwingswijzen vonden wij verbonden met twee andere, die ook met elkaar contrasteren: de synchronistische en de diachronistische (ontische - historische (etymologische), statische - dynamische, descriptieve - vergelijkende). Een zuiver psychologische zal synchronistisch zijn, een zuiver logische diachronistisch. Wij vonden echter zowel bij de metaphoor als bij de contaminatie enz. een psychologisch-diachronistische, bij de contaminatie enz. ook een logisch-synchronistische.

6e. De psychologische interpretatie werd in de taal-wetenschap niet consequent toegepast, d.w.z. slechts bij een enkel verschijnsel (de metaphoor, zie 4e.) ging een psychologische descriptie gepaard met een psychologische definitie van een begrip. Zij is wel consequent toe te passen, maar in laatste instantie involveert zij het axioma: ‘Er zijn slechts “bewuste” taal-verschijnselen’. En afgezien van de metaphoor blijven er dan niets dan enige incidentele anomalieën voor de taal-wetenschap tot onderzoek over. Of liever: taal zou ongeveer tot stijl, taal-wetenschap tot stilistiek worden. De historische taalkunde zou vervallen; de onbewuste parallellen der stijl-verschijnselen, van welke parallellen vele als belangrijke oorzaken van betekenis-verandering worden beschouwd, zouden van het onderzoek uitgesloten zijn. En wat voor het semantisch moment van de taal geldt, geldt ook voor het phonetisch. Willen de klank-veranderingen psychologisch geïnterpreteerd kunnen worden, dan moet (phonetisch analogon van de dubbele betekenis) de spreker zich bewust zijn van een ‘dubbele klank’. Wij willen niet beweren, dat een dergelijke psychische constellatie nooit voorkomt; maar zeker is nog nooit, ook niet door hen die tegenover de metaphoor psychologisch staan, de klank-verandering ‘im psychologischen Sinne gefasst’.

Een taal-beschouwer neemt - als hij tenminste niet terwille van zijn methode opzettelijk blind wil blijven - altijd veel meer ‘taal-verschijnselen’ waar, dan waarvan de taal-gebruiker zich bewust kan zijn.

Hier hebben wij het punt bereikt, vanwaaruit de aangetroffen illogiciteiten niet meer toevallig lijken. Niet meer toevallig lijkt nu, wat wij reeds

[p. 539]

in het begin van Werner's werk lezen over de logische (pseudo-)metaphoor: ‘Haar oorsprong is niet na te speuren, wij vinden haar reeds in het dierenrijk’. Ook hier dus weer de logische metaphoor als verschijnsel. Tevergeefs heeft hij principieel trachten te scheiden, wat voor hem tòch zozeer ‘hetzelfde’ blijkt te zijn. Beide immers zijn ‘metaphoor’. En terwijl Wundt reeds het genus proximum (‘betekenis-verandering’) logisch definieert, zijn bij Werner vele primaire speciës van de metaphoor logische begrippen.

De term ‘logische metaphoor’ heeft alleen maar zin, wanneer hij niet materieel supponeert (om ons scholastisch uit te drukken). Maar hij zal steeds weer suggereren, dat er toch een realiteit aan beantwoordt 45)  . Bovendien zitten wij nog met een andere moeilijkheid. Werner geeft als logische metaphoren slechts die gevallen op, welke (volgens hem) onbewust zijn, maar geen enkele logische interpretator heeft nog ooit de door Werner als metaphoor opgegeven gevallen niet metaphoor genoemd, omdat zij bewust zijn 46)  . ‘Logisch’ en ‘onbewust’ zijn niet hetzelfde, zoals ‘psychologisch’ en ‘bewust’ (althans in dit verband) wel hetzelfde zijn. Over Wundt's tegenstelling ‘metaphoor - complicatie’ spraken wij reeds. De complicatie kan voor een consequent-psychologische interpretatie niet bestaan. Wil Wundt echter ook onbewuste taal-verschijnselen aanvaarden en alle taal-verschijnselen in bewuste en onbewuste principieel scheiden, dan moet hij deze scheiding ook consequent terminologisch tot uitdrukking brengen, niet alleen tegenover de metaphoor de complicatie stellen, doch ook voor de onbewuste catachrese, contaminatie enz. volmaakt nieuwe termen zoeken. -

 

Maar - zal men vragen - hebben Wundt en zijn volgelingen dan niets anders gedaan, dan enige honderden bladzijden vullen met illogiciteiten en met niet consequent doordachte en bovendien nog in hun consequenties onhoudbare methodische beschouwingen? Hebben zij dan niet een verschijnsel op een juistere, wetenschappelijker wijze beschreven, dan vóór hen geschiedde? Is al hun werk dan volmaakt nutteloos geweest?

Wij antwoorden: Ongetwijfeld hebben zij niet slechts foutief woord-gebruik gepleegd, ongetwijfeld hebben zij ons een verschijnsel beter doen kennen en is hun inspanning niet voor niets geweest. Wij bewonderen hun

 45)  Hier bereiken wij weer de taal-critiek: de magische macht van het woord, de logische metaphoor als ‘mythe’. - Een taal-criticus zal, wanneer hij althans zijn critiek ook op de metaphoor toepast, zeggen, dat ook aan de psychologische metaphoor geen ‘realiteit’ beantwoordt, dat die gehele metaphoor (eigenlijk) niet bestaat. Maar de logische bestaat in een consequent-psychologische interpretatie op een geheel andere wijze niet, dan de psychologische voor den taal-criticus niet-bestaat. Bestaat de psychologische niet, dan bestaat de logische hier .... niet in het kwadraat.
 46)  Vgl. noot 7).


[p. 540]

werk. Elk werk van een ernstig geleerde heeft recht op onze eerbied, onze ernst, onze inspanning. Een ‘platonische’ eerbied is niets waard. In de eerste plaats mag van ons geëist worden, dat geen moeite ons teveel is om zo diep mogelijk te begrijpen, wat er expliciet, maar vooral impliciet, staat. Een bespreking b.v. van Werner's ‘Ursprünge der Metapher’, die bestaat uit een rijtje opmerkingen als: ‘Werner onderscheidt psychologische en logische metaphoren’, waarop dan volgt zijn definitie, woordelijk overgenomen c.q. meer of minder vrij vertaald (en de meeste boek-besprekingen zijn zo! 47)  ), zijn niet van de minste betekenis, getuigen van minachting, niet alleen voor het besproken werk, maar bovendien nog voor de zaak. Een ernstige bespreking zal (zo niet geheel dan toch voor een belangrijk gedeelte) een logische analyse, een immanente critiek zijn. Een transcendente critiek, die uiteraard van groter waarde is dan een eenvoudig refereren, vergelijkt de gevonden descriptie van het verschijnsel, d.i. van de ‘werkelijkheid’, met die werkelijkheid zelf, d.w.z. met wat de criticus op een bepaald gebied zelf voor werkelijkheid houdt. Hiermee wordt aan het eigenlijk wetenschappelijke moment van het werk te kort gedaan; immers het gaat niet alleen om een descriptie van een verschijnsel, maar om een wetenschappelijke descriptie. Steeds weer is het den bespreker, als hij tenminste niet slechts refereert, om de eigen mening te doen 48)  . Vandaar dat het aantal werkelijke begripsmonographieën zo gering is.

Een immanente critiek onderzoekt vooral ook de gevolgde methode, gaat na of deze consequent toegepast is, vergelijkt begrip en geval, d.w.z. vergelijkt de descriptie van een bepaald geval met de definitie van het begrip, enz., enz. Dat er zo eerder illogiciteiten en aporieën voor de dag komen dan wanneer er niets logisch onderzocht wordt, spreekt wel vanzelf, en geeft niemand het recht deze critiek minachtend ‘slechts’ negatief-analyserend te noemen. Het is trouwens positiever om blijkbaar tot niets dan om schijnbaar tot iets te komen.

Lang nadat wij in Deel II de grondslagen der terminographie hadden gelegd en onze mening over de immanente critiek hadden geformuleerd, vonden wij onze mening bij Vaihinger terug 49)  . Hij zegt, dat het echt

 47)  Zie b.v. de ‘bespreking’, die A. Meillet van Werner's werk geeft (Bulletin de la société de linguistique de Paris, XXII, Paris, 1921).
 48)  Dit is natuurlijk nog sterker het geval, waar men geen losse boekbespreking geeft, maar zelf een werk over het verschijnsel schrijft.
 49)  H. Vaihinger: Aus zwei Festschriften. Beiträge zum Verständnis der Analytik und der Dialektik in der Kritik der reinen Vernunft, II. Kant - ein Metaphysiker? (Kantstudien, VII (Berlin, 1902), pag. 110-119); hiervan het Nachschrift, betreffende ‘Kantsophistik’ (t.a.p., pag. 118, vlgg.). Hij beroept zich hier op Haym (Aus meinem Leben (Berlin, 1902), pag. 255). Interessant is hiertegenover de door Vaihinger geciteerde opmerking van Krohn: ‘Je höher eine Philosophie steht, je tiefert sie gräbt, desto zuversichtlich mehr Widerspruch in ihr!’


[p. 541]

philosophisch is, de tegenspraken in een systeem bloot te leggen. Voorts, dat een welwillende critiek vereist is; zoveel mogelijk moeten de tegenspraken opgelost worden uit de geest van het gehele systeem 50)  , want anders ontstaat een agressieve sophistiek. Maar waar werkelijke tegenspraken zijn, die eeuwig bestaan zullen, mogen zij niet geloochend worden; anders ontstaat een apologetische sophistiek. ‘.... und solche Probleme sind eben auch die Widersprüche bei Kant!’, eindigt Vaihinger 51)  .

Het woord ‘eeuwig’ is in ons geval wel wat te zwaar. Wij hebben hier niet met ‘philosophie’ te doen. Maar daarom kunnen Wundt en Werner zich ook niet op Krohn beroepen.

Al openbaren zich in de door ons gesignaleerde illogiciteiten dan geen ‘eeuwige’ problemen 52)  , zij zijn toch wel aan de psychologische interpretatie van taal-verschijnselen noodzakelijk inhaerent en bewijzen de wetenschappelijke ontoereikendheid van deze methode. Psychologisme is het, alleen de ‘bewuste’ gevallen te onderzoeken. Inconsequent is het, eerst de psychologische interpretatie principieel te stellen, en daarna allerlei gevallen, die men zelf als ‘onbewust’ erkent, in zijn beschouwingen te betrekken.

De termen ‘psychologische’ en ‘logische’ metaphoor kunnen gehandhaafd blijven als naam voor twee bepaalde begrippen, twee bepaalde visies op ons verschijnsel. De metaphoren zelf kan men eventueel in twee groepen verdelen: bewuste en onbewuste. Beide worden zij dan door den taal-beschouwer aan bepaalde (dezelfde) eigenschappen herkend, maar bij de eerste is het sprekende individu zich van die eigenschappen (of van een gedeelte daarvan) bewust, bij de tweede niet. Met die termen is men dan niet onpsychologischer dan de psychologie zelve met haar termen ‘bewuste en onbewuste bewustzijnsverschijnselen’, die wij niet als een pleonasme resp. een catachrese 53)   kunnen opvatten, omdat zij ‘bewustzijnsverschijnsel’ niet ‘psychologisch’ definieert. Wel zal dan geëist moeten worden, dat men de onderverdeling ‘bewust - onbewust’ consequent op alle taal-verschijnselen, die daarvoor in aanmerking komen, toepast. De opmerking: ‘Maar nu wordt een logisch gedefinieerd begrip volgens een psychologisch criterium ingedeeld’ ligt voor de hand, doch is onjuist. ‘Logisch’ is deze beschouwingswijze slechts in de mond van een psychologischen interpretator. Er

 50)  Vgl. hierboven o.a. Deel II, Hoofdstuk I, § 2, en Deel III, Hoofdstuk I, § 3.
 51)  Dit is tevens een aanvulling op wat wij hierboven (Deel I, Hoofdstuk I, § 7) naar aanleiding van de immanente critiek zeiden.
 52)  Indirect (via de taal-critiek) openbaren zij zich wel.
 53)  Het spreekt wel vanzelf, dat wij deze termen hier niet psychologisch bedoelen.


[p. 542]

is geen enkele reden het epitheton ‘logisch’ (dat zo spoedig het pejoratieve ‘logicistisch’ suggereert) voor deze beschouwingswijze te aanvaarden, tenzij er niets anders onder wordt verstaan dan ‘niet-psychologisch’. En in deze zin - als precies contrast van Wundt's ‘psychologisch’, dus als ‘niet primair rekening houdend met de psyche van het sprekende subject’ - gebruikten wij het in deze gehele paragraaf. -

Er rest ons nu nog een antwoord te zoeken op de vraag: ‘Waarom wordt van alle taal-verschijnselen slechts de metaphoor psychologisch geïnterpreteerd?’

Met zekerheid laat zich daarover niets beslissen. Waarschijnlijk is wel de grote importantie, die alle linguïsten aan dit verschijnsel toekennen, de oorzaak. Maar misschien is er ook nog een andere. Meer, veel meer dan enig ander taalkundig begrip heeft ‘metaphoor’ de potentie tot betekenis-uitbreiding. Wij hadden in Deel II gelegenheid te over om te zien, hoe om andere redenen zeer verschillende verschijnselen als met de metaphoor (en door de metaphoor met elkaar) samenhangend werden begrepen, als ‘hetzelfde’ (nl. ‘metaphoor’) werden beschouwd, zodat tegen die ene overeenkomst alle verschillen als onwezenlijk wegvielen. Moeten wij nu in het psychologisch definiëren van ‘metaphoor’ een oppositie zien tegen ‘Gleichseherei’, een poging om het begrip in het kader der taalkundige terminologie binnen nauwere en vastere grenzen terug te dringen?

§ 2 - ‘Bewuste’ en ‘onbewuste’ metaphoor

In de vorige § noemden wij de bewuste en de onbewuste metaphoor ‘verschijnselen’. Het zijn echter ook begrippen (visies op die verschijnselen) en wel - het bleek reeds in het historiographische Deel - begrippen van een zeer gecompliceerde en logisch onduidelijke structuur. In de eerste plaats verschillen de visies van individu tot individu. In de tweede plaats is elke visie op zichzelf weer het min of meer chaotische resultaat van een niet juist onderscheiden, van een telkens veranderend stelling nemen. Er zijn immers verschillende redenen, waarom een metaphoor ‘(on)bewust’ kan worden genoemd, c.q. er zijn verschillende momenten van de metaphoor naar aanleiding waarvan de vraag ‘bewust of onbewust’ kan rijzen. Bovendien: de termen ‘bewust’ en ‘onbewust’ staan in hun technische betekenis in het geheel niet vast; de gelijknamige verschijnselen kunnen op verschillende wijze worden geïnterpreteerd; de gelijknamige begrippen zijn zeer problematisch. Dit problematische hebben wij bij onze analyse van de verhouding tussen psychologische, logische, bewuste en onbewuste metaphoor (krachtens het principe ‘verdeel en heers’) opzettelijk uitgeschakeld. In deze § nu willen wij trachten de gevallen waarin en de wijzen waarop men naar aanleiding van de metaphoor de vraag naar de bewustheid kan

[p. 543]

stellen, systematisch te ordenen en te beschrijven en de daarmee samen-hangende problemen in verband te brengen met het problematische van het begrip ‘(on)bewust’ zelf 1)  .

In Deel II zijn de bedoelde gevallen reeds in verband met de aangetroffen begripsphasen en daardoor niet in systematische samenhang aan het licht gekomen. Het zijn:

1. De metaphoor berust op een (al dan niet bewust) vergelijken.

De metaphoor berust op een (al dan niet bewust) analogiseren.

2. In den spreker ontstaat de metaphoor al dan niet bewust.

3. In den spreker bestaat de metaphoor al dan niet bewust.

4. De spreker is zich al dan niet bewust, dat hij ‘slechts’ een metaphoor gebruikt.

Wij formuleerden van den spreker (d.i. ook den schrijver) uit, hoewel een en ander ook met betrekking tot den passieven taalgebruiker (den hoorder, den lezer) aan de orde is gekomen.

Ad 1. De metaphoor berust op een (al dan niet bewust) vergelijken, c.q. analogiseren. - Volgens Stählin (e.a.) berust het scheppen van een metaphoor niet op een vergelijken. Op een andere plaats zegt hij, dat het evenmin op een analogiseren berust. ‘Vergelijken’ en ‘analogiseren’ zijn termen aan de logica ontleend, en een eenvoudige introspectie leert, dat men een metaphoor onmiddellijk intuïtief schept en begrijpt, nog voor men de tijd heeft met een rustig vergelijken of analogiseren zelfs maar te beginnen. Stählin's typering nu van de tegenovergestelde mening als ‘logisch’ is niet bijzonder gelukkig. ‘Analogiseren’ b.v. is niet alleen een logische, doch ook een psychologische term, er bestaat toch ook zo iets als denk-psychologie. Instructief is het dan ook, dat Stählin op een andere plaats een onbewust analogiseren aanneemt. De analogie nu plaatst men als ‘gelijkheid van relatie’ tegenover de (eenvoudige) overeenkomst als ‘gelijkheid van kenmerk’. Het vaststellen van beide identiteiten kan toch eerst na een vergelijken tot stand komen, zou men zo zeggen. En als er een onbewust analogiseren bestaat, een onbewust ‘onder-‘kennen’ van relatie-gelijkheid, bestaat er dan ook niet een onbewust vergelijken? Stählin zegt, dat men zich bij het metaphorisch begrijpen geen vergelijken bewust wordt. Maar wordt men zich dat ook niet .... onbewust (om ons eens analogie-vormend uit te drukken)?

 1)  Zie over de vaagheid der termen ‘bewust’ en ‘onbewust’ o.a. L. Jordan (die trouwens ook andere termen aan een scherpzinnige analyse heeft onderworpen) en M. Lindroth in: Actes du deuxième Congrès international de Linguistes, Genève 25-29 Août 1931 (Paris, 1933), resp. pag. 72, en J. Ward (Mind, No. 5 (N. 5), pag. 66): ‘After the term consciousness, sensation is perhaps the most hopeless in all our psycological vocabulary’ (wij cursiveren).


[p. 544]

Het is wel duidelijk, dat wij hier weer doelen op het contrast tussen psychologische en logische interpretatie, doch nu met betrekking niet tot taalkundige maar tot psychologische verschijnselen, meer speciaal tot die welke men onder het ‘Kennen’ samenvat. Moeten en kunnen deze (geheel of gedeeltelijk) psychologisch geïnterpreteerd worden, of kennen zij onbewuste parallellen? Wij kunnen er niet aan denken, deze kwestie op dezelfde uitvoerige wijze te analyseren, als wij de soortgelijke in § 1 geanalyseerd hebben; maar zij is toch voor de metaphoor (en zowel voor het verschijnsel als voor het begrip) van zoveel belang, dat wij er niet aan voorbij kunnen gaan.

Bezien wij nog eens Stählin's opmerking: ‘Mag immerhin sein, dass diesen Vorgängen logisch betrachtet eine Analogie irgendwie zugrunde liegt, so ist offenbar damit keineswegs das Wesen der Metapher beschrieben: das Eigentümliche liegt ja gerade darin, dass diese Verschmelzung, dieses Bedeutungserlebnis, ohne alle Reflexion, ohne alle Verstandestätigkeit zustande kommt’. 2)   ‘Analogiseren’ wordt hier, evenals ‘denken’, psychologisch geïnterpreteerd; ‘bewust’ en ‘denkend’ worden mede synoniem. Zodra echter een onbewust analogiseren wordt aangenomen (zie boven 3)  ), wordt die interpretatie verlaten, evenals wanneer men aan ‘denken’ als nadere bepaling ‘(on)bewust’ toevoegt. Dat ‘onbewust’ nu is een merkwaardig woord. Het kan betekenen ‘buiten-psychisch, d.i. op geen enkele wijze in de psyche aanwezig’. Vaak echter is het (geheel anders dan ‘bewusteloos’) niet alleen de negatie van iets positiefs, doch zelf ook iets positiefs, wordt er mee bedoeld: iets dat in de psyche, die méér is dan het bewuste alléén, actief medewerkt aan een taal-daad of een denk-daad. Met deze betekenis hangt de onderscheiding van ‘bewustzijn’ en ‘bewustheid’ direct samen, - en eveneens het feit, dat in de psychologie de term ‘onbewust bewustzijnsverschijnsel’ (zie § 1) geen catachrese is.

Dit is in deze tijd, waarin Freud de geesten met zijn theorieën heeft geïmpregneerd, gemeengoed geworden. Maar voorlopig bedoelen wij dat onbewuste in het geheel niet als reservoir van verdrongen en verwrongen driften, die onze slaap tot dromen verontrusten en in onze bewuste handelingen storend ingrijpen tot de psycho-pathologie des dagelijksen levens. Het gaat hier immers om zo koele zaken als het analogiseren, het vergelijken, de ken-functies in het algemeen. Maar zeker geldt ook ten opzichte hiervan, dat al wat een introspectie (die overigens voor een groot gedeelte een retrospectie is) niet kan grijpen, daarom nog niet aan de psychische processen geen deel heeft, dat de z.g. logische-analyse-post-factum een psychologische

 2)  Stählin, pag. 347.
 3)  Vgl. Deel II, Hoofdstuk II, § 3 en Stählin, pag. 341.


[p. 545]

analyse kan blijken te wezen, .... en dat ‘bewustzijn’ en ‘bewustheid’ uiterst subtiele termen zijn.

In een aardige paradox, die de prealabele kwestie verrassend belicht, is het bewustzijn eens getypeerd als een verschijnsel, als een proces, dat eigenlijk als een physiologisch proces onbewust (vanzelf) verlopen moet 4)  . Het ‘onbewuste’ verloop van het bewustzijn in het algemeen en van denk-processen in het bijzonder is velen opgevallen. ‘(De) berekening hoeft niet als bewust overleg gedacht te worden, integendeel, zij kan grotendeels onbewust plaats hebben’, zegt Langeveld 5)  . En ‘be-rekenen’ schijnt toch wel in de eerste plaats voor een psychologische interpretatie in aanmerking te komen. Verbluffend is de snelheid, waarmee personen, die de gave der ad rem-heid bezitten, een uiterst scherpzinnige geestigheid kunnen produceren, onmiddellijke reactie op het woord van een ander. Ook hier zou men (zie Stählin) kunnen beweren: ‘Die man heeft niet nagedacht; nog voor hij daarmee heeft kunnen beginnen, is de zin er al uit’. En in het gewone spreken: hoeveel gebeurt daar ‘vanzelf’ (vergelijk daarmee het spreken van een vreemde taal, die men gebrekkig beheerst). Op het grammaticale begrijpen wezen wij reeds (zie de § over Stählin); wat wij toen zeiden, geldt ook voor het grammatisch juiste spreken. De termen der grammatica hebben het vaak kwaad te verduren gehad 6)  ; men vond ze, evenals die der tropologie, onuitstaanbaar pedant: er zou geen ‘werkelijkheid’ aan beantwoorden. Wat dit laatste zeggen wil, is zeker niet zonder meer duidelijk. Soms bedoelt men er zo iets mee als: voor het werkelijke spreken hebben wij ze in het geheel niet nodig. Maar dit behoeft nog niet in te houden, dat hetgeen door die termen (of door sommige van die termen) wordt geïntendeerd niet op een of andere wijze in de bewustheid of het bewustzijn van den spreker aanwezig is. En, om tot de metaphoor terug te keren: als de versmelting van twee betekenissen irreflectief tot stand komt, is niet in te zien, waarom niet ook een analogiseren irreflectief verlopen kan.

Stählin zelf onderscheidt verschillende graden van bewustheid, als hij aan zijn descriptie van de psychische constellatie bij het begrijpen van een bepaalde metaphoor toevoegt: ‘All das - dies bedarf keines Wortes - ist natürlich ohne Worte und unanalysiert im Bewusstsein, aber es ist

 4)  Naar wij menen door Dr. Zeehandelaar; wij herinneren ons echter de plaats niet meer.
 5)  M.J. Langeveld: Inleiding tot de studie der paedagogische psychologie van de Middelbare-schoolleeftijd, pag. 318. - Met betrekking tot het ‘voorstellen’ wijzen wij nog op H. Steinthal: Einleitung in die Psychologie und Sprachwissenschaft, pag. 132: ‘Eine unbewusste Vorstellung ist nicht etwa ein Widerspruch in sich wie eine immaterielle oder raumlose Materie’.
 6)  Wij bedoelen hier nu niet een wetenschappelijke, immanente critiek.


[p. 546]

vorhanden’ 7)  . Zo is er ook een analogiseren denkbaar, dat gepaard gaat met het volle bewustzijn van een zwijgend of hardop gezegd: ‘Ik analogiseer’ in de tot een definitie geëxpliceerde technische betekenis van dit woord. Ziet men een dergelijke in woorden geëxpliceerde vaststelling als criterium voor bewustheid, dan is het duidelijk, dat men na introspectie het analogiseren zal ontkennen of tot onbewust verklaren. Gelooft men echter, dat ‘denk-gebruik’ mogelijk is zonder gelijktijdige nadrukkelijke ‘denk-beschouwing’, dat er van eigen denken een woordloze bewustheid bestaat, dan zullen een psychologische en een logische interpretatie gemakkelijker dan in het vorige geval in de psyche een daad van de kennende activiteit onderkennen, resp. tot bewustheid daarvan besluiten. De psychologen, die zich tegenover de logische of logicistische beschouwingswijze plaatsen, hebben voorts de neiging ‘bewust’ en ‘reflectief’ te identificeren, de bewustheid dus slechts voor de ken-processen op te eisen, de scheiding ‘bewust - onbewust’ niet voor alle drie momenten der psyche gelijkelijk te aanvaarden, over het ‘van-zelf’-karakter van vele processen der kennende activiteit heen te zien.

Met deze opmerkingen hebben wij natuurlijk geen enkel probleem tot oplossing gebracht. Wij wilden de problemen slechts even zichtbaar maken, tevens de mogelijkheden van opvatting. Wij wilden slechts betogen, dat die opvattingen voor het grootste gedeelte onbewust zijn gebleven, even onbewust, als het begrip ‘onbewust’ achter de in een en dezelfde visie wisselende uitspraken ‘de metaphoor berust niet op een analogiseren (vergelijken)’ en ‘de metaphoor berust op een onbewust analogiseren (vergelijken)’ problematisch is, en dat het poneren van deze uitspraken, zelfs met beroep op de introspectieve methode, niet voldoende kan zijn. Zodra het begrip ‘(on)bewust’ op welke wijze ook relevant wordt gesteld voor het begrip ‘metaphoor’, is er meer denk-psychologie, meer algemene psychologie nodig, dan Stählin, die in dit opzicht nog het diepste graaft, gegeven heeft. En bovenal is nodig: een bezinning op de principia der terminologie, meer speciaal op het identiteitsprobleem.

Ad 2. In den spreker ontstaat de metaphoor al dan niet bewust. - Het lijkt even, of deze kwestie geheel met de onder 1. behandelde samenvalt; van oudsher immers is gezegd, dat de metaphoor op een overeenkomst of een analogie ‘berust’, d.w.z. (als concretum dan, niet als vorm) daaruit is ontstaan. Hierop is de bekende vier-deling gebaseerd. Wij behoeven ons echter slechts de bijna even oude indeling naar de intentie te herinneren om in te zien, dat dit inderdaad maar schijn is: in de definities van onze term fungeren méér momenten dan de overeenkomst en de analogie. De

 7)  Stählin, pag. 344.


[p. 547]

hier gestelde kwestie heeft echter nog een ander aspect, dat haar nog verder van l. verwijdert. Als wij formuleren: ‘De spreker was er zich al dan niet van te voren van bewust, dat hij een metaphoor ging scheppen, hij heeft een metaphoor (al dan niet bewust) gewild’ is verwarring met l. nog minder mogelijk. Wel is verwarring mogelijk met 3. en deze wordt dan ook in de literatuur herhaaldelijk aangetroffen. Dat er echter tussen 2. en 3. verschil bestaat, kunnen wij gemakkelijk laten zien door de visies van de oude rhetorica, van Wundt en van Werner naast elkaar te plaatsen.

De rhetorica contrasteert de decus-metaphoor aan de inopia-metaphoor (en wel soms zo essentieel, dat zij meent de beide soorten in hun gelijkheid en contrast niet meer door middel van een genus en een differentia specifica te kunnen uitdrukken, maar naar twee geheel verschillende termen (metaphora en catachrese) grijpt). Zij interpreteert zeker niet psychologisch, maar even zeker ontkent zij niet aan de tweede soort, omdat die uit taal-nood is ontstaan, de ‘bewustheid’. Maar wel meent zij dat die tweede soort, anders dan de eerste, haar ontstaan niet heeft te danken aan een bewuste intentie, de opzettelijke bedoeling nl. om de rede mooier te maken, te ‘versieren’. Hoe is nu in verband hiermee de opvatting van Wundt? Iemand, die het woord ‘kraan’ (= hijstuig) creëert, zal zich ervan bewust zijn, dat hij een metaphoor gebruikt; dat wil (bij Wundt) zeggen: hij zal zich bewust zijn van de nieuwe èn van de oude betekenis. Die twee betekenissen heeft hij echter niet gewild, noch voor zichzelf, noch voor den hoorder; die dubbele betekenis, dat metaphorisch karakter van het woord is een niet gewild en (vooral voor de communicatie) onaangenaam afvalsproduct. Anders Werner. Volgens hem kan ‘kraan’ geen metaphoor zijn, daar het uit taal-nood is ontstaan. Een bewustheid van twee betekenissen is slechts mogelijk, als men die betekenissen heeft gewild, als men inderdaad niet eenvoudig een woord doch een metaphoor heeft willen scheppen. Bij Wundt is er dus een eind-product (de psychologisch geïnterpreteerde metaphoor), waarvan men zich de meest wezenlijke eigenschap wel bewust is, zonder dat men deze van te voren heeft gewild; bij Werner is het (eveneens psychologisch geïnterpreteerde) eind-product tevens doel geweest, het heeft geen andere wezenlijke eigenschap, dan men van te voren had vastgesteld. Werner's psychologische interpretatie reikt dus verder dan die van Wundt. Werner's scherpe scheiding van ‘metaphoor’ en ‘pseudo-metaphoor’ berust, evenals de terminologisch nog scherpere en consequentere scheiding van ‘metaphoor’ en ‘catachrese’ der oude rhetorica, op de intentie. Voor de rhetorica echter sluit afwezigheid van die intentie, d.i. van de aprioristische bewustheid der voor het product wezenlijke eigenschap, nog niet noodzakelijk bewustheid van die eigenschap uit 9)  .

 9)  Wij zien nu van andere verschillen tussen Werner en de rhetorica af; Werner's metaphoor kent b.v. het decus-karakter niet (hij spreekt immers over een periode, waarin de vorm ‘metaphoor’ het aesthetische niveau nog niet heeft bereikt).


[p. 548]

De zeer oude idee van de vrije willekeur, van het opzettelijke, het bewuste, met betrekking tot het scheppen van de metaphoor vinden wij in onze tijd nog. Maar minstens even vaak vinden wij de idee van het onwillekeurige, het onbewuste, het innerlijk- en uiterlijk-noodzakelijke (het is niet zo, dat een dichter zich ook op die bepaalde plaats in kuria had kunnen uitdrukken), en dit dan meestal bij een psychologische interpretatie van ons verschijnsel.

Hoe men hier worstelt met de problematiek van het begrip ‘(on)bewust’ komt misschien het duidelijkst tot uiting in een uitspraak van Bauer: ‘Jetzt ist bewusste Absicht, was früher Natur war, wiewohl bei echten Kunstwerken auch diese Absicht wieder zur Natur wird’ 10)  . Dus: vroeger schiepen de mensen ‘vanzelf’ metaphoren, nu niet meer, .... behalve dan de echte dichters; bij hen wordt een bewuste bedoeling weer tot onbewuste natuur. Het is, of hij met deze orakelspreuk wil zeggen: ‘In zekere zin scheppen zij de metaphoren bewust, in zekere zin onbewust’. Het gehele probleem ressorteert onder het wijdere en fundamentele probleem van de bewustheid bij (of beter: vóór) het scheppen van kunst in het algemeen. Wat zijn hier de graden van bewustheid en hoe zijn de visies daarop?

Deze vraag is niet te beantwoorden zonder de (aesthetische) critiek in het antwoord te betrekken. Van iemand, die zich er voor zet om nu eens ‘kunst’ te gaan creëren, verwacht men niet veel goeds. Maar toch ook hier maakt men onderscheid tussen den man zonder en den man met talent. Vergelijk b.v. den would be artist uit Fulda's ‘Der Dumkopf’ met den talentvollen ‘broodschrijver’, die 's morgens achter zijn bureau gaat zitten met het duidelijke bewustzijn van zijn beroep en zijn taak. De meest opzettelijke houding heeft wel hij, die nadrukkelijk vaststelt: ‘Kom, hier op deze plaats van mijn gedicht zal ik eens een metaphoor zetten’ (hij heeft b.v. een of ander recepten-boek voor poëzie gelezen; een comisch bedoeld voorbeeld van zo'n handleiding is Kinker's ‘Formulier voor een lierzang’, waarin de metaphoor als een noodzakelijk ingrediënt wordt opgegeven). Even bewust was Bach, als hij bij zichzelf vaststelde, of misschien wel tegen zijn vrouw zei, dat hij toch eens aan die Partita's moest beginnen, die men voor Zaterdag bij hem besteld had. Een romantische visie op het kunstenaarschap heeft altijd een dergelijke opzettelijkheid en bewustheid, vooral als deze nog van een uiterlijke omstandigheid afhankelijk zijn, principieel onverenigbaar gezien met een aangrijpend en waarachtig kunstwerk, en geloofd in het onbewuste, in een intuïtie, een inspiratie, een goddelijke bezetenheid, die op een door den kunstenaar zelf nooit van te voren bepaal-baar

 10)  J. Bauer: Das Bild in der Sprache, pag. 10.


[p. 549]

moment, de ziel tot kunst vervoert (vgl. de hand van Kloos, die plotseling en tot zijn eigen schrik begon te schrijven). Zeker is wel aan verschillende van Bach's composities alle aesthetische en expressieve waarde ontzegd (b.v. door niemand minder dan Debussy), maar dan toch niet, omdat zij op bestelling geleverd waren; en zeker worden zij ook vaak als de hoogste kunst beschouwd. En de vrije en spontane inspiratie heeft velen niet veel anders opgeleverd dan brallende en verstandelijk aandoende rhetoriek, terwijl Keats met het voornemen elke ochtend 150 versregels en niet meer en niet minder te schrijven, en dit voornemen ook uitvoerende, zijn ‘Endymion’ heeft geschapen.

Het opzettelijke, de eventueel in woorden zich uitende bewustheid: ‘Nu ga ik een sonate componeren, een epos schrijven, een metaphoor gebruiken’, behoeft op zichzelf dus niet tot een als aesthetisch minderwaardig beschouwd resultaat te leiden, ook niet, als deze bewustheid het rechtstreekse gevolg is van volkomen uiterlijke omstandigheden. Maar deze bewustheid kan hoogstens het beginpunt zijn van een reeks van psychische processen, die tot een sonate, een epos, een metaphoor leiden. Zij verklaart nog in het geheel niet, waarom nu juist deze bepaalde sonate, dit bepaalde epos, deze bepaalde metaphoor ontstaat. En deze processen dan, zijn zij bewust of onbewust? - Ook hierop zijn verschillende antwoorden mogelijk, die verschillende opvattingen van ‘kunst’ (c.q. van ‘metaphoor’) impliceren, tevens natuurlijk verschillende waarderingen. Stelt men immers het onbewuste ontstaan voor kunst en metaphoor relevant, dan zal men alles waaraan men een karakter van opzettelijkheid onderkent, eenvoudig geen kunst (metaphoor) noemen, of negatief critiseren. De zaak wordt er niet eenvoudiger op, doordat men aan de ene kant ‘rationeel (logisch)’ en ‘bewust’, aan de andere kant ‘irrationeel (emotioneel)’ en ‘onbewust’ zo niet identificeert dan toch als zeer nauw verwant beschouwt. Daarachter doemt dan op het contrast tussen Classicisme en Romantiek, het contrast tussen twee mensen-typen.

Hiermee zijn wij er echter niet. Wezensbepaling en critiek terug te brengen tot subjectivisme, is te simplistisch. Wij bedoelen nu niet, dat wij hier stelling zouden moeten nemen, want wij behoeven wel niet meer te betogen, dat het ons om onze persoonlijke mening in dit verband niet te doen is. Maar wij zijn ervan uitgegaan, en ten onrechte, dat de twee verschillende opvattingen niets anders waren dan de reactie van twee verschillende typen op een en hetzelfde onproblematische gegeven, dat het dus geen enkele moeilijkheid oplevert om vast te stellen, of een kunstwerk al dan niet onbewust is ontstaan. Bovendien: hoeveel momenten kent een kunstwerk niet!

Wij bepalen ons tot het literaire kunstwerk en nemen als voorbeeld het

[p. 550]

rijm. Een precair onderwerp! Buitenstaanders vragen zich vaak af, hoe de dichters aan hun rijmwoorden komen; als zijzelf b.v. voor Sinterklaas een versje in elkaar willen zetten, bemerken zij, dat het rijmen niet meevalt, tasten zij voor een rijmwoord het gehele alphabet af. Zij zijn geneigd in het rijmen een flauw (eigenlijk mensonwaardig) spelletje te zien. Droogstoppel beweert, dat de gehele inhoud van een gedicht van de rijmwoorden afhankelijk is. Typisch is ook de reactie van leerlingen op vragen bij een gedicht als: ‘Waarom gebruikt de dichter hier juist dit woord (dit staat dan op het eind van een versregel) en niet dat (een of ander synoniem)?’ Zij zeggen dan: ‘Omdat het anders niet rijmt’. Een incidentele critiek merkt hier en daar in annotaties (b.v. bij Vondel) ‘rijmdwang’ op, of men zegt, dat de dichter het rijm niet meer beheerst, doch erop drijft. Maar over het algemeen vermijdt men de kwestie van de bewustheid. Dichters hullen zich in een souverein en toch angstvallig aandoend zwijgen. Het rijmwoordenboek is echter velen tot spot geweest (zie b.v. Gouverneur, alias Jan de Rijmer 11)  . En toch.... Emile Verhaeren, in wien toch allen een romantisch dichter, een onbewuste, een bezetene, zien, had op zijn schrijftafel een rijmwoordenboek liggen zo dicht mogelijk bij de hand. Dit wordt ons medegedeeld door zijn vriend Stephan Zweig, die het toch heus niet zei om den dichter belachelijk te maken 12)  . Carel Scharten spreekt in zijn critiek op Leopold van ‘kunsteloze natuur’ 13)   (hier is dan juist in ‘kunst’ het ‘opzettelijke’ geactueerd tegenover het ‘natuurlijke’ der besproken lyrische uitingen). Maar wie wel eens een facsimile heeft gezien van Leopold's pas begonnen of nog niet geheel voltooide gedichten (zo nu en dan een gehele versregel en op de volgende regels slechts losse rijmwoorden) 14)  , zet een en ander toch aan het nadenken over de ontoereikendheid van de termen ‘bewust’ en ‘onbewust’. Dit neemt natuurlijk niet weg, dat er rijmen zijn, die den lezer als opzettelijk, gewild, bewust, aandoen, - dat b.v. de alliteraties in de Edda of in de spotgedichten der Oudnoorse saga's (die men, naar het schijnt, spontaan improviseerde) natuurlijker lijken dan die van Hegenscheidt's ‘Starkadd’ 15)  . Maar wel maakt een rijm, waarnaar gezocht is en waarover misschien lang is nagedacht, daarom nog niet een opzettelijke indruk, is het daarom nog niet aesthetisch minderwaardig.

En wat voor het rijmwoord geldt, geldt ook voor het woord in het algemeen. Wat is er verstandelijk en bewust, wat intuïtief en onbewust in het

 11)  Jan de Rijmer aan de redactie van de Groninger Studenten-Almanak.
 12)  Stephan Zweig: Erinnerungen an Emile Verhaeren (1927), pag. 65.
 13)  Vgl. D. de Groot, L. Leopold en R.R. Rijken's Nederlandsche Letterkunde, II12, pag. 422.
 14)  J.H. Leopold: Verzamelde Verzen (Rotterdam, MCMXXXV), pag. 340.
 15)  A. Hegenscheidt: Starkadd (b.v. Starkadd's zang in het vijfde bedrijf).


[p. 551]

zoeken en vinden van het enig juiste woord? Zat de arme Flaubert, ten prooi aan ‘les affres du style’, de gehele dag op zijn kamer slechts te gevoelen, of zat hij ook na te denken? Hoe pover lijken hier die paar psychologische termen tegenover de gecompliceerdheid van het zoeken naar een woord, dat altijd nog eenvoudig is in vergelijking met het scheppen van een geheel kunstwerk.

Ook de (goede) metaphoor is zo'n enig juist woord. De intellectualistische aesthetica ontkent dit en ziet dus het opzettelijke als essentieel kenmerk (de theorie der dubbele uitdrukking: de dichter wijkt bewust van het spraak-gebruik af, hij had het ook anders kunnen zeggen; voorts de theorie van het extra res, de uiterlijk aangebrachte versiering). Ontkent men dit niet, dan zal men juist de nadruk leggen op het opzettelijke in het ontstaan van de metaphoor. Maar dan geldt ook alles wat wij hierboven zeiden. De opzettelijke metaphoor behoeft nog niet verworpen te worden, zelfs al wordt zij als zodanig herkend (‘'t Is gezocht; goed! Maar mooi en fijn gevonden’, zegt Acket in zijn Perk-studie naar aanleiding van een bepaald beeld 16)  ), zij kan ook een geheel onopzettelijke indruk maken. Het omgekeerde is echter ook mogelijk, zoals de beeldspraak van vele, nu als geniaal erkende maar eens om hun buitenissigheid en gezochtheid verguisde kunstenaars bewijst (dit geldt ook voor andere momenten van het literaire kunstwerk - een en hetzelfde enjambement kan de een gedurfd, de ander gezocht noemen (voor beiden is het bewust-gewild), terwijl een derde in dit moment, waar de zinsmelodie het metrisch schema tot rhythme doorbreekt, uitdrukking kan zien van 's dichters onbewuste Zelf) - en eveneens voor composities en schilderijen). Nu zal het hier verschil maken, of men meer het oog heeft op het afbeeldend karakter van de metaphoor (c.q. op een meer afbeeldende metaphoor) dan wel op het expressieve (c.q. op een meer expressieve metaphoor). Beschouwt men slechts de gevoelsmetaphoor als uitdrukking van het onbewuste Zelf, d.i. dus als de ‘echte’ metaphoor, dan zal men natuurlijk een onbewust ontstaan eisen, ja constituerend stellen. Overigens mogen wij niet vergeten, dat ook de intellectualistische metaphoren als uitdrukking van (een gedeelte van) een persoonlijkheid begrepen kunnen worden 17)  . Hier wreekt het zich dan, dat men het contrast ‘bewust - onbewust’ identificeert met het contrast ‘rationeel - emotioneel’, of daarvan afhankelijk stelt. Een beschouwing van de metaphoor als expressie voert tot het ‘onbewuste’ als meest wezenlijk en meest werkzaam moment van de psyche; maar dit is hier nog niet aan de orde.

Wanneer wij ons afvragen, waaraan dan door den beschouwer het opzettelijke

 16)  J.M. Acket: Jacques Perk (Amsterdam, 1926), pag. 28.
 17)  Zie Hoofdstuk IV, § 1.


[p. 552]

van een metaphoor onderkend wordt, dan worden wij weer vanzelf tot 1. teruggebracht. Hij herkent dit nl. aan de meer of minder geringe overeenkomst, aan de grote afstand tussen de beide kuria of tussen de sferen, waartoe zij behoren 18)  . De ‘natuurlijke’ complicaties, zoals Wundt de z.g. taal-metaphoren noemt, verschillen volgens hem van de (auteur-) metaphoren, doordat de overeenkomsten veel meer voor de hand liggen; de associaties zouden gemakkelijker (onbewuster) verlopen, hetgeen weer tot gevolg zou hebben, dat die woorden door iedereen (in de taal) worden overgenomen, terwijl de metaphoren tot het gebruik van enkelen beperkt moeten blijven 19)  . Dit alles ziet er ongetwijfeld plausibel uit. Maar als men nu eens die associaties op hun voor-de-hand-liggendheid controleert, lijkt het, of de theorie niet berust op een analyse van het empirisch materiaal, doch op een aprioristische redenering (wat door allen wordt overgenomen, moet wel op natuurlijker associaties berusten). Terwijl men immers vele auteur-metaphoren onmiddellijk verstaat, blijft men op vele woorden, die eerst de etymologie als metaphoren ontmaskert, als op raadsels staren. Men zou de verklaring hiervan kunnen zoeken in een verandering, waaraan die associaties onderhevig zouden zijn; een dergelijke verandering zou echter aan hun ‘natuurlijkheid’, hun algemeen-menselijkheid, sterk afbreuk doen. Misschien kan de verklaring beter gevonden worden vanuit het contrast tussen massa- en individuele psychologie: de cultuur-gemeenschap komt massa-psychologisch tot andere resultaten dan elk individu afzonderlijk, tot voor het individu onbegrijpelijke en toch door hem aanvaarde resultaten. Daarmee is dan echter het oorspronkelijk gestelde contrast ‘bewust - onbewust’ (in een en dezelfde psyche bij het ontstaan van een metaphoor) verlaten.

Dit is ook verlaten bij de critiek, die op het πορρωθεν om ‘rhetorische’ redenen wordt gegeven. Alleen als men meent, dat het πορρωθεnu; opzettelijkheid involveert, of ook als men meent, dat ook dit onbewust tot stand kan komen, staat het ermee in verband.

Ad 3. en ad 4. In den spreker bestaat de metaphoor al dan niet bewust. De spreker is zich al dan niet bewust, dat hij ‘slechts’ een metaphoor gebruikt. - Hierover kunnen wij, na alles wat wij er in de vorige § en in onze descriptie van de visies van Wundt, Stählin, Werner en Pongs over

 18)  De formulering is praegnant, maar daardoor niet juist.
 19)  In precies contrast met Wundt staat de reeds eerder geciteerde mening van Schwob (zie Deel II, § 1, noot 81)), dat de metaphoor op natuurlijke wijze (spontaan) ontstaat, waardoor zij in een kunsttaal niet kan voorkomen. Dat een dergelijk contrast mogelijk is, bewijst de ontoereikendheid van het begrip ‘natuurlijk’ (en dit betekent niets anders dan ‘vanzelf’, ‘onbewust’), of bewijst de ontoereikendheid van de methode, waarmee men die natuurlijkheid wil vaststellen.


[p. 553]

gezegd hebben, kort zijn. Meer nog dan bij de vorige kwesties geldt, dat de analyse zo moeilijk is, doordat ‘er geen vast punt is’, daar de houding tegenover bedoelde kwestie en de visie op de metaphoor correlatief met elkaar in verband staan, en het tegenover elkaar stellen van twee verschillende meningen - bij gebrek aan een meta-taal - alleen maar mogelijk is in de terminologie van één van beide 20)  .

Voor een psychologische interpretatie is de gestelde kwestie géén kwestie. Het ‘antwoord’ volgt vanzelf uit de definitie van ‘metaphoor’, ja, is die definitie. Het is immers onmogelijk van een verschijnsel, waarvoor men de bewustheid relevant heeft gesteld, empirisch (d.i. langs introspectieve weg) na te gaan, of het nu in een bepaald geval bewust is of niet. Wel is het van belang, wat men verder nog als kenmerken van de metaphoor beschouwt: het gebruiken van een woord in een andere betekenis dan de gewone, de dubbele betekenis, het gebruiken van een ‘beeld’, het versmelten van twee betekenissen, de afwijking van de werkelijkheid. Dit geldt trouwens ook, nadat een niet-psychologische interpretatie tot bewustheid heeft besloten. En hiertoe besluit deze vaak voor de z.g. auteur-metaphoor, d.w.z. voorzoverre zij niet in verband met een negatieve critiek op taal en kennen al etymologiserend in elk woord een metaphoor herkent, het gehele denken en de gehele taal metaphorisch noemt.

Nemen wij aan, dat de dichter de bewustheid: ‘Ik bezig dit woord in andere dan de gebruikelijke betekenis’ toegeeft (die bewustheid behoeft natuurlijk niet zo geëxpliceerd aanwezig te zijn; zie boven). Dit impliceert nog niet, dat hij ook zal toegeven: ‘Ik gebruik een beeld’, en nog minder, dat hij zal toegeven: ‘Ik gebruik slechts een beeld’. Hier blijkt de samenhang van 3. en 4., een samenhang, die zo spoedig tot een verwarring wordt, zoals wij naar aanleiding van Pongs hebben aangetoond. Tot het pejoratieve ‘slechts’ kan elke dichter, als hij tenminste de daarvoor noodzakelijke taal-critische inslag heeft, post factum komen, als ieder ander die over het wezen van de metaphoor, de poëzie en de kunst in het algemeen nadenkt. Het is maar de vraag, of hij daarmee zijn bewustheid tijdens de taal-daad, of die taal-daad zelf in haar essentie beschrijft. Zodra blijkt, dat de dichter meent juist door middel van deze bepaalde metaphoor een werkelijkheid adaequaat beschreven te hebben, kan alleen een logische beschouwing een ‘slechts’ of een inadaequatie vaststellen, c.q. tot ‘onbewust’ verklaren. Dat ‘bewustheid van een metaphoor’ (en nu geheel afgezien van wat voor de metaphoor wezenlijk wordt geacht aan andere eigenschappen) niet hetzelfde is als ‘bewustheid van slechts een metaphoor’ en dit ook niet impliceert, behoeven wij trouwens niet verder te betogen. Er zijn immers velen,

 20)  Vgl. Hoofdstuk III, § 5, noot 16).


[p. 554]

die in enthousiasme geraken, als de etymologie hun alle woorden als metaphoren doet kennen, en menen, dat wij onze taal en ons denken aan de metaphoor te danken hebben (‘danken’ dan niet in ironische zin).

Het begrip ‘afwijking van de werkelijkheid’ brengt dit bepaalde moment van de onder 3. en 4. genoemde kwestie in de wijdere samenhang der aesthetica, der kunst-theorie. In elk werk over het ‘wezen’ der kunst verschijnt ‘kunst’ in een of ander verband met ‘werkelijkheid’ Ook hier kan men de vraag stellen naar de bewustheid van den kunstenaar: ‘Ik geef kunst’ en ook hier wordt de vraag door toevoeging van ‘slechts’ veranderd. Ook ‘werkelijkheid’ kan die pejoratieve toevoeging krijgen: ‘Hij geeft (geen kunst maar) slechts werkelijkheid’ (tegen het realisme, de copieerlust des dagelijksen levens). De z.g. illusie-wereld der kunst, de z.g. ‘Kunstschein’ (Volkelt) kan (ook en misschien wel in de eerste plaats door den kunstenaar) begrepen worden als de ideële, de eigenlijke, de werkelijke werkelijkheid tegenover de zogenaamd echte doch in waarheid schijnbare werkelijkheid, waarvan zij (terecht!) afwijkt. - Maar hier reikt de analyse voorbij de problematiek van het begrip ‘(on)bewust’ in de problematiek van het begrip ‘werkelijkheid’, zoals wij deze ook m.m. naar aanleiding van de metaphoor in de kennistheorie leren kennen 21)  .

Dit alles raakte het ‘darstellend’ karakter van de metaphoor, niet het expressieve. De vraag: ‘Is de kunstenaar zich bewust, dat hij zichzelf uitdrukt?’ is, voorzover wij weten, nooit gesteld. Dàt hij zichzelf, d.i. zijn ‘Zelf’, uitdrukt, is natuurlijk vaak genoeg opgemerkt; en, zoals wij zagen, ook naar aanleiding van de metaphoor: deze wordt gezien als een middel tot zelf-expressie van de eerste orde. Dat ‘Zelf’ is dan vooral het onbewuste, dat als meest wezenlijk moment der ziel actief naar uiting streeft en deze uiting, eventueel geholpen door het bewuste (het ‘verstand’), ook bereikt. Als zeker nog actiever dan in de aesthetica verschijnt het Onbewuste in de psycho-analytische literatuur. Het contrast met het Bewuste is hier toegespitst en krijgt het karakter van een daadwerkelijke strijd 22)  . Het laatste tracht op het eerste een eeuwigdurende censuur uit te oefenen, tracht het geheel te onderdrukken, en dit tracht van zijn kant weer zich in vertwijfelde pogingen aan die greep te ontwringen. In zekere zin is het een strijd van het Bewuste tegen zichzelf, tegen alles wat het in zich niet duldt (‘men haat

 21)  Zie vooral Hoofdstuk III, § 5.
 22)  Wij handhaven de hoofdletter, daar het bijna eigennamen zijn geworden. De psycho-analyse staat tegenover haar eigen theorieën volkomen ontaalcritisch; het Onbewuste is een gepersonifieerde, daemonische macht. Via een critiek op dergelijke hypostaseringen (zie Biese's critiek op Hartmann's ‘das Unbewusste’) kan de metaphoor weer opnieuw worden bereikt, - een van de vele voorbeelden van de typische relatie tussen begrip en verschijnsel, tussen problemen en begrip.


[p. 555]

niets zo hevig, als wat men zelf is’ 23)  ); dit wordt in de diepte weggedrongen en verlaat zo wel de ‘bewustheid’, maar niet het ‘bewustzijn’. In de droom openbaart het zich, zij het meestal niet zoals het ‘eigenlijk’ is; het hult zich vaak in symbolen, omdat de censor vrijwel nooit geheel slaapt. Tijdens het waken openbaart het zich in allerlei min of meer pathologische handelingen, aangeduid door middel van afleidingen met het praefix ver- (vergrijpen, vergeten, verlezen, verspreken).

Wij zouden over het Freudiaanse begrip ‘onbewust’ natuurlijk niet gesproken hebben, zo niet in de psycho-analytische literatuur het begrip ‘metaphoor’ en aanverwante begrippen als ‘symbool’ en ‘Witz’ aan de orde kwamen. Het belangrijkste van deze drie is daar ‘symbool’. Vele der associaties, waarop de symbolen blijken te berusten, vinden wij ook naar aanleiding van de metaphoren opgegeven, en het is dan ook niet te verwonderen, dat Werner hier en daar van bepaalde metaphoren analoga zoekt in droom-symbolen en zo de psycho-analyse nadert. De psycho-analytische interpretatie der symbolen is wel een geheel andere dan de aesthetische interpretatie der metaphoren. Voor de laatste is de beeldspraak van een auteur wel uiting van een persoonlijk onbewuste, maar zij zoekt niet naar een pathologisch complex, waaruit deze ontstaan zou zijn. Zodra de metaphoor als symbool (in de bovenbedoelde zin) wordt begrepen, krijgt het alle kenmerken daarvan, wordt het psycho-analytisch belast. Hetzelfde geldt voor de ‘Witz’, die soms psychologisch wordt geïnterpreteerd (contrast ‘verspreking’), soms door ‘bewust’ of ‘onbewust’ nader wordt bepaald. -

En hiermee eindigen wij ons exposé van de problemen, die naar aanleiding van het begrip ‘bewust’, vooral dan in verband met de metaphoor, kunnen rijzen, en van de mogelijke visies op die problemen. Nog een opmerking, die een verdediging wil zijn tegen een voor de hand liggende aanmerking. Het lijkt, of het meeste van wat in deze § ter sprake kwam, moeilijk tot de ‘taalkunde’ gerekend kan worden, waaronder wij het toch laten ressorteren. Men mag echter niet vergeten, dat wij niet het verschijnsel, doch het begrip ‘metaphoor’ beschrijven, en dat de kwestie der bewustheid naar aanleiding van de metaphoor eerst door de taalkundigen met hun psychologische interpretatiewijze relevant is gesteld.

 23)  G. Meyrink: Der Golem.


[p. 556]

§ 3 - Het begrip ‘sfeer’.

Daar de metaphoor, zoals wij reeds herhaaldelijk zagen, door velen wordt gedefinieerd als een overdracht uit disparate sferen, vergt het begrip ‘sfeer’ een nadere analyse.

Het Griekse woord σφαιρα heeft wel een achtbare staat van dienst. Het heeft zijn klank-moment (op grond natuurlijk van zijn betekenis-moment) geleend aan begrippen uit verschillende wetenschappen: cosmographie, metaphysica, logica en psychologie kennen ‘sfeer’ als technische term, en ook in de omgangstaal is het niet ongebruikelijk.

In de logica is ‘sfeer’: omvang van een begrip; deze is omgekeerd evenredig aan de inhoud. Het is dus een kwantitatief en niet een kwalitatief begrip. Daarom is ook de definitie van Erdmann als ‘der Inbegriff de Arten einer Gattung’ volkomen onmogelijk; als in-begrip heeft het begrip in-houd, eerst als om-begrip heeft het om-vang. Daarnaast vinden wij in de logische literatuur als definities: ‘het geordende geheel van alle aan elkaar gecoördineerde soorten van het begrip’ (Drobisch), ‘het totaal van de onder het begrip vallende objecten’ (Hagemann, Rabier), ‘het totaal van alle aan dat begrip gesubordineerde lagere begrippen’ (Sigwart). Külpe zegt, dat die omvang slechts relatief is aan te geven: ‘Je mehr sich zwischen die Einzelexemplare und den Begriff Mittelbegriffe schieben, um so gröszer wird die Zahl seiner Dimensionen und damit sein Umfang. Jede Gattung hat mindestens eine Dimension mehr als eine ihrer Arten’ 1)  .

Deze definities lijken ongetwijfeld op elkaar, maar zij zijn toch niet identiek. Volgens die van Drobisch kan een begrip van de eerste abstractiegraad geen omvang hebben; het heeft immers geen soorten. Volgens die van Hagemann en Rabier is voor de omvang van een begrip het behoren tot een abstractie-reeks irrelevant; de omvang van ‘organisme’ is eenvoudig: het totaal van alle organismen (en verandert dus met de werkelijkheid), en het feit dat het óók de begrippen dier en plant, vertebraat en phanerogaam enz., zoogdier en angiosperm enz., roofdier en monocotiel enz. enz. omvat, komt hier niet in aanmerking. Voor Külpe echter is dit juist zeer relevant en wisselt de omvang met de dimensie, met de abstractiegraad van het begrip. Niet dus het eenvoudige feit, dat er enige nieuwe begrippen bijkomen, die door het begrip in kwestie kunnen worden gepraediceerd, doet de omvang toenemen; niet dus eenvoudig het aantal praediceerbare lagere begrippen, waarin geen scheiding wordt gemaakt in coördinatie en subordinatie, maar alleen de subordinatie geeft hier de doorslag. Bezien wij de volgende reeks(en):

 1)  Zie Eisler onder deze vox.


[p. 557]



(Schema XXVI)

 

Wordt naast de metaphoor en de metonymia nog de synecdoche geplaatst, dan zal dit het aantal dimensies en daarmee de sfeer van ‘woord’ niet vergroten. Wel doet dit b.v. een onderverdeling van de aanschouwingsmetaphoor. Hier blijkt dan de relativiteit van het begrip ‘sfeer’. In een en hetzelfde systeem behoort ‘woord’ tot verschillende abstractie-reeksen en daarmee tot verschillende abstractie-niveau's; worden de woorden in het geheel niet in soorten onderscheiden, dan is het een abstractum van de eerste graad. Relativiteit blijkt ook uit het feit, dat in een dergelijk systeem vrijwel steeds abstracta van ongelijke graad aan elkaar gecoördineerd zijn, en dat een begrip niet alleen verschillende sferen kan hebben, maar ook tot verschillende sferen (d.i. tot de sferen van verschillende begrippen) kan behoren: ‘aanschouwingsmetaphoor’ b.v. behoort tot de sfeer van ‘decusmetaphoor’, van ‘metaphoor’, van ‘troop’ en van ‘woord’.

Maar in al deze gevallen betekent ‘behoren tot de sfeer van een begrip’ hetzelfde, nl. ‘door dat begrip gepraediceerd kunnen worden’.

Geldt dit nu ook, als er naar aanleiding van de metonymia en de metaphoor wordt gezegd, dat de begrippen (objecten) van phonetisch en semantisch kurion tot dezelfde sfeer, resp. tot verschillende sferen behoren? In hoeverre is hier ‘sfeer’ het begrip uit de logica, in hoeverre niet, - d.i. in hoeverre heeft het omvang, in hoeverre inhoud? En zijn ook de ‘begrippen’, waartussen sfeer-gelijkheid of -verschil wordt vastgesteld, wel (geheel en al) die uit de logica?

Deze vragen zijn niet eenvoudig te beantwoorden. Wij zeiden reeds meermalen, dat in de literatuur over de metaphoor in verreweg de meeste gevallen op het zozeer relevant gestelde begrip ‘sfeer’ niet nader wordt ingegaan. Wel

[p. 558]

worden er pogingen gedaan om de sferen op te sommen. Enige van deze opsommingen zullen wij eerst refereren, en wel achtereenvolgens die van de Griekse rhetores, van Vossius, van Brinkmann en van Stählin. Daarna zal een analyse ons leren, hoe het bedoelde begrip hierin is geïmpliceerd. En eindelijk zullen wij dit geïmpliceerde met het door de denk-psychologen geëxpliceerde begrip confronteren.

Vooraf nog een enkele opmerking. In sommige anthologieën worden de gedichten wel samengenomen naar het onderwerp, en die ‘onderwerpen’ hebben grote overeenkomst met de ‘sferen’. Als voorbeeld diene het volgende 2)  .

‘Sacred, Didactic and Moral, Descriptive (The Works of Nature, Beauties and enjoyments of the country, Scenery), Pastoral, The Seasons and Months (waartoe ook Morning, Noon etc. behoren), Natural Phenomena (hiertoe - en niet tot Winter - behoort b.v. Grahame's Winter Frost), Characters, Natural History (Flowers, Trees, and Shrubs), Animals (Birds, Insects, Beasts and Fish), the Social and Domestic Affections, Love of Home and Country’.

De plaatsing der afzonderlijke gedichten is vaak willekeurig. Sommige zijn ongetwijfeld ‘tref-zeker’, andere treft men in een totaal andere rubriek aan, dan men verwachtte; weer andere weet men in het geheel niet te plaatsen - en juist dan vraagt men zich af, waarom die indeling eigenlijk nodig is. Bij gedichten kan men zich die vraag inderdaad terecht stellen. Wordt echter ‘sfeer-verschil’ een constituerend moment in de definitie van een wetenschappelijk begrip, dan moeten die sferen zo nauwkeurig mogelijk worden beschreven, en dan moeten ook eventuele incorrelaties tot probleem worden.

De bedoelde sfeer-indelingen zijn:

 

I. εμψυχον, psychisch, noëtisch.

II. αψυχον, materieel.

(Schema XXVII)

 

I. divina

II. coelestia

III. elementa

IV. meteora, eorumque effecta

V. inanima perfecte mixta (metalla, lapides)

VI. plantae

VII. animalia communiter

VIII. muta

 2)  The Casquet of Gems. Choice selections from the poets (Edinburgh).


[p. 559]

IX. homines

X. artificialia

XI. verba

(Schema XXVIII)

 

A. DER MENSCH

I. Der Mensch als geistig-sinnliches Naturwesen (hoofd, neus, kin, enz.)

II. Der Mensch als Mitglied einer Familie

a) Das Haus

b) Die Ehe und die Familie

c) Speise und Trank

d) Kleidung

e) Geräthe

f) Das gesellige Leben, Vergnügungen, besonders die Spiele

III. Der Mensch als Arbeiter, als Mitglied eines Standes und einer Berufsgenossenschaft

a) Der Ackerbau: der Bauer, der Adel

b) Handel, Verkehr, Seewesen, Industrie: Kaufleute und Industrielle

c) Die Handwerke

d) Wissenschaft und Kunst: die Künstler und Gelehrten

e) die Beambten

IV. Der Mensch als Mitglied des Staates

a) Erinnerungen an das Lehns- und Ritterwesen

b) das Kriegswesen

c) das Rechtswesen

d) Verwaltung: Münzwesen, Finanzwesen, Steuer, Zoll, Post, Strassen etc.

V. Der Mensch als Mitglied einer religiösen Genossenschaft, Kirche, kirchliche Zustände und Handlungen, Religion, Glauben und Aberglauben

(Schema XXIX)

 

B. DIE NATUR

I. die Thierwelt

II. die Pflanzenwelt

III. die unorganische Natur

a) Metalle, Gesteine, Erde

b) Berg, Thal, Ebene etc.

c) Wasser, Meer, Seen, Flüsse, Bäche, Quellen, Luft, Nebel, Wolken, Regen etc.

IV. Naturerscheinungen: Wärme, Feuer, Licht (Sonne, Gestirne), etc.



[p. 560]

A. ALLGEMEINE GEGENSTÄNDE UND QUALITÄTEN

I. Dimensionen:

a) gross - klein

b) hoch - niedrig, oben - unten

c) innen - aussen

d) voll

II. Beziehungen zwischen Gegenständen:

a) Masse überhaupt, Grenzen ....

b) das Ganze und die Teile

c) verbinden und trennen

III. Sinnesqualitäten:

a) visuelle Sinnesqualitäten:

1) Formen

2) Farben (bunte Fn. und nichtbunte Fn.)

b) akustische Sinnesqualitäten:

1) Geräusche

2) Klänge (ausser Musik, s.u.)

IV. Ortliche Bestimmungen

V. Zeitliche Bestimmungen

(Schema XXX)

 

B. DIE AUSSERMENSCHLICHE NATUR

I. Allgemeines:

a) Schöpfung

b) Materie, Stoffe

c) Naturkräfte und Naturgesetze

d) Entwicklung, Werden und Vergehen

II. Weltkörper und atmosphärische Erscheinungen

a) der Himmel

b) Sonne, Mond, Sterne

c) Licht und Finsternis, Tag und Nacht

d) Luft, Wind

e) die Witterung: Wolken, Regen, Blitz, Donner, Jahreszeiten, Klima

III. Die Naturreiche:

a) Pflanzenreich

b) Tierreich

c) Mineralreich

IV. Naturprozesse:

a) Physik, bestimmte Naturkräfte, ins besondere Elektrizität

b) Chemie



[p. 561]

V. Geographisches:

a) die Erde als Weltkörper, Pol, Erdumrehung ....

b) Berg und Tal

c) Wasser: Quellen, Flüsse, Meer

d) bestimmte Länder

 

C. DER MENSCH

I. Der Mensch als individuelles Lebewesen:

a) allgemeines: Leib und Seele

b