* De met een asterix gemerkte persoonsnamen zijn onder deze naam in de personenindex te vinden.
** De met twee asterixen gemerkte plaatsnamen zijn onder deze naam in de plaatsnamenindex vermeld; zie ook de subtitels kloosters en kerken.
Voor zover auteursnamen of titels niet volledig worden vermeld, raadplege men de bibliografie en lijst van sigli.
7 humbert, Humbert van Romans*/Humbertus de Romanis (*ca. 1200 te Romans bij Valence, + 1277 te Lyon) was leerling van Hugo van St. Cher* te Parijs. Humbert trad in 1224 vrijwel tegelijk met Hugo bij de dominicanen in, werd geplaatst in Lyon** waar hij lektor en daarna prior (zeker in 1237) werd. Onder zijn kloosterlingen bevonden zich Willem van Peyraud (ca. 1199 1271), Stefanus van Bourbon (+ 1261) en Peter van Tarentaise (ca. 1224 1276), de latere paus Innocentius V. In 1240 was Humbert provinciaal prior van Lombardije, in 1244-1254 van Francia, van 1254 1263 algemeen overste van de dominicanen orde. Hij abdiceerde tijdens het Algemeen Kapittel (AK) te Londen op 23 mei mei, vgl. Brett, ‘Humbert of Romans’, 5. Het BUA moet dus voor 1263 voltooid zijn geweest. De overige Mnl. hss. en drukken in Vert. I en II vermelden ‘hubert’.
11 een boeck van der naturen der dinghe: <De natura rerum> (NR).
11-12 ic selue, dus niet anderen (als Albert de Grote*, zoals lange tijd door sommigen werd aangenomen, vgl. Inl. hfdst. 2, noot 105).
12 xiiij iaer lanck: dit getal is ook in Vert. II (K) en de meeste Lat. hss. Het hs. uit het dominicanenklooster te Douai (door Colvenerius p genoemd, vgl. Inl. hfdst. 4.3 noot 11) en de incunabels LX en LY geven het getal xv, hetgeen overeenstemt met Thomas' mededeling in de proloog van de NR, vgl. Colv. Notae, 2.
13-17 De hier genoemde auteurs worden eveneens opgesomd in de proloog van de NR, waar bovendien Isidorus van Sevilla wordt vermeld; vg. Inl. hfdst. 3, noten 5-13.
20 Dyt capitel .. synne (Lat. Hoc ergo capitulum exponere simpliciter et moralizare praesumens) relateert aan het hoofdstuk over de bijen (zie r. 14), dat door Thomas slechts allegorisch zal worden verklaard.
22 mit menigherhande capittel vnderschedet ende ghetekent (Lat. sub diversis et intitulatis capitulis consummavi), onder invloed van de scholastiek begon men in de 13de eeuw in Parijs teksten nader onder te verdelen om de discussie te vergemakkelijken, vgl. superior, hfdst. 2, noot 130.
31 philosophen, Lat.: (-Interdum etiam et dicta) Philosophorum (diversis loci inserui). Hierna volgt in de Latijnse tekst: ‘Et ego quidem indignus, ex mandato vestro huius operis audaciam sumpsi; cum in quodam capituolo generali fratribus demandastis, ut in singulis provinciis digna memoriae scriberentur; si per fratres, vel occasione fratrum sive alias nota fratribus contigissent.’ Een dergelijk verzoek aan de broeders, om zoveel mogelijk belangrijke gebeurtenissen aan elkaar door te geven, is tweemaal door Humbert gedaan, in 1255 tijdens het AK te Milaan en in 1256 tijdens het AK te Parijs, vgl. Reichert, ‘Acta capitulorum’, p. 77, 4 8 en p. 83, 3-6.
32-34 Hijr omme, refereert in feite aan de voorafgaande zin (vgl. noot 31) die of niet door de vertaler is overgenomen, of niet in de gebruikte Lat. grondtekst aanwezig was; vgl. Inl. hfdst. 4.2, en 5.1.1.; hillighe vader .. werde, dit verzoek houdt verband met het kapittelbesluit uit 1255, dat elke door de broeders opgestelde tekst, voorzien van een korte
omschrijving, ter goedkeuring moest worden voorgelegd aan de dominicanenleiding, vgl. Inl. hfdst. 3, noot 2.
11 Lat.: Rex (inquit) apum mellei coloris est, ex electo flore, et ex omni copia factus; vgl. Plinius, Nat. Hist. II, XI, c. 16: 48.
19 vgl. Augustinus, Serm. 1 can. vita clerici.
20 vgl. Seneca, Proverbis, 92.
26-27 idem, Epistola 60.
28 vgl. Jakobus 2:10 (NT).
33 vgl. Seneca, Ep. 110 (vanaf Nochtant).
37 vgl. Matteus 5:16 (NT)
41 apostel pauwel to den romenen, Paulus* aan de Romeinen, vgl. Romeinen 12 (NT).
46 vgl. Hebreeën 5:4 (NT).
47 aaron, Aäron, broer van Mozes*, vgl. Exodus 4:14 (OT).
50-51 ozee, Hosea*; deze profeet trad op ca. 740-ca. 720 v.Chr.; vgl. Hosea 10:1 (OT).
15 philippo, Philippus de Montmirail*/Montemirabilis, tevens genoemd door Stefanus van Bourbon, volgens wie hij acht cisterciënserkloosters zou hebben gesticht, en meer dan 5000 vrouwen had overgehaald om begijn te worden. In de VJ wordt een Joannes de Montemirabilis (+ 1212) genoemd, die met toestemming van zijn echtgenote cisterciënser werd in Longpont (arr. Soissons) omstreeks 1209, vgl. ed. VJ, 284, 285, 290. Joannes was erfgenaam van zijn kinderloze oom Hugo III van Oisy (+ 1190), een der begunstigers van de abdij Cantimpré** bij Kamerijk**.
17 cemannen, La Mans**, ontstaan als hoofdstad van de Cenomannen, was h. van het graafschap en bisdom Maine, dat tot 1229 onderdeel vormde van de territoriale machtsbasis van de Plantagenets. Na het verdrag met de graaf van Toulouse in dat jaar bestemde Lodewijk VIII* het gebied, samen met Anjou*, als apanage voor zijn zoon Karel I* van Anjou; vgl. Jansen, <Geschiedenis van de Middeleeuwen> 220. - (Ex. 1, Bienboec 9.)
35 mauricium, Mauritius* (+ 1241) was gedurende 16 jaar en 40 dagen bisschop van Maine, in 1231 werd hij tot aartsbisschop van Rouen** benoemd. Hij was tot zijn dood in hooglopende strijd verwikkeld met Lodewijk IX* van Frankrijk, die het bestuur over het aartsbisdom aan zich had getrokken; vgl. Nouv.Biogr.Univ. XXXIV, 412; Kaufmann, <Thomas von Chantimpré>, 65.
36 kreten i.p.v. treten, Troyes** (Lat. Trecensis, > civitas Tricassium); is dit werkelijk een schrijffout van de kopiist, of hangt dit samen met het veelvuldig vervangen van de t door een k, zoals in ‘keghen’?
44 staet van kreten, hier: stadsparochie van Troyes** (Lat. Trecensi Ecclesia).
40 Augustinus Aurelius, bisschop van Hippo, Regula c. 40.
2-3 Benedictus van Nursia*, Regula c. 2.
33 Lat.: Reges plures in uno alveario saepius inchoantur; vgl. Plinius, Hist. Nat. II, XI c. 16: 50-51.
35 corinten, Korintië, vgl. I Korintiërs I:26 (NT).
42 ecclesiastes, niet het apocriefe bijbelboek Ecclesiasticus/Jezus Sirach, maar Prediker 10:7 (OT).
2 vgl. Seneca, Epistola 37.
31-32 vgl. I Samuel 10:9 (OT).
38-39 vgl. Seneca, Ep. 37, 39.
3-6 Lat.: Sed cum adulti esse coeperint (supplehi, quos dicimus insolentes) omnes concordi suffragio deteriores necant, ne distrahant agmina, et excitent seditiones; vgl. Plinius, Hist. Nat. II, XI c. 16: 50-51.
11 Ezechiel*, deze profeet trad op gedurende het laatste kwart van de 8e e. v.Chr. Vgl. Ezechiel 21:26 (OT).
12 bisschopes hoet (Lat. cidarim) staat samengedrongen op een door de kopiist gewiste plaats; de overige hss. geven ‘corve’. N.B. ‘cidaris’ werd door Perzische koningen als hoofdsieraad gedragen.
15-16 vgl. I Korintiërs 8:1 (NT).
20 vgl. Matteus 4:18 (NT).
24 Jheremias, deze profeet trad vermoedelijk op tussen ca. 620 en ca. 609 v.Chr. Vgl. Jeremias* 1:5 (OT).
29 Joseph, Jozef*, zoon van aartsvader Jakob*, vgl. Genesis 343:5 (OT).
34 Moyses, Mozes*; vgl. Leviticus 16:20 (OT).
50 walslant, Frankrijk**.
51-52 hildensem, Hildesheim**; Conradus* (+ 1245) was hier sinds 1213 bisschop, vgl. Colv. Notae, 142.
19 vgl. Galaten 6:10 (OT; vanaf ‘Duet guet’, etc.).
29-45 dudeslant, Duitsland. Een soortgelijk verhaal komt voor in de <Dialogus Miraculorum> Lib. 12, c. 2; daar gaat het om Lodewijk, landgraaf van Thüringen.
44 eende, de eerste e werd door de rubricator toegevoegd.
52 lodowicus, Lodewijk* IX van Frankrijk (1214/1226-1270), zoon van Lodewijk VIII (+ 1226) en Blanche van Castilië (+ 1252). Vanaf 1234 regeerde hij zelfstandig. - Een jood die christen geworden was, de franciscaan Nicolaas Donin, had paus Gregorius IX* op de ‘blasfemieën’ in de Talmud gewezen. Na enige agressieve acties in Zuid - Frankrijk (1233) werden in 1239 de geestelijke en wereldlijke heersers binnen Gregorius' bereik geadviseerd om alle joodse boeken in beslag te nemen en te censureren. Voor zover bekend was Lodewijk de enige die hierop reageerde. Op 3 maart 1240 werden de boeken geconfisceerd, maar de verbranding werd pas in 1242 geëffectueerd; vgl. Inl. hfdst. 2, noot 116.
6 broder hinrikes, de dominicaan Hendrik van Keulen*/Henricus de Colonia/Theutonicus (ca. 1190-ca. 1254) was biechtvader van Lodewijk IX. - H. was afkomstig uit Marsberg**. Op kosten van zijn oom, een ridder in M., studeerde hij in Parijs**. Na het behalen van de artes - graad keerde hij terug naar M. en was daar drie jaar docent. In 1217/1218 sloot hij zich aan bij de kruistocht van Andreas II van Hongarije en Leopold van Oostenrijk, en keerde samen met Andreas in 1218 terug. In Parijs trof hij de gemeenschap van de dominicanen aan, die zich hier enige jaren tevoren hadden gevestigd (St. Jacobsklooster, St. Jaques). Tegelijk met Jordanus van Saksen* en Leo (alle drie Duitsers) trad hij hier in 1220 in. Hierna werd hij samen met Leo naar het nieuwe convent in Keulen** gezonden, waar H. de eerste prior was (ca. 1221) en tevens lector conventus. Enige tijd later reisde hij opnieuw naar het H. Land, nu als (eerste) provinciaal prior van Palestina, waar hij in Akko** woonde. Vermoedelijk abdiceerde hij als prior tijdens het AK te Bologna (1233) om gezondheidsredenen; aangenomen wordt dat hij daarna naar Keulen terugkeerde. In 1236, 1239 en 1240 was hij met zekerheid in Parijs; in 1248 begeleidde hij Lodewijk* naar het H. Land; QE I, 148; Scheeben, JvS, 37, 166-168; Thomas, ‘De oudste constituties’, 279; Vicaire, ‘Dominique et ses prêcheurs’, 266.
8 archebisscop, Gautier Cornut* (+ 1241), sinds 1222 aartsbisschop van Sens, tot welk diocees Parijs toen nog behoorde; vgl. Inl. hfdst. 2, noot 110.
16 vincennes**; Lodewijk IX volgde de traditie van de Franse koningen om in deze plaats onder een eik recht te spreken.
24-25 de ioden van oestlant (Lat. omnes orientales iudaei), joden* in Oosteuropa, die voor een groot deel Karaiten zijn. (Hebr. Karaim, zonen der Schrift; deze verwerpen de geschreven commentaren en interpretaties van
de Bijbel zoals die in de Talmud gestalte krijgen).
28 In het hierna volgende onderdeel van het sermoen (Colv. I, 3 § 7), dat niet door de vert. is overgenomen, wordt er op gewezen hoezeer ook degene zondigt, die de verkiezing of aanstelling van een dergelijke prelaat bevordert. Het betoog wordt besloten met hetzelfde bijbelcitaat als in het begin van dit hoofdstuk (Ezechiel 21:31). In Vert. II is de tekst wel aanwezig. Ik citeer K: ‘Hoe meinich sijns dat die geen sundicht die aldusdanige menschen prelaten macht ofte kiest staet in desen tween versen geschreuen. Peccat in auctorem. pervertit ius, tribulatur pax status Ecclesiae, pro quo reus hic feriatur. Dit is die bedudenisse. hie sundicht in den maker als in god. hie verkiert dat recht. Die vrede ende staet der heliger kerken verstoert hie. Want god spricht doir den prophet ezechiel en huus van israel laet dij dijn sunden genoech sijn al en brengt gij niet onder v vremde ende die onbesneden sijn van herten. Hie verkiert dat recht Ecclesiastes. Ick heb gesien knechten te perde. ende princen wanderen oft knechten waeren te voete. Die vrede wort gestoert des staets der heliger kercken. Hier af spricht salomon in der gelikenisse des geens die een steen werp in den hoep des afgoets die mercurius geheiten is. Alsoe doet ock die den onwisen tot eren brengt. Hier om soe werden die sculdigen geslagen die die genen tot eren kiest die der eren niet werdich en sijn. hier om roept die heer doir den prophet ezechiel. Doet en wech den bisscops hoet. doet en wech die croen. want alsulke menschen sal men alle eer benemen. ende voirt soe sal sie slaen die toern gods.’ (f. 7v-8r).
30-31 Lat.: Constat inter auctores, quod rex Apum nullum habet aculeum, maiestate tantum armatus; vgl. Plinius, Nat. II, Hist. XI c. 16: 52; Seneca, <Liber de Clementia> I, c. 19; Basilius, <Hexaemeron>, Hom. 8; Ambrosius, <Hexaemeron> V, c. XXI. Colvenerius merkt op dat volgens Aristoteles de bijenkoning en de overige leiders (duces) wel een angel hebben, maar deze niet (hoeven te) gebruiken (Hist. Anim. V, c. 21); Colv. Notae, 5.
32 vgl. Openbaringen 9:10 (NT).
34 vgl. Matteus 11:29 (NT).
35 vgl. Spreuken 22:4 (OT).
40-43 saulum, Saulus, naam van de apostel Paulus* voor zijn bekering; vgl. Handelingen 9 (NT).
43-44 gaf (-) slaghe vp slaghe, vgl. Job 16:14 (OT).
44-45 vgl. Handelingen 9 (NT).
2 neronen, Nero*, Romeins keizer (37/54-68); vgl. Seneca <Liber de Clementia>.
22-23 vgl. Vergilius, <Georgica>.
34 Giuardus, Guido van Laon*/Guiardus de Lauduno (+ 1248) was van 1247 1248 bisschop van Kamerijk**/Cambrai; hij wordt tevens genoemd in de VL, c. 30.
36 ketters van antworpe, ketters van Antwerpen**, vermoedelijk kathaarse sympathisanten onder leiding van kanunnik Willem Corneliszoon*/Guillelmus Cornelii (+ 1248). Antwerpen behoorde tot het bisdom Kamerijk**.
37 cloester dat van strenghen leuene is, het benedictijnenklooster Afflighem**, NW van Brussel; is staat op een gewiste plaats; stond hier oorspronkelijk was, zoals in de overige hss.? Deze correctie suggereert, dat ten tijde van het ontstaan van F (s. 15cd) het klooster Afflighem nog steeds een zeer goede reputatie had. (Lat.: in regulari observatione strictissimme).
38 ghent, het dominicanenklooster te Gent** was in 1228 gesticht door een kerngroep uit Keulen**, vgl. Simons, ‘Stad en Platteland’, 137, en ibidem, ‘Bedelordekloosters in Vlaanderen’, 72-74.
4-5 Lat.: In uno alveario princeps unus, qui tantum regiis insignibus dominatur; vgl. Ambrosius, <Hexaemeron> V, c. XXI
9 <e> werd ten onrechte door de rubricator aangevuld.
11 vgl. Markus 6:24 (NT).
15 dat die keiser frederic den pauwes allexander verdreef etc., Alexander III* (1159-1181) werd niet erkend door Frederik Barbarossa* (1123 1190), die als tegenpaus Alixus III benoemde. Hieruit vloeide een schisma voort (1159-1177) met drie tegenpausen. In Thomas' eigen tijd werd paus Alexander IV* (1254-1261) door Manfred van Sicilië uit Rome verdreven.
21 lumberdien, Lombardije**.
22 petrus, Petrus Martyrus*, dominicaan. Als inquisiteur werd hij onderweg in 1252 vermoord bij veronen/Verona**, hierna zalig verklaard. Tijdens het AK in 1255 te Milaan werd aangedrongen om de herinnering aan hem levend te houden in de dominicanenliteratuur, en voor het volgende AK te Parijs in 1256 werd zijn gebeente overgebracht naar het St. Jaques klooster aldaar; Reichert t.a.p., 76-77; Brett, 63, 95.
23-24 salichlich gedoot wert. Hierum isset dat romen, bij deze overgeslagen woorden staat wel een verwijsteken, maar de correctie ontbreekt.
33-34 Lat.: Rex apum in fronte macula quadam, quasi quodam diademate, candidatur; vgl. Plinius, Nat. Hist. II, XI, c. 16: 51.
35 sacharias, de profeet Zacharias*, die ca. 520 v.Chr. optrad. Vgl. Zacharia 6:11 (OT).
36 presters ihesus (Lat. Iesu), Jozua*, hogepriester, zoon van Josadak (OT). N.B. In het Hebr. klinken beide namen Jozua/Jezus gelijk: ‘Jeschwa’ (Immanuel, hij die redt).
43-47 Deze zinnen wijken enigszins af van de Latijnse tekst: Vel coronas ad litteram dicere possumus, secundum statuta Ecclesiae, insulas praelatorum, quibus non omnibus, sed fere solis Episcopis licet uti. Abusive tamen quidam Abbates de novo in magna mole pecuniae his utuntur. Abusive, inquam, nisi forte usum paucorum dierum dixerim, contra iura Civilia, quae usum temporis non dicunt, nisi quantum aetas legitima hominis in octoginta annis plenius approbasset.
48 sunte dionisius cloester, benedictijnenklooster St. Denis** bij Parijs.
49 cloester cluniaeck, cisterciënserklooster Cluny**.
4 cloester, volgens de Lat. tekst betreft het 't benedictijnenklooster Anchin**/Aquicinctum bij Valencijn/Valenciennes**.
5 stichte attrebatanen, bisdom Atrecht/Arras**, suffragaanbisdom van Reims**.
12-13 Lat.: Notabili signo cultus alterius rex prae caeteris non ornatur (niet geïdentificeerd).
14-15 cierheit der cledere, Lat. cultus.
17 Over de afbeelding (belde, Lat. iconia) schrijft o.a. Vincentius van Beauvais, vgl. Colv., Notae 8-9.
21-22 Dit is een uitleg van de vertaler.
26 ienighen, hierna volgt in de Lat. tekst: Heu iterum eum erubescentia referam gravius, quod vidi.
32 tabbert, tabberd, in de Lat. incunabels LX en LY is toegevoegd: ‘id est vliegher’ (een wijde mantel, die gemakkelijk door de wind kon opwaaien). Bisschoppen droegen dergelijke mantels (vgl. ex. 14). Vgl. ook Colv. Notae, 10.
36 vlg. Matteus 21 (NT).
38 Johannes baptisten, Johannes de Doper*, vgl. Matteus 3:4.
39 hilarionis, wsch. Hilarion* van Gaza, * ca. 291 in Palestina, + ca. 371, leerling van St. Antonius abt.
45 swarter orden, Orde der Benedictijnen; deze monniken dragen een zwart bovenkleed.
22 dudeschen lande, Duitsland**; sunte berndes, Bernard van Clairvaux*/Bernardus Clarevallensis (1090-1153).
35 vermaende he em to bichten, sinds het Vierde Concilie van Latheranen (1215) onder Innocentius III* bestonden er stringente kledingvoorschriften voor de kloosterlingen (cap. 16). Als een monnik alleen in zijn cel was mocht hij zijn bovenkleed (habijt) wel uitdoen, maar op de slaapzaal (dormitorium) bleef dit verboden.
38 vgl. Augustinus*, Regula c. 15.
41 ibidem, c. 23.
1 vgl. Benedictus*, Regula c. 55.
8 hilghen vader, Bernard van Clairvaux*/Bernardus Clarevallensis, in zijn apologie aan abt Wilhelmus.
10-17 den dunket dat he arm si, volgens de oorspr. tekst (Seneca, <Liber de Moribus>) staat in het Latijn ‘Qui sibi videtur dives’. Alle onderzochte hss. en drukken geven ‘pauper’ in plaats van ‘dives’, met uitzondering van hs. Kopenhagen, Thott 313o, s. 15d. Wat de mnl. tekstgetuigen betreft is in M ‘arm’ verbeterd in ‘rijk’, f. 9d. - Vgl. Seneca, Ep. 5, 91, 111, 112.
35 vgl. I Timoteus 1:17 (NT).
36 propheten ysaiam, vgl. Jesaja* 42:8 (OT).
41-45 maria greuinne van campanien, Maria* van Frankrijk, gravin van Champagne (1181-ca. 1221); Lat.: haec nupta nobilissimo Henrico Campaniae Comiti, filia fuit Lodovici Pii, regis Francorum; Philippi regis soror, aeque regis Francorum. Quattuor fratres reges in Anglia habuit; filium regem in Transmarinis. - Maria was de echtgenote van Hendrik I* van Champagne, de dochter van Lodewijk VII* van Frankrijk en Eleanor van Aquitanië, en de zuster van Filips II Augustus* van Frankrijk; verder was zij door het tweede huwelijk van haar moeder met Hendrik II van Engeland de halfzuster van Hendrik III, van Richard* I (Leeuwenhart), van Jan zonder land* en van Geoffrey van Engeland; haar zoon Hendrik II* van Champagne huwde Isabella van Jeruzalem, waarna hij tot zijn dood koning van Jeruzalem was (1192-1194). Zijn moeder bestuurde in die tijd het graafschap. Maria is tevens bekend als de dichteres Marie de France, vgl. ‘Lexikon des Mittelalters’ II, 10.
49 abbet van persanien, Adam van Perseigne** (ca. 1145-1221), zoon van een lijfeigene van de graaf van Champagne, was eerst benedictijn in Marmoutier, daarna novicenmeester in het cisterciënserklooster Pontigny, sinds 1188 abt van Perseigne, en hofkapelaan van Maria van Champagne, vgl. Hinnebusch, ‘The dominican order’, 254, 255, 274.
1-5 Volgens Colvenerius zouden soortgelijke gebeurtenissen ook zijn voorgekomen na de dood van Willem de Veroveraar (1087), van Jan* Zonder Land (1216) en van Innocentius III* (1216). Vgl. ook Kaufmann, <Thomas von Chantimpré>, 92.
17 Vgl. <Decretum Gratiani>, l. 100 (over het gebruik van pallia).
22-23 Lat.: Hic forma semper egregio est, et duplo caeteris maior; vgl. Plinius, Nat. Hist. XI, c. 16: 51.
24 coninghe saul, Saul* (ca. 1030-1010), eerste koning van Israel, vgl. I Samuel 9:2 (OT).
27 vgl. I Petrus 2:24 (NT).
32 de apostel seghet, Paulus* in Galaten 6:2 (NT).
46 mauricius, zie p. 7, r. 35.
47-48 rothomagensen, Rouen**.
48 robertus, de wanner abbet was to blesense, Robertus* van Blois.
22 vgl. Job, 9:3 (OT).
23 vgl. Mattheus 22 en 25 (NT).
35 propheten ysaias, vgl. Jesaja* 5 (OT).
40 mauricius, vgl. p. 7, r. 35; vgl. Matteus 24, 45-47 (NT).
45 Lat.: Alae eius breviores sunt; vgl. Plinius, Nat. Hist. XI, c. 16: 51.
46 martha, Martha* te Bethanië, zuster van Maria en Lazarus, vgl. Lukas 10:38-42 (NT).
48 marien, Maria*, zuster van Martha, ibidem.
49 David*, koning van Israel, ca. 1010-970 v.Chr., vgl. Ps. 55:7-9; Ps. 21:51; Ps. 84:8 (OT).
52 syon, Sion**, berg(plateau) waarop de tempel te Jeruzalem was gebouwd, later toegepast op de stad zelf.
53 in den texte, vgl. de volgende hoofdstuktitel (X).
3 vgl. I Timoteus 5:17 (NT).
3-6 vgl. Genesis 27:28 (OT).
8 conradus, Conradus* van Urach (+1227), cist. Aanvankelijk deken te Luik, daarna ingetreden te Villers**, sinds 1209 abt van Villers, in 1214 van Clairvaux **, in 1217 van Cîteaux en, ca. 1218 kardinaal van Porto en pauselijk legaat in Duitsland voor de kruistocht tegen de Albigenzen, en voor de vijfde kruistocht naar het H. Land.
16 gwilhelmus de abbet van wiler, Willem van Dongelbert of van Brussel* /Guillelmus (ca. 1165-1242), cisterciënser, van 1221-1238 abt van Villers**, daarna abt van Clairvaux*.
20 dutschlant, Duitsland**.
21-22 de broders van der prediker orde de do daer nies ghecomen weren; na de pauselijke goedkeuring van de dominicanen orde in 1216 werden conventen gevestigd in de universiteitsplaatsen Bologna* en Parijs* (1217), aanvankelijk bewoond door broeders uit de eerste dominicanengemeenschap te Toulouse, vgl. JvS, 36-37; Thomas, ‘De oudste constituties van de dominicanen’, 68; Vicaire, ‘Dominique et ses prêcheurs’, 272. Vermoedelijk bezocht C. de Parijse dominicanengemeenschap om zich te oriënteren in verband met de rechtzaak te Keulen, vgl. r. 34.
31 In Colv. I, 9 § 5 wordt de uiteenzetting over het ontstaan van de Orde der Dominicanen voortgezet, evenals over het grammaticale verschil tussen ‘Fratres Praedicantes’ (broeders die een preek houden) en ‘Fratres Praedicatores’ (broeders die met de prediking belast zijn). De Mnl. vertaling vindt men in G, f. 7d (Biënboec, 323).
33-34 kollen, Keulen**; do he daer den sent saet, Lat.: Illo enim in Synodo praesidenti; vgl. r. 8. Tijdens zijn aanwezigheid in Keulen in 1225 was C. voorzitter van een synode, die bijeengeroepen was om de moord op aartsbisschop Engelbert van Berg (1185/1216-1225) door diens neef te berechten. E. was door de edelen gehaat vanwege zijn strenge optreden tegen uitbuiters van kerkelijke goederen, en door de stiftsheren vanwege zijn begunstiging van de dominicanen. De ‘kerkheer’ (parochiepriester), die de zorg had voor negenduizend parochieleden, was kennelijk een der aanklagers tegen de dominicanen.
35-36 broders - - - to collen: Christiaan en Salomon van Aarhus, na hun studie te Bologna** ingetreden bij de dominicanen te Verona**, waren in 1221 de voormannen van de dominicanenvestiging in de Stolkgasse te Keulen**, waarna in 1222 uit het convent te Parijs** de Duitse theologen Hendrik* (als lector) en Leo (als prior) zich bij hen voegden. Zij kregen van de aartsbisschop de beschikking over de Maria Magdalenakapel. Na de gunstige uitspraak van Conradus van Urach* tijdens de synode (1225) ontwikkelde de stichting zich spoedig tot een der bloeiendste dominicanennederzettingen; vgl. Scheeben, ‘Albertus Magnus’, 40.
39 sechde ix dusent. ende de legaet antworde em ende sechde, tekstgetuigen BCDM geven als in A: ‘antwoerde IXm (ende) die legaet segende hem ende
seide’, en inc. SZ: ‘Hij antwoerde hem en sede neghendusent. En die legate segende hem en seijde’. Q heeft ‘segghende hem ende seide’. In F zijn vóór ‘antworde’ twee letters gewist. Vermoedelijk interpreteerde de kopiist ‘seghende em’ niet als: ‘sloeg een kruisteken over zichzelf’ (Lat. consignans se cruce), maar als ‘zei hem’, of wellicht als het niet toepasselijke: ‘zegende hem’ (de legaat de parochiepriester). Vgl. N. Heinertz, ‘Die mittelniederdeutsche Version’, VII.
50 innocencius den derden (1198-1216) gaf tijdens het Latheraans Concilie in 1215 in principe zijn goedkeuring aan de missionaire doelstellingen van St. Dominicus en zijn gezellen, maar wenste dat de groep volgens een orderegel zou leven. Op 25.04.1216 was de leefregel gereed, opgesteld volgens de Regel van Augustinus en de gebruiken van Prémontré; honorium den verden, Honorius IV* (1285-1287), is in overeenstemming met de Lat. onderzochte afschriften, maar aangezien de rechtzitting te Keulen in 1225 plaatsvond, moet het hier Honorius III* (1216-1227) betreffen, die op 21 januari 1217 met de bul <Gratiarum omnium largitori> de naam en het officium van de dominicanen bevestigde, waarvan de werkzaamheden bestonden in: ‘de wereld bekend maken met het woord van God’. Gregorius IX (1170/1227-1241), neef van Innocentius III, begunstigde de dominicanen, en maakte gebruik van hun mobiliteit voor gevaarlijke diplomatieke missies, zoals naar de Mongolen*, en benutte hun universitaire opleiding door hen in te schakelen bij de pauselijke rechtbank van de inquisitie; vgl. Thomas, ‘De oudste constituties van de dominicanen’, 68; Vicaire, ‘Dominique et ses prêcheurs’, 272 e.v. Het verhaal komt ook voor in de VMO, liber 3, vgl. Colv. Notae, 15.
5 marien van deoegenes, Maria van Oignies*, zie hfdst. 2, noten 4 en 53.
14 Lat.: Dum procedunt apes, in medio rex earum est;vgl. Plinius, Nat. Hist. XI, c. 16: 54.
15 vgl. Lucas 24:36 en Johannes 20:19 (NT).
18 texte, vgl. hoofdstuktitel XI.
19 vgl. Johannes 10:4-5.
25 nabal*. vgl. I Samuel 25:9 (OT).
28 vgl. Seneca, Ep. 47.
39-40 Ibidem, Ep. 48.
47 blomendael, het cisterciënserinnenklooster Florival/Bloemendaal**, bij Nijvel; het was in 1095 door benedictinessen gesticht, maar in 1218 gingen de zusters onder leiding van abdis Genta* na veel moeilijkheden over naar de cist. orde; vgl. Ploegaerts, <Histoire de l'Abbaye de Florival> (1925). Genta stierf in 1247 (vgl. Colv.).
49 swarten orde, zie noot 16, 45.
25 Na nacht, volgt in de Lat. tekst: Cui ego, nescio quid respondens, praefagium futuri minime dubitavi.
27 vurighe, correctie uit ‘wurighe’.
34-35 Lat.: Et in officio illius omnes conspici se gaudent; vgl. Plinius, Nat. Hist. XI, c. 17: 54.
40 Judit*, joodse vrouw, die veinsde zich over te geven aan de vijandige veldheer Holofernes*, en hem tijdens zijn slaap onthoofde; vgl. Judit 3:4 (OT).
43 nemroet, Nimrod*, legendarische jager en krachtpatser die de eerste heerser op aarde zou zijn geweest, vgl. Genesis 10:9 (OT).
4-5 vgl. Romeinen 12:21 (NT).
8 mauricium ende sinen ghesellen, Mauritius en zijn gezellen*; hochtijd, feestdag 22 september.
26-28 Lat.: Cum autem rex procedit, una est totum agmen, et circa eum globatur, cingitque cum ac protegit; vgl. Plinius, Nat. Hist. XI, c. 17: 52.
33 vgl. I Samuel 7:5 (OT).
34 iuda machabeum, Judas de Makkabeeër*, vgl. II Makkabeeën 15:22 (OT).
36 moyses, Mozes*; over de strijd tegen amalech/Amalek*, vgl. Exodus 17:9-16 (OT).
41 greue van campanien, deze graaf van Champagne is niet geïdentificeerd.
43-45 vgl. Jezus Sirach 35:19-20 (OT).
8-9 Si qua alam regis, transiens iuxta, destruxerit, non effugiet agmen, supple, quin vindicet; vgl. Plinius, Nat. Hist. XI c. 17: 54.
14 Hiir, tussen ‘hi’ en ‘ir’ is een gat in het perkament, hetgeen de afwijkende schrijfwijze verklaart.
14-15 canticis canticorum, vgl. Hooglied 3: 5; iherusalem, Jeruzalem*.
19 vgl. Johannes 16:23-33 (NT).
20 vgl. I Korintiërs 12:26 (NT).
25-26 abbet van sunte mathias cloester to treer, St. Matthiasklooster**, benedictijnen, te Trier**. Een scherpe tegenstelling met het huichelachtige gedrag van deze naamloze abt vormt de prior, Otto*, vgl. p. 52, Ex. 46.
43 apocalipsi, vgl. Openbaringen 2 (NT).
47-50 vgl. Lucas 10:41-42 (NT).
10-12 Lat.: Migraturo agmine, nullae e domibus audent exire, nisi rex primo fuerit egressus, et volatus sui vendicaverit principatum; vgl. Plinius, Nat. Hist. XI, c. 17: 54; Ambrosius, <Hexaemeron> V.
13 boke iosue, vgl. Jozua 3:6 (OT). Dit is een aanpassing van de vertaler, en verdient inderdaad de voorkeur boven Numeri (10:23), zoals de Lat. tekst aangeeft.
14 tobias, vgl. Tobit 11:3 (OT).
15 vgl. Matteus 23:4 (NT).
25 vgl. Matteus 10:24.
33 in der scholen, vermoedelijk de kapittelschool van de St. Gaugericuskathedraal te Kamerijk, vgl. Inl. Hfst. 2, noot 27.
42 vgl. I Timoteus 4:2 (NT).
14-15 Lat.: Reliquo tempore cum apibus in labore est. Ipse autem operantes circuit, et solus immunis est ab opere; vgl. Plinius, Nat. Hist. XI c. 17: 54.
16 vgl. Handelingen 20:34 (NT).
19 vgl. II Korintiërs 11:22-29 (NT).
20 vgl. Augustinus, Glossa ord. ad vers. ps. 118.
26 ghesette tide, kloosterlijke getijden.
30-31 poete, volgens Colvenerius betreft het hier de dichter Waltherus de Castellione (Gautier de Chatillon/de Lille*, * ca. 1135 te Rijsel - Amiens ca. 1201), in zijn latere leven secretaris van de aartsbisschop te Reims en docent te Châtillon. Zijn <Alexandreis> (ca. 1178), waar Thomas van Cantimpré aan refereert, vormde de basis voor Jacob van Maerlant's <Alexanders geesten> (vgl. Mnl. hss. 31-32). De Lat. verzen, waarop Thomas van Cantimpré zinspeelt, luiden: Si quando dixero forti, I prior, i, sed in arma veni praecedere nisus, Tunc demum socios sum dignus habere sequaces, vgl. Colv. Notae, 8.
32 conincks alexanders, Alexander III de Grote* van Macedonië.
39-40 meister wolter, bisscop tornacencen, Walter van Marvis* (+ 1252), bisschop van Doornik; vgl. Colv. Notae, 8.
42 Na versonen, volgt in de Lat. tekst: Horum si aliquid exercere taederet, propriis manibus laborabat. Het is opvallend, dat in het Mnl. deze zin over het incidenteel mee - arbeiden van deze bisschop is weggelaten!
47-48 Lat.: Circa eum satellites quidam sunt assidui custodes auctoritatis eius, vgl. Plinius, Nat. Hist. XI c. 17: 53.
50 ioseph den patriarche, Jozef*, zoon van de aartsvader Jakob*, vgl. Genesis 39 (OT).
1 roboam, Rechabeam*, zoon van Salomo, koning van Juda, 932-913; vgl. I Koningen 12:8 (OT).
4 isboseth, Isboaset*, zoon van Saul*, ca. 1010; vgl. II Samuel 5:3 (OT).
5 vgl. II Samuel 5:3 (OT).
6 salomon, Salomo*; zoon van David* en Batseba* (970-9931); vgl. Hooglied 3:7-8 (OT).
7-8 alre weghen syn duesternisse, staat op een gewiste plaats. Eigenlijk dient (volgens de Lat. tekst) de zin ‘alre weghen syn duesternisse’ (7-8) te komen vóór ‘O anxt ende vruchten des nachtes’ (6-7), zoals in de overige Mnl. afschriften.
15 hinricus, Hendrik*, abt van regulierenklooster Maria de Burgo Medio** (te Bourg Moyen) bij Blois, (de kerk bestond sinds 996). In 1210 werd het klooster hervormd; vgl. Hinnebusch t.a.p., 132 en 287.
28 vgl. Handelingen 9:5 (NT).
32 leuen, hierna volgt in de Lat. tekst: Hic, sicut de Iulio Caesare legitur: Omnia Caesar erat (Lucanus, <Pharsalia> III). Vgl. Colv. Notae, 19.
38 vgl. I Korintiërs 13:7 (NT).
45-46 Deze moord zou in 1224 hebben plaatsgevonden, maar dit moet vermoedelijk 1225 zijn. In <Gallia Christiana> VIII 1391-1392 wordt inderdaad een dergelijk geval bericht, maar het slachtoffer heette Hervé, die in 1224 nog leefde. In een brief aan paus Honorius III* wordt meegedeeld, dat hij in 1226 werd vermoord, afgedrukt in <Instrumenta> van deel VIII, c. 429. De bisschoppen van Chartres, Orléans en Le Mans verjoegen de kanunniken ‘voor altijd’. Vgl. E. Berger**, ‘Thomas Cantipratensis’, 45, en H. Platelle, ‘Vengeance privée et réconciliation dans l'oeuvre de Thomas de Cantimpré’, 274 noot 16.
47 robertus, Robert* van Blois; vgl. p. 19, Ex. 12.
51 abel*, vgl. Genesis 4:10 (OT).
9 pawes, dit moet Honorius III* (1216-1227) betreffen.
9-10 philippum, Filips II* Augustus van Frankrijk (*1165/1180-1223). Indien de moord inderdaad pas in 1224/1226 zou hebben plaatsgehad, moeten de brieven aan zijn opvolger gericht zijn geweest.
10 greuen van blesen lodewicum, deze graaf van Blois is niet geïdentificeerd; misschien is hiermee de kroonprins Lodewijk VIII* (1223-1226) bedoeld, die een kleinzoon was van Lodewijk VII van Frankrijk en Aleida van Blois, en sinds ca. 1213 een belangrijk aandeel had in het bestuur van zijn vader.
14 vntwiet, uit het ambt gezet. Een priester mocht immers niet worden terechtgesteld.
16 robertus, Robert* van Blois; zijn naam komt in de pauselijke correspondentie niet voor. Vermoedelijk was zijn abtsverkiezing nog niet gelegaliseerd. Na de opheffing van het regulierenklooster vertrok hij naar Rouen**.
21-22 de prediker orden to parijs, het klooster St. Jaques** te Parijs.
28-29 Lat.: Sunt et circa regem saevi lictores, qui morte puniunt delinquentes; vgl. Plinius, Nat. Hist. XI, c. 10: 25.
35 vgl. I Korintiërs 5:4-5 (OT).
38 vgl. Seneca Liber de 4 virtuti, c. 3.
50 Augustinus, Confessiones, Boek 2, 3.
23 Ibidem, 96.
16-17 Lat.: Intus semper rex est sollicitus, et non de facili cerni patitur, subaudi sine causa; vgl. Plinius, Nat. Hist. XI, c. 17: 53.
24 vgl. Psalm 55:7 (OT).
46-48 In het Latijn luidt deze volksspreuk: Miles in obsequit famulum, clericus socium, monachus habet dominum. - Colvenerius geeft een equivalent hiervan: Servos serviles habet omni tempore miles, Presbyter a quales, sed monachus imperiales; Colv. Notae, 20.
7 vgl. Matteus 20:8 (NT).
36 vgl. Jesaja 5:8 (OT).
22 Lat.: Nisi enim foras egreditur, nisi agmine migraturo; vgl. Plinius, Nat. Hist. XI, 17: 54.
39 berch martis, (Ober)Marsberg** in Sauerland, Westfalen.
41 hinric van colen, Hendrik van Keulen*; hij was afkomstig uit Marsberg**, vgl. p. 13, r. 6.
49 capellen vp der borch, vermoedelijk de Nikolaaskapel** op de top van de Marsberg. Deze fraaie kapel werd in de 13de eeuw door de burgers opgericht en met eigen middelen in stand gehouden; ook de dienstdoende priester werd door hen bekostigd, tot groot misnoegen van de kapittelheren in de benedenstad.
2-4 De Latijnse tekst van deze verzen is: In grege commisso male te geris, eorum pede scisso claudes est; Inspicto quae poena futura redite.
17 vgl. Psalm 122:1 (OT).
23 Na beual, volgt in de Lat. tekst: Simul etiam in hac narratione diligenter adverte, quod in primis versibus dicitur: In grege commisso male te geris, et pede scisso, Claudus es: inspicito quae poena futura, redito. Ibi namque manifeste significavit scissum eum habere pedem affectionis, quem integrum erga commissum gregem habere debuerat. Claudumque eum esse monstrabat, cum uni beneficio, scilicet Capellaniae, serviret in castro, et auram sibi commissam parochiae negligentius deserebat.
25 wilhelmus, Willem van Auvergne*/Guillelmus Alverniae (ca. 1180 - Parijs 1249), doceerde als theoloog te Parijs, werd 1228 door Gregorius IX tot bisschop benoemd; stichtte tijdens de universiteitsstaking te Parijs in 1229 de eerste leerstoel voor de dominicanen, vgl. Inl. hfst. 2, 52.
33 hugo, Hugo van St. Cher*/a S. Caro (St. Theudère ca. 1200 - Orvieto 1263), was theologiedocent in Parijs, waar hij ca. 1225 bij de dominicanen intrad, vrijwel gelijk met Humbert van Romans*. Hierna werd hij benoemd tot provinciaal van Francia; in 1244 werd hij tot kardinaal benoemd. In 1252 ging hij als legaat naar Duitsland om rooms koning Willem II* van Holland bij te staan; vgl. Vicaire, St. Dominique, 286; Brett, ‘Humbert of Romans’, 5.
34 gwarricus, Guerricus van St. Quentin/Guido van Laon* (+ 1248); van 1236-1247 was hij kanselier van Parijs, daarna bisschop van Kamerijk**.
35 ganfridus, Gaufridus de Blevallo Burgundus*. Hij was vanaf 1231 magister; in 1244 zou hij Hugo van St. Cher* als provinciaal van Francia opvolgen. - iohannes van rupella, Johannes van Rupella*/La Rochelle (ca. 1200 1245), minderbroeder, behaalde in 1238 de magistertitel, en was als theoloog vermoedelijk de opvolger van Alexander van Hales; hij trachtte de inzichten van Augustinus te vermengen met die van Aristoteles en Avicenna.
41 philippus, Philippus Cancellarius* (ca. 1160 of 1180-1236), sinds 1218 kanselier van de bisschop van Parijs; het verdelen van de prebenden behoorde tot de taak van de kanselier, vgl. A.L. Gabriël, ‘The conflict between the chancellor and the university of masters and students at Paris during the Middle Ages’, in: <Miscellanea Medievalia> 10 (Berlijn/ New York 1976) 108-109, en: J.B. Schreyer, <Die Sittenkritik in den Predigten Philippus des Kanslers> (1963); meister arnt, Arnoldus* was bisschop van Amiens** (ambianen) van 1236-1247.
44 Hetzelfde verhaal vertelt Albertus Magnus* in ‘Liber de sacramentis’, hetgeen door Johannes Raulin van Cluny in ‘Doctrinalis mortis’ tract. 3, c. 7 wordt aangehaald, vgl. Colv. Notae 22.
21-22 vgl. Prediker 9:10 (OT).
45 bisscop, Jacob van Vitry*/Iacobus de Vitriaco.
46 robertum, Robertus de Courçon*/Robertus de Chorton (ca. 1155/60-1219), was kanunnik te Noyon, daarna te Parijs, in 1212 preekte hij als kardinaal - legaat de kruistocht tegen de Albigenzen; hij stierf tijdens de Vijfde kruistocht, voor Damietta.
49 peter cantor, Petrus Cantor* (+1197), cantor in de Notre Dame te Parijs.
50 giuardus, Guido van Laon*; zie p. 35, r. 34.
3 De zegsman van de mededeling na Hijr van is de dominicaan Bernardus*, vgl. Inl. hoofdstuk 2, noot 134.
4 Gregorius IX* (1227-1241).
12 Het vervolg van het sermoen is in het Latijn: Noli ergo fieri sub trina invocatione divini nominis usurpator: ut sicut sub tribus personis invocatur unus Deus et colitur, ita tu clerice, tu sacerdos duorum, trium, aut autuor beneficiorum, vel plurium possessor existas. Lucifer ille sapientissimus et pulcherrimus in creaturis, Lucifer, inquam, angelus assimulari Deo voluit, et contemptibilius cecidit universis. Quanto ergo numeriosior extiteris in praebendis: tanto te superbius, non solum contra Deum, sed etiam supra Deum extollis.
14 bisscopes stat, vermoedelijk Kamerijk**/Cambrai, met kathedraal St. Gaugericus, vgl. Inl. hfst. 2, noot 28.
20 vgl. Numeri 16:31-33 (OT).
48 prophete, Jesaja*, vgl. Jesaja 42:3 (OT).
2 iohannes van ludike, Johan van Nijvel/van Luik* (+ 1233), theoloog, was aanvankelijk deken van de St. Lambertuskerk te Luik**, maar gaf zijn prebenden op om zich aan te sluiten bij de begijnenbeweging in Oignies**; werd regulier in de zelfstandige priorij St. Nicolaas aldaar. - A. Deboutte merkt op, dat ditzelfde verhaal voorkomt in Thomas' NR 4.61 over ‘de lincisio’, waarbij Johannes ‘van Oignies’ wordt genoemd. Deboutte concludeert hieruit, dat Thomas dit verhaal tijdens een bezoek aan het St. Nicolaasklooster** te Oignies** heeft gehoord, ‘Thomas van Cantimprè’, 293. Vgl. ook Inl., hfst. 2, noot 39.
6 vgl. Ezechiel 13:19 (OT).
18 cloester to hanonien (Lat. quod Camberonum dicitur), het cisterciënserklooster Cambron** in Henegouwen, gelegen tussen Mons en Ath, gest. in 1148.
22-24 Seuerus sulpicius, Sulpicius Severus* (ca. 363-420), auteur van <Vita Sancti Martini> (397); vgl. hierin dialogus 2.
26 sunte victoer, abdij St. Victor** te Parijs, regulierenklooster.
48 hugo deken van cameric, deze deken van Kamerijk/Cambrai** is niet geïdentificeerd.
1 cloester, vgs de Lat. tekst het cisterciënserklooster Vaucelles** bij Kamerijk**/Cambrai.
47 Na cleerckschop, vervolgt de Lat. tekst: Quam vera sint ista, status procul dubio demonstrat ecclesiae: qui nullam superbiae, avaritiae, luxuriae, in clericis et praelatis recipit comparationem. Vidi moderatores orbis et reges magnos, vidi Duces, Comitis, et Barones: nihil tamen vidi in eorum cultu vestium tam singulariter exquisitum. Eorum avaritiam si attendas: nulla mercatorum, nulla civium talis. Qui tamen, haeredes legitimos si haberent, tolerabilior insania videretur. De luxuria vero eorum nihil diffinire praesumo, nisi quod illam solus omnipotens noverit, qui renum et cordium scrutator est Deus. Si quis clericorum culpabilis, de
duritia verborum dictorum conqueritur, corrigat se: et contra se prolata non audiet. Si quis vero legentium se a reprehensis mordaciter vitiis invenerit innocentem, non irascatur, non indignetur mihi, sed gaudeat vicia, de quibus conscius non est, in consciis reprehendi. Si quis vero indigne dicta verba tulerit, notabilem se reddet in dicit, et veritatis planissimae detractorem.
49 dese en deser ghelijc, relateert aan de drie kwade eigenschappen weelde, gierigheid en onkuisheid, genoemd in het door de vertaler weggelaten sermoen na r. 47.
50 thomas van aquine, Thomas van Aquino* (1224-1274), op 5 - jarige leeftijd oblaat van de benedict, abdij Montecassino** (des berges cassini), vertrok in 1239 voor studie naar de universiteit te Napels, waar hij in contact kwam met de aristoteliaanse wijsbegeerte. In 1243 trad hij bij de dominicanen te Bologna** (benonien) in, tegen de wil van zijn familie, waarna hij door zijn broers gedurende 2 jr. werd gegijzeld. Van 1248-1252 studeerde hij bij Albert de Grote* te Keulen**, daarna werd hij docent te Parijs** (1252-1259), in 1257 universiteitsmagister.
1 pawes, Innocentius IV* (1243-1254).
13 meister van prediker orden, Johannes van Wildeshusen*/Teutonicus/Bosnensis, geb. ca. 1180 in de omgeving van Osnabrück, trad in 1220 te Parijs bij de dominicanen in; werd geplaatst in Strasbourg**; was van 1231-1233 prior van de provincie Hongarije, van 1233-1237 bisschop van Bohemen, 1239-1241 prior van Lombardije, 1241-1252 algemeen overste; hij stierf 3 of 4 november 1252 te Strasbourg.
14 den keiser, Frederik II van Hohenstaufen*.
35-37 broder albert, Albert de Grote*/Albertus Magnus/Albertus Teutonicus, werd als eerste Duitser te Parijs als docent benoemd, behaalde in 1245 de doctortitel, doceerde daar van 1245-1248 als lector. Hierna vertrok hij als leider van de nieuw opgerichte academische theologie - opleiding te Keulen (studium generale).
39 ende vulherdet noch in der selue state der werdicheit: Thomas van Aquino* was van 1252-1259 theologiedocent in Parijs, zodat dit exempel uiterlijk begin 1259 in het BUA is opgenomen, want pas in 1268 keerde Aquino in dezelfde functie naar Parijs terug.
40 vgl. I Timoteus:3 (NT).
49-52 Lat.: Haec regis benignitas, et sollicitudo maxima est circa populos, et circa regem populi obedientia adeo perseverat, ut nunquam odio, aut discordia ad invicem moveantur; vgl. Ambrosius, <Hexaemeron> V.
3-4 vgl. <De Civitate Dei>, XII, c. 26.
22 vgl. Seneca, <Liber de Moribus>, Epistola 51.
23 Ibidem, Ep. 105.
27 Ibidem, Ep. 67.
39 Ibidem, Ep. 28.
40 vgl. Seneca. <Liber de Clementia> I, c. 5, Ep. 97.
50 Ibidem, Ep. 99.
2 vgl. Seneca. <Liber de Clementia> I, c. 5, Ep. 105.
3-4 holstu - murmureren, in het Lat. is deze zin uitgebreider: (Hanc si magno aestimes, omnia) parvos aestimanda sunt. Optimum est pati quod emendari non potest: et Deum, quo actore omnia fuint, (sine murmuratione comitari). vgl. Seneca, ibidem, Ep. 108.
5 vgl. Lucas 2:14 (NT).
6 vgl. Johannes 20:21-26 (NT).
7 vgl. Psalm 115:12 (OT).
13 vgl. Johannes 14:27 (NT).
22 papeyen, Pavia**.
24-25 boetius, Boethius* (+ 524), auteur van aantal studies die teruggaan op Aristoteles. De pedagogische studie <De disciplina scholarium>, die in de 13de eeuw onder zijn naam werd uitgegeven, wordt ten onrechte aan Thomas van Cantimpré toegeschreven. B. werd terechtgesteld wegens vermeend hoogverraad. Reeds in de 8e e. werd hij in Pavia als heilige vereerd.
25 kerken - de gulden hemel, tegenwoordig genoemd' Ciel d'Oro'**.
26-27 Innocentius III* (*Anagni? 1160/1198 - Perugia 1216).
29 Bi dudes lant in der stat rocellen, Lat.: civitate Tullensi, Toul** in de Elzas.
39-40 Lat.: Circa regem mira populi obedientia conservatur; vgl. Plinius, Nat. Hist. XI, c. 17: 52.
42 vgl. Genesis 3.
44-45 water der wedersprekinghe, Hebr. Meriba, water der onenigheid, Num. 20:12.
46 vgl. I Samuel 15:1-23 (OT).
48 aghag, Agag*, koning der Amelekieten.
50 vgl. Deuteronomium 17:20 (OT).
8 vgl. Romeinen 5:12. (NT)
9 vgl. Tessalonicensen 3:14 (NT).
13 vgl. Lucas 2:51 (NT).
14-15 ioseph, Jozef*, echtgenoot van Maria, de moeder van Christus.
17 den alre meesten schepen, Lat. immensis dromonibus, de reusachtige snelvarende schepen; J.F. Niermeyer, <Mediae Latinitatis Lexicon Minus> (1984) 360.
19 moyses boke, vgl. Genesis 41:44 (OT); moyses, Lat.: iosepho, Jozef*, zoon van Jakob*. Zie ook Colv. Notae, 31.
27 vgl. Jozua 10:12 (OT).
31 fulco, Fulco van Utenhove*, afkomstig uit Gent**, aanvankelijk kanunnik te Rijsel**/Lille (bi den eylanden), was belast met de geestelijke leiding over het cisterciënserinnenklooster en het hospitaal Bijloke te Gent, van welke laatste hij vermoedelijk de stichter was (1210), vgl. Colv. Notae 32.
32-33 meister iacob des paweses legaet, Jacob van Vitry* was omstreeks 1213 als pauselijk legaat de propagandist voor de kruistocht tegen de Albigenzen*.
1 egidius*, dominicaan te Gent**, gestorven in 1239 (Colv.) - Vgl. Deut. 21:18-21.
19-20 Lat.: Rex in expeditione a plebe sustollitur; vgl. Plinius, Nat. Hist. XI, c. 17: 54.
23 vgl. Hebreeën 13:17 (OT). De vert. koos klaarblijkelijk voor I Petrus 2, 13-14.
31 vgl. Exodus 17:11; Psalm 121:1 (OT).
31-32 annam, de profetes Hanna*, moeder van Samuel*, vgl. I Samuel 2:1-10,
34 vgl. II Samuel 23:1-7.
35 vgl. Matteus 26:39-46 (NT).
36 ezechiem, Hizkia*, vgl. II Koningen 20:1-6 (OT).
43 vgl. II Samuel 1:21.
49 vgl. Romeinen 12:21 (NT).
50-51 Na solde, volgt in de Lat. tekst: Unde satis egregie quidam versificator ait: Nobile vincendi genus est patientia, vincit qui patitur, si vis vincere, disce pati. Et notandum, quod mons Gelboe superbiam significat. Dicitur enim coacervans, ubi subaudi secundum Apostolum, iram Dei in die iudicii: in qua attestante Propheta, omnes impii quasi stipula consumentur. (Nihil enim Deo indignius superbia), et illa maxime, quae nunc scelestissima regnat, praelatorum dicam, an non potius clericorum? (Tu
ergo) verus Saul, (Praelatus mitis et humilis), et Ionathas columbae donum, (in expeditione positus, non extollas cornua sicut taurus, sed innitaris tuorum precibus subditorum, quae te secum sustollant ad caelum, et fine bono illa, quae te arctant negotia, concludentur.
1 vgl. Jezus Sirach 6:2 (OT).
6 vgl. Jakobus 5:16 (NT).
9 Ic hebbe in brabant bekant ene vrouwes namen van seer hilghen leuene, in de Lat. tekst: Novi vitae sanctissimae mulierem in Brabantiae partibus. Goddings veronderstelling dat het hier Yburgis betreft, die te Bellingen leefde, is niet onwaarschijnlijk: ‘Hec itaque Yburgis soror nostra fuit que, in loco nostro qui Bellengyn nuncupatur, reclusa lapide, angelicam in tenis vitam ducebat’, vgl. R. Godding, VJ ed. p. 272.
45-47 ganc allene - - - leer eirsten lesen; het was kennelijk gebruikelijk dat dochters van rijke burgers in een schooltje leerden lezen, zij het voornamelijk om het psalmboek te kunnen volgen.
9-10 Lat.: Fessum regem humeris sustollunt validiores, et ex toto portant; vgl. Plinius, Nat. Hist. XI, c. 17: 52.
14 vgl. Matteus 17:17 (NT).
26 vgl. Efeziërs 4:1-2 (NT).
29 sweden, Lat.: sueviae, Zwaben**; vermoedelijk betreft het hier het klooster Töss** bij Zürich**, dat in 1233 werd gesticht en dezelfde regel kreeg als de dominicanen van St. Markus te Strasbourg*, waarvan de prior tevens rector was van Töss, vgl. Scheeben, JvS, 78. Het verhaal speelt zich af tijdens of kort voor de aanvang van het BUA (ca. 1258; Lat. nuper fuisse).
32 enen prior van der prediker orde (Lat. Turencem), te Zürich**.
12 vgl. Psalm 51 (OT).
15 vgl. Psalm 117.
19 Na sin, volgt in de Lat. tekst: Certe Iudas fur erat, et loculos habens, ea quae mittebantur portabat. Et quia infidelis semper infideliter agit, murmurat contra Dominum veritatis, eo quod passus est pretiosum unguentum super caput suum sacratissimum diffundi. Male ergo invidus pietati, assuescit in peius; et sub vili precio distrahit salutis auctorem. Credis ne Iudam officiatorum aliquem imitari? Ne dubites. Subtrahunt nonnulli tales Praelatis, subtrahunt fratribus, subtrahunt et egenis, et sua implent marsupia. Et, si cupidi sunt honoris aut gloriae, student interim parcitati, donec aliqua dignitas pateat, quam, mediante Simone, consequantur. Nec in hoc tantum diei sufficit malitia sua, sed et si locus occisionis fuerit, surgunt in patrem proprium patricidae, sicut Iudas in Dominum, et per complices clam corruptos, si qua forte vel pauca sunt, sinistris accumulat graviora: et, ubi haec inveniri non potuerint, fingunt mendacia, et per haec sacramento firmata devorant innocentem, ut pro eo regnent, aut hypocritam regnare faciant, per quem exercere et facere possint quod intendunt.
25 iudas, Judas Iskarioth, vgl. Handelingen 1:18-19 (NT).
26 Na wtghestort, vervolgt de Lat. tekst: O nostri temporis Iuda, non credis pati similia? Minime dubites. Ad modicum dissimulare potes nequitiam, sed non in longum. Accedet citius ultra quam credere potes, pertinenter aut impertinenter occasio, per quam non tantum ista malignitas integre patest: verum etiam inverecunda vulgaris audacia, veris adiiciens nefanda feraliter, ut per fas et nefas in ore indifferenter omnium abominabilis habearis. Nec confidas famae antea forsitan habitere. Absalon enim, etsi pulcherrimus in omni Israel: pro eo tamen quod nisus est contra patrem, suspendio iugulatus, triplici hasta confossus est. Cave ergo et tu, me hasta foedae conscientiae, hasta turpis infamiae, hasta gehennalis poene postmodum transfigaris.
4-7 Lat.: Regem si mori contigerit, tristis populus circa eius funera glomeratur, spectantesque exanimem, lugent: et tunc nisi subveniatur eis, fame moriuntur; vgl. Plinius, Nat. Hist. XI, c. 18:64.
15-16 Ysaac, Isaak*, zoon van Abraham* en Rebekka; vgl. Genesis 24:63; 50:17; 37:35 (OT).
17 vgl. II Samuel 19:1 (OT).
29 vgl. Psalm 116 (OT).
31 boke van de naturen der dinge, vermoedelijk niet de NR, maar Plinius, <Liber Naturalis Historiae>.
32 Arpia*, Lat. Harpyia, vermoedelijk wordt een Harpij bedoeld zoals die in de Griekse mythologie voorkomt. Deze fabeldieren woonden op de Strophades, eilanden in de Ionische zee zoals beschreven door Vergilius, vgl. Colv. Notae, 33.
42 vgl. Genesis 4:8 (OT).
1 seghet iob, niet geïdentificeerd.
2 vgl. Hebreërs 12:3 (NT).
4-5 vgl. Romeinen 8:1-17 (NT).
6 vgl. Hebreërs 13:13.
7 vgl. Psalm 116:12 (OT).
14 vgl. Seneca, Ep. 24.
20 vgl. Romeinen 10:4 (NT).
32 Het nu volgende verhaal herinnert aan het gesprek tussen Albert de Grote* als bisschop van Regensburg** met de franciscaan Berthold, die hem vier vragen stelde, onder andere over Christus' mening over de mens, die zich volledig in het lijden van de Verlosser kan inleven, en slechts wenst hier ook iets tegenover te stellen; vgl. H. Scheeben, ‘Albertus Magnus’, 132.
34 man, volgens de Lat. tekst kwam hij uit de stad Dinant**.
49 straesborch, Strasbourg**.
52 wulfert*, Volvandus (+1237), dominicanenprior te Straatsburg**; vgl. Colv. Notae, 33. Volgens Scheeben was er een Walter omstreeks 1234 prior en lektor in deze stad, vgl. Jvs, 170. De eerste prior was Hendrik van Westhofen, zeker in 1233, idem, 169.- Vgl. ook Inl., hfdst. 4, noot 44.
2-3 dat teken des hilghen cruces vor de borst te scriuen, vgl. ook p. 250, rr. 5-8.
4 mens, Mainz**.
6 broders to straesborch, het St. Marcusklooster te Strasbourg begon 1224 als hospitium, maar in 1225 was er al een prior, in 1235 en 1243 kon het provinciaal kapittel hier plaatsvinden; Scheeben, ‘Albertus Magnus’, 37.
40 Vgl. over het nu volgende verhaal Colv., Notae 34-36.
4 Na ghesinne, eindigt Boek I in de tekstgetuigen GH (Vert. II).
36 Lat.: In tribus distribuuntur ordinibus apum plebes; vgl. NR.
41-42 Lat.: Pars autem prima illarum est, quae matres, et emeritae sunt, ceterisque maiores existunt; istae autem officiis singulis et operibus praesunt; vgl. NR.
49 vgl. Galaten 4:19 (NT).
1 Augustinus, regula c. 40.
5 vgl. II Korintiërs 11:29 (NT).
6 Na berne, volgt in de Lat. tekst: Propterea emeritos dicimus seniores, qui emeriti, id est, supra meritum aliorum esse dicuntur: quia caeteris, auctoritatis reverentia, maiores existunt. Hi dicti sunt per Prophetam populi graves, in quorum maturitate singulariter Deus, et totius religionis norma laudatur. Hos signant et viginti quatuor seniores quicumque illi sunt, qui in Apocalypsi citharas spiritualis iocunditatis habentes,
sedentem in throno, in phialis devotae orationis adorant, et ante pedes agni coronas offerunt meritorum; nihil se habere penitus cognoscentes, nisi quod dispensatione incarnati verbi, secundum misericordiam, non secundum meritum, acceperunt. Vidi virum sanctum et bonum, qui de numero emeritorum rectissime dici potest, et potuit quamdiu vixit.
8 sunte mathias cloester bi treer, St. Matthiasklooster te Trier**, benedict.
36 De nu in het BUA volgende exempels, die niet in Vert. I voorkomen, vindt men in Vert. II geciteerd in: Biënboec: BUA II, 1 § 3 op p. 104, § 4 op p. 124, § 5 op p. 205, § 6 op p. 333, §§ 7 en 8 op p. 334, §§ 9 en 10 op p. 335. Deze exempels handelen over de dominicaan Johannes Vincentius van Bologna, die omstreeks 1231 zou zijn gestorven, vgl. Colv. Notae 37-38. - Het exempel II, 1 § 11, over de dominicaan Peter in Spanje, vindt men op p. 104; vgl. Colv. Notae 38. Colvenerius merkt daarbij op, dat hij deze exempels heeft ontleend aan het door hem gecodeerde handschrift s.
36-39 loeuen, Leuven**; het dominicanenkloosterd werd in 1229 gesticht; de eerste bewoners waren afkomstig uit Keulen**, omdat de echtgenoot van gravin Johanna van Vlaanderen, Ferrand van Portugal, de voorkeur gaf aan Duitstalige dominicanen, vgl. W. Simons, ‘Stad en apostolaat’ 137; idem, ‘Bedelordekloosters in het graafschap Vlaanderen’, 72-74.
48 gervasius, Servatius* te Leuven** stierf volgens Colv. in 1248. Uit het hierna volgende blijkt, dat hij zich al in 1213 bij de dominicanen had aangesloten.
11 ghent, Gent**; de dominicaan Egidius* was voordien kanunnik van de St. Audomarumkerk in Vlaanderen geweest. Hij stierf in 1239, zoals Colv. in de persoonslijst vermeldt. Vgl. ook Ex. 38, p. 43.
27 De Latijnse tekst van het door de vertaler weggelaten exempel BUA II, 1 § 15 is als volgt: Vidi et alium eiusdem ordinis virum beatum, valde longaeva aetate provectum. Dodonem nomine Frisonem natione, qui praedicatione sedula, tantum in sua Frisonum gente profecit, ut eam a ferocitate sua plurimum mitigatur. Ab antiquissimo enim tempore in consuetudinem immanissimam haec habebant Frisones: ut occiso homine unius cognationis ab altera, occisum corpus non sepeliebatur a suis, sed suspensum in loculo servabatur, et desiccabatur in domo, quousque ex cognatione contraria in vindictam occisi, plures vel saltem unum adversa cognatio, pro morte vicaria, trucidaret: et tunc primum mortuum suum sepulturae debitae cum magna solemnitate tradebat. Hunc crudelissimum et inauditum morem dictus frater in illa gente removit, et ad mitiorem statum crebra exhortatione promovit. - Vgl. Colv. Notae 39, waarin deze opmerkt dat hij in de door hem onderzochte hss. het exempel uitsluitend in s. heeft gevonden, en dat alleen een heremiet onder deze naam bekend is. H. Platelle besteedt ruim aandacht aan dit exempel in zijn bijdrage ‘Vengeance privée et reconciliation dans l'oeuvre de Thomas de Cantimpré’, 269-281.
28-30 wilhelmus*/Guillelmus de Militona, franciscaan.
34 De dominicaan Odo*, docent kerkelijk recht te Parijs, stierf in 1239.
39 Het hierna volgende exempel BUA II, 1 § 18, dat door de vert. is weggelaten, handelt over de franciscaanse provinciaal van Teutonia, Conradus. In Vert. II is het verhaal wel aanwezig; ik citeer naar G: Jck heb brueder conraet gesien van den seluer oirde. dese was minister van duytsland. en was groit in der gracie gades. ende plach die heligen zeer te eren ende was clair in vele dingen. (f. 213b)
42 iohannes, Johannes Bonus Valetus* was kanunnik te Cantimpré. Als deze persoon dezelfde is als Johannes*, de eerste abt van Cantimpré (1180
1205/1210), zou het theoretisch inderdaad mogelijk zijn dat Thomas hem in zijn jongensjaren nog heeft ontmoet.
45-46 mester peter to ghenomet commestor, is een onjuiste vertaling van Petri cantoris Parisiensis. Het betreft hier Petrus Cantor*, vanaf 1170 magister en cantor van de Notre Dame te Parijs, gestorven in 1197.
6 salomon, vermoedelijk niet te identificeren als Salomon van Aarhus, die in 1220 te Verona intrad en daarna de stichting te Keulen** voorbereidde, vervolgens in Parijs verbleef, en zich daarna in ca. 1223 te Lund (Denemarken) vestigde; vgl. Hinnebusch, ‘The history of the Dominican Order’, 92, 95.
12 helgherus, Helgerus*, prior van het dominicanenklooster in Friesland** (Leeuwarden), in 1245 gesticht.
25 conradus van Eisenach*; vgl. JvS, 170.
11-14 vgl. Romeinen 12:9-21 (NT).
16-17 vgl. Hebreeën 6:11-12 (NT).
18-21 vgl. II Korintiërs 10:13 (NT).
24-26 vgl. Matteus 4:1-11 (NT).
33-36 Lat.: Secunda pars illarum apum est quae iuventutis vigore opera multa praestant; vgl. Plinius, Nat. Hist. XI, 18: 59.
39-40 vgl. II Tessalonicenzen 3:10 (NT).
55 vgl. Jesaja 64:6 (OT).
1 vgl. Lucas 10:8 (NT).
2 vgl. Genesis 3:16-17; 19:1-5 (OT).
3 vgl. Exodus 32:27 (OT).
4 vgl. Numeri 11:4 en 14:1 (OT).
5 vngaren, Hongarije**.
6 tarteren, Mongolen*. Na Polen, Silezië en Moravië vielen de Mongolen in 1241 Hongarije binnen onder leiding van Ogedai, zoon van Genghis Kahn.
8 enen mensche, volgens de VL, pp. 231-232 waar dit verhaal ook voorkomt, betreft het hier de dominicaan Bernardus*,
9 nunnen, dit was Lutgard* van Tongeren/Aywières; hetzelfde wordt verhaald in de VL (liber III, c. 6).
13 bemen, Bohemen**.
16-17 Na het bericht van de dood van de grootkhan in 1243 vertrokken de Mongolen direct naar Karakurum om een nieuwe leider te kiezen.
18 Vgl. Psalm 47:8 (OT).
21-23 De slag bij Westkapelle (Walcheren) vond plaats op 4 juli 1253, waarbij het Vlaams - Franse leger onder leiding van Gwijde en Jan van Avesnes werd verslagen door de Hollands - Zeeuwse troepen (selanders), geleid door Floris de Voogd*, de broer van Willem II* (1228-1256), graaf van Holland en Rooms Koning (sinds 1247), die op dat moment in Duitsland was. Willem werd gesteund door de aartsbisschop van Keulen, Conradus* van Hochstaden. Na zijn huwelijk met de Westfaalse Elizabeth van Brunswijk (1252) werd hij redelijk erkend.
32 mechtildis, Machteld van Brabant*, sinds 1234 weduwe van Floris IV van Holland.
35 ouer claer rike vrowe, in het <Rechtsboek van den Briel> van Jan Matthijssen wordt zij een ‘rijck, salich wijf van Middelburgh’ genoemd; p. 19 (vgl. Inl. hfst. 1, noot 6).
37 greuinne des keisers moder, na de dood van Frederik II van Hohenstaufen* (1250) werd rooms koning Willem II* sterk door de pausen gesteund in zijn aanspraken op de keizerstroon, evenals door zijn neef, hertog Hendrik II van Brabant*.
2 Augustinus, <De disciplina christiana>, c. 2.
12-13 Lat.: Disciplina quadam matribus subditae sunt, nec agunt quidauqam sine maiorum imperio; vgl. Plinius, Nat. Hist. XI, 16: 50.
19 vgl. Galaten 4:26 (OT).
22 vgl. Genesis 1:27-28 (OT).
25 vgl. <De civitate Dei> 5, c. 17, 19, 15.
46 vgl. Johannes 8:23 (NT).
49 vgl. Lucas 2:51 (NT).
50 vgl. Jesaja 53 (OT).
4 vgl. Johannes 5:30 (NT).
5 vgl. Filippiërs 2:8 (NT).
28 vgl. Genesis 34 (OT).
36 vgl. Job 20:14 (OT).
37 vgl. Matteus 16:15-20 (NT).
51 lasarum, Lazarus*.
6 vgl. I Kor. 6:12.
12 helisei, profeet Elisa*; vgl. II Koningen 5:26.
13 yesi, Gechazi*, dienaar van Elisa*.
14 vgl. Handelingen 8:20 (NT).
16 gwiart, Guido van Laon*.
17 lugdunen, Lyon**; het eerste concilie van Lyon vond plaats in 1245.
25 Hierna volgt in de Lat. tekst: Nulli ergo praelatorum in dispensatione etiam dispensabilium causarum sit pro ratione voluntas, sed cum summo moderamine dispensationes fiant; quas secundum locum, tempus, et personam, fieri ecclesiastica necessitas quandoque deposcit. Decipi se de facili dispentator non permittat, nec se decipiat dispensationem extorquens: quia aequalis periculi fere est, vel decipere velle, vel decipie. (Et ne nostro tempore noviter exortum malum etc.).
27-34 In 1255 werd op het AK besloten dat de algemeen overste de priors ervan moest weerhouden om aan broeders toestemming te geven naar het pauselijk hof in Anagni te reizen; Hinnebusch, ‘The history of the dominican order’, I, 183.
2 hijr voer, vgl. Ex. 38, p. 43.
6 den stichte beluacensis, het bisdom Beauvais**.
46-47 de ander heervart, de kruistocht tegen de Albigenzen* in 1213, die onder meer door Jacob van Vitry* als pauselijk legaat werd gepropageerd. Over kruisverschijningen bij deze en andere gelegenheden, vgl. J.J. van Moolenbroek, ‘Signs in the heavens in Groningen and Friesland in 1214: Oliver of Cologne, and crusading propaganda’, in: Journal of Medieval history 13 (1987) 251-272.
51-52 Lodewijk IX van Frankrijk* vertrok uiteindelijk in 1248 uit Aigues Mortes, onder meer begeleid door Hendrik van Keulen*.
7 erste cruce, de eerste kruistocht tegen de Albigenzen vond plaats in 1181.
9-10 bi onsen tiden: het is niet helemaal duidelijk, hoe Thomas de kruistochten indeelt. In vergelijking met Ex. 63, p. 64, bedoelt Thomas wellicht met de kruistocht tegen de Sarracenen de Vierde Kruistocht (1202-1204), waarbij Boudewijn IX, graaf van Vlaanderen en Henegouwen tot keizer van het Latijnse rijk van Constantinopel werd gekozen. In 1210 predikte Jacob van Vitry* de kruistocht tegen de Albigenzen (1213), en in 1216 naar het H. Land, aan welke tocht hij persoonlijk deelnam.
10 stadingen, Stedingers*. Deze afstammelingen van kolonisten aan beide oevers van de Wezer weigerden het gezag van de bisschop van Bremen en van de graaf van Oldenburg te erkennen en tienden te betalen. Nadat zij aartsbisschop Gerard II in 1230 hadden verslagen werden zij tot ketters verklaard, waarop Gregorius IX* in 1232 de kruistocht liet preken. Deelnemers waren onder meer hertog Hendrik II van Brabant*, Floris
de Voogd* en Otto van Gelre*. In 1234 werden de opstandelingen verslagen en hun land werd onder de overwinnaars verdeeld, waarna zij zich met de kerk verzoenden.
11-12 Hiermee wordt de kruistocht van Lodewijk IX van Frankrijk* bedoeld (1248-1254).
12 De kruistocht tegen de Akense bevolking vond plaats in 1248. Na de inname werd Willem II tot rooms koning gekroond. Tijdens zijn verblijf bezocht hij Albert de Grote*, die als vredestichter meermalen een belangrijke rol vervulde; vgl. Scheeben, ‘Albertus Magnus’, 74.
15-16 heselinum, Ezzelino III da Romano*, heer van Verona, Picenza en Padua, sinds 1238 schoonzoon van Frederik II van Hohenstaufen*. Als diens plaatsvervanger voerde hij een voortdurende strijd met de pauselijke partij, tot hij in 1259 onverzoend met de kerk stierf.
42-45 paule, Paulus*; vgl. I Korintiërs 3:8 (NT).
47 vgl. II Timoteus 4:13 (NT).
48 vgl. Marcus 6:8 (NT).
49 vgl. Psalm 20:8 (OT).
12-17 De kinderkruistocht was spontaan ontstaan uit een volksbeweging onder leiding van jonge mensen, die een groot aantal Duitse en Franse kinderen verzamelden om het H. Land te bevrijden. Sommigen keerden tijdig terug, maar toch vertrokken nog zeven schepen uit Marseille. Een gedeelte kwam om op zee, anderen werden door Marseillaanse kooplieden als slaven verkocht.
17-29 Dit betreft de Pastorellenkruistocht, een spontane volksbeweging die in 1251 door een herdersjongen in Lotharingen zou zijn begonnen om de Franse koning Lodewijk IX uit zijn gevangenschap in het H. Land te bevrijden. Al spoedig ontaardde de expeditie in een ware volksterreur, waaraan vooral door toedoen van Blanca van Castilië*, Lodewijks moeder, een einde werd gemaakt. Vgl. ook Colv. Notae, 46.
23 aurelianen, Orléans**.
31-36 Deze zinnen vormen de introductie tot het volgende hoofdstuk.
39-40 Lat.: Tertia pars apum est, quae fucae dicuntur; haec sine aculeo sunt, velut imperfectae apes; vgl. Plinius, Hist. Nat. XI, 16: 50.
46 vgl. I Timoteus 5:19 (NT).
3-7 veer hate, oorspronkelijk vijf klassieke natuurlijke tegenstellingen tussen mens en slang, griffioen en olifant, wolf en lam, raaf en vos en kat en hond (vgl. ed. p. 63, voetnoot). Misschien kende de vertaler gevallen van honden die voortreffelijk met katten konden omgaan, en omgekeerd, zodat de redactie werd aangepast.
7 verkeerden, Lat. perversum.
27 Lat.: Istae sunt quasi clientes, et quasi servi primarum et verarum apum; vgl. Plinius, Hist. Nat. XI, 11: 27.
28-30 knechte, Lat.: quasi clientes, et quasi servi', welk onderscheid in het Nederlandse taalgebruik niet naar voren komt. Vgl. ook Jacob van Vitry, ‘Historia Occidental is’, c. 19; Colv. Notae, 48.
38 clarenualle, Clairvaux**.
40 sunte berent, Bernard van Clairvaux* (1090-1153).
42 do dat du doeste, in het Latijn de bekende spreuk 'Age quod agis.
45 vgl. II Korintiërs 4:17 (NT).
2 vgl. Spreuken, 29:23 (OT).
8-10 Lat.: Has primas expellunt in opere tardantes, et sine clementia necant; vgl. Plinius, Hist. Nat. XI, 11: 27.
14 vgl. II Petrus 2:19 (NT).
20 vgl. Jezus Sirach 33:25 (OT).
22 Augustinus, Regula c. 20.
27 Benedictus, Regula c. 23, 24, 25.
32 vgl. Kolossenzen 3:5-9 (NT).
35 vgl. Jezus Sirach 33:28; II Samuel 11 (OT).
14 de coninck van iherusalem, gedurende deze periode de honoraire titel van Amalrik/Amaury II* de Lusignan (1197-1205), want sinds 1187 was de stad in handen van de moslems.
19 vgl. Job 21:13 (OT).
21 vgl. Matteus 25:14 e.v. (NT)
25-26 Lat.: Apes iuniores aut fucae, non in opere tantum, sed in foetu quoque adiuvant matres, ad calorem conferente turba; vgl. Plinius, Nat. Hist. XI, 11: 28.
27 hijr vor, zie pag. 51, serm. b.
32 vgl. Romeinen 3:9 (NT).
39 cloester, Lat. Aquiria, Awirs/Aywières**.
49 vgl. II Makkabeeën 9 (NT).
1 vgl. Exodus 20:12 (OT).
6 boke van der naturen, vgl. NR, boek 5.
11-13 seneca: Niet in Seneca, maar in Jezus Sirach 33:20 (OT), vgl. Colv. Notae 48.
13-15 Deze passage is wel ontleend aan Seneca, vgl. Ep. 124.
18 normedien, Normandië. Hetzelfde verhaal komt in enigszins afwijkende versie voor in de Dial.Mir., 1. 6 c. 22. In deze laatste versie is het verhaal afgebeeld op een wandkleed dat in het Diocesaan museum te Keulen wordt bewaard.
14-15 iohannes van der groten brugghen, Johan van de grote brug*; op de Grand Pont bij de Notre Dame te Parijs waren huizen gebouwd.
26 Lat.: Apibus igitur communis omnibus est labor; vgl. Ambrosius, <Hexaemeron> V, XXI.
27 Augustinus, Regula c. 24.
28 in ghemene, Lat. in unum.
30 vgl. I Kor. 12:31, en I Kor. 13.
50 cloester, het cisterciënserinnenklooster St. Antonius te Parijs**.
11 Dusent twehundert ende xxvij in greken, Lat.: missus in Graeciam, anno circiter ab incarnatione Domini M.CC.XXVII; greken, het Latijnse keizerrijk* Romania 1204-1261, in 1227 onder het bestuur van Robert van Courtenay (1221-1228). Vgl. ook Inl. hfst. 2, noot 47. Zie ook <Lexikon des Mittelalters>, kol. 1234. Tijdens het Prov.Kap. in Parijs in 1228 werd vastgelegd dat de acht termijngebieden (provincies) met vier andere waren uitgebreid: Polen, Scandinavië, Griekenland en het H. Land. Voordien waren er al bescheiden conventen in deze landen.
23 vgl. II Tessalonicenzen 3:10 (NT).
1-2 Lat.: Omnes indifferenter ad opera expellunt; vgl. Plinius, Nat. Hist. XI, 6: 14.
7 vgl. Exodus 4:6 (OT).
10 vgl. II Samuel 11 (OT).
13 vgl. Jezus Sirach 22:2 (OT).
15 vgl. Genesis 2:15 (OT).
21 vgl. Genesis 3:17 (OT).
23 vgl. Deuteronomium 7:14 (OT).
24 philosophus: de interpretatie hiervan door de vert. als Aristoteles is een vergissing. Zoals Colv. opmerkt in Notae, 173, is Seneca voor Thomas ‘de filosoof’; in dit geval betreft het diens epistola 79. In de M.E. werd echter veel aan Seneca toegeschreven, dat in feite afkomstig is van de <Sententiae> van Publilius Syrus, vgl. Godding, VJ, 311 noot b.
34 (vanaf ‘Hijr’) Psalm 138:2 (OT).
35 vgl. Spreuken 10:16 (OT). Het is merkwaardig dat Thomas in dit betoog een zinspeling uit de lofrede op de ‘sterke vrouw’ impliciet betrekt op mannen: ‘Bevalligheid is bedrieglijk, schoonheid vluchtig; maar een vrouw die Jahwe vreest moet geroemd worden. Bejubelt haar om de vrucht van haar handen, en roemt haar in de poorten van haar werken’.
36 vgl. Wijsheid 3:15 (OT).
38 vgl. Spreuken 31:31 (OT).
41 vgl. I Korintiërs 4:12 (NT).
42 vgl. II Tessalonicenzen 3:12 (NT)
45 mechteldis, Machteld* van Alapion/de Lapione, vermoedelijk geboren 1173 (vgl. p. 70, r. 3). niet geïdentificeerd. Misschien was zij een dochter van Willem de Leeuw (1165-1214), koning van Schotland.
1 allexander, Alexander* van Foigny (1180 - 3 mei 1229); AASS Maii I 438; <Dictionnaire d'Histoire et de Géographie Ecclésiastiques>II, 258.
15 foni, Foigny** in het bisdom Laon.
1 hugo van kirmen, Lat.: Hugo de Rumenni*, niet geïdentificeerd.
25 vgl. Lucas. 10:42 (NT).
34 vgl. Johannes 6:58 (NT).
45 vgl. Johannes 16:21.
48-51 vgl. Lucas 15:20 e.v. (NT)
9-19 Over leefgewoonten van de dominicanen, vgl. Hinnebusch, ‘The history of the Dominican order’, 339-376; tijdens het Ak in 1250 te Londen werden de broeders van Newcastle berispt omdat ze om tijd te sparen te paard waren gekomen (idem, 184); tijdens het Prov.Kap. in 1254 in Worms werd besloten dat de broeders slechts in geval van uiterste nood een wagen mochten gebruiken; wanneer dit niet zo was, dienden zij temidden van de broeders gegeseld te worden en in de refter op de grond zittend enige dagen vasten op water en brood, vgl. Scheeben, ‘Albertus Magnus’, 86-88; het Prov. Kap. in 1258 te Augsburg zette priors van Hildesheim, Krems en Freiburg** af omdat zij zich niet genoeg aan de armoedebeleving hadden gehouden; de prior van Minden kreef straf omdat hij te paard was gekomen, idem, 89-90.
11-12 vgl. Marcus 6:7-13 (NT).
17 anderen gheestliken luden; ook de cisterciënsers onthielden zich van vlees.
22-24 des hertigen dal, Hertogendal**/Vallis ducis, gesticht 1231/1232; henric van brabrant, Hendrik II* van Brabant (1207/1235-1248); huwde in 1207 Maria van Zwaben, daarna in 1235 Sophia van Thüringen; hij werd begraven in Villers**, vgl. H. van Ewen, <Louvain dans le passé et dans le présent> (Leuven 1895) 36-37; margereten, Margareta*.
25 aleit, Aleida*.
26-27 abbet van vilaer - - clarendale, Willem van Dongelbert* (+ 1242), van 1221-1238 abt van Villers**, daarna van Clairvaux**; Mon. Belge IV, 373.
31 rusten (Lat. ad pausandum): tijdens het Prov. Kap. van Provincia (Provence) in 1254 werd besloten dat de broeders niet in nonnenkloosters mochten overnachten., Hinnebush t.a.p., 398.
35 Hierna volgt in de Lat. tekst: O constantissimi viri non vos pudeat panem petere, cum Christus Dominus a muliere Samaritana aquam petierit ad bidendum. Non vereamini dici vel esse mendici: quoniam beatos pauperes Christus veritas astruxit. Testantur hoc scripture novi ac veteris testamenti.
45 vgl. Seneca, Ep. 92.
1 Ibidem, Ep. 116.
7 Ibidem, Ep. 1.
8 Ibidem, Ep. 2.
10 Ibidem, Ep. 2 en 4.
12 Ibidem, Ep. 12.
13 Ibidem, Ep. 124.
15 Ibidem, Ep. 125.
21 Ibidem, Ep. 75.
25 Ibidem, Ep. 81.
36 Ibidem, Ep. 20.
39 Ibidem, Ep. 14.
40 Ibidem, Ep. 63.
41 Ibidem, Ep. 17.
49 vgl. Lucas 12:20 (NT).
52 vgl. Ps. 63:11 (in KBS in plaats van vos, jakhals).
10 vgl. Johannes 8:50 (NT).
12 Het door de vertaler niet opgenomen tekstdeel Colv. II, 10 § 14 gaat verder in op de rechtvaardiging van de rondtrekkende bedelbroeders, voornamelijk gebaseerd op de tekst van Romeinen 15: Eia fratres non vos pudeat cum Paulo doctore gentium dici vel esse gyrovages, qui ab Hispania usque ad Illyricum replevit Evangelium Christi. Sedet illi in claustris domi, et utina cum Maria: vos cum Paulo circuitis obedientiam ad implentes. Et spero, quod si in mundo pressuram habetis: in Christo tamen pacem habebitis, tantam forsitan vel maiorem, quam illi, qui in loco quietis murmurant, et sibimet invicem discordias suscitant vel praelatis. Quod si a discordiis, ut forte dicent, fuerint alieni, sedeant vestiti triplicibus, gaudeant pace sua, permittant fratres, ut dicunt gyrovagos, in semcinctiis, et pannosos circuire per mundum, animas vivificare Christi morte redemptas, easdem de faucibus daemonum extrahendo, quas illi in pace sua et levi cura dissimulant ad inferos descendere.
32 wolter van treer, Walter van Trier*/van Mesenburg/Walterus de Treveri.
33 sassen, Saksen**.
47 vgl. Matteus 10:5 e.v. (NT)
3 vgl. Daniël 3:23 (OT).
12-14 vgl. II Koningen 18:21 en Jesaja 36:6 (OT).
18 rauenum, Reinier*/Raynerus van Brugge.
5-9 salue regina, het gebruik bij de dominicanen om na de completen in processie het Salve Regina te zingen, zou zijn ontstaan nadat in Bologna de geesteszieke broeder Bernard genas, toen Jordanus van Saksen* in zijn radeloosheid dit lied had gezongen, vgl. JvS, 42-44.
14 pawes, paus Innocentius IV* (1243-1254). Door het conflict met Frederik II moest hij in Frankrijk wonen, waar hij in 1245 het concilie van Lyon** bijeenriep, waar F. werd geëxcommuniceerd en afgezet; als tegencandidaat steunde hij Willem II*. Tevens werden bedelbroeders afgevaardigd om met de Mongolenleiders te onderhandelen over gezamenlijke bestrijding van de islamieten.
17-18 he seluen ende sine twe voervaders, Honorius III* en Gregorius IX*; zie ook p. 21, r. 21 en 35, rr. 25-41.
21 Na vp, volgt in de Lat. tekst: Qui etiam a quodam sanctissimo viro extra muros urbis Romae, manifestissime visus est mortuus dari Sanctis Deit Francisco atque Dominico iudicandus. - N.B. Deze zin ontbreekt eveneens in de Keulse incunabels LX en LY, vgl. Inl. 4, par. 3.
21-23 Alexander IV* (1254-1261) herstelde op aandringen van Hugo van St. Cher* onmiddellijk de voorrechten van de bedelbroeders, echter onder voorwaarde dat zij hun bevoegdheid als openbare docenten en zielzorgers in een juridisch proces aannemelijk zouden maken.
34 Na apenbaer, vervolgt de Lat. tekst het verslag van het proces in het pauselijk hof te Anagni in 1256. Zoals Thomas vermeldt was de inzet het smaadschrift ‘met de titel <De periculis novissimorum temporum>, voornamelijk gericht tegen het onderwijs door de bedelorden te Pariis, waarin zij op theologische gronden, die heel aannemelijk waren, werden beticht van ketterij. Deze aanklacht was niet slechts aangeboden aan de begunstigers van de bedelbroeders, Lodewijk* IX en zijn broer Alfons* van Poitou, maar ook aan alle curieleden, en overvloedig verspreid in de hogescholen van Parijs (1254). In 1254 waren van Willem van St. Amour al pamfletten verschenen die de bedelbroeders verdacht maakten. Hierop verbood Innocentius IV drie weken voor zijn dood de dominicanen niet alleen het onderwijs, maar ook de zielzorg (<Etsi animarum>, nov. 1254). Veel dominicanen waren biechtvaders van vorstelijke personen, die tevens hun voornaamste begunstigers waren. Eventuele repercussies in andere landen zouden uiterst nadelig zijn voor de orde. Alexander IV* had hier begrip voor en herstelde de privileges in de bul <Nec insolitum> (22.12.1254), gevolgd door <Quasi lignum vitae> (april 1255); het smaadschrift van Willem van St. Amour en zijn Parijse medestanders bleef circuleren. Humbert klaagde aan de broeders in Orléans over alle de aanvallen, ook fysiek, in Parijs. Dan schrijft Willem in maart 1256 <De periculis de novissimorum temporum>; een van de belangrijkste bezwaren hierin vormde de armoedebeleving; de broeders waren gyrovagi omdat hun zogenaamde armoede hen in staat stelde een comfortabel leven te lijden ten koste van andermans zweet; Christus noch de apostelen hadden ooit gebedeld; en wat erger was, zij verkondigden de leer van de valse profeten, de antichrist. Hierop besloot Humbert van Romans* tijdens het AK te Parijs (1256), in de aanwezigheid van het lichaam van de martelaar Petrus van Verona* (+ 1252) dat naar de St. Jaques was vervoerd, dat het smaadschrift kerkelijk veroordeeld moest worden. Thomas vermeldt drie kardinalen, die ter beoordeling van het proces waren opgeroepen: Hugo van St. Cher*, Richard en Gaetano. Daarnaast waren aanwezig Humbert van Romans*, ordemeester van de dominicanen en Bonaventura, algemeen overste van de franciscanen. Daarna deelt Thomas mee hoe alle preek- en onderwijsbevoegdheden werden hersteld na een schitterend pleidooi van Albert Magnus* over het Evangelie volgens Johannes (hij noemt niet het betoog van Bonaventura). - Men vindt de ontbrekende Latijnse tekst afgedrukt in Biënboec 353-355. Willem (+ 1272) ging in ballingschap in St. Amour, de twee overige tegenstanders legden zich bij het oordeel neer, vgl. Brett t.a.p., 18-40; vgl. ook superior, Inl., hfdst. 2, noten 155, 156, 163.
35 Albert de Grote*/Albertus Magnus, provinciaal prior van Teutonia (1254-1257), vertegenwoordigde zowel de dominicanen als de franciscanen; hof to rome, ls: pauselijk hof (Romeinse curie) te Anagni**.
36 willem, Willem van St. Amour*, kanunnik te Beauvais**.
2 reguleren orde, volgens de Lat. tekst betreft het een regulieren orde in Beieren**.
4 in enen dage, op een dag in 1254, vgl. p. 77, rr. 46-47.
6 In verband met de slangen is het interessant, dat Albert een oesterschelp bezat, die in een vis was gevonden. Volgens zijn beschrijving waren er aan de binnenzijde drie slangen met geopende bek uiterst gedetailleerd zichtbaar. Aan de buitenzijde waren meer dan tien slangen te zien, die alle aan de hals tezamen waren geknoopt. dus omhoogstonden. Deze oester had Albert als docent in de natuurwetenschappen te Parijs (1245-1248) van een student gekregen, een prins van Castilië (Cathalaunensis). Albert was bijzonder op het kleinood gesteld en liet het vaak aan vrienden zien. Later schonk hij het aan een vriend in Duitsland, vgl. <Mineralia> I, 2, tr. 3, c. 1; vgl. Scheeben, ‘Albertus Magnus’, 52.
23 nv cortes ghecomen is in dit lant, in het Lat. gevolgd door ‘de Bavaria’; Albert* de Grote was van 1254-1257 provinciaal prior van Teutonia; het is dus goed mogelijk, dat hij vóór 1256 in Beieren** is geweest.
24 greuen, volgens de Lat. tekst betreft het ‘comiti de Otheughem’, misschien de graaf Ludwig van Ottingen(?) in Beieren (NW van Augsburg), die A. wellicht had leren kennen in de tijd dat deze provinciaal prior was van Teutonia (1254-1257), vgl. Scheeben, ‘Albertus Magnus’, 139.
30 De niet opgenomen zinnen zijn als volgt: Mirare lector, obstupesce muraculem. Quid eo evidentius quod audisti? Nec in verbo distat visio diu ante praecognita, a re facta, postmodum subsecuta.
38-39 veer meysters, namelijk Willem van St. Amour*, Christiaan van Beauvais*, Laurens van Engeland*/Laurentius Anglicus; volgens Colvenerius was de vierde persoon Desiderius Longobardus, vgl. Notae 55, volgens Brett betrof het Eudes (Odo) van Douai, vgl. p. 39.
40 kerstien, Christiaan van Beauvais*.
51 De verklarende inleiding tot het volgende exempel is niet door de vertaler opgenomen: Et vide lector, quam amara, et quam execranda contra fratres Praedicatores primo, et postea contra fratres minores simul, per universalem ecclesiam discordia suscitata est: quia cordibus non tantum clericorum secularium, et laicorum: verum etiam omnibus quorumcumque religiosorum, tam dirum scandalum est impressum, ut nullis rationibus, nullis auctoritatibus sanctorum flecti possent, donec per dominum papam et totam curiam romanam iudiciaria sententia flecterentur. Et in hac tam pertinari et generali stultitia, quis non videat maximum ecclesiae Christi periculum imminere? (over het grote verlies, dat de christelijke maatschappij bedreigde, wanneer men de bedelbroeders het onderwijs inderdaad had ontzegd).
23 Na heuet, is een gedeelte van het sermoen niet opgenomen; ik citeer in Vert. II naar hs. K: ‘Och hoe wenich sijn daer wt desen die alleen sueken dat Christus toe hoirt mer dat hem toe behoirt. Sie wonden lieuer die sielen die hem bevoelen sijn eens gans iaer lanck gewont laeten in doetsunden. dan sie hon peert vergaeten dat myt enen nagel gewoent weer in den voet enen dach lanck of twee dat ginck hincken.’ (f. 66v) Dezelfde tekst in G, f. 221b, en de Latijnse tekst van BUA II, 10 § 32 met een vervolg van het verslag over de schandelijke bejegening van de bedelbroeders vindt men afgedrukt bij Vet, Biënboec 355-356. Hierna vervolgt het betoog: ‘Et notandum, quod conculcari quidem et tribulari iustorum vita et veritas ad tempus poterit, sed extingui numquam. Calcari autem dispensative et subpeditari potest, sed hoc ut exaltati iusti, postmodum elucescant: inimici vero eorum ad modicum elevati, postmodum non xistant. Unde gratulabundus David: Non relinquet, inquit, Deus virgam peccatorum super fortem iustorum. Ac si dicat: Non relinque: Deus virgam peccatorum dominantium nequiter sanctis, ut eos semper affligant, sed forte pacis et remunerationis veniente, sanctorum virgam, hoc est, ipsam tribulationem, vel ut melius dicatur, virgam, id est, ipsos tribulantes contemptibiliter amovebit: vel impoenitentes in ignem precipitabit aeternum (BUA II, 10 § 33).
37 vgl. Amos 7:14 (OT)
21 vgl. Psalm 77:10 (OT).
42 philippus, Philippus Cancellarius*, kanselier van Parijs.
43 hijr to voren, vgl. Ex. 28, p. 35.
50 henric van collen, Hendrik van Keulen*.
5 De conclusie van dit hoofdstuk, welke niet door de vertaler is opgenomen, is in de Lat. tekst als volgt: Haec sunt quae contra fratrum adversarios facta vidimus, exceptis aliis, quae multa et veracissime novimus et occultis Dei iudiciis, quae graviora et damnabiliora istis omnibus reputa-
mus. Haec contra invidos. Sed de his ombinus ad praesens ista sufficiant, nos autem exponenda reliqua ocius transeamus.
7-8 Lat.: Omnes unam incolunt mansionem: neque enim eas natura dividi patitur; vgl. Ambrosius, <Hexaemeron> V, c. XXI.
10 vgl. Psalm 133:1 (OT).
18 vgl. Lucas 10:1 (NT)
19 vgl. Prediker 4:10 (OT).
30 Augustinus, Regula c. 28.
40 Ibidem, c. 19.
6-7 vgl. Lucas 10:1 (NT).
9 vgl. Handelingen 13:2 (NT).
16 vgl. Psalm 2:4 (OT).
24 De Franse tekst wordt door Colv. op p. 190 in de marge vermeld: Où il y a bonne garde, il y a bonne paix.
30 vgl. Jezus Sirach 3:26 (OT).
7 Dit is een aangepaste vertaling van Spreuken 18:19 (OT).
9 vgl. Genesis 4:9 (OT).
16 vgl. Genesis 3:18.
25-27 Lat.: Communis est omnium cibus. Neque enim separatim vescuntur, ne inaequalitas operis, et cibi fiat, et temporis; vgl. Plinius, Nat. Hist. XI, 10: 22.
34 vgl. Matteus 26:23 (NT).
39 Benedictus, Regula c. 56.
46 Augustinus, Regula c. 10.
1 vgl. Jesaja 5:17 (OT).
12 Na can, volgt in de Lat. tekst: O quis veniet? O quando venturus est summus Pontifex, cuius aequitate librata, miseria et insania ista corrigatur? Sed dicetur forsitan mihi, nec dubito quin dicatur: Quis est iste, qui posuit os in caelum; et ad arcam foederis etiam inclinatam, manum indignus extendit. Irascentur forte mihi, sed non Dominus, cuius vices semper dolui, et dolebo, pro cuius veritate et iustitia, utinam dignus essem membris omnibus dissipari. Scio tamen quicumque, quantuscumque, ex his scriptis indignabitur, se debitae reprehensionis obnoxium iudicabit.
22 vgl. I Samuel 2:12-17 (OT).
27 vgl. I Samuel 4:11.
28 vgl. I Samuel 4:18.
44 vgl. Deuteronomium 32:19 (OT).
8 Augustinus, Confessiones l. 10 c. 31.
10 vgl. Filippenzen 4:12 (NT).
12 vgl. Seneca, Ep. 96.
13 Ibidem, Ep. 124.
20 Ibidem, Ep. 77.
20 Ibidem, Ep. 81.
29 Ibidem, Ep. 75.
30 Ibidem, Ep. 5.
35 Ibidem, Ep. 18.
36 Ibidem, Ep. 66.
42-43 iohan, Johannes Ranchum* was eerst regulier kanunnik in de kerk van St. Jean des Vignes** te Soissons en daarna abt te Blois**.
49 vgl. Wijsheid 16:20 (OT).
3-6 Lat.: Simul silent. Advesperascente enim die, in alveo strepunt minus ac minus, donec una circumvolet, vocis bucina quietem imperans; et hoc castrorum more. Hoc idem faciunt in matutino; vgl. Plinius, Nat. Hist. XI, 10: 26.
10 vgl. Jesaja 32:17 (OT). In feite staat hier: En de gerechtigheid brengt vrede voort.
13 vgl. I Jakobus: 26 (NT).
16 vgl. Exodus 8:8 (OT).
19 vgl. Jeremia 8:14 (OT).
29 Augustinus, Confessiones 7:10.
30 vgl. Psalm 28:7 (OT).
35 sunte bernt, Bernard van Clairvaux*.
37 vgl. Spreuken 15:4 (OT).
38 verden boke der coninghe, dit moet volgens de Lat. tekst het derde (tertio) boek betreffen; vgl. I Koningen 19:12. N.B. Men telde vier boeken Koningen, en maakte nog geen onderscheid tussen Samuel I en II, en Koningen I en II.
41-43 vgl. Seneca, Liber de quattro virtuti, c. 1 en 3.
43 archiselaus, Arcesilaus*; deze naam is in de Lat. afschriften doorgaans verbasterd, vgl. Colv., Notae 58.
47 salomon, ls: Solon*; de volledige zin in het Latijn is: Solon philosophus, cum aliis loquentibus taceret, interogatus. Utrum proter in-opiam verborum; an quia stultus esset, taceret: Nemo, inquit, stultus tacere potest.
48 coctus, dit is een verkeerde lezing van Theocritus*.
1 vgl. Seneca. Ep. 106.
3 Ibidem, Ep. 76.
4 Ibidem, ‘De quattro virtutitis’ c. 1.
6 Ibidem, c. 3.
16 Ibidem, Ep. 40.
20 Ibidem, Ep. 42.
25 cloester, volgens de Lat. tekst was dit Afflighem**.
27 monic, volgens Colvenerius betreft het hier Radulphus Tacens*, vgl. Notae 58.
35 vgl. Wijsheid 16 (OT).
38 vgl. Jakobus 3:6 (NT).
39 vgl. Spreuken 15:28 (OT).
40 vgl. Jezus Sirach 20:7 (OT).
46 ysayas, vgl. Jesaja* 30:15 (OT).
48 vgl. Spreuken 26:5 (OT).
4 Vrij naar Spreuken 26:20 (Als er geen haat meer is, gaat het vuur uit; als er geen laster meer is, houdt de ruzie op).
10 pirrus, Pyrrhus*; dit verhaal is ontleend aan Valerius Maximus l. 5:1.
23 Lat.: Pax inter eas praecipua. - (Niet geïdentificeerd).
24 vgl. Hebreeën 12:14 (NT).
28 vgl. <De Civitate Dei>, 19, 13.
40 vgl. Job 7:4 (OT).
42 vierden boke der coninghe, tegenwoordig II Koningen, 9:22 (OT).
47 vgl. Hooglied 8:10 (OT).
1 vgl. Augustinus, Serm. 167.
9 vgl. Spreuken 21:21 (OT).
11 vgl. Jeremia 29:7 (OT).
13 vgl. I Koningen 2:36 (OT).
15 vgl. Lucas 2:13-14 (NT).
16 vgl. Seneca, Ep. 57.
24 Ibidem, Ep. 62.
32 vgl. Marcus 9:50 (NT).
33 vgl. Augustinus, Serm. 167.
36 vgl. Spreuken 16:7 (OT).
38 vgl. Deuteronomium 29:17 (OT).
41 vgl. Romeinen 12:17 (NT).
42 vgl. I Korintiërs 14:33 (NT).
43 vgl. Psalm 120:6 (OT).
46 vgl. Filippenzen 4:7 (NT).
49 vgl. Johannes 1:18, en I Johannes 4:12 (NT).
51 vgl. Matteus 11:27 e.v. (NT)
3 Augustinus, Confessiones 13.
4 vgl. Jesaja 26:12 (OT).
5 Augustinus, Confessiones 13, 35.
8 vgl. Psalm 4:9 (OT).
9 vgl. Hebreeën 12:14 (NT).
12 Seneca, Ep. 103.
16 Ibidem, Ep. 88.
19 Ibidem, Ep. 54.
21 Ibidem, Ep. 52.
23 Ibidem, Ep. 32.
28 Ibidem, Ep. 45.
32 coninck philippus, Filips II Augustus* van Frankrijk (1165/1180-1223).
34 vgl. Genesis 16:12 (OT).
52 vgl. Wijsheid 5:17 (NT).
3-5 Lat.: Pro convehendis floribus rixa quadoque inter apes fit: sed interiectu pulveris, aut fumo, tota discutitur; vgl. Plinius, Nat. Hist. XI, 17: 58.
9 vgl. Hooglied, 2 en 7; Jezus Sirach, 24:17 (OT).
12 Augustinus, Confessiones 8, 11.
19 Noe, Noach*, vgl. Genesis 6:9 en 7:1 (OT).
20 abraham*, vgl. Genesis 15:6; ysaac, Isaak*, vgl. Genesis 22:7 (OT).
21 iacob, Jakob*, vgl. Gen. 29; iosep, Jozef*, vgl. Gen. 39 en 40; moyses, Mozes*, vgl. Numeri 12:3 (OT).
22 iosue, vgl. Jozua* 1 en 4:10; samuel*, I Samuel 12:1-5; dauid*, II Samuel 6:21 (NT).
23 elyas, Elia* (9de e.v. Chr.), profeet, vgl. I Koningen 19:14 (OT).
23-24 ezeechyas, Hizkia*, zoon van Achaz*, vgl. II Koningen 20:2-3.
24 iosyas, Josia* (640-609), profeet, vgl. II Kon. 23:25; iob, Job* 1 en 2 (OT).
25 daniel*, profeet, vermoedelijk levend tijdens Antiochus IV (175 - ca. 164 v.Chr.); vgl. Daniel 1:8; 9:3; 10:3; thobias, Tobit* 1:2-3; 2:39, en 4 (OT). Deze profeet wordt vaak in verband gebracht met de wederopstanding van Christus. Hij is de eerste die de uitdrukking ‘mensenzoon’ gebruikt (7:13). Hij wordt naast Noach en Job geplaatst in Ezechiël 14.14.
25-26 yzayas, Jesaja* (8e e.v. Chr.), profeet; vgl. boek Jesaja.
26 iheremijas, Jeremias* (ca. 650 - ca. 590), profeet; vgl. Jeremias 1:1-10 (OT).
29 marien, Maria*, vgl. Lucas 1:1-10 (NT).
31 iohannes baptisten, Johannes de Doper*, vgl. Johannes 1 (NT).
32 petro, Petrus*, vgl. Lucas 22:31 (NT).
33 magdalenen, Maria Magdalena*, vgl. Lucas 7:48 en 50; paulo, Paulus*, vgl. I Korintiërs 4:15-17 (NT).
37 een gheestlic licham Cristi, vgl. I Korintiërs 12:27.
43 vgl. Matteus 18:1 (NT).
50 vgl. Romeinen 14:13 e.v. (NT)
51-52 vgl. I Korintiërs 12:4 (NT).
2 vgl. Jezus Sirach 10:9 (OT).
3 Seneca, De ben. 3, 28.
6 Ibidem, Ep. 85.
9 vgl. Jakobus 4:14 (NT).
11 Lat.: Verarum apum singulae habent aculeum, sed eo nihil mitibus nocent: si qui vero sudores amaros habent, et ex natura foetidi sunt, hos persequuntur et pungunt. - (niet geïdentificeerd)
15 Hijr voer, in hoofdstuk I, 4 (p. 63).
22 Augustinus, Regula c. 20.
25 Benedictus, Regula c. 23.
28 vgl. Matteus 18:15-17 (NT).
33 vgl. Ezechiel 3:18 (OT).
35 vgl. Genesis 4:9 (OT).
41 vgl. II Timoteus 4:2 (NT).
43 vgl. Psalm 90:17 (OT).
44 vgl. Exodus 7:10 (OT).
46 vgl. Spreuken 28:23 (OT).
48 vgl. Galaten 6:1 (NT).
5 Arestotiles (vert. van 'Philosophus): niet Aristoteles, maar Seneca, Ep. 25.
11 Ibidem, Ep. 29.
14 Ibidem, Ep. 101.
27-28 sunte victoers kerken, het regulierenklooster St. Victor** te Parijs.
29 hugo, Hugo van St. Victor* (+ 1141).
3 vgl. Jesaja 56:10 (OT).
8 vgl. Psalm 2:9 (OT); Apokalyps 2:27; 12:5; 19:15 (NT).
13 de prophete, vgl. r. 8.
29 Jn leste van desen capitel, namelijk het tweede deel van de hoofdstuktitel (meer so wy - - - - steken).
42 vgl. Psalm 139:22 (OT).
43 vgl. Psalm 119:53.
51 Lat.: Apes, quae aculeum perdunt, mella de cetero facere non possunt; vgl. Plinius, Nat. Hist. XI, 18: 60.
52 vgl. Rechters 14:18 (OT).
8 prophete, vgl. Jeremia* 48:10 (OT).
42-45 Lat.: Sunt et apes rusticae, espectu horridae, multo iracundiores; sed labore et opere praestantes. Illae aliquando in tantum adacto aculeo pungunt, ut intestinum sequatur, et tunc illico moriuntur; vgl. Plinius, Nat. Hist. XI, 18: 59-60.
50 vgl. Handelingen 19:2-3 (NT).
51 vgl. Matteus 3:4 (NT).
3 martha*, vgl. Lucas 10:40 (NT).
11 vgl. Matteus 18:6 (NT).
17 Na schande, volgt in de Lat. tekst nog: De his autem quorum reprehensiones vel mordicitates odii sequitur intestinum, exemplum nostri temporis audiamus.
19 iacob van vitricao, Jacob van Vitry*; hijr to voren, vgl. p. 43, r. 32.
26 vgl. Lucas 10:16 (NT).
24 tarentinus*, deze persoon wordt genoemd in een verhaal in <Facta et dicta memorabilia> van Valerius Maximus, boek 4, 1.
28 Na wolde, volgt in de Lat. tekst: Nihil enim est tam praeclarum, tamque magnificum, quod non defideret temperantiae moderamen. Proinde quid Philosophi sentiant super eo, quod iniuria dimittenda fit proximis, videamus.
36 vgl. Seneca, <Liber de Clementia>, c. 5.
37 () Bij deze plaats staat wel een co