Conclusie‘Dans les études philosophiques, l'esprit humain, imitant la marche des astres, doit suivre une courbe qui le ramène à son point de départ. Conclure, c'est fermer un cercle’, zegt Charles Beaudelaire 1) . Hoewel het uitsluitend onze bedoeling is geweest, een objectieve beschrijving te geven van een begrip in zijn wezen en zijn ontwikkeling, hebben de typische eigenschappen van het begrip in kwestie en de door ons toegepaste terminographische principia ons toch tot ‘conclusies’ gevoerd, waarvan wij hier de voornaamste praegnant als stellingen willen formuleren:
I. Aan een theorie van de metaphoor moet een theorie van het woord voorafgaan, d.w.z een bezinning op primaire termen als ‘woord, naam, betekenis, zaak’. II. Hetzelfde geldt voor een principiële wijsgerige critiek op de metaphoor of op de taal in het algemeen. III. Het o.a. door Vaihinger en Mauthner gegeven bewijs, dat het denken een ‘afwijking van de werkelijkheid’ zou zijn, is onjuist, omdat het berust op een verwarring van een psychische en een metaphysische werkelijkheid. IV. De taal-critiek onderscheidt niet scherp genoeg de verschillende functies der taal, critiseert derhalve de ene functie niet in logisch verband met de andere. V. Zij die bepaalde woorden ‘slechts metaphoren’ noemen, gebruiken vaak ‘slechts een metaphoor’ onbewust in drie betekenissen, nl. als: 1. een woord, dat een werkelijkheid intendeert, waarvan de mens slechts een inadaequate (op een analogie berustende) kennis bezit, 2. een woord, dat een werkelijkheid intendeert, waarvan de mens niets weet, 3. een woord, dat geen werkelijkheid (niets) intendeert. VI. Bij de interpretatie van taal-verschijnselen kan een psychologisch immanentisme niet gehandhaafd worden. |
1) Ch. Beaudelaire: Les Paradis artificiels, voorlaatste pagina. - In dit citaat verschijnen enige aspecten van ons begrip: de taal-metaphoor gedefinieerd en bewust gemaakt door een auteur-metaphoor, en bovendien nog door een vergelijking geëxpliceerd; en de taal-critiek zou niet nalaten op te merken, dat de cirkel, die hier zo poëtisch wordt verheerlijkt, vicieus is.
|
|
VII. Het is nog niemand gelukt duidelijk te maken, hoe het woord ‘eigenlijk’ begrepen moet worden, wil het in de uitspraak ‘Door het woord on-eigenlijk te gebruiken, zegt de dichter het eigenlijke’ zijn identiteit bewaren. VIII. ‘Eigenlijk’ blijkt ‘oorspronkelijk’, ‘gebruikelijk’ en ‘werkelijk’ te betekenen; hoe dit mogelijk is, maakt de literatuur over de metaphoor niet duidelijk. IX. Slechts Reichling's woord-theorie kan verklaren, waarom in ‘sluier der waarheid’ sluier metaphoor en waarheid personificatie is. X. Het is niet in te zien, waarom een indeling der sferen van het beeld-object zou afwijken van een indeling der sferen van de objecten in het algemeen. XI. De term ‘sfeer’ (van een woord) ontbeert wetenschappelijke precisie, omdat het soms logisch, soms psychologisch geïnterpreteerd wordt, soms ‘inhoud’ en soms ‘omvang’ is en soms samenvalt met wat K.O. Erdmann onder ‘betekenis’ van een woord verstaat. XII. Om verschillende redenen moet aan een theorie van de metaphoor een beschouwing over het identiteitsprobleem voorafgaan. XIII. Het interpreteren van het begrip ‘metaphoor’ is een interpreteren van metaphoren.
De ‘spreiding’, die deze stellingen vertonen, correspondeert slechts weinig met de grote gecompliceerdheid van het begrip. Niets blijkt hier b.v. van de bi-polaire structuur, waardoor het niet alleen een logische, doch ook een affectieve ‘spanning’ verkrijgt. ‘Metaphoor’ is een term uit de rhetorica, maar ook het centrum van een wereldbeschouwing. De metaphoor wordt begrepen als uiterlijke versiering, maar ook als scheppende uitdrukking van een persoonlijkheid; als zinledig geluid, maar ook als enige brug tot het raadsel der werkelijkheid; als leugen van den mens, maar ook als openbaring Gods. Zij kent de liefde maar ook de haat van honderden denkers en dichters. En waar een immanente critiek in een en dezelfde visie een der genoemde contrasten als ‘illogiciteit’ aantreft, daar heeft een mens niet slechts met de metaphoor, maar ook met het raadsel van ons bestaan en met zichzelf geworsteld. In deze spanning hebben wij het begrip ‘metaphoor’ willen beschrijven, als een begrip, waardoor wij ons met het verre verleden verbonden voelen, en dat door zijn vele onopgeloste problemen ver in de toekomst wijst. |