terug  begin  verder
[p. 57]

5. De overlevering van het BUA in het Middelnederlands

5.1 Algemeen overzicht

Van het BUA zijn twee Middelnederlandse vertalingen bekend1). De eerste vertaling (Vert. I) is vermoedelijk in 1451 vervaardigd; het vroegst gedateerde afschrift is in 1458 voltooid en wordt in Utrecht of de omgeving daarvan geplaatst2). De tweede vertaling (Vert. II) is in vergelijking met Colv. 1627 sterk bekort, en lijkt afkomstig uit het hertogdom Gelre. Wanneer deze vertaling is vervaardigd is niet bekend; het oudst gedateerde hs. is in 1491 voltooid.

Van Vert. I zijn tot op heden tien handschriften en twee drukken bekend. Een hs. dat in de Universiteitsbibliotheek te Leuven werd bewaard is tijdens de Tweede Wereldoorlog verbrand; ons rest slechts een beschrijving. Het was afkomstig uit het St. Agnesklooster te Tongeren3). Zes hss. zijn reeds beschreven door Van der Vet onder de sigla A-F4). De sigla M, N, Q, R zijn door mij toegevoegd voor de vier hss. die pas na Van der Vets studie bekend zijn geworden. De twee drukken van Vert. I zijn door Van der Vet met S (Zwolle 1488) en Z (Leiden 1515) aangeduid5).

De sigla G, H, K, L zijn door hem gebruikt voor zijn beschrijving van de vier hss. van Vert. II6). De sigla P en X reserveert hij in zijn stamboom voor de verloren voorlopers van Vert. I, en met hetzelfde doel het siglum O voor Vert. II7).

Van alle handschriften en de drukken zijn gedeeltelijk voor het eerst, gedeeltelijk opnieuw beschrijvingen opgesteld. Om praktische redenen zijn deze niet gegroepeerd naar de twee vertalingen, maar alfabetisch gerangschikt. De partiële weglatingen in vergelijking met Colv. 1627 zijn vastgelegd in een overzichtstabel in paragraaf 5.3, aangevuld met de resultaten uit de vergelijking met de Latijnse hss. LA, LB en LC, en de drukken LX, LY, LZ (vgl. hoofdstuk 4). De gevolgtrekkingen uit de beschrijvingen en de tabel worden besproken in paragraaf 5.4.

5.1.1 Kenmerken van Vert. I

Van Vert. I zijn bekend:

de hss.

A 's - Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, 75 E 14; 1458

B 's - Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, 73 E 26; 1469

C 's - Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, 78 I 63; 1469

D Leiden, Universiteitsbibliotheek, Ltk. 360; 1461

E Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 19407; 1481

F Strasbourg, Bibliothèque Nationale et Universitaire, 2100; s. 15II.

M Kopenhagen, Kongelige Bibliotek, Thott 3142 Fol.; s. 15II

N 's - Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, 129 C 23; 1486

Q Gent, Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal en Letterkunde, 9; 1510

R olim Leuven, Universiteitsbibliotheek, G 230; 1485

[p. 58]

de drukken

S Zwolle, Peter van Os; 1488

Z Leiden, Jan Severszoon; 1515.

 

Volledigheidshalve dient te worden opgemerkt dat een ‘bye boec’ voorkomt op de 15de eeuwse bibliotheeklijst van het Barbaraklooster te Delft8). Aangenomen wordt dat het hier Vert. I betrof. De vermelding van dit hs. wordt slechts betrokken in de bespreking van de receptie van het BB (vgl. hoofdstuk 6).

Zoals Van der Vet reeds impliciet heeft vastgesteld kunnen deze hss. en drukken dialectisch in een ‘Utrechtse’ groep (A, B, C, D, E, M, Q) en een Oostnederlandse groep (F, N, S en Z) worden onderscheiden; Z is een wat meer westelijk gekleurde herdruk van S9). Hierin zijn A en F als archetypen te beschouwen. We noemen deze groepen de A - familie en de F - familie.

In Vertaling I zijn ten opzichte van het Latijn volgens Colv. 1627 weggelaten:

- Uit de proloog de zin: ‘Et ego, quidem indignus, ex mandato vestro huius operis audaciam sumpsi; cum in quodam capitulo generali fratribus demandastis, ut in singulis provinciis digna memoriae scriberentur; si per fratres, vel occasione fratrum, sive alias nota fratribus contigissent’; (‘En ik, ofschoon onwaardig, heb de stoutmoedigheid genomen om dit werk te schrijven, mede omdat u aan de broeders tijdens een Algemeen Kapittel hebt gevraagd om uit de eigen provincies10) gedenkwaardige gebeurtenissen op te schrijven die door de broeders tot stand waren gekomen, of waaraan zij hadden meegewerkt, of die op een andere manier aan de broeders bekend waren geworden’)11);

- 27 sermoenen of onderdelen daarvan: BUA I, 3 § 7; I, 9 § 5; I, 19 § 4; I, 20 § 9; II, 3 § 6; 10, §§ 11, 14, 23, 28, 30, 31, 32, 33; II, 29 § 36; II, 30 §§ 21, 48, 49, 50, 54, 56; II, 34 §§ 2, 3, 5; II, 46 § 3; II, 57 §§ 16, 44, 51, 65.

- 18 exempels: BUA II, 1 §§ 3-11, 15, 18; 29 §§ 11-16; 30 § 55.

- Uit de epiloog de zin: ‘Peto autem suppliciter, ab his maxime, quorum manus Cristi sanguine consecratae sunt in altari; quatenus pro me specialiter, et pro cunctis fidelium animabus, unam missam celebrent; vel, si sacerdos non est, celebrare faciat lector libri’; (‘Ik verzoek echter, vooral aan diegenen wier handen door het bloed van Christus geheiligd zijn op het altaar, om speciaal voor mij en voor alle zielen van de overleden gelovigen, een mis op te dragen, of, als de lezer van het boek geen priester is, een mis te laten opdragen’).

- een aantal eigennamen, als in ed. BB, p. 14, voetnoot r. 37, en p. 28, voetnoot r. 39.

Uit andere literaire bronnen zijn de volgende excerpten toegevoegd:

- volgend op BUA II, 29 § 9: een gedeelte uit ‘Het boek der bijzondere genade' van Mechtild van Hackeborn’, Revelacien I 4212);

[p. 59]

- ter vervanging van BUA II, 30 § 48: een gedeelte uit de <Moralia in Job> van Gregorius de Grote, hfdst. 26 c. 3513);

- volgend op BUA II, 40 § 1: twee exempels, een uit de <Dialogus miraculorum>, IX, 8 van Caesarius van Heisterbach14),

- de ander is niet geïdentificeerd15).

 

Kenmerkend voor Vert. I is ook dat slechts de eerste acht hoofdstuktitels (Boek I) zijn voorzien van een inleidende passage (rubrieken); deze komen daarna niet meer voor. In de kapittellijst zijn ze ten onrechte beschouwd als hoofdstuktitels.

De kapittelnummering van Boek II begint vanaf het tweede, in plaats vanaf het eerste kapittel, zodat het lijkt of er 56, in plaats van 57 hoofdstukken zijn. Deze vergissing komt ook voor in Latijnse hss., zoals Colvenerius al heeft opgemerkt16).

In alle hss. en de beide drukken is in de volgende zin: ‘Super mortuum plora, defecit enim lux eius’, het woord ‘licht’ (Lat. lux) vervangen door ‘lichaam’ in: ‘Op den doden screye want sijn lichaem ontbreket’ (A f. 185v, F f. 237c, editie BB. p. 223, r. 29).

 

De A - familie vertoont ten opzichte van de F - familie een aantal fouten, waarvan hier enige voorbeelden volgen17):

1. In de kapittellijst:

- Boek I, cap. 20: Is dat daer enige bye moede is of bi enen tuun dwaelt daer vlieget die coninc mit sinen roke; bi enen tuun, ls.: bi auenturen (Lat. aut forte aberravit);

- Boek II, cap. 23: Onder den bien sijn mennigerhande ampte een deel byen tymmeren die ander maken slecht ende zuuerlic. die ander raden totten anderen delen dat daer gehaelt is; raden totten anderen delen, ls.: die ander raden toe. die ander deilen dat daer gehaelt is (Lat. aliae suggerunt, aliae distribuunt ex eo quod allatum est).

2. In de tekst:

A- f. 5d, tueven (ls.: tavonde, F: BB ed. p. 8, rr. 24-25; Lat. vespere);

- f. 9b, ongehoerde letteren (ls.: ketterie, F: BB ed. p. 13, r. 3; Lat. haereses);

- f. 62a, pestilencien (ls.: popelsien, F: BB ed. p. 77 r. 20; Lat. paralysi);

- f. 104b, schoen vuerige cloten (ls.: seven, F: BB ed. p. 125, r. 49; Lat. septem);

- f. 143c, op ten heiligen korsdach (ls.: paesch dach, F: BB ed. p. 174,

- f. 203b, nam hi die zelue ioffer sijn zuster op den choer (ls.: schoet, F: BB ed. 244, r. 45; Lat. in gremio).

In het volgende citaat ontbreekt in de A - familie de tussen haken geplaatste passage:

- Do toende he siner moder ene grote borde waters de he in synre hoyken droech. ende sede. Se moder dit sint de tranen de du unnuttelicke vor my vth ghestort heuest. ende mit deser borden werde ick ghehindert dat ic den anderen nicht volghen en kan. (Hijr vmme storte tranen to gode ende inder teghenwordicheit des lijchames cristi bidde vor my mit

[p. 60]

enen goddenstighen ende ynnighen herten to gode. ende ghif aelmissen den armen ende dan sal ick verloset werden van den verdrete dar ick nu mede beswart byn.); vgl. BB ed., p. 221, 33. 45-52;

Lat.:

Ecce, inquit, mater lacrymae, quas pro me inaniter effudisti, quarum pondere ab aliorum prosecutione retardor. Ad Deum ergo lacrymas commutabis, et in presentia sacrificii corporis Christi, cum eleemosynis pauperum, pro me cor pium et devotum effundas, et tunc liberabor ab incommodo, quo nunc gravor. (BUA II, 53 § 17)

3. In Boek II, cap. 56 (BUA II, 57) is de volgende tekstaanpassing karakteristiek:

A- Totten kunnen der horneten werden oec mede toegevoeget drierhande kunne van anderen wormen. Alse vleder muse wevelen ende ander diere. Hierin werden beteikent drierhande manyere van duvele. (f. 198d)

F- To der kunne der hornten werden oeck mede to gheuoghet drierhande kunne van anderen wormen. Alse vleder muse, weuele ende (). Hijr ynne werden betekent vierrehande maneer der duuele. (BB ed. p. 239, rr. 17-20).

Lat.:

Vespari generi trium vermium species aiunguntur, blacte, crabrones, atque stupestres; et his quattuor daemoniorum species figurantur (BUA II, 57 § 1).

Het onbegrijpelijke ‘stupestres’18) werd in A opgelost door ‘ander diere’ en het getal gewijzigd. In F liet de kopiist een ruimte open, vermoedelijk om het later in te vullen; N, S, Z geven ‘stupestres’.

 

Van alle hss. en drukken in Vert. I is F het meest betrouwbaar en het meest volledig, in vergelijking met Colv. 1627. Het hs. onderscheidt zich door

1. de correcte overname van

- de naam ‘Humbert’ in de proloog19);

- de volgorde ‘wyuen en de mannen’ (Lat. in mulieribus et in viris) in de zin: ‘Laet vns vaste holden dat de iuncferlicke werdicheit beide is in wyuen ende in mannen’ (f. 180a, BB ed. p. 135, rr. 42-43); overige hss. en drukken ‘in mannen ende in wyuen’;

- een aantal woordgroepen die in de meeste andere hss. en drukken zijn weggelaten, zoals bijvoorbeeld ‘want du hevest my lange truwelike ende sunder underlaet ghedent’ (f. 94b, BB ed. p. 12, r. 37); Lat.: quia mihi longo tempore feliciter et infatigabiliter deservisti;

- ‘He waert doer wghetoghen ende begraven’ (f. 96b, p. 17 rr. 2-3), (Lat.: extractus est et sepultus); in de overige hss. en drukken is ‘doer’ vervangen door ‘doot’.

2. Het weglaten van een zinnetje, dat overigens ook in A en C, en N ontbreekt:

- rechteuoert riep die proefst mit bliscapen ende seide het gescie also ende het werde gevesticht (ende rechtevoert wert dese kiesinge geuestiget) mit volboert alle der canoniken' (f. 91b, BB ed. p. 8, rr. 14-17); (Lat.: Mox decanus subridens, sic fiat, inquit, et fiat. Et mox facta est postulatio consensu omnium, et firmata.)20)

[p. 61]

Hieruit kan worden geconcludeerd dat de legger van A en F tot eenzelfde tekstfamilie (door Van der Vet P genoemd) behoorde.

Ook in F zijn enige afschrijffouten, zoals ‘enicheit’ in plaats van ‘ewicheit’ (BB ed., p. 6 r. 3; deze fout treft men ook aan in E).

In vergelijking met de overige hss. en drukken van Vert. I komt de inhoud van F het meest overeen met Colv. 1627. Aangezien in Vert. II de sermoenen bijna geheel ontbreken, geldt dit ook voor de vergelijking van F met de hss. in deze vertaling. F is afkomstig uit het graafschap Bentheim; wanneer we de Duitse kleur van dit grensgebied buiten beschouwing laten kan F als de beste vertegenwoordiger van Vert. I. worden gezien.

5.1.2. Kenmerken van Vert. II

Van Vert. II zijn de volgende hss. bewaard:

G Utrecht, Universiteitsbibliotheek, 1016; 1491.

H Utrecht, Universiteitsbibliotheek, 1017; s. 15d/16a

K 's - Gravenhage, Koninklijke bibliotheek, 135 F 11; s. 15II

L Berlijn, Staatsbibliothek der Stiftung Preussischer Kulturbesitz, Germ. F 1033; 1639.

 

Deze hss. kunnen in twee groepen worden verdeeld: GH en KL; L is een heel late copie van K en blijft verder onbesproken21). G bevat van de drie hss. de meeste exempels. Er zijn in GH geen interpolaties. Beide hss. zijn in feite te beschouwen als een stichtelijk exempelboek omdat de sermoenen vrijwel ontbreken. In K is het raam van de sermoenen in grote lijnen gehandhaafd, maar sommige exempels kregen een andere plaats, 57 exempels zijn weggelaten en 35 exempels zijn met veel zorg ingelast uit andere literaire bronnen, waardoor in feite van een nieuwe redactie sprake is.

In G en H is de proloog vervangen door het exempel BUA I, 4 § 4 (over de vreselijke straf in het hiernamaals van bisschop Guido van Laon van Kamerijk, die te wreed was voor degenen, die onder hem stonden), waarna wordt vervolgd met de eerste hoofdstuktitel van Boek I; in K is de proloog wel aanwezig, maar sterk bekort. Ofschoon tussen G en H enerzijds, en K anderzijds, redactioneel grote verschillen optreden, en elk zijn eigen weglatingen heeft, is er toch voldoende verwantschap aanwezig om een vertaling te onderscheiden, die afwijkt van de tekst van Vert. I. Hiervan volgen enige voorbeelden uit G en K, geplaatst naast dezelfde tekstdelen in F.

Als eerste voorbeeld is de tekst gekozen van BUA I, 4 § 1, waarmee GH beginnen ter vervanging van de proloog, maar die zich in K op de normale plaats bevindt:

G doe seide oen die broeder. hoe ist mitti vader. doe seide hie. ic bin gestoruen ende heb betalt die gemeynte scolt. die alle mynsche sculdich sijn. Ende siet ic gae tot zwaren pinen eer ic totter glorien comen mach. doe seide die broder. ende wat is die zake dynre pijnen. Doe antworde hie want ic minen onderzaeten toe strenge heb geweest. dat doit mij pine lijden. (f. 191r)

[p. 62]

K Doe sprack die bruder tot hem. hoe ist myt dy vader. hie antworden ick bin gestoruen ende heb betaelt die gemyn scult welcke alle menschen sculdich sijn. ende siet ick gae tot swaren pinen eer ick tot glorien comen mach. Doe vrachde die bruder om wat saeken hie die pine verdient had. Doe antworden hie om dat ick mynen ondersaeten te strenge heb geweest. (f. 8r/v)
F ende de broder sechde to em. vader wo isset mit dy. He antworde ic bin ghestoruen. ende hebbe betalt de ghemene scult der menscheliker naturen. De broder sechde. wo. he antworde se ic ga to seer swaren pinen. daer ic ynne gherenighet sal werden eer ic to der glorien come. De broder sechde. wat is de sake diner pine. He antworde alte grote wreetheit heuet mi sculdich ghemaket. daer vmme moet ic gherenighet werden. (BB ed., 14 Ex. 6)
Lat.: Cui frater: Quomodo, inquit, pater tibi est? Et ille: Mortuus, inquit, sum, debitum commune soluens conditionis humanae; et ecce ad satis graves transeo poenas, expurgandus priusquam ad gloriam transferar. Et mox frater: Quae, inquit, poenae causa? Cui ille. Nimia severitas, inquit, me culpabilem reddidit et purgandum. Constat inter auctores, quod rex apum nullum habet aculeum, maiestate tantum armatus. (BUA I, 4 § 4)

Als tweede voorbeeld volgt een exempel uit BUA II, 7 (over de verwerpelijke praalzucht van prelaten):

G Mi gemueten een abt van eenen hogen oirden mit stercheit van vele peerden ende mit groten gesien. alsoe dat ic hadde mogen meynden. dat hie een hertoge of een greue had gewest. en had ickes in den aensicht niet gekent. hie versmaden in den priesteren een ronde cap des gemeynen habits. ende had enen tabbart aen gedaen den die walen heiten een hont. Sijn cleder waren van den besten scaerlaken mit costeliken bont geuodert nauwe aen sijn knyen reikende. leersen had hie aen sijn beyn recht of sie on ingewasschen waren sonder vauwe sij wtstreckende. Ende on en ontbrack anders niet daen een craens in sijn hoeft. dat hie een ridder hadde schinen te wesen. Leyder wair was dat auentmael onses princes Christi in iherusalem comende. Waer was des edels sunte iohans baptist gordel. dat van scarpen ruwen haer des camelen was. Waer was sunte benedictus haren cleet. (f. 195)
K Op een tijt gemueten my een abt van enen hoegen oirden myt stairlicheit van voel peerden ende groet gesynne. alsoe dat ick had moegen mennen dat hie een hertoech of een greue had geweest. en had icks in den aensicht niet gekent hie versmaden in den priesteren een ronde cappe des gemeynen habijts. Ende had enen tabbert aengedaen den die waelen heiten een hont. Sien cleder van den besten scarlaken mijt den besten bont gevoedert nauwe aen sijn knyen reikende. leersen had hie aen sijn been recht of sie hem in gewassem weerem sonder einige rympen. Ende hem en ontbrack anders niet dan een crans in sijn hoeft. dat hie een ridder had moegen schinen. leider waer was dat auentmael dat otmodige geselscap den esel ons princen

[p. 63]

  ihesu cristi otmodeliken in iherusalem comende. waer was des edelen sunte iohan baptisten gordel dat van scarpen rouwen haer des camelen was waer was sunte benedictus haeren cleet. (f. 10)
F My quam ens in den weghe to ghemote een abbet mit velen peerden ende mit groten ghesinne also dat ic meer ghelouet solde hebben dat et een hertoghe ofte eyn greue ghewest hadde hed ic es in den anghesichte nicht bekant. He hadde versmaet de runde kappe der ghemenen presters. ende hadde anghetoghen enen tabbert. sine cleder weren van schaerlaken. ende ghenghen nowe an dat knee. ende sine leersen seten em seer slicht an sine beine. recht of se daer anghewassen weren. ende daer en brack anders nicht an te schene te wesen een nye ridder anders dan he ghinen krans vp den houede en hadde. Och arme waer was Cristus vnses princen cledinghe. do he to iherusalem quam. waer was des alren edelsten mans Johannes baptisten gordel dat ghemaket was van ruwen hare der camelen. Waer was sunte benedictus ofte hilarionis melote ofte haren cleet. (BB ed. p. 16, Ex. 7)
Lat.: Occurrit mihi in via quidam altioris ordinis abbas, cum multorum equorum robore atque familia, ut potius Ducem, aut Comitem credidissem, nisi eum in facie cognovissem. Spreverat in sacerdotibus rotundam communis habitus cappam, et tabardum, quem Gallici canem dicunt, (id est, vlieger,) induerat. Vestes eius ex scarleta forrata vario, duplices, vix genua contingentes. Ocreas habebat in cruribus, quasi eis innatae essent, sine plica orrectas. Nec aliud defuit, nisi sertum in capite, quod non novi tirocinii militem loqueretur. Proh dolor! Ubi senatus principis Christi in Hierusalem venientis? Ubi nobillissimi Ioannis Baptista ex pilis hirsutis camelorum zona? Ubi melota, vel cilicium beati Benedicti, aut Hilarionis? (BUA I, 7 § 2)

Als derde voorbeeld is een passage gekozen uit het exempel van de kerstening van de joodse Rachel (BUA II, 29 § 20, editie BB p. 126, rr. 23-29)22):

G Ick heb in den lande van brabant een non gesien van sunte bernardus orde. dese was een ioedynne geboren ende dat werc der glorioser moeder Christi seer groteliker in dese. Doe sie noch in oire olderen huys woenden. ende en was noch mer vier iaer alt. begonde sie in oeren syn te peynsen hoe dattet bi quaem. dat die ioeden ioeden hieten. ende die kersten kersten. Want die kersten ende die ioeden van enen aensicht ende van eenre spraken waren. (f. 239r)
K Ick heb in den lande van brabant een nonne gesien van sunte bernts orde. Dese was een ioedinne geboiren Ende dat werck der glorioser moeder Christi scheen groeteliken in deser. Doe sie noch in hoire alders huus woenden ende was noch meer vier iaer alt began sie in hoir seluen te dencken hoe dattet bi queem dat die ioeden ioeden heiten. Ende die kersten kersten want die kersten ende die ioeden van eenre formen ende sprake waren. (f. 112r)
F Ic hebbe in brabant gheseen ene nunne van der orden cisters, de bekert was van der iodesscap. in welker dat werck der moder Cristi seer

[p. 64]

  glorioselike ghewracht hadde. Do de nunne noch een kindeken was began se in den huse horre olderen dat ioden weren in horen ghemode an te merken. woer vmme dat dar weren vnderscheidinghe der namen als der kerstenen vnde der ioden. ende het nochtan menschen weren van eenre sprake ende ansichten. (BB ed. p. 126, Ex. 119)
Lat.: Vidi in Brabantiae partibus cisterciensis ordinis monialem de Iudaismo conversam, in qua opus divae Mariae matris Christi gloriosius excellebat. Annorum non plene quinque, in domo parentum Iudaeorum advertere coepit animo: cur distinctio nominum fieret Iudaeorum pariter et Christianorum, cum unius vultus atque loquelae homines essent utriusque gentis. (BUA II, 29 § 20).

Twee hoofdstuktitels in Vert. II zijn niet goed vertaald: BUA I, 11: ‘Et in officio illius omnes conspici se gaudent’ is vertaald in ‘Ende die coninc der bien verblyt sich daer in dat hie in sinen offici gesien wort’ (G, f. 198v, evenals K, f. 16v; vgl. BB ed. p. 23, rr. 34-35). De titel in BUA II, 10 ‘Nullus cum per caelum licuerit otio perit dies’ is vrijwel gelijkgesteld aan die van II, 45 ‘Si dies futurus est mitis, provolant universae’:

- Als die dach zuet ende scoen is soe en laten die byen niet ouergaen sie en arbeiden. (G f. 217v, K f. 61r; BB ed. p. 69);

- Als die toecomende dach is sacht soe vliegen die byen al wt. (G f. 262v, K 166v; BB ed. p. 186).

 

Hoofdstuk BUA II, 15 waarin geen exempel voorkomt, ontbreekt in G, hoofdstuk II, 17 dat handelt over de nadelen van een te slap beleid, is overgeslagen in K (BB ed. pp. 91 en 94). Eigennamen, die in Vert. I dikwijls zijn weggelaten, zijn in G en K meestal wel aanwezig, soms zelfs uitgebreider dan in Colv. 1627: in BUA II, 22 § 4 is ‘in Gallia’ vertaald ‘in digon in burgondien’ (G f. 227r, K f. 85v, BB ed. p. 103 r. 9). Ook zijn namen anders vertaald: in BUA II, 40 § 2 is in plaats van duacensis (Douai), pickerdien geschreven (G f. 257r, K f. 153r, BB ed. p. 174 r. 11).

Door de bekortingen in de tekst is het moeilijk zich een beeld te vormen van overgeslagen regels. Zowel in G als in K is een regel overgeslagen in BUA I, 3 § 6: ‘ut prius instigante dicto fratre Henrico’ (vgl. BB ed. p. 13 r. 7; G f. 193v, K f. 7v).

De fouten die in de A - familie in Vert. I voorkomen, zijn in Vert. II niet aanwezig. De ontbrekende zinnen in II, 53 § 17 in de A - familie zijn hier wel vertaald.

Soms zijn exempels anders gerangschikt. Zowel in G als in K is exempel I, 9 § 8 geplaatst tussen §§ 4 en 5.

Binnen het bestek van mijn studie was er geen aanleiding om Vert. II verder te bestuderen. Volstaan wordt met de conclusie, dat de opmerkingen van Van der Vet over deze vertaling herziening behoeven, al was het maar omdat hij als vanzelfsprekend aannam dat K volgde op G, en geen rekening hield met andere mogelijkheden.

 

Kenmerkend voor Vert. II in vergelijking met Colv. 1627 zijn:

[p. 65]

- De proloog, die alleen in K voorkomt, is sterk bekort;

- De vertaling van hoofdstuktitel van BUA I, 11 is niet correct;

- De hoofdstuktitel van BUA II, 10 is aangepast;

- Het begin van de sermoenen is summier aanwezig in K, ze ontbreken doorgaans in GH; de sermoenfragmenten BUA I, 3 § 7; I, 9 § 5; II, 10 § 30; II, 57 § 65 (slot), die in Vert. I niet zijn opgenomen, zijn hier wel aanwezig (in G respectievelijk ff. 194a, 197d, 221b, 294a).

- 8 exempels ontbreken: BUA II, 1 § 15; 3 § 9; 22 § 3; 30 § 35; 35 § 5; 36 § 3; 49 § 12; 57 § 51 (laudatio voor Jordanus van Saksen).

- exempel I, 9 § 8 is geplaatst tussen I, 9 §§ 4 en 5.

- De epiloog is volledig overgenomen (uitsluitend in K).

5.2 Beknopte beschrijving van de handschriften en drukken

In de volgende beschrijving zijn elementaire kenmerken23) opgenomen die voor het vergelijkend onderzoek van belang kunnen worden geacht. Voor de benaming van het BB wordt de titel aangehouden zoals die in het hs. is gebruikt, zonder auteursnaam. De katernformule is van belang voor de handenscheidingen. De watermerken geven soms een aanwijzing voor de datering. Aan de hand van de mise - en - page kan men de oorspronkelijke schriftspiegel reconstrueren van de afbeeldingen die aan deze paragraaf zijn toegevoegd. De materiaalbeschrijving en de katernformule, het eigendomsmerk en het colofon hebben betrekking op het hele boekblok, de overige gegevens betreffen uitsluitend het BB.

In de tekstgeleding van het BB geef ik alleen de structurering van de tekst. Voor de presentatie van de citaten uit de hss. en drukken, zie de inleiding op de tekstuitgave in hoofdstuk 7, paragraaf 2. In de rubriek ‘Opmerkingen’ wordt verslag gedaan van de specifieke redactie van de tekst. De beschrijving van de decoratie dient slechts om een algemene indruk te geven en heeft geen kunsthistorische pretenties. Wat betreft de band wordt volstaan met een aanduiding van het bandtype. In verband met de doelstelling van het proefschrift wordt in de rubriek ‘Geschiedenis’ uitvoerig ingegaan op de vroege bezitters van de hss., die het uitgangspunt vormen voor hoofdstuk 6. De literatuur in de handschriftbeschrijvingen is alfabetisch vermeld.

 

Handschrift A (Vert. I)

 

's - Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, 75 E 14

<Een gemeen goet van der natueren der byen>.

Voltooid 20 oktober 1458 (f. 219r).

Utrecht, waarschijnlijk in het klooster Maria te Bethlehem, vgl. hs. D.

Kopiist: noemt zich ‘scrijfster’.

 

Papier; 224 ff., 1 + 219 (moderne foliëring 1-219) + 4 ff.; 287 × 201 mm.

Katernformule: 1 - 28/8 (de laatste 4 ff. zijn onbeschreven).

[p. 66]

Watermerken: P met kruisbloem en tangvoet, vgl. f. 45, f. 221; anker met kruis, vgl. f. 33; door mij niet geïdentificeerd.

Mise - en page BB: 2k, 34 rr (op f. 6r), 28 <63> 8 <67> 33 (138) × 50<180> 29 . Gr. 5,9.

Schrift: littera gothica hybrida, 1 hand, die ook hs. D en een afschrift van het Passionaal schreef, vgl. D.

 

Tekstgeleding: ff. 1r-3r kapittellijst: ‘Hier beghinnen die capittelen des boecs’ Dat erste capittel is dat die prelaet---hate; ff. 3r-v proloog: ‘Hier begint dat boec dat geheten is een gemeen goet van de natueren der byen. Dat prologus’ Een oetmoedich brueder --- onser oerden; ff. 3v-39v Boek I: ‘Dat Cristus --- te wesen’ Alle gelouige menscen --- weynich tijts rusten; ff. 39v-219r Boek II: ‘Hier eyndet dat eerste boec der byen van den prelaten. Hier beghint dat ander boec van den ondersaten.’ Al die clercscap --- een god sonder eynde. Amen; f. 219r dubbel colofon; f. 219r bladvulling.

f. 219r: Hier eyndet dat boec der byen. dat begonnen wert ouer te setten int gulden iair op S. matheus auont ende geeyndet wert op onser lieuer vrouwen auont Annunciacio. Jtem wi bidden die dit boec ouer geset hebben dat alle die geen die dit lesen of horen lesen voer ons lesen willen onser lieuer vrouwen kransken.

(f. 219r:) Dit boec is gescreuen Jnt iaer ons heren M.CCCC. ende lviii. ende wert geeyndet op der XIm maechden auont. Deo gracias. Een Aue maria van mynnen om gods wil voer die onnutte scrijfster. (colofon van de kopiiste)

f. 219r: Dat zuuerlike werck van desen byen. moet ons allen verbliden. mitter genaden gods van binnen. ende geue ons te uerwinnen alle die gebreken. die tegens die goede punten van desen byen spreken. ende maec ons mit sijnre genaden starc hier in der tijt ende geue ons sijn glorie in der ewicheit. (bladvulling van de kopiiste)

 

Rubricatie: De hoofdstuktitels zijn onderstreept, evenals de meeste eigennamen en het eerste colofon; de verbindende teksten (rubrieken) voor de eerste 8 hoofdstukken (BUA I, §§ 1-8) zijn in rood geschreven, de overige titels hebben geen rubrieken. De exempels zijn door het woord ‘exempel’, of een paragraafteken (een ‘haal’) in rood aangegeven.

Decoratie: een opengewerkte initiaal op f. 3r (6rr., proloog), f. 3v (7rr., Boek I), en op f. 39v (5rr., Boek II), alle in blauw, ingevuld met rood, met penwerk in rood en paars; de hoofdstuktitels worden voorafgegaan door 3rr. initialen in rood, de kapittellijst opent met een 2rr. initiaal in rood.

 

Band: omslag van dik perkament, s. 18. (vgl. Deschamps, Mnl. hss. nr. 66).

 

Opmerkingen: Dit hs. is representatief voor een aantal afschrijffouten, die eveneens in de hss. B, C, D, E, M en Q voorkomen (vgl. superior, paragraaf 5.2).

De volgende fout komt alleen in A voor: - ende bleef gesont thent tot onser tiden toe (Lat. usque ad mortem), f. 204 b; vgl. BB ed., p. 241, r. 36.

Het hs. werd oppervlakkig betrokken in de hss. vergelijking van N.O. Heinertz in diens <Die mittelniederdeutsche Version des Bienenbuches von Thomas von Chantimpré, das erste Buch>.

 

GESCHIEDENIS

 

De kopiiste beëindigde het afschrift op 20 oktober 1458, de vooravond van de feestdag van de Elfduizend maagden (St. Ursula en haar gezellen). Volgens het

[p. 67]

eerste lid van het colofon is men met de vertaling van deze Middelnederlandse tekst begonnen op 20 september 1450, waarna het op 24 maart 1451 werd voltooid (‘gulden iair’ is het Jubeljaar 1450); vgl. H. Grotefend, <Zeitrechnung des deutschen Mittelalters und der Neuzeit> I (Hannover 1891) 102.

 

Op f. 219r is geschreven: ‘J. Kaldekerck heeft dit boek gecocht die Maij Anno domini 1641’. Deze persoon is mij verder niet bekend.

 

LITERATUUR

 

<Catalogus codicum manuscriptum Bibliothecae Regiae> I ('s - Gravenhage 1922) nr. 612; CMD - NL II nr. 463; Deschamps, Mnl. hss. (1972) nr. 66; N.O. Heinertz, <Die mittelniederdeutsche Version des Bienenbuches von Thomas von Chantimpré, das erste Buch>, (diss. Lund 1906) VII1, IX; 87-99; C. Stutvoet, ‘Het Bijenboek van Thomas van Cantimpré in relatie met de Moderne Devotie’, in: <Middeleeuwse boeken en teksten uit Oost - Nederland>, A. Geurts ed. (1984) 30-46; W.A. van der Vet, <Het Biënboec van Thomas van Cantimpré en zijn exempelen>, (diss. 's - Gravenhage 1902), teksthandschrift; C.G.N. de Vooys, <Middelnederlandse legenden en exempelen>, (Groningen, Den Haag 19262), met name 23-27.

 

Handschrift B (Vert. I, A - familie)

's - Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, 73 E 26

Dirc van Delf, <Tafel van den kersten ghelove ende der ewen> (ff. 1r-106v); <Boeck der byen> (ff. 107r-260v).

Voltooid 20 juni 1469 (f. 260v).

Haarlem of omgeving.

Kopiist: Allardus Reyneri de Akersloet (vgl. f. 260v), van wie drie, vermoedelijk vier andere hss. bekend zijn (vgl. CMD - NL II nr. 432).

Behoorde aan: Agnies Stevensdochter en Rikelant Stevensdochter, begijnen in het Begijnhof te Haarlem; daarna het St. Agathaconvent in het Begijnhof (vgl. f. 260v).

 

Papier: 266 ff.; 2 + 260 ( moderne foliëring 1-260) + 4 ff.; 292 × 213 mm.

Katernformule: 1/2; 2 - 23/12, de 4 laatste bladen van k. 23 zijn wel gelinieerd maar onbeschreven; het eerste en het laatste blad van het boekblok zijn vastgeplakt tegen de band.

Watermerken: ossekop met ster op f. 134 en f. 140; P met kruisbloem op f. 264, door mij niet geïdentificeerd.

Mise - en page BB: 2k., 38 rr. (op f. 263r) × 30 <60> 20 <60> 43 (140) × 63 <190> 40, Gr. 5,1.

Schrift: littera gothica hybrida, 1 hand.

 

Tekstgeleding BB: f. 107r - v kapittellijst: ‘Hier beghint die tafel van dat eerste boeck der byen. van den prelaten.’ Dat eerste capittel is van den prelaten --- ende si aen. ‘Hier eyndet die tafel van dat boec der byen. dat ghedeilt is in tween boecken. daer dat eerste boeck in heeft. XXV capittelen. ende dat ander boeck. LVI capittelen.’; (geen proloog) ff. 108r-136r Boek I <Hier beghint dat eerste boeck der byen van den prelaten. Dat Cristus die ouerste prelaet is der heiligher kercken. Wien alle prelaten sculdich sijn gehoersam te sijn.’ Alle gelouige menschen - - - - weynich tijts rusten. Amen); ff. 136r-260v Boek II ‘Hier eyndet dat eerste boeck der byen van den prelaten. Hier beghynt dat ander boeck der byen van den ondersaten’ Alle die clercscap ---- ewelic sonder eynde. Amen; f. 260v colofon; f. 260v twee eigendomsmerken.

[p. 68]

f. 260v: Jste liber apum scriptus et finitus est per manus allardi reyneri oriundi de akersloet. Anno domini Mo cccco lxixo mensis junii die xxa. Dit boec der byen is gescreven van allart reynerszone Jnt iaer ons heren dusent vierhondert ende neghen ende tsestich in die maent van iunio opten twintichsten dach. god si geloeft.

 

f. 260v eigendomsmerk, andere hand (Rikelant Stevensdochter?): Dit boec toebehoert agnies steuensdochter ende rikelant steuensdochter beghinen des groten beghynhoues bynnen haerlem. Ende hoer beyder wtterste wille is. dat sinte aechten conuent des houes vorscreuen sel hebben dit tegenwoerdich boeck in een testament nae hoerre beyder doot ende begheren dat die beghinen des conuents vorscreuen voer hem bidden om die mynne gods.

Jnt iaer ons heren Mcccc ende lxxvii op sinte gallen dach starf agnies steuens dochter vorscreuen wes ziel moet rusten in vrede.

 

(f. 260v) zelfde hand, maar de woorden tussen haken zijn door een andere hand ingevuld: Jnt iaer ons heren M cccc ende lxxxv (opten seuenden dach in april) starf rikelant steues dochter vorscreven wes ziel moet rusten in vrede. Amen (ende was doe op ten goeden vridach).

 

f. 260v, eigendomsmerk, andere hand, littera cursiva: Dit boeck hoort toe maritgen van craenhals gecoft int iaer ons heeren 1612.

 

Rubricatie BB: Het woord exempel is steeds in rood. De hoofdstuktitels, de meeste eigennamen, het slotwoord ‘Amen’ en de Latijnse tekst van het colofon zijn onderstreept.

Decoratie BB: Een opengewerkte initiaal, 7rr., in blauw ingevuld met groen, met rood en paars penwerk, bevindt zich op f. 107r (Boek I, 1) en op f. 136r (Boek II, praef.). De kapittellijst en de hoofdstukken worden ingeleid door 3rr. initialen, afwisselend in blauw en rood.

 

Band: contemporain, houten platten overtrokken met bruin leer, voor- en achterzijde versierd met blindstempeling (filets en kleine roosstempels); resten van 2 koperen sloten.

 

Opmerkingen: De kapittellijst is sterk gecomprimeerd, maar de inhoud is in overeenstemming met de hoofdstuktitels.

 

GESCHIEDENIS

 

Volgens het colofon in het eerstgenoemde afschrift (‘Dit boec is gescreuen in het iaer M.cccc ende lxix op S. Anthonysdach’, vgl. f. 106v) beëindigde Allard van Akersloot dit op 17 januari 1469; het BB werd dus een half jaar later voltooid. Zijn naam heb ik in de Haarlemse archieven niet gevonden. Zoals uit het colofon in een ander door Allard geschreven afschrift van de ‘Tafel van den kersten gelove’ blijkt, was hij in 1480 koster (custos) te Velsen (CMD - NL nr. 433). Dit laatstgenoemde hs. had eveneens een Haarlemse bestemming, het klooster St. Catharina. De Begijnhofgemeenschap te Haarlem (gesticht 1262, vgl. Koorn, ‘Begijnhoven’, 8, 9) bezat in de vijftiende eeuw veel onroerend goed in Akersloot (vgl. Haarlem, GA, 68, Fundatieboek Begijnhof, ff. 116r 117v). In 1455 was een Jan Reyners schout in Akersloot (BBH 16 (1891) 120). Misschien benadrukte Allard zijn afkomst uit Akersloot, om zich te onderscheiden van de Haarlemse familie Reyners, die enige betrekkingen had met het Grote Begijnhof te Haarlem. In het Fundatieboek (f. 26r) wordt een begijn Diewaer Reynersdochter (+ 1440) genoemd. In de kiesgroep van 1450 voor een nieuwe pastoor, waarin 13 begijnen zitting hadden, bevonden zich als de twee

[p. 69]

meestersen Vroukina Reynersdochter en Kathryn Steffensdochter; de naam van de nieuwe pastoor was Boudewijn Reynerszoon (Gonnet, 47).

Kathryn (+ 1473) en Alyt Steffensdochter (+ 1451) waren zusters (vgl. Fundatieboek, f. 25r), misschien ook van de begijnen Agnies (+ 16 oktober 1477) en Rikelant (+ 7 april 1485), de bezitsters van het BB. In de statuten van het Begijnhof van 1402 wordt als een der stedelijke afgevaardigden ‘Steuen van Hairlem’ vermeld (Gonnet t.a.p., 19). Volgens de memorielijst in het Fundatieboek dienden op dezelfde dag missen gelezen te worden voor Jan Allerzoen en zijn vrouw Aef, voor Steuen en Griet, en hun dochters Agnies (+ 16 oktober 1477) en Rikelant (+ 7 april 1485). Rikelant was evenals voordien Kathryn Steffensdochter, een meesterse van het Begijnhof.

Uit het Begijnhof is nog een hs. bekend, dat afkomstig is van Agnies en Rikelant, en vermoedelijk eveneens door Allard werd geschreven (Gent, Rijksuniversiteit, 1269; vóór 1477; vgl. Vaske, 323). De inhoud bevat Sermoenen van Bernard van Clairvaux Winter- en Zomerstuk, ‘Een reghel der reinicheit’, en een aantal exempels, voornamelijk over S. Agnes. Volgens een gelijkluidend colofon (Vaske, afb. e) was het hs. door Agnies en Rikelant gelegateerd aan het St. Geertruidenconvent.

Naast een groot aantal zelfstandige woningen waren in het Begijnhof vijf conventshuizen, waar in ieder huis ten hoogste 12 vrouwen communaal leefden. Eén daarvan was het St. Agathaconvent, waar de meestersen woonden, die om de twee jaar plenair gekozen werden op St. Mattheusavond (20 september), waarbij ook de statuten werden voorgelezen. Tevens werden hier de begijnen gehuisvest vóór hun definitieve, plechtige intrede (willekoer) (Koorn, Begijnhoven, 55 57; Vaske, 315-318).

De Begijnhofgemeenschap kwam al vroeg onder invloed van de Moderne Devotie, vooral door toedoen van een financiële weldoener van de gemeenschap, Hugo Wouters Goutsmit, die naderhand met Geert Grote bevriend was geraakt. Na de dood van zijn vrouw liet Hugo zich tot priester opleiden; zijn eerste mis vond plaats in de Begijnhofkerk (1382), waarna hij als predikant door Holland reisde. Hij had veel intensieve contacten met grondleggers van de Moderne Devotie (Vaske, 313; 3374). Het St. Agathaconvent was vermoedelijk in ca. 1405 gesticht door de begijn Alijt Hughendochter (+ 1443), een dochter van Hugo Goutsmit, die de eerste meesterse hiervan was (vgl. Koorn, ‘Begijnhoven’, 56; Vaske, 331-332). Een overgang naar een Derde Ordeklooster was voor de gemeenschap kennelijk een te grote stap, vgl. Koorn, ‘Ongebonden vrouwen’, t.a.p.

 

Een Maria van Craenhals, het ‘jongste klopje in de Maechden van den Hoeck’ (hoekhuis aan de St. Janstraat/Begijnhof) stierf 1640, in de leeftijd van 66 jaar, vgl. Graaf, 10; Vaske, 333-334).

 

LITERATUUR

 

Over het hs.: CMD - NL II nr. 432, 433; Heinertz, ‘Die mittelniederdeutsche Version’, VII-IX; 87-99; P.F.J. Obbema, ‘De overlevering van de middeleeuwse geestelijke literatuur in de Nederlanden’, OGE 59 (1985) 247; Van der Vet, ‘Biënboec’, 409 410; B.A.M. Vaske, ‘De handschriften van het Haarlemse Begijnhof’, OGE 62 (1988) 311 348.

Over het Begijnhof: F. Allan, <Geschiedenis en beschrijving van Haarlem> II (1874, 19732); 582-585; C. Gonnet, <Het beggijnhof te Haarlem> (Haarlem 1877 (herdrukt in de studie van Allan); J.J. Graaf, ‘Levens der Haarlemse Maechden van den Hoeck’ (BBH 10 (1882) 10; F.W.J. Koorn: <Begijnhoven in Holland en Zeeland gedurende de

[p. 70]

Middeleeuwen> (Leiden 1982), vooral 55-57; Idem, ‘Ongebonden vrouwen. Overeenkomsten en verschillen tussen Begijnen en Zusters des Gemenen Levens’, OGE 59 (1985) 393-402.

 

Handschrift C (Vert. I; A - familie)

's - Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, 78 J 63

<Een ghemeen guet van der naturen der byen> (ff. Ir-CXCIIv); Gregorius de Grote, <Moralia in Job>, lib. 17 (ged.): Nu dencke ic te spreken mitter hulpen gods van desen drien duechden ons tot eenre leringhe (ff. 194r-196v).

Voltooid 15 mei 1469; vgl. f. IIIv.

Haarlem.

Kopiist: mogelijk dezelfde als van Leiden, UB, Lttk 258, vgl. de opmerking in CMD - NL II - nr. 477.

Behoorde aan: klooster St. Margareta, Derde Orde van St. Franciscus, Haarlem; vgl. f. Ir.

 

Papier, 204 ff.; 2 (moderne paginering I-IV) + 192 (door de kopiist gefolieer I-CXCIII, na f. CLXXVI volgt door telfout f. CLXXVIII) + 10 (moderne foliëring 194-200) ff.; 202 × 133 mm.

Katernformule: 1/4; 2/6; 3/10; 4/6; 5/10; 6/6; 7/10; 8/6; 9/10; 10/6; 11/10; 12/6; 13/10; 14/6; 15/10; 16/6; 17/10; 18/6; 19/10; 20/6; 21/10; 22/6; 23/10; 24/6; 25/10 (blad 9 einde BB, 10 blanco); 26/6 (excerpt Moralia); 27/10 (blanco).

Mise - en page BB: 2k., 32 rr (op f. 72r), 19 <41> 12 <41> 22 (147) × 36 <48> 18 . Gr. 4,7.

Schrift: littera gothica hybrida, 1 hand.

 

Tekstgeleding BB: ff. IIr-IIIv (ongenummerd) kapittellijst: Hier beghinnen die capittelen des boecs. dat eerste capittel--- oncuysheit; ff. Ir-IIr proloog: ‘Hier beghint dat boec dat gheheten is een ghemeen guet van der naturen der byen in den eersten dat prologus’ Een ootmoedich broeder --- onser oorden; ff. IIr LVIIIv Boek I: ‘Dat Cristus --- wesen’ Alle ghelouighe menschen --- weynich tijts rusten; ff. LVIIIv-CXCIIv Boek II: ‘Hier eyndet dat eerste boec der byen van den prelaten. Ende hier beghint dat ander boec van den ondersaten.’ Al die clercscap -- creaturen; f. IIIv (moderne foliëring): colofon.

 

f. IIIv: Dit boeck wert ghescreven ende gheeyndet int iaer ons heren M cccc lxix opten viertienden dach in meye. Benedictus deus in donis suis.

f. Ir: Dit boec hoert tot sinte margrieten conuent binnen haerlem der besloten susteren van sinte franciscus oerde.

 

Rubricatie BB: Inleidende rubrieken en titels in rood, evenals de paragraaftekens rood, en het woord ‘exempel’.

Decoratie BB: Initialen in blauw, ingevuld met groen, en rood en paars penwerk bevinden zich op f. IIr (7rr., kapittellijst!), op f. Ir (5rr., proloog) en op f. IIv (7rr., Boek I); op f. LVIIIv een is onversierde initiaal (5rr., Boek II). Het eerste hoofdstuk (De coninc) heeft een 3rr. initiaal op f. IIv, de overige titels worden voorafgegaan door kleinere initialen, afwisselend in rood en blauw.

Band: s. 19, versierd met stempelwerk in goud; rugtitel: <De moralien van vader Gregorii I>.

 

Opmerkingen: Het eerste (f. I, moderne foliëring) en het laatste blad (f. 202, on-

[p. 71]

genummerd) zijn vastgeplakt aan de band. De tekst van het BB beslaat 191 ff., het daarop volgende blad is wel afgekaderd, maar onbeschreven (f. XCXIII, ls. f. CXCII). De tekst eindigt na hfdst. II, 29, over de waarde van de maagdelijkheid (BUA II, 30 § 53, vgl. BB ed., ex. 155). De kapittellijst stemt hiermee overeen; hierna volgt het colofon.

C onderscheidt zich van de overige hss. door een aanpassing op f. CXXVIIv, waar in plaats van het woord ‘gheilicheit’ (Lat. luxus), samengedrongen ‘begeerlicheit’ is geschreven (BUA II, 30 § 49, vgl. BB ed., p. 153, r. 42).

Het excerpt uit de ‘Moralia in Job’, volgend op het BB, is van dezelfde kopiist; de inhoud bevat eveneens uiteenzettingen over de maagdelijkheid. In verband met dit excerpt is het interessant, dat het hs. van de ‘Moralien van Job’ in 's Gravenhage, KB, J 64-66, ook afkomstig is van het Margaretaklooster. Tevens dient te worden opgemerkt, dat in Vert. I een gedeelte uit het BUA (II, 30 § 49) is vervangen door een hoofdstuk uit dit boek (liber 26, ca. 35); misschien werd de aandacht van de kopiist hierdoor op de Moralia gevestigd, want kort hierna eindigt C plotseling (na BUA II, 30 § 53).

 

GESCHIEDENIS

 

Het gebouw van het Margaretaklooster was gevestigd in de huidige Margrietenstraat te Haarlem, dicht bij de voormalige Kruispoort en het Begijnhof. In 1446 kregen de zusters de gebruikelijke privileges voor een eigen altaar, kerkhof e.d. van de parochiepastoor Dirc van Wassenaar. Volgens een schrijven van bisschop Rudolf van Diepholt aan Adrianus, de algemeen overste van de Derde Orde, werd deze gemachtigd om de zusters in te sluiten met het recht een eigen biechtvader aan te stellen (1449). De kapel werd op 20 juni 1449 gewijd, en werd in 1451 door kardinaal Nicolaas van Cusa aangewezen als een van de zeven Haarlemse kerken, waar men de (uitgestelde) Jubileumaflaat kon verwerven (Allan, 481). Het klooster behoorde tot het Tertiarissenkapittel van Utrecht (Van Heel, 89, 153-154).

 

LITERATUUR

 

Betreffende het hs.: Van der Vet, ‘Biënboec’, 410-411 en 424-426; CMD - NL II nr. 477; Heinertz, ‘Die mittelniederdeutsche Version’, VI-X, 87-99.

Over het klooster: F. Allan, <Geschiedenis en beschrijving van Haarlem> II, 481 483; Van Heel, ‘Tertiarissen’, 89, 153-154, 328; Mon. Bat. I, 94.

 

Handschrift D (Vert. I, A - familie)

Leiden, Universiteitsbibliotheek, Ltk. 360

<Een gemeen goet van der natueren der byen>.

Voltooid 17 juli 1461 (p. 460).

Utrecht.

Kopiist: noemt zich ‘scrijfster’ (p. 460); waarschijnlijk dezelfde die hs. A, en een afschrift van het Passionaal schreef, Utrecht, Centraal Museum, 1469, voltooid 2 maart 1450 (vgl. CMD - NL II nr. 761).

Behoorde aan: klooster St. Maria te Bethlehem, Derde Orde van St. Franciscus, Utrecht (f. Iv, ongenummerd).

 

Papier, 233 ff.; 1 (ongenummerd) + 230 (gepagineerd 1-460) + 2 (ongenummerd, blanco) ff., 275 × 200 mm.

Katernformule: 1/2; 29/8.

[p. 72]

Watermerk: P met kruisbloem en tangvoet, op p. 14 en op het laatste ongenummerde blad, niet geïdentificeerd.

Mise - en page: 2k., 36 rr. (op f. 32), 32 <62> 13 <62> 31 (137) × 23 <199> 55 . Gr. 6, 2.

Schrift: littera gothica hybrida, 1 hand.

Tekstgeleding: pp. 1-2 kapittellijst Boek I: ‘Hier beghinnen die capittelen des boecs’ Dat eerste capittel is dat die prelaet - - - so bescreyen syt zeer; pp. 2-3 proloog: ‘Hier begint een boec dat geheeten is een gemeen goet van der natueren der byen dat prologus’ Een oetmoedich brueder --- onser oerden; pp. 2-76: Boek I: ‘Dat Cristus die ouerste prelaet --- te wesen.’ Alle gelouige menschen hebben in der enycheit der heiliger kerken --- so laet ons een weynich tijts rusten; pp. 76-80 kapittellijst Boek II: (p. 76a) ‘Hier eyndet dat eerste boec der byen van den prelaten’, (p. 76b) ‘Hier beginnen die capittelen van den anderen boec.’ Dat ander deel van den byen --- wt natuerliken hate; pp. 81-460 Boek II: ‘Hier beghint dat ander boec der byen van den ondersaten.’ Al die clercscap --- een god ewelic sonder eynde. Amen; p. 460 dubbel colofon; p. 460 bladvulling.

p. 460: Hier eyndet dat byen boec dat beghonnen wert ouer te setten in den gulden iaer op S. matheus auont ende geeyndet wert op onser lieuer vrouwen auont annunciacio. Item wi bidden die dit boec ouer geset hebben dat alle die geen diet lesen of horen lesen voer ons lesen willen onser lieuer vrouwen kransken. (hand van de kopiiste)

(p. 460:) Dit boec is gescreuen int iaer ons heren. M cccc ende lxvi. ende wert geeyndet op sint alexius dach Deo gracias. Een ave maria van mynnen om gods wil voer die onnutte scrijfster.

f. Iv (ongenummerd): Dit boec hoert den besloten Convente van Bethleem by utrecht. (hand van de kopiiste).

Rubricatie: De titels zijn onderstreept, evenals de meeste eigennamen en het eerste colofon; de inleidende rubrieken, paragraaftekens en het woord ‘exempel’ zijn doorgaans in rood.

Decoratie: Een opengewerkte initiaal in rood en blauw, op p. 2 (6rr., proloog), op p. 36 (7rr., praefatio Boek I) en op p. 81 (7rr., praefatio Boek II); in de laatstgenoemde is een liggend lam getekend. Hoofdstuktitels worden voorafgegaan door 3rr. initialen in rood.

Band: s. 18; platten bekleed met dik perkament, versierd met filets en stempels; rugtitel: <Dat Byen boec>.

Opmerkingen: Alleen in dit hs. is de kapittellijst in twee stukken verdeeld, voorafgaand aan Boek I en Boek II. Hs. D onderscheidt zich door de toevoeging van een plaatsbepaling in BUA II, 7 § 4 (vgl. BB ed., p. 67 r. 7): ‘ende ginc totten bisscop van vtrecht te biecht. ende biechte die sonden mit groten rouwe.’ (Lat.: adiit diocesanum episcopum, et cum omni dolore confessus), vgl. f. 388a.

Het derde hs. dat vermoedelijk eveneens door deze kopiiste is geschreven, behoorde ook aan het Bethlehemklooster te Utrecht; het bevat een gedeeltelijk afschrift van de Zuidnederlandse vertaling van de Aurea legenda van Jacob van Voragine (vgl. Deschamps, Mnl. hss., nr. 69). Dit hs. werd op 2 maart 1450 voltooid, doch de kopiiste refereert hier, in tegenstelling tot A en D, echter niet

[p. 73]

aan het bijzondere karakter van het ‘gulden iair’ (het Jubeljaar was reeds op Kerstmis 1449 ingegaan).

F. van Lelyveld stelde in zijn heruitgave van de <Proeve van Taal- en dichtkunde> van B. Huydecoper vast, dat hs. D ‘genoegzaam overeenkomt’ met de eerste druk ‘in het Nederduitsch’ uit 1488 (vgl. inc. S). Tevens vergeleek hij hs. D met hs. H (Vert. II); zie Van der Vet, ‘Biënboec’, 4131.

 

GESCHIEDENIS

 

Het Derde Ordeklooster Maria te Bethlehem was ontstaan uit een uithof van het Ceciliaklooster, dat in Utrecht aan de Neude was gelegen. Het ‘Bethlehemklooster’ was gevestigd aan de Weerdzijde buiten de stadsmuur. Hier konden zieke zusters ‘rumer lucht’ krijgen. Het terrein grensde aan het Windesheimse vrouwenklooster Jeruzalem (Mon. Wind. III, 609). In 1425 werd de kloostergemeenschap van Bethlehem zelfstandig, en bij die gelegenheid werd het tevens besloten. Van de zeven tertiarissenconventen in Utrecht (Agnes/Barbara, O.L. Vrouw in de Zon, Ursula, Maria Magdalena, Nicolaas, Cecilia en Bethlehem), waren alleen de drie laatstgenoemden aangesloten bij het Tertiarissenkapittel van Utrecht, de twee laatste als slotkloosters; zij stonden onder rechtstreeks toezicht van het St. Gregoriushuis (Fraterhuis) in Zwolle, vgl.<Jacobus Traiecti alias de Voecht, Narratio de inchoatione domus clericorum in Zwollis>, M. Schoengen ed. (Amsterdam 1908) XX.

 

LITERATUUR

 

Over het hs.: <Bouwstoffen voor een woordarchief van de Nederlandse taal>, art. 940, 33; C.C. de Bruin en C.G.N. de Vooys, <Middelnederlands geestelijk proza>, (Zutphen 1940) 200-204 en 342; CMD - NL II, nr. 575; N. Heinertz, ‘Die mittelniederdeutsche Version’, V-X, 87-99; B. Huydecoper, <Proeve van Taal en Dichtkunde; in vrijmoedige aanmerkingen op Vondels vertaalde herscheppingen van Ovidius>, heruitgave van F. van Lelyveld, ‘met byvoegsels en vermeerderingen van den schryver, en eenige aanteekeningen van den Uitgever’, I (Leiden 1782> 208 210; G.I. Lieftinck, <Codicum in finibus Belgarum ante annum 1550 conscriptorum qui in bibliotheca universitatis asservantur> I (Leiden 1948) 211; Van der Vet, ‘Biënboec’, 411-413, 424-426; J. van Vloten, <Verzameling van Nederlandsche Prozastukken van 1229-1476> (Leiden/Amsterdam 1851) 281-296; C.G.N. de Vooys, Middelnederlandse legenden en exempelen, (Groningen/Den Haag 19262), met name 237-239; idem, ‘Middelnederlandse stichtelijke exempelen’ in: <Zwolse drukken en herdrukken voor de maatschappij der Nederlandse letterkunde te Leiden> nr. 1 (Zwolle 1953) 7-9; J. te Winkel, <Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde> I (Haarlem 1887) 565.

Over het klooster: Van Heel, ‘De tertiarissen’, 211, 339-340; cat. MDFF 314 315; Mon. Bat. I, 183-184; S. Muller, <Catalogus van de bij het Stadsarchief bewaarde archieven> I (1911) 8.

 

Handschrift E (Vert. I, A - familie)

Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 19407.

<Een ghemeen goet van der naturen der byen>

Voltooid 5 oktober 1481 (f. CLIv).

Amersfoort of omgeving.

Behoorde aan: klooster St. Agatha te Amersfoort, regularissen (f. CLIv.)

Papier; 153ff.; 2 (moderne paginering A, B) + 151 (gefolieerd door de kopiist

[p. 74]

in rood I-CLI, moderne foliëring op f. 1 en f. 151) ff.; 271 × 198 mm.

Katernformule: 1-19/8; 20/8+1, f. CXLIII is tussengevoegd.

Watermerken: hond met rechte staart, onvoldoende zichtbaar, vrij regelmatig vanaf f. XXXVIII; P met kruisbloem, veelvuldig vanaf f. LXV., gelijkend op Piccard, <Wasserzeichen Buchstabe P> VIII nr. 472, vgl. CMD - B t. V nr. 596.

Mise - en page: 2k., 40 rr. (op f. 38v), 22 <68> 19 <69> 24 (156) × 40 <212> 19 . Gr. 5.

Schrift: littera gothica hybrida, 1 hand.

Tekstgeleding: pp. A-B kapittellijst: ‘Hier beghinnen die capittelen des boecs’ Dat eerste capitel is dat die prelate wesen sal van goeden --- mit (!) natuerliken hate; f. Ir/v proloog ‘Hier beghint dat boec dat gheheten is een ghemeen goet van der naturen der byen dat prologus’ Een oetmoedich broeder --- eeren onser oerden; ff. Iv-XXXIIr Boek I ‘Dat Cristus die ouerste prelaet is der heiliger kerken - - een weynich tijts rusten; ff. XXXIIr-CLIv Boek II ‘Hier beghint dat eerste boec van den ondersaten.’ Alle die clercscap - - -een god ewelic sonder eynde Amen; f. CLIv colofon.

f. CLIv: Dit boec is ghescreuen int iaer ons heren dusent vierhondert ende LXXXI gheeynt op sunte Remigius dach (colofon van de kopiist).

f. CLIv: Dit boec hoert toe den conuent van sunte aechten tamersfoert op die spoye

(eigendomsmerk van de kopiist).

Rubricatie: Sommige titels in Boek II zijn rood onderstreept, zoals: I, VI, IX, XXIII; dit geldt ook voor het colofon. Eigennamen zijn dikwijls onderstreept, vooral van Augustinus. Het woord exempel is in rood.

Interpunctie.

Decoratie: Er zijn 4 opengewerkte initialen in blauw, met rood penwerk, 2rr. op f. A (kapittellijst), 4rr. op f. Ir (proloog), 3rr. op f. Iv (praefatio Boek I) en op f. XXIXv (praefatio Boek II). De hoofdstuktitels beginnen met een 2rr. initiaal in rood.

Band: s. 19; rugtitel: Ghemeen goet van de naturen der byen 1481.

Opmerkingen: De kopiist heeft telfouten gemaakt in de nummering van de bladen: het getal LXVII ontbreekt; na f. LXVI volgt LXIX, daarna LXVIII, daarna LXX. Hierna is de volgorde correct, afgezien van f. CXXXVII, dat tweemaal voorkomt; daardoor komt men toch uit op 151 ff.

Er zijn weinig correcties, soms is de betekenis van een zin door doorhalingen veranderd, zoals op f. XCV (na: oft dat quaet te bedenken). In het laatste capittel van Boek II is de titel na ‘Die horneten’ veranderd in: ‘Die horneten of ghenoemt torrenewevele - -’. Van der Vet constateerde al dat de volgorde van vijf exempels in E is gewijzigd, vgl. ‘Biënboec’, 413. Een relatief groot aantal exempels (28) is in E niet opgenomen, vgl. de tabel in par. 5.3; hieronder is ook het verhaal over Mechtild van Hackeborn, een interpolatie van de vertaler na BUA II, 29 § 9. Hs. C eindigt na BUA II, 57 § 42.

Interessante gebruikersmerken zijn: een kruisvormig merkteken op f. CI bij het exempel ‘Die stat Zwessen’ - - (BUA II, 40 § 7; ed. BB Ex. 183), en op f. XCVIIv is bovenaan in de marge geschreven: ‘Item dit leest men op des heilighen sacraments dach’ (hierna begint BUA II, 40). Oorspronkelijk was dit in zwart geschreven (door een andere hand, s. 15d/16a), daarna zijn de woorden met rood nagetrokken.

[p. 75]

GESCHIEDENIS

 

Het klooster St. Agatha op het Spui bevond zich vlak bij de Koppelpoort te Amersfoort. Het gebouw was in ca. 1380 ontstaan uit een schenking door een echtpaar van twee huizen, bestemd voor een zusterhuis des gemenen levens. In 1404 namen de bewoonsters de Derde Regel van Franciscus aan. Vermoedelijk werden zij toen al opgenomen in het Tertiarissenkapittel van Utrecht. In 1416 werd het klooster besloten. De gemeenschap stond onder geestelijk toezicht van het Fraterhuis St. Hieronymusberg te Hulsbergen. De zusters hielden zich bezig met de ziekenzorg in het naburige St. Pietersgasthuis en het beheer van een aantal begijnwoningen. Omstreeks 1450 was het klooster een der rijkste van de stad, maar de zusters waren bijzonder vrijgevig. Na de voltooiing van de stadsmuur in 1450 kwam het klooster binnen de stad te liggen. In 1455 ging de gemeenschap over naar de Regel van Augustinus, in 1458 werden zij besloten. Bisschop David van Bourgondië gaf hiertoe opdracht aan de prior van Windesheim (Muller, 79). In 1463 werden de kerk, in 1468 het paterhuis en het koorgestoelte gewijd. Er zijn geen aanwijzingen dat St. Agatha in de Congregatie van Windesheim is opgenomen, maar in de laatste decennia van de 15de eeuw werd er door de geestelijke begeleiders wel naar gestreefd. In 1486 hebben ‘de Susteren op de vermaning en begeerte der prior van Windesheim het lesen der priesterlijke getyden aangenomen’ (Bemmel, 271).

In 1468 moesten de zusters van St. Agatha, evenals van St. Agnes en St. Barbara (‘die drie Bagyne huse bynnen onse Stat’) bijdragen in de onkosten voor het herstel van de stadsmuur. In 1469 kwam het bevel dat ‘men die begyn binnen ons stat hoir guet vercope sell voir dat zy de muer niet vast en hebben’ Rootselaar I, 90-91). In 1475 eiste de stad ook morgengeld (belasting op landerijen) van de geestelijke goederen, maar rector Hendrik slaagde er in dat de stad hiervan afzag (Muller, 79). Opvallend is hoe de gemeenschap in deze ‘tweede bisschopstad’ politiek actief bleef, met name rector Hendrik van den Broek (1451-1483). Men onderhield zowel betrekkingen met bisschop David van Bourgondië als met zijn tegenstander, de hertog van Kleef (Bemmel, I, 251-252). Hs. E werd voltooid tijdens de aanvang van de Stichtse burgeroorlog (1481-1483). In deze periode moest de rector om ouderdomsredenen zijn ambt neerleggen; hij stierf kort daarna.

Tenslotte is nog vermeldenswaard dat het klooster in het bezit was van het Tweede Dietse Collatieboek' van Dirc van Herxen (+ 1457), waarin een aantal exempels uit het BB is opgenomen, vgl. hoofdstuk 1, noot 15. Deze exempels zijn niet dezelfde als die welke in E zijn weggelaten.

 

LITERATUUR

 

Over het hs.: CMD - B t. V nr. 596; J. van der Gheyn, <Catalogue des manuscrits de la Bibliothèque Royale de Belgique> III (Brussel 1906) nr. 2074; Heinertz, ‘Die mittelniederdeutsche Version’, V-X, 87-99; Van der Vet, Biënboec, 413-414, 424-426.

Over het klooster: de kroniek van het St. Aechtenconvent is bewaard gebleven in een verkort afschrift van J. van Ingen, vgl. J. Kemperinck, ‘Johan van Ingen, Geschiedenissen’, AAU 74 (1957) 1-155; MDFF 250-260; A. van Bemmel, <Beschrijving der stad Amersfoort> I, 251-256; Mon. Bat. II, 14; S. Muller, <Catalogus van de bij het stadsarchief bewaarde archieven> 10, 8, 79; W.F.N. Rootselaar, <Amersfoort (777-1580)> (Amersfoort 1876-1878) I, 90-91, 100-101; 416, 448-449; 454-458 en II, 26; over het Fraterhuis in Hulsbergen, <Middeleeuwse boeken uit Zutphen> A. Geurts red. (Nijmegen 1981) 25.

[p. 76]

Handschrift F (Vert. I; teksthandschrift)

 

Strasbourg, Bibliothèque Nationale et Universitaire, 2100

<Gregorius Dialogus> (Dialogus van Gregorius de Grote) ff. 1r-86v; <Een ghemeen guet van der naturen der byen> (ff. 87r-263v).

s. 15II.

Graafschap Bentheim, Westfalen

Behoorde aan: St. Mariënwold, regulierenklooster te Frenswegen bij Nordhorn (vgl. B. Nonte, ‘Untersuchungen über die Handschriften des Augustiner Chorherren-Stiftes Frenswegen bei Nordhorn’, p. 139).

Perkament, 263 ff. (moderne foliëring 1-263), 283 × 204 mm.

Gregoryregel h/vv/hh/vv/h. Het perkament is geschuurd.

Katernformule: 1-15/8; 16-17/6 (blad 6 verso van kat. 17 is slechts voor een kwart beschreven, f. 132v); 18-21/8; 22/4 (blad 4 verso is slechts voor een kwart beschreven, f. 168v); 23-33/8; 34/8-1 (blad 8 is weggesneden, waarschijnlijk blanco). Het BB begint op blad 6 van kat. 11.

Mise - en page: 2k., 40 rr. (op f. 89v), 25 <61> 15 <61> 39 ] (137) × [21 <212> 50] Gr. 5,3.

Schrift: littera gothica hybrida, 3 handen; handscheiding op f. 133r en f. 169r.

Tekstgeleding BB: ff. 87r-88v kapittellijst: Dat de prelate wesen sal van guden leuene ende van gueden gheruchte. dat 1. capitel. - - - wt natuerliken hate. LVI. capitel; ff. 88v-89v proloog: ‘Hijr begint een boeck dat gheheten is een ghemeen guet van der naturen der byen. Dat eirste boeck is van den prelaten. ende dat ander is van vndersaten. Prologus.’ Een oetmodich broder - - - tot der ere onser orden.; ff. 89v-120r Boek I: ‘Dat Cristus de ouerste prelate is der hilghen kerken wen alle prelaten sculdich sin gheorsam te wesen’ Alle ghelouighe menschen hebben in der ewicheit der hilghen kerken een houet dat is Cristus - - - so laet vns en wenich tiden posen ende ruesten; ff. 120r-164v Boek II: ‘Hijr endet dat eirste boeck der byen van den prelaten. Hijr beghinnet dat ander van den ondersaten. Dat ander deel van den byen sint de byen de in der kracht der ioghet vole werken vullenbrengen ende in der disciplinen der moder vnderdanich sin ende nochtan nicht en doen sunder de ghebode der ouersten.’ Al de clercschop der hilghen kerken wort ghedelt in dreen - - - een god ewelike sonder eynde. Amen.

‘Hijr endet der byen boeck’.

 

Rubricatie BB: De eerste 8 inleidende rubrieken van de hoofdstukken zijn in rood. De volgende hoofdstuktitels zijn dubbel geschreven, eerst in rood. Eigennamen en Latijnse citaten zijn meestal onderstreept.

Decoratie BB: Een 5rr. initiaal bevindt zich op f. 89r (proloog), en een 7rr. initiaal op f. 89v (Boek I), in blauw, met penwerk in sepia, vulwerk in olijfgroen. De 6rr. opengewerkte initiaal op f. 120r (Boek II) is slechts in rood uitgevoerd. Voor het overige is de decoratie in het hele boek gelijk: 3rr. rode initialen, voorzien van representanten, aan het begin van de hoofdstukken en de twee delen van de kapittellijst. Aan het begin van sommige sermoenen en exempels is een meer-regelige initiaal in rood aangebracht, door hand 2 zelfs bij vrijwel ieder exempel.

 

Band: s. 19, dikke eikenhouten platten, rug van leer.

 

Opmerkingen: Op het laatste blad van <Gregorius Dialogus> (f. 86d) is geschreven: ‘Hijr eyndet dyalogus gregorij’. Daarna volgt onderaan: ‘Hijr beghinnen de capi-

[p. 77]

telen van den eirsten boke der byen ende sint vijf ende tvintich’ (zelfde hand als de kopiist).

Het hs. is door drie personen geschreven. De eerste schreef Gregorius Dialogus en een deel van het BB tot f. 132v, dat slechts voor een kwart is beschreven; helemaal onderaan de bladzij rechts is de titel van hoofdstuk BUA II, 9 geschreven, gevolgd door: ‘Hijr en is gheen ghebreeck. Leset voert an’. Op f. 133r begint hand 2 opnieuw met de hoofdstuktitel, maar nu is deze in plaats van 9, 10 genummerd, in overeenstemming met Colv. 1627. Het daaropvolgende hoofdstuk is echter weer 9 genummerd, zodat het getal van het laatste hoofdstuk 56, in plaats van 57 is, evenals in de meeste hss. Deze hand eindigt op f. 168v, welk blad slechts gedeeltelijk beschreven is. Op f. 169r begint hand 3. Hand 1 schreef dus Gregorius Dialogus en de kapittellijst, BUA I-9; hand 2 de hoofdstukken BUA II, 10-28; hand 3 de hoofdstukken BUA II, 29-57. In tegenstelling tot hand 1 en hand 2, die ‘teghen’ afwisselen met ‘keghen’ (bijvoorbeeld op p. 61: 12 keghen en rr. 8 en 15 teghen; op p. 77: 39 keghen, 77:41 tegen) schrijft hand 3 uitsluitend ‘teghen’.

Dit hs. is het uitgangspunt voor de F - familie, waarmee N en de drukken S en Z verwant zijn, vgl. hoofdstuk 5.1.1; over het taalgebruik, vgl. hoofdstuk 7.1. De inhoud is wat uitvoeriger uit het Latijn overgenomen, en bepaalde kopiistenfouten uit de A -familie komen hier niet voor. Kenmerkend voor F is echter dat op f. 191c het getal ‘tsestich’ is verbeterd in ‘viertich’ (BB ed., p. 152, r. 48), waar alle hss. in beide vertalingen en ook de drukken dit gehandhaafd hebben. Kennelijk was het voor de oplettende kopiist volstrekt ondenkbaar dat een vrouw van zestig jaar (Lat. sexagenaria) een jongere klerk kon verleiden. Tevens onderscheidt F zich van de overige hss. en de drukken door ‘rustens’ in plaats van ‘tastens’ (Lat. tactus) op f. 145a; BB ed. p. 85, r. 32). In positieve zin is uitsluitend in F de volgorde ‘in wyven ende in mannen’ (Lat. mulieribus et in viris) gehandhaafd; in de overige hss. en drukken is de volgorde omgedraaid; in Vert. II ontbreekt dit sermoendeel (BUA II, 29 § 35, BB ed. p. 135, serm. l). Er zijn weinig afschrijffouten.

Op f. 1 onderaan is de oude signatuur vermeld: L. germ. 176, naast een zegelafdruk van de ‘Stadt- und Landesbibliothek Strasbourg’.

Ten onrechte vermeldt Nonte dat F in de 14de eeuw moet worden geplaatst; dit is op grond van het schrift af te wijzen. Vermoedelijk baseerde Nonte zich op een mededeling van Löffler; deze nam voetstoots aan dat F behoorde tot het aantal hss. dat bij de verhuizing uit Almelo naar Deventer werd meegenomen (p. XXV, noot 10).

Van der Vet concludeerde vrij abrupt in de hss. vergelijking aan het einde van zijn studie, dat Vert. I vóór 1450 tot stand moet zijn gekomen (door hem hs. P genoemd, vgl. zijn stelling 3 en ‘Biënboec’, 426). Hij besloot hiertoe op grond van de meer volledige en nauwkeurige tekst van F, waardoor het geen afschrift kon zijn van een van de overige hss. en ook niet van de drukken, die met F verwant zijn (S en Z). Kennelijk ging hij er van uit dat de eenstemmige colofons in A en D, die de ontstaansperiode van Vert. I onthullen, niet van toepassing waren op F.

Enige jaren daarna verscheen de partiële editie van Heinertz (Boek I, ff. 89r-120r). Deze vermoedde al dat Van der Vets visie onjuist moet zijn, en dat er twee families zijn (p. X); vgl. superior, hoofdstuk 5.1.1.

E. Bergkvist heeft de editie van Heinertz (die slechts Boek I bevat) uitvoerig betrokken in zijn editie van <Dat boec van der Ioncfrouscap> (ook wel genoemd <Dat boec van der reijnicheit>) van Hendrik van Gent. Bergkvist gebruikte voor zijn edi-

[p. 78]

tie een hs. dat afkomstig is uit het vrouwenklooster Mariengarden in Schüttorf, vlak bij Frenswegen. In de proloog wordt een vergelijking gemaakt met het bijenleven (zoals: een ‘nerenstighe bye’, die ‘eyn honich zeem’ gemaakt heeft in ‘tyen yemen’). Hieruit blijkt opnieuw de populariteit van deze allegorische vergelijking gedurende de Middeleeuwen.

 

GESCHIEDENIS

 

Het klooster Mariënwold is in 1394 ontstaan uit een broederhuis te Almelo. De stichter, de arts Everhard van Eze had zich als weduwnaar tot priester laten wijden, daartoe geïnspireerd door Geert Grote. Op uitnodiging van de graaf van Bentheim werd de gemeenschap in samenwerking met de pastoor van Schüttorf omgezet in een regulierenklooster te Frenswegen bij Nordhorn, dat in 1396 door de bisschop van Münster werd gewijd. In 1400 werd het klooster Mariënwold echter geïncorporeerd in het Kapittel van Windesheim, en viel het buiten de jurisdictie van het genoemde bisdom. Vier bewoners waren het niet eens met de aansluiting bij Windesheim en vertrokken naar een broederhuis in Goch. Kort daarna ontstond hieruit het klooster Maria te Gaesdonck, dat (via het kapittel van Neuss) alsnog in het Kapittel van Windesheim werd opgenomen. De verstandhouding tussen Frenswegen en Gaesdonck bleef uitstekend (Mon. Wind. II, 154-167). Frenswegen heeft grote invloed gehad op de hervorming van de kloosters in Noord-Duitsland, die de Windesheimse observantie wilden volgen. Een van de eerste kloosters was Mariënkamp bij Esens (Kohl, 19 28; vgl. ook superior, hoofdstuk 1, noot 16). Gedurende het Utrechts schisma woonden de regulieren van Windesheim in Frenswegen (1423-1433, vgl. hoofdstuk 6, noot 16).

Zeker vanaf 1416 bevond zich ook een Zusterhuis des gemenen levens op het terrein van Mariënwold, deels bewoond door familieleden van de regulieren. Aangenomen wordt, dat het mannenklooster ook de geestelijke zorg bezat. Tijdens het bezoek van kardinaal Nicolaas van Cusa in 1451 waren er zes zusters (Kohl, ‘Die Schwesternhäuser’, 64, par. 9). Aan het hoofd stond een mater. In die tijd was Hubertus Oudecoep uit Utrecht prior van het klooster Mariënwold (1441-1487) (Kohl, ‘Augustiner Chorherren, 90-91). In 1463 werd door de bisschop van Münster bevolen dat alle zusterhuizen van het gemene leven naar een orderegel moesten overgaan; aangenomen kan worden dat kort hierna Mariënwold, Mariengarden en Engelendaal in Groenlo (de enige tertiarissenkloosters die zich als zodanig nog gehandhaafd hadden) dit bevel opvolgden, (Rehm, 170). In 1493 affilieerde het naburige zusterhuis Mariengarden te Schüttorf zich met het zusterhuis Mariënwold te Frenswegen.

Een van de belangrijkste arbeidsvormen in Frenswegen naast de landbouwwerkzaamheden was het afschrijven van boeken, grotendeels voor eigen gebruik. Twee Mnl. handschriften waren volgens de colofons bestemd voor het zusterhuis Mariënwold; ze waren geschreven door de donaat Arnold van Almelo (+1480), die bakker was in het klooster (Strasbourg, Bibl. Nat. & Univ., 2103 en 2105; vgl. Zuidema, ‘Suverlike boekskens’; Kohl, ‘Augustiner - Chorherren’, 166). Het BUA komt niet voor op de bibliotheeklijst van Frenswegen die door Nonte, voor zover mogelijk, is gereconstrueerd.

Mariënwold werd in 1809 door de Franse overheersing opgeheven. De bibliotheek kwam in het bezit van de graaf van Bentheim, die in 1870 hiervan een schenking maakte aan de stad Strasbourg, nadat daar de bibliotheek door Duitse oorlogshandelingen was verwoest.

[p. 79]

LITERATUUR

 

Over het hs.: <Dat boec van der Ioncfrouscap, sprachlich untersucht und lokalisiert>, E. Bergkvist ed. (Göteborg 1925); J. Deschamps, ‘Die mittelniederländischen Ubersetzungen der Dialoge Gregors des Grossen’, Neuphilologische Mitteilungen, <Bulletin de la société néophilologique de Helsinki> (1953) 466-470; N.O. Heinertz, <Die mittelniederdeutsche Version des Bienenbuches vom Thomas von Chantimpré, das erste Buch> (Lund 1906); K. Löffler, ‘Quellen zur Geschichte des Augustinerchorherrenstifts Frenswegen’, <Veröffentlichungen der Historischen Kommission des Provinzialinstitutes für Westfälische Landes und Volkskunde> 16 (Soest 1930) XXV; K.O. Meinsma, <Middeleeuwsche bibliotheken>, (Zutphen 1903) 252-256; B. Nonte, ‘Untersuchungen über die Handschriften des Augustiner Chorherren - Stiftes Frenswegen bei Nordhorn’ (1961) 133-148; ‘Biënboec’, 414, 426-427; B. Zuidema, ‘Vier suverlike boekskens in Straatsburg’, <Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde> IX (1890) 269.

Over het klooster: J.G.R. Acquoy, <Het klooster te Windesheim en zijn invloed>, (Amsterdam 19682; A.J. Bemolt van Loghum Slaterus, <Het klooster Frenswegen> (Arnhem 1938); W. Kohl, ‘Die Klöster der Augustiner - Chorherren’, in: <Germania Sacra> 5, Die Bistümer der Kirchenprovinz Köln, Das Bistum Münster, 2 (1971); idem, ‘Die Schwesternhäuser nach der Augustinerregel’, <Germania Sacra> 5, Das Bistum Munster 1 (1968) 62-6, 67-83; <Monasticon Windeshemense> II (1977) 140-152; MDFF 90; G. Rehm, <Die Schwestern vom gemeinsamen Leben im nordwestlichen Deutschland> (1985).

 

Handschrift G (Vert. II)

 

Utrecht, Universiteitsbibliotheek 1016 (5 D 6)

Koenraad van Eberbach <Van claren ouden verluchten mannen des oirdens van cystersen> (ff. 1r-189v); <Der byen boeck> (ff. 191r-295r); ‘exempelen van den heligen sacrament’ (ff. 295r-296v); <Van Gwidonis geest en(?) apenbaringe> (ff. 296v-307v); Jacob van Vitry, ‘Van der heligen Maria van Ogines gebaren uut Walslandt> (ff. 307v-323v; vier exempels (ff. 316v-323v).

Voltooid 8 juli 1491 (f. 323v).

Nijmegen of omgeving.

Kopiist: Adam Daemszoon (f. 323v).

Behoorde aan: Maralde van Zallant, subpriorin van het klooster St. Agnes te Neerbosch bij Nijmegen, regularissen (f. 323v).

Papier, 324 ff. (moderne foliëring 1-323, in de nummering is echter tussen ff. 190 en 191 een blanco blad overgeslagen, f. 190a); 291 × 210 mm.

Katernformule: 1-15/12; 16/10+1 (blad 1, f. 181, is voor de kat. geplakt, blad 10 is het einde van ‘Van claren ouden-- -’, blad 11, f. 190a, is wel afgekaderd, maar onbeschreven); 17-19/12; 20/14; 21-26/12 (in kat. 25 eindigt het BB op blad 7, f. 295r); 27/8+3 (3 losse bladen met beschreven strookjes aan elkaar geplakt, blad 1 en 2, ff. 313 en 314; blad 3, f. 323, is om de katern gevouwen). Custoden zijn regelmatig zichtbaar.

Watermerk: kan met kroon, lijkt op Briquet nr. 4591 (Brussel 1490), onder meer op ff. 190r (onbeschreven), 191v, 217r, 218r, 219r, 226r.

Mise - en - page: 2k., 36 rr. (op f. 239r); 46 <64> 19 <64> 20] (147) × [29 < 207>] 54 . Gr. 6,4.

[p. 80]

Schrift: littera gothica hybrida, 1 hand.

 

Tekstgeleding BB: ff. 191r (geen kapittellijst, geen proloog) ‘Hier begynt der byen boeck’ Die meisters die weten wal dat die coninc der byen geen angel en heft mer hie is alleen gewapent myt mogentheit. Hier op lesen wi een exempel. Die erwerdige gwiaert - - - Hier wt sullen die prelaten leren. dat sie sonder noitzaeke niet te strenge en syn. mer sie sullen mit macht gewaepent syn. op dat hoer onderzaeten sie tsamen ontsien. ende lief hebben. dat ander capittel; ff. 191r-209v Boek I, hfdst. 1: Die coninc der byen is van verwen als honich. ende is gemact van eenre wtverlesen blomen ende wt aller ouervlodicheit. Wat verstaen wy in den honich daen die puerheit der zeden. ende wat in der bloemen. daen goeden we(r)ken eens goeden geruchtes. Hier van lesen wy een exempel. in vrancryck - - - - - ende die tiraen verwonderende wart thans gelouich ende mit alle den genen die oen toe hoirden ontfinck hie die dope; f. 209v ‘dat ander boeck der byen. dat irste capittel’; ff. 210r-295r Boek I: Alle die ordinancie der heiliger kircken is gedelt in drien stucken, in bisscoppen, in priesteren ende in clercken. - - soe bid ic alle priesteren want oir hand in den altair van den bloit christi geheilicht sijn. dat sie sonderlinge voir my ende voer alle gelovige zielen eens mys willen lesen. ende en is die lezer des boecs geen priester dat hie voir my een mys doe lesen. Ende oic soe bid ic of ic ommermeer in desen arbeid ende in anderen arbeiden iet verdient heb, dat oir dier deelachtich mact onse heer ihesus christus die mitten vader ende mitten heligen geest leeft ende regnirt god over alle werelde ewelick sonder eynd amen. Deo gracias semper; (f. 323v colofon).

f. 323v: Jtem dit boeck hevet gescreven te lave gades der heiliger Jofferen sent Agnete te eren. om bed(e?) wil Suster Maralde van Zallant suppriorynne. here Daem daemsz Conventuael in der Gaesdonck. een natuerlick brueder here Johannes van den haeff ons rectoirs Nu ter tijt een geselle des voergenoemden rectoirs Ende hevet geeynt Jn den Jaer ons heren M CCCC ende xcj.

Jtem dit boeck heeft gescreuen te laue gades heren Adam n Daemszoon Conuentuael in der Gaesdonck een natuerlick brueder here Johanne van den haeff ons Rectoirs. ende een geselle des voer genoemden rectoirs. Geeyndet Jn den jaer ons heren M CCCC ende xcj opter octauen sancte peter ende sancte pauwel der heiliger apostelen.

Beide colofons zijn van dezelfde hand, maar niet van de kopiist; het eerstgenoemde colofon was onderaan 323d geschreven, maar werd naderhand met een stuk papier weggeplakt, dat inmiddels is verdwenen; vervolgens werd het colofon bovenaan 323d opnieuw geschreven, maar nu zonder de naam van de opdrachtgeefster (vgl. CMD - NL II nr. 721).

 

Rubricatie BB: De hoofdstuktitels zijn onderstreept, evenals het incipit van het hs. (Die meisters-- -) en de praefatio van Boek II, steeds in rood; soms zijn regels in de tekst onderstreept, meestal in zwart. De tekst is gerubriceerd.

Decoratie BB: Een 8rr. opengewerkte initiaal bevindt zich op f. 191r (Die meisters) in blauw, ingetekend met rood en ingevuld met wat geel, zwart penwerk opgehoogd met geel, en een 7rr. initiaal op f. 210r (praefatio Boek II), in blauw met wat penwerk in zwart. De hoofdstukken worden ingeleid met 3rr. initialen in rood.

 

Band: s. 18 of 19.

 

Opmerkingen: De proloog en de praefatio van Boek I (vgl. editie BB, p. 6, rr. 3-8) zijn vervangen door de titel van BUA I, 4, en de aanvang van het sermoen (BUA I, 4 § 1) gevolgd door een verkorte vertaling van BUA I, 4 § 4 (het exempel over

[p. 81]

de vagevuurstraf van bisschop Guiardus van Kamerijk (Guido van Laon), die in zijn bestuur te streng was geweest, met aansluitend de conclusie van dit hoofdstuk. Dit exempel is niet aanwezig in het betreffende hoofdstuk 4; na de titel volgt de aanvang van het sermoen (Boek I, 4 § 1): ‘bi der angel verstait men in der helige scryften strengicheit off wreetheit. Dese angel deerfde die prince der herden Christus. die syn discipulen leerden ende seide. leert van my want ic sachtmodich bin ende otmodich van herten. ende gy sult vinden roist in uwen zielen.’, direct gevolgd door: ‘Dat vijfte capittel.’ (ff. 194 r/v, vgl. BB ed., pp. 14 en 15).

De volgorde van de hoofdstuknummering is onbetrouwbaar, men moet zich dus naar de hoofdstuktitels oriënteren; hoofdstuk II, 15 (dat geen exempel bevat) ontbreekt, II, 16 wordt als 15 geteld; II, 29 wordt echter halverwege doorgenummerd (hoofdstuk 28, f. 234r en hoofdstuk 29, f. 245r), zodat hierna de telling weer conform Colv. 1627 is. Van de sermoenen zijn meestal de beginregels, soms ingekort, overgenomen. Een uitzondering vormen enige korte hoofdstukken, die geen exempels bevatten. Hier heeft men de in het sermoen voorkomende referentie aan een persoon (Bernard van Clairvaux), een situatie (interdict) of een gedragslijn (gelijke behandeling van kloosterbroeders en conversen) als een exempel opgevat en het sermoen verkort weergegeven. Het betreft BUA I, 5, 6; BUA II, 5, 15, 19, 23, 33.

Twee exempels zijn van plaats verwisseld (BUA II, 1 §§ 16 en 17; ff. 213a en 213b). In vergelijking met de overige hss. in Vert. II zijn in G 5 exempels (BUA II, 26 § 8; 29 §§ 11, 14, 17, en 54 § 5 (in feite een opmerking in een sermoen) niet opgenomen.

Het explicit van Boek I ontbreekt, maar uitsluitend in dit manuscript is de epiloog volledig aanwezig.

G kenmerkt zich door een leesfout in BUA II, 43 § 6, waar hertogin Aleida van Brabant ‘Heilwich’ wordt genoemd in plaats van ‘Alysen’.

Het hs. was voorzien van 4 klavieren van leer, eindigend in een gevlochten bolletje, aan de rechterzijde van ff. 50, 150, 166 en 191; de drie eerste zijn nog aanwezig, het laatste (begin BB) is verdwenen.

 

GESCHIEDENIS

 

De kopiist Adam Daemszoon (of Adamszoon; + 1519, vgl. Hövelmann, 75) was socius van het regularissenklooster Nazareth in Oene in Salland, voordat hij als medewerker van de rector van St. Agnes in Nijmegen werd aangesteld (Hövelmann, 75). In het schepenboek van Nijmegen van 1483 wordt Johannes van Have als procurator van dit klooster genoemd (Van Schaik, 47). Adam was regulier koorheer in het Windesheimse klooster Maria te Gaesdonck in Goch. Dit klooster was in 1400 mede ontstaan door enige broeders, die uit Frenswegen waren vertrokken (vgl. F, geschiedenis). De prior van dit klooster was als ‘commissaris monialium’ belast met het toezicht over twaalf regularissenkloosters, die niet tot het Kapittel van Windesheim behoorden. Om deze reden was de prior slechts verantwoording verschuldigd aan de kerkelijke autoriteiten (vgl. Van Dijk, ‘De constituties’, 29, 30, 106). Hiertoe behoorde ook Nazareth in Oene, dat voordien deel had uitgemaakt van het Kapittel van Utrecht (Van Heel, 89). Deze kloosters probeerden zo goed mogelijk te leven volgens de Windesheimse statuten. De statuten van St. Agnes zijn bewaard gebleven (MDFF nr. 114).

De zusters van St. Agnes schijnen zich beziggehouden te hebben met de bereiding van medicijnen; hierin werd vaak de geneeskrachtige honing verwerkt. Het klooster lag buiten de stadsmuur bij Neerbosch, in de nabijheid van Mariënberg. Na de ommu-

[p. 82]

ring van de stad in 1467 werd het klooster versterkt met een wal, een gracht, en een poort. Tijdens de oorlog met Karel de Stoute (1473) vormden de gebouwen een hinderpaal voor de verdediging, zodat ze gesloopt werden. De zusters zouden binnen de stadsmuren compensatieruimte krijgen, maar dit gebeurde niet. Daarna vestigden zij zich opnieuw bij Neerbosch.

Het hs. is sinds de 18de eeuw in het bezit van de universiteit van Utrecht.

 

LITERATUUR

 

Over het hs.: Bouwstoffen MNW, 71 sub 2; CMD - NL II, nr. 721; cat. <Handschriften en Oude Drukken van de Utrechtse Universiteitsbibliotheek> (Utrecht 1984) nr. 109; G. Hövelmann, ‘Die Handschriften der Klosterbibliothek Gaesdonck’, <Gaesdoncker Blätter> 21 (1968) 75; <Scriptorium> 21 (1967) en 24 (1970); ‘Biënboec’, 413, 415 417, 427-430.

Over het klooster: R.Th.M. van Dijk, ‘De constituties der Windesheimse vrouwenkloosters vóór 1559’, in: <Middeleeuwse studies>, Band III - 1 en III - 2 (Nijmegen 1986), deel I, 30, 106; idem, ‘Een vrouwenklooster onder Windesheimse invloed’, MDFF nr. 112; F. Gorissen, <Stede - Atlas van Nijmegen> (Brugge 1956) 122; Van Heel, ‘De Tertiarissen van het Utrechtse kapittel, 66-88; R. van Schaik, ‘Mariënburg’, <Nijmeegse Studiën> IV (1973) 47.

 

Handschrift H (Vert. II)

 

Utrecht, Universiteitsbibliotheek, 1017.

<Boeck der byen>

s. 15II/16I.

Zutphen of omgeving.

Behoorde aan: St. Catharinahuis te Zutphen, Derde Orde van St. Franciscus.

 

Papier, 171 ff.; (1 + 170, recente foliëring 1-170) ff.; ca. 206 × 140 mm.

Katernformule: 1/12-1 (blad 1 is niet meer aanwezig); 2-18/10.

Mise - en - page: 2k., 27 rr. (op f. 110v); 13 <45> 10 <47> 28] (102) × [11 <140> 11]. Gr. 5,4.

Schrift: littera gothica hybrida, 1 hand.

 

Tekstgeleding: ff. 1r-8v exempellijst ‘Hier beghint die tafel van dat boec der byen.’ Van hoe dat die deken ende proest hoer bisscoplike koer ouergauen in mauricius handen. - - - Van hoe dat een beseten clerc een ketter verbernden mit motten die hem veynsde beseten te wesen; ff. 9r-9v: ‘Hier beghint een boeck welck ghenoemt wert in latijnscher spraken Liber apum. Mer in duutscher spraken heittet dat boeck der byen welc zeer nutte is gheesteliken luden te lezen’ Die meysters der natueren die weten wal dat die coninc der byen gheen anghel en heeft. Mer hi is alleen ghewapent mit mogentheit. Hier op lesen wi een exempel. Die weerdige gwiaert - - -; ff. 9v-48r Boek I: Die coninc der byen is van verwen als hoenich ende hi is gemaect van eenre wtverlesenre bloemen ende wt alre overvloedicheit - - - ende die tyran verwonderende wert tehans geloeuende ende mit alle den ghenen die mi toehoerden ontfinc hi die doepe. ‘Dat ander boec der byen’; ff. 48r 170r Boek II: Alle die ordinancie der heyliger kerken is gedeylt in drien stucken - - - Ende sonder merren alst ordel gods geschiet was wort die clerc van den duuel verlost ende wert gesont ende sterc. Deo Gracias; eigendomsmerk op het eerste ongenummerde blad (verso).

[p. 83]

f. 1v (ongenummerd): Dit boec hoert toe den susteren te zutphen tot sancten katharinen huus op ter nyer stat in der loken straet bi der staet muer. Ende henet (!) ons ghegeuen onse suster vrede brants toe testament. (andere hand, contemporain).

 

Rubricatie: De titels zijn met rood onderstreept, sommige regels (in de tekst) met zwart (f. 9r). De laatste zin van het explicit van Boek I in rood (Dat ander boec der byen). Meestal zijn dubbelgeschreven woorden doorgestreept in rood, soms in zwart. Eveneens in zwart onderstreept zijn een aantal regels van het sermoengedeelte, dat handelt over het grammaticale onderscheid tussen ‘fratres praedicantes’ en ‘fratres praedicatores’ (BUA I, 9 § 5, f. 20r; vgl. G, f. 197d, afgedrukt in ‘Biënboec’, 323).

Decoratie: Een 4rr. initiaal bevindt zich op f. 1r (exempellijst), een 8rr. initiaal op f. 9r (Die meysters der natueren), een 5rr. initiaal op f. 41r (praefatio Boek I) en een 3rr. initiaal op f. 48r (Boek II, hfdst. 2, Dat ander deel - - ), alle in rood, opengewerkt, ingevuld met pentekening in rood (bladeren), en opgesierd met penwerk in rood. Ook de initialen aan het begin van de hoofdstukken zijn in rood.

 

Band: s. 18, met leer beklede platten; rugstempel: <Het boeck der byen>.

 

Opmerkingen: De proloog en de praefatio van Boek I zijn vervangen door de hoofdstuktitel van BUA I, 4, het exempel van bisschop van Guiardus uit Kamerijk (BUA I, 4 § 4), en de conclusie van dit hoofdstuk; vgl. G. Evenals in G, komt dit exempel niet terug in het betreffende hoofdstuk, wel wordt daar in H naar het exempel in het incipit van het hs. verwezen. De volledige tekst in dit hoofdstuk is als volgt: ‘Die meisters weten wal dat die coninc der byen gheen angel en heeft mer hi is ghewapent mit machten. Bi den agel (!) verstaet men in der heyliger scryft ieren strenghicheit oft wreetheit als die tornlike cracht. Dese anghel derfden die prince der eerden Cristus die syn discipulen leerden ende seiden. Leert van my want ic sachtmoedich van herten bin ende ghi sult vynden rust in uwer zielen. Leest hier dat exempel dat in den beghin van desen boec gheset is.’ (f. 14v). Hierna volgt meteen: ‘In enen byestoc en is er mer een die als een coninc heerschappie draget bauen alle die ander’ (titel hoofdstuk 5).

Er is geen hoofdstuknummering, in overeenkomst met de oorspronkelijke Latijnse tekst. Men dient zich naar de hoofdstuktitels te oriënteren, die, in tegenstelling tot G, alle aanwezig zijn. Hoofdstuk 2 van Boek II krijgt hier bijzondere nadruk, door de aanvang met een meerregelige initiaal (vgl. G). De sermoenen zijn niet in de vertaling opgenomen, vier sermoendelen uitgezonderd (vgl. G). De inhoud van H stemt overeen met die van G, afgezien van 57 exempels, die hier ontbreken, waardoor de hoofdstukken II, 53 t/m 57 bijna helemaal zijn vervallen; veel van deze exempels zijn evenmin aanwezig in K/L (vgl. overzichtsgrafiek). De epiloog ontbreekt geheel.

Het hs. is in het bezit geweest van B. Huydecoper, die veel aantekeningen in het hs. heeft gemaakt. Daarna werd het eigendom van G. Oosterdijk, die het ter beschikking stelde aan F. van Lelyveld (vgl. hs. D). Na vergelijking met hs. D en de Latijnse tekst van hs. LC en inc. LY consteerde deze, dat hs. H als ‘niet meer dan een uittreksel, voornamelijk van exempelen, die in het Latijnsche Werk voorkomen,’ dient te worden beschouwd.

 

GESCHIEDENIS

[p. 84]

Het St. Catharinaklooster, oorspronkelijk Heer Hendriks- of Wolfshuis genoemd, ontstond in 1403 als Zusterhuis des gemenen levens in het huis van Hendrik van Heusden, kapelaan te Zwolle. De huisregels waren in overleg met Heer Hendrik opgesteld (1408; Van Heel, 224). De statuten van het ‘Katharinenhuis’ zijn bewaard gebleven. In 1414 kregen de zusters vergunning om in eigen huis de Eucharistie te vieren, echter zonder klokgelui in verband met een interdict. In 1447 legden 52 zusters de geloften af, waarbij een akte werd opgemaakt in verband met het testamentair afstaan van hun bezittingen. Drie zusters legden geen gelofte af, waarschijnlijk omdat zij de zg. buitenzusters zouden zijn. Onder de namen komt geen Frederika Brants voor (Smelt, reg. nr. 715). In 1456 behoorden zij officieel tot de Derde Orde van St. Franciscus (Smelt, reg. nr. 786). Tevens maakten zij deel uit van het Tertiarissenkapittel van Utrecht, maar wanneer zij daarin werden geïncorporeerd is niet bekend. Sinds 1458 hadden zij toestemming van de stad om vier getouwen te bezitten vanwege hun armoede. Als tegenprestatie mochten zij voortaan alleen dochters van de stedelijke bevolking toelaten. In 1478 trad Alijt Egberts uit en werd schadeloos gesteld voor alles wat zij had ingebracht (Smelt, reg. nr. 1070). In 1487 werd opnieuw een testamentaire akte opgemaakt, voor elf zusters, maar ook nu ontbreekt de naam van zuster ‘Vrede Brants’. Was zij misschien een meesterse (mater)?

Het gebouw was gevestigd op de Nieuwstad bij Baggeroord, dicht bij de stadsmuur. Al spoedig kregen de zusters de helften van de twee aangrenzenden huizen als schenking van de weduwe Griete Wolffs en haar twee dochters. In 1830 was een gedeelte van het gebouw nog aanwezig, in de nabijheid van het Oude en Nieuwe Gasthuis en het Pesthuis (BMG XXX, 75). Het lijkt waarschijnlijk, dat de zusters zich bezighielden met ziekenzorg, of de bereiding van medicijnen (vgl. het St. Agnesklooster te Nijmegen); in 1462 kregen zij een huis van Bele, de huishoudster van de overleden dominicaan Johannes Medicus, voor de diensten ‘die Biele vake ontfangen heeft wten conuente’ (Smelt, reg.nr. 1422). Aan het ‘Katharinenhuis’ was tot 1601 een weeshuis verbonden (BMG XXX, 109). In Zutphen waren nog 2 zusterhuizen des gemenen levens, het klooster St. Maria Magdalena (Ysendoorn), dat eveneens deel uitmaakte van het Tertiarissenkapittel van Utrecht (Van Heel, 91), en het klooster St. Agnes (Adamanshuis), dat onder toezicht stond van het Fraterhuis in Deventer (K. Meinsma, <Middeleeuwsche bibliotheken> 289-290).

 

LITERATUUR

 

Over het hs.: B. Huydecoper, ‘Proeve van Taal - en Dichtkunde’, heruitgave met commentaar van F. van Lelyveld, I (Leiden 1782) 208-210; Van der Vet, ‘Biënboec’, 413, 417 441.

Over het klooster: Van Heel, ‘De tertiarissen van het Utrechtse kapittel’, 59, 224-225; J. Gimberg, ‘Armenzorg’, in: <Bijdragen en Mededelingen voor de geschiedenis van Gelre> (BMG) XX, 109; idem, ‘Bijdrage tot de geschiedenis van het geestelijk leven te Zutphen in de Middeleeuwen’, BMG XXX, 72-75; K. Meinsma, <Middeleeuwsche bibliotheken> 289-290; W. Smelt, <Het oud-archief van de gemeente Zutphen>, reg. nrs 785, 776, 786 en 1070.

[p. 85]

Handschrift K (Vert. II)

 

's - Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, 135 F 11.

‘Een boeck van den prelaten ende ock van den ondersaeten’ (ff. 1r-230v); ‘Dit is een devote materie van den eerwerdighen heligen sacrament’ (ff. 231v-268r).

s. 15II.

Nijmegen of omgeving.

Behoorde aan: klooster St. Mariënburg, Nijmegen, regularissen van het kapittel van Windesheim.

 

Papier, 268 ff.; (foliëring s. 18 vanaf 1-231, daarna moderne foliëring op ff. 232, 233, 238, 240, 241, 251, 256, 261, 265, 266 en 267) + 1 ff.; 199 × 143 mm.

Katernformule: 1-26/10; 27/4+3 (ff. 261, 262, 263 zijn tussengevoegd); f. 268 is tegen de band geplakt.

Mise - en - page: 2k., 30 rr. (op f. 29r); 14 <45> 9 <54> 17](108) × [24 <159> 15].

Schrift: littera gothica hybrida, 1 hand.

 

Tekstgeleding BB: (geen kapittellijst) ff. 1r proloog: Den eerwerdigen vader in christo bruder hubert die ouerste van der prediker oerden. ich een otmoedich bruder wes naem in tegenwordicheit niet noet en is te noemen - - - totter eren al ons ordens; ff. 1r-39r Boek I: Alle die gelouigen - - - Ende wat is den wil den vaders in der hant des soens gesacht te werden. dan dat sommige ongelouigen totten kiersten geloue werden bekeert aenstaende goden wercken ende tot den rijch te coemen dat geen eynde en heft; ff. 39r-47v Boek II: Alle die ordinancie der heliger kerke is gedeilt in drien stucken - - - Jst dat een kersten mensche slapet ofte waktet ofte studiert ofte wandert ofte soe wat hi duet die sich altoes teken mytten cruce ons here welck een edel teiken alre doecht is tegens die boese geesten. Ic wil nu dit boeck besluten. Ende ic bid mynen gemynden behalder of ick in desen werck of in den anderen ye wat verdient heb dat my des deelhaftich wil maken onse heer jhesus cristus die mytten vader ende den heligen geest leuet ende regniert in de ewicheit. (f. 230v colofon).

 

f. 230v: Dit boeck heft gecopuliert bruder iohan van voirvelt geboiren in brabant en glorioes doctoer van der prediker orden. (hand van de kopiist)

 

Rubricatie BB: De hoofdstuktitels zijn met rood onderstreept, somds ook bepaalde regels in de tekst (zoals ff. 8r en 9r).

Decoratie BB: Op f. 1r zijn twee 6rr. initialen (proloog en Boek I); ook Boek II opent met een 6rr. initiaal, alle in rood, opengewerkt en ingevuld met paars en groen, paars en groen penwerk. De praefatio van Boek I en de hoofdstukken worden voorafgegaan door een initiaal in rood.

 

Band: s. 18.

 

Opmerkingen: De proloog is sterk ingekort. De hoofdstukken zijn niet genummerd. Hoofdstuk BUA II, 15, dat in G ontbreekt, is enigszins ingekort overgenomen. Dit hoofdstuk bestaat slechts uit een sermoen. De redactie vertoont weinig of geen gelijkenis met Vert. I (BB ed. pp. 92-94). In K is het laatste stuk hiervan vervangen door een interpolatie (f. 79r, ‘Myn alre liefsten en laet v niet swaer duncken hier penitencie te doen...’). Ook in K ontbreekt een hoofdstuk, BUA II, 17 (BB ed. pp. 94-95). Hierin handelt het exempel over een abt, die een te slap beleid voerde. De titel van hoofdstuk 29 wordt halverwege nogmaals vermeld, evenals in G. In de hoofdstukken is doorgaans slechts het begin van de sermoenen (volgend

[p. 86]

op de hoofdstuktitel) overgenomen, steeds min of meer ingekort.

In vergelijking met G zijn 57 exempels minder opgenomen (vgl. de tabel); van andere is de inhoud meestal bekort. Daarentegen zijn in K 5 exempels opgenomen, die ook in Vert. I aanwezig zijn, maar in G zijn weggelaten (BUA II, 26 § 8 (f. 94d); II, 29 §§ 11 (f. 104b), 17 (109c); II, 32 § 5, 6 (f. 143c). De redactie stemt niet overeen met Vert. I. Eén exempel komt uitsluitend in dit afschrift voor (f. 108v, BUA II, 29 § 14, vgl. Van der Vet, ‘Biënboec’, 107-108). De rangorde van de exempels in het laatste hoofdstuk is gewijzigd: na BUA II, 57, §§ 64, 63, 61 volgen nog 24, 25, 26 en tenslotte 30 (vgl. editie BB p. 250, tot r. 10).

In K zijn 35 exempels ingevoegd uit andere bronnen, waaronder het <Exordium magnum> (Van claren ouden mannen van cisters) van Koenraad van Eberbach, Scaecspul, Vitae patrum, Gesta Romanorum, Dialogus miraculorum; vgl. Van der Vet, ‘Biënboec’, 418-420. Voor het afschrift van het ‘Scaecspul’ raadpleegde hij het hs. 's Gravenhage, KB, X 55 (vgl. Biënboec, 2321). Aan zijn opgaven dienen nog enige sermoenen te worden toegevoegd, die in K op ff. 79a en 86b zijn ingelast. Opvallend is het verhaal over de christen, die werd gestraft omdat hij een jood vermoordde (f. 163c).

Samenvattend maakt de inhoud de indruk van een zorgvuldig opgebouwd stichtelijk boek, dat trouw het raam van de hoofdstuktitels van het BUA volgt, maar hier en daar een andere rangschikking aanbrengt (hfdst. 57) of sermoenen vervangt door fragmenten uit andere bronnen. Zo wordt het ingekorte aanvangssermoen aangevuld door het verhaal, hoe koning Lodewijk IX van Frankrijk eens vroeg, waarom er in zijn tijd geen wonderen meer gebeurden (f. 1v), waarna heel harmonisch het exempel over de bisschopsverkiezing van Mauritius volgt (BUA I, 2 § 1). Zwaarwichtige, filosofische passages zijn dikwijls vereenvoudigd of overgeslagen. Men krijgt de indruk dat de kopiist het boek heeft aangepast aan de kloostergemeenschap als geheel, zoals door de inlassingen in hfdst. II, 3 (over de gehoorzaamheid, ff. 50r-51v). De overige exempels zijn toegevoegd aan BUA II, 3 § 4 (ff. 50a, 51 r/v); BUA II, 7 § 4 (ff. 56v-60r); BUA II, 22 § 5 (f. 86c); BUA II, 29 § 34 (ff. 123r-127v); BUa II, 30 § 53 (f. 138v); invullen verder). Opvallend is het verhaal over de christen, die gestraft werd omdat hij een jood vermoordde (f. 163c).

K kenmerkt zich door de toevoeging ‘Senica secht’ in plaats van ‘philosophus’, vgl. BUA II, 26 § 8 (f. 95a, BB ed. p. 115 r. 2). De tekstregel is inderdaad ontleend aan Seneca. Een afschrijffout bevat f. 229b onderaan, waar in plaats van ‘broeder’, ‘moeder’ is geschreven, die in de ‘predicker oirde’ ging. Aleida, de hertogin van Brabant, wordt echter op f. 164b ‘Alysen’ genoemd, terwijl G ‘Heilwich’ schrijft (f. 262a).

De naam Joan van Voisvelt is een verbastering van Johan van Voisvelt, de letterlijke vertaling van Joannes Cantipratensis, van ‘Cantus in pratu’, zoals Thomas van Cantimpré dit laatste zelf toelicht in de VJ (vgl. Godding ed., 261). De verwisseling van de naam van abt Joannes van Cantimpré en die van de auteur Thomas van Cantimpré komt vaker voor (vgl. hoofdstuk 2, p. 7). Misschien was de naam Joannes als auteur aanwezig in het colofon van het Latijnse afschrift van het BUA, dat door de kopiist is geraadpleegd, of is het zelfs de basis geweest voor Vert. II.

 

GESCHIEDENIS

 

Het regularissenklooster Mariënburg te Nijmegen kwam voort uit een begijnenhuis dat buiten de stad was gevestigd. Tussen 1412 en 1426 schijnt het in een Zusterhuis

[p. 87]

van het gemene leven te zijn veranderd. Al in 1427 moeten de zusters tot de Regel van Augustinus zijn overgegaan, want de naam komt voor op de lijst van regularissenkloosters die tot het Kapittel van Neuss behoorden. De hierbij aangesloten conventen volgden de statuten van Windesheim, tot in 1430 volledige incorporatie in dit Kapittel werd toegestaan. In 1431 kregen de zusters van Mariënburg pauselijke goedkeuring om besloten te worden, maar dit gebeurde slechts onder voorbehoud omdat de zusters nog niet aan de vormingseisen voldeden. Sinds 1436 werd echter een opnamestop ingesteld vóór de gemeenschap juridisch was gelegaliseerd. Op voorspraak van kardinaal Nicolaas van Cusa vond de incorporatie in 1453 alsnog plaats. De zusters stonden onder geestelijke leiding van het aangrenzende Windesheimse klooster St. Catharina, dat eveneens tot het Kapittel van Neuss had behoord (Mon. Wind. 348).

Wat de bewoonsters van Mariënburg betreft is weinig bekend. Evenmin als andere Nijmeegse kloosters reageerde Mariënburg op de stedelijke verordeningen tegen beperking van de ‘bruidschat’ (dos) bij intrede in het klooster. Van Schaik noemt enige namen, die op afkomst uit poorterfamilies in de omgeving wijzen. Hieronder waren vier zusjes. Evenals in de overige Nijmeegse vrouwenkloosters hield men zich bezig met het bakken van hosties, het wassen van kerklinnen en het vervaardigen van liturgische gewaden. Na het voltooien van de stadsmuur in 1467 kwamen beide kloosters binnen de stad te liggen.

 

LITERATUUR

 

Over het hs.: Deschamps, Mnl. hss., nr. 67; Van der Vet, ‘Biënboec’, 418-420, 427-432.

Over het klooster: J. Acquoy, <Het klooster te Windesheim> III, 223; <Monasticon Windeshemense> III, 622-632; R. van Schaik, ‘Mariënburg’, <Nijmeegse Studiën> IV (1973).

 

Handschrift L (Vert. II)

 

Berlijn, Staatsbibliothek der Stiftung Preussischer Kulturbesitz, Germ. fol. 1033. ‘Van Marien Magdalenen wie sy bekiert wart dat Isidorus der lierer bescryft (ff. XXVIr-XXIXr); sermoenen (ff. XXIXr-XLr); ‘Hier volgen etzliche Exempelen van der moder Gottes Maria’ (ff. XLr-XLVIIIv); sermoenen (ff. XLVIIIv-LVIr); <Beien Buch> (ff. LVIIr-CLXXVIv); sermoenen (ff. CLXXVIv-CCIIIIv); ‘Dit is die disputatie van St. Catharina’ (ff. CCIIIIv-CCVIv); ‘Hier begint de disputatie die St. Augustinus hatte mit synen sohn Adeodatus’ (ff. CCVIv-CCXv).

Kopiist: noemt zich ‘schryverse’.

Ripuarisch (grensgebied zuidoostelijk van Maastricht)

30 juli 1639 (f. CLXXVIIv)

 

Papier, 215 ff.; (foliëring door de kopiist, van I-CCX; het getal XCI is door de kopiist overgeslagen) + 4 ff.; 308 × 190 mm.

Katernformule: 1-21/8; 22/6; 23/10; 24/6; 25/10-1 (tussen ff. CXCVII en CXCVIII is door de kopiist een blad uitgescheurd); 26/6; 27/10.

Watermerken: een grote dubbele adelaar, met kroon, daaronder een N, en een kleine, dubbele adelaar; sporen van een ander watermerk, slecht zichtbaar (vgl. Van der Vet, ‘Biënboec’, 418-419).

2k, 35rr. (op f. 57r); dit hs. is door mij op microfilm bestudeerd.

Schrift: littera gothica hybrida, 1 hand.

[p. 88]

Tekstgeleding BB: f. LVIv ‘Beien Buch Vom Standt der Obersten und onderthanen am meisten der Closter personen’ ff. LVIIr proloog: Den ehrwerdigen vader in cristo broeder Hubertus der Ouerster van der prediger Orden. Ich ein oitmoedich broeder wes name in tegenwoerdicheit niet noet en is zu noemen - - - Ure vaderlicheit blyue gesont. und die guedicheit cristi muss vch bewaren in lanckheit der dagen zu der ehren onser Ordens; ff. LVIIr-LXXVIIIr Boek I: Alle die gelouigen hauen einen ouersten welcher Cristus jesus is. und ym sullen sy gehorsam syn als Cristus koninck - - - Und wat is den will des vaders in der hant des sohnes geschickt zu werden. Als dat etzliche ongelouigen werden bekiert. aenstaende goede wercken und zu dem rich zu kommen deit geyn eynde en hat; ff. LXXVIIIr CLXXVIv Boek II: Alle die ordinantie der heiliger kirchen - - - und ich bidden mynen gesontmecher off ich in disen werck oder in den anderen ic etwat verdient hauen. vnd was dar guet van kompt das ir mich deilhaftich wilst machen alle guete. onsen heren Jesum Cristum der mit den vader und den heiligen geist in der Ewicheit left und regniert Amen.; f. CLXXVIIv colofon.

 

f. CLXXVIIv: Bidt um Gotz wil ein Ave Maria vur de schryverse. Hier eindet das beyenboich welch zu samen gesatzt hat ein edel doctor van der Prediger orden genant broder Joan van Voisvelt. Dit boich is geendicht im iair ons Heren MVICXXXIX den xxx Julii. (hand van de kopiist).

 

Decoratie BB: Er zijn drie opengewerkte initialen in rood, versierd met penwerk in blauw en groen, 7rr. op f. LVIIr (proloog), 6rr. op f. LVIIr (Boek I, 1, Er spricht) en 5rr. op f. LXXVIII (Boek II, inc., Alle); een 4rr. in rood op f. LXXXIIv (Boek II, hfdst. 2, Dat ander deil is van die byen). Doorgaans zijn de titels in rood geschreven, het begin van de tekst heeft dan een 2rr. initiaal. Ook de exempels worden vaak voorafgegaan door 2- of 3rr. initialen in rood of blauw (vgl. Van der Vet t.a.p.).

 

Band: contemporain, met koperen sluithaken en benen beslag aan de onderranden.

 

Opmerkingen: De inhoud is een ripuarische copie van hs. K (vgl. Biënboec, 432), maar het bevat 26 exempels minder (vgl. de tabel).

Volgens opgave van de bibliotheek in Berlijn is het hs. in 1965 gerestaureerd.

 

LITERATUUR

 

Axters, BDNM 79; Deschamps, Mnl. hss., 191; Van der Vet, ‘Biënboec’, 420-421, 432; C.G.N. de Vooys, ‘Middelnederlandse legenden en exempelen’ (19262) 271.

 

Handschrift M (Vert. I, A - familie)

 

Kopenhagen, Kongelige Bibliotek, Thott N 3142 Fol.

<Een gemeen goet van der natueren der byen>.

Amsterdam of omgeving.

Behoorde aan: klooster St. Mariënveld ten nyen Lichte, of Oude Nonnen, regularissen van het Kapittel van Windesheim, Amsterdam (f. 4v.).

 

Papier, 145 ff.; 1 (in het midden over de lengte half afgesneden) + 144 (moderne foliëring 1-144, f. 1 is onbeschreven) ff.; ca. 300 × 223 mm.

Katernformule: 1/2; 2-3/12; 4/10+1, tussen blad 2 en 3 is een blad tussengevoegd (f. 28); 5-13/12.

Watermerken: eenhoorn, regelmatig vanaf f. 99, slecht zichtbaar; vertoont gelijke-

[p. 89]

nis met Piccard X, nr. 2069 (Utrecht 1457); op het schutblad voorin is een anker met kruis, gelijkend op Piccard nr. 393.

Mise - en - page: 2k, 43 rr. (op f. 13); 15 <72> 15 <72> 49](159) × [24 <228> 48]. Gr. 4.9.

Schrift: littera gothica hybrida, de (acht) inleidende rubrieken tussen de hoofdstukken in littera textualis, evenals de kapittelnummers en het woord exempel, waarvoor door de kopiist voor ieder exempel ruimte is opengelaten. Op het ongenummerde eerste blad, dat in het midden overlangs is afgesneden, is door een andere hand, einde 15de eeuw, geschreven: Dit is dat bien boec.

 

Tekstgeleding: ff. 2r-3v kapittellijst: ‘Hier beghinnen die capittele des boecs’ Dat eerste capittel is dat die prelaet wesen sel van gueden gerucht. - wt natuerliken hate; ff. 3v proloog: ‘Hier beghint dat boec dat gheheeten is een gemeen goet van der natueren der byen dat prologus’ Een oetmodich brueder wes name geen noet en is te nomen op dese tijt - - - onser oerden; ff. 3v-29r Boek I: ‘Dat Cristus - - te wesen.’ (f. 4r) Alle gelouige menschen - - - een weynich tijts rusten; ff- 29r-144r Boek II: ‘Hier eyndet dat eerste boec der byen van den prelaten. Hier beghint dat anderde boec van den ondersaten’ Al die clercscap der heiliger kercken - - - een god sonder eynde amen. ‘Hier eyndet dat boeck der byen’; f. 4v eigendomsmerk.

 

f. 4v: Dyt boec hoert tot den ouden nonnen tsunte marien velde in die nesse van augustinus oerde in aemstelredam. (andere hand, littera cursiva, s. 15?).

 

Rubricatie: De rubrieken voor de eerste acht hoofdstuktitels zijn in rood geschreven. De hoofdstuktitels zijn onderstreept. Er zijn weinig paragraaftekens.

Decoratie: Een opengewerkte initiaal in rood bevindt zich op f. 2r (3rr., kapittellijst, op f. 3v (5rr., proloog), op f. 4r (4rr., praefatio Boek I), op f. 5r (3rr., Hoedanich die prelaet wesen sel, halverwege hfdst. 1), op f. 6r (3rr., hfdst. 3) en op f. 29r (5rr., praefatio Boek II). De eerste hoofdstuktitel wordt voorafgegaan door een 3rr. initiaal in rood, daarna worden de titels meestal afwisselend voorafgegaan door 2rr. initialen, en 3rr. opengewerkt, alle in rood.

 

Band: contemporain, dik perkamenten overslagband, maar de overslag is weggesneden; het koperen oog van het slot is midden op het voorplat nog aanwezig; 312 × 220 mm. De katernen zijn op twee strookjes wit leer genaaid, waaraan ook de band is vastgehecht.

 

Opmerkingen: Aan de hand van de bladsignaturen en de kim kan worden vastgesteld dat f. 28 later werd tussengevoegd. Helaas gebeurde dit niet op de juiste plaats; f. 28 hoort te volgen op f. 36. Er zijn veel doorhalingen en correcties, meestal van een andere hand. Dit gebeurde met veel zorg. Zo is in BUA I, 7 § 5 in het Latijn een afwijking in een citaat, dat de auteur ontleende aan Seneca: ‘Quis est pauper? qui sibi videtur pauper’ (Mnl. die dunct dat hi arm is), in plaats van: ‘qui sibi videtur dives’, door de corrector gewijzigd in: die dunct dat hi rijc is (f. 9d, onderaan). Deze Latijnse afwijking is ook gesignaleerd door Colvenerius, en is aangetroffen in alle onderzochte afschriften en in de gedrukte teksten van het BUA, vgl. Colvenerius, Notae, 12. Het moet hier dus om een zelfstandige ingreep handelen van de corrector van M. Ondanks de vele afschrijffouten heeft het hs. door de zorgvuldige correctie de minste afwijkingen in de A - familie.

Het eigendomsmerk op f. 4v (in de marge boven het begin van Boek I) is een met beverige hand geschreven aantekening; was het misschien als een legatering bedoeld?

[p. 90]

GESCHIEDENIS

 

In 1389 ontstond het klooster Marienveld oorspronkelijk als een zusterhuis van het gemene leven, maar in 1393 wensten twaalf zusters ‘na der manieren van den cloester van Eemsteyne’ te leven. Het kloostergebouw was gevestigd aan de Nes te Amsterdam. De gemeenschap stond in nauw contact met de plaatselijke reguliere kanunniken van St. Jan Evangelist; beide waren stichtingen van de priester Gijsbert Dou, die een biechtvader was geweest van Geert Grote. Sinds 1400 werden beide kloosters in het Kapittel van Windesheim geïncorporeerd, maar Gijsbert liet zich in Mariënveld begraven (1420).

Amsterdam ontwikkelde zich geleidelijk tot een belangrijke handelstad, vooral door de steun van Philips van Bourgondië. De lakenweverij werd aangemoedigd, waaraan de vrouwenconventen ook deelnamen ((vgl. H. Brugmans, Geschiedenis van Amsterdam I (19722) 112-117)). Mariënveld werd al spoedig heel welvarend. De jaarlijkse bijdrage aan het Kapittel van Windesheim bedroeg meestal 1 Rijnse gulden, maar voor dit klo