Ali Puli. Ik heb u reets afgetaffareelt, ô kluizenaar der hemelsse hoolen, hoe de eigenschap van twee wezens, die in een zelve nabyheit van het eeuwige huizen, niet kan gescheiden blyven, door afgelegentheit van tyd, en plaats, veel minder door de drabbigheden der lugt, die geen vat hebben op gezuiverde zielen, dewyl hun circulerende zouten te penetrant zyn, om niet alle beeldelykheden te doorbooren, want even zo eigen als het ons is den ander te verstaan, in een zelve natuurspraak, als de Hermetise wysgeeren gemeen hebben, om dat de uiterlyke toonen alleen toevalligheden zyn van de begrippen, die buiten groove galmen gebooren worden, zo voeggelyk is het ook voor schepzelen, die booven de zinnen steigeren, de verscheidentheit der kringen doorkloutert hebbende, in een oogenblik te geraaken ter plaatsse daar ze wenssen te zyn. Het lighaam der meeste menssen is regent van hun geest, en de ongezuiverde ziel, die naar het aardse hongert is een slaaf der begeerelykheit van het logge vlees, maar zy, die hen zelven behooren, door het elementaare leeven te boeijen, naar de inblazinge der gezonde starren, doen hunne groove hoedanigheden nog snelder beweegen, als de stormen, die door parssingen van alle vogtige verdikkingen vaak tot orcaanen uitbarsten. Men ziet die zelfs aan den aard der mindere gestellen, want die lootagtig, en traag zyn, door de inspiereering van een Saturniesen geeft, zyn niet half zo snel, in hun doeningen, als zy die van de warmte van Sol leeven, en uit de kwik van Mercuur
hunnen aadem genieten. Uit dit gezegde zal 't u ligt vallen te begrypen, wat my bewoogen heeft om langs Duin en baaren t'uwaarts te snellen, en in by na geen tyd te spoeden, om my in uwe eeuwige vermaakelykheden te vergezelschappen. Doe gy doorgedrongen waart, bekoorelyke woestenier, door de bespiegeling van alle wezentheden, tot hem die alle dingen stelt, zo stond gy vlak in de zon, of in de warmen stralen der scheppende vermogens, waar langs ik bezig was my zelven te zien, in de hermaphrodietsen grond, die het algemeene zaat der dingen is, ik begreep dat man, en vrouw een zyn in hun begin, dog dat de scheidinge dier twee door naar den ander te hongeren, en malkander te raaken, de oorzaak alleen bleef der vermenigvuldiging van gedaantens en vormen: ik dagt waarom is een animalis gestel geen mineraal of een vegetabele zaak, het geen ik ben? ik zag dat de lust van zyn, en de begeerte tot wat te wezen den wil wrong om zyn zelven uit te dyën tot een zekeren aart, die met de neigingen stemt. Waarom ben ik Ali Puli en geen ander! riep ik uit: waarom ben ik niet algemeen als de adem aller dingen? waarom wil ik gelukkig zyn door my zelven te kennen! waarom laat ik my niet begrypen van hem, die ik niet doordringen kan, om dat het eindige het oneindige niet kan omvangen. Ik viel hier van my zelven! waar was ik starren? doe de nevelen my verslonden! doe ik winden dronk in myn holle schaalen, en dat een eeuwige geest my besprong. Ik wiert verkragt, en ik weet niet van wien, ik omarmde een wolk, en vervloot uit myn beeld en de vattingen der Ideën, in de algemeene bron der wordingen. Ik was nog het een, nog het ander, maar wierd alle dingen teffens, om te leeren baaren de tinctuur der hemelen in aardse kroezen; een vloet, een maagdelyke dauw was meester van den man, en de steigerende wil wiert water, daar zag ik myn Hai Ebn Jokdhan op den grond dezer wellen dobberen, als een paerel die zyn oester verlaat, en langs de golven vliet, om de Diadeêm te versieren van Demogorgon, die de Vader der Goden is. Hoe lief kreeg myn verrukking uw leidelyke gestalte! hoe vond ik ze naar myn wens! om dat gy keureloos dobberde op den Oceaan der liefde, om eeuwige vonken te fokken. Vertel my heillige man iets van uwe weegen, van uwe verstuivingen, en zalige nietigheden, op dat ik aan uwe wangen verstom, en met u verdwyn, door de ontwording der aardse dingen, tot een onbegrypelyk niet, en waassem van verwondering!
Hai Ebn Jokdhan. Zal ik u schetzen, die naar de eeuwige, en onzienelyke vorm ben gevlooten tot een vezeltje des tyds, wat ik ben, als
ik niets en ben? u schilderen, die een penseel gelykt, in de vuist van myn Schepper, een kunststuk van myn wortel! oneindige werelden ondersteun uwen Jok Dhan! dien Hemel der Aarde! die boven zyn zelven woont, en op meêr dan adelaars pennen zyn droessem ontvlugt! ik ben verbaast voor myn denken, en sidder voor verkeerde beelden. Hoe 'k verder van my vlieg, hoe 'k nader ben aan myn oorzaak. En hoe nader aan myn G... hoe verder van myn Ideën. Kon ik onklankbare galmen vatten, u met stille juigtrompetten uitblazen de eeuwige wond'ren van het oneindige, gy hoorde het geen gy zelver kend, maar neen ik moet valsse toonen verzinnen, om waarheden te noemen. Wy zyn niets, Ali Puli, als rook en damp, in onzen heelen omtrek, en ons groote bestek is wind en waan. Ontdoe u van u zelven, ô wereld, zo ziet gy niet wat gy heden zyt, maar wat gy word door uw verliezing. En wat dog? ô zon! sluit my de lippen toe! op dat ik geen verrukkingen stamer, en de eeuwen verschrik! een Oceaan is diep, nog dieper is de Zee der liefde, dies ik smelt voor u weg, ô bronaar van zoet. Ik ben niet meêr Hai Ebn Jokdhan. Wat dan? een voedsterling van 't eeuwige vuur, want myn tonder is enkel vonk. Ik heb jaaren aan een door de stoffen gewoelt, in de elementen gegrabbelt, alles gezift, en gepeilt, om het oorzaakelyk te tasten, maar doe de tyd bezweek, en dat het gebouw, het geen ik had geflikt instorte, toen vond ik in een oogenblik, uit het einde aller dingen, het waare begin, het geen zig onmiddelyk openbaart, als de uitterlyke begrippen smelten. Wilt gy weeten, hoe ik was gestelt, toen de eeuwigheit in my heerste. Ik zal u het onnoemelyke zien te zeggen: myn gemoet was een spiegel, en in plaats van een beelt te maalen zo ontfing ik iets ongebeelds, het geen zyn zelve in my zag, om dat ik stil was van beweegen. Toen een ander in my keek, wiert het glas gewaar dat het alleen strekte om te moeten lydelyk wezen voor de werkelykheit van een soeverynen wil, en 't genoot zo veel lust in die onderwerping, dat het al het tydelyke vergat. Kan ik nu zeggen, ô Bossen en Boomen, ô Klooven, en Rotssen wat het is eeuwig te zyn, neen, neen ik verstom. Zo vuur van water leeft, en 't vogt uit vlammen dampt zo leeft myn wezen van het onwezen van die zalige nietigheit, van dat..... ik kan niet meêr.
Ali Puli. Ik twyfel nu niet meêr, nu ik uwe verborge Oraculen zuig, of de eeuwige speen der geesten is in mynen mond, en de melk der starren vliet in myn ad'ren. Ik moet barsten van het goud, zo ik uwe wanden niet vergul, want myn Mercuur, die vlot is, verdikt op uwe ziel,
door het Astralise zout. Dat ik nu uitdreun! myn Adeptus, gy bezitter der mynen, de keer, en weêr keer der dingen! want de sleutel der Goden past in uwe vuist, om de krammen des nagts te ontgrendelen met straalen van Apol. Daar kryg ik vaart, daar begin ik te scheppen, daar vloeit het goud uit myne lippen: alle wezens hebben één ziel, dog niet in dezelve volkomentheit, en al wat bezonder schynt, wort door een, en zelven geest omriemt, en zouw even eens wezen, zo het niet meêr tragten uitwaarts te zwoegen, als naar binnen te keeren. Het Sulphur dat in zyn eigenschap hongerig is, en in den donker tast naar zekere kragt om 't onzigtbare te beelden, heeft naauw'lyks een mercuriale vlugheit ontfangen, om de algemeene hoedanigheit van 't Heel-Al te kennen, of de porring van zyn heete gestel doet het eerst ontfange kwik gesten, en zig uitdyën tot een hongerigen lust, om alles te verslinden. De eene beweeging veroorzaakt eene ander, en de eene vezel werpt den ander over boort, om weêr een nieuwer te plaatssen, waar door de dingen verbitteren, en uit hun algemeene overeenkomst verwyderen, met een ingezwolgen lust, om een ander te overkraaijen; tot dien einde trekt elk een gedaante uit zyn gestel, om zyn naasten te overbluffen, en in een zekeren form te verduuren, die eigen is aan het soort der beweging, die hem verzelt, want na de meê, of tegen drang der hoedanigheden, die uit de wortels van het Zulphur zyn voortgekoomen, is zyne eigenschap gestelt, om een bezondere gedaante te fokken, waar toe de Mercuur de behulpzaame hand bied, door den honger, en lusten te verzadigen, met uitbeeldinge van hun wenssen, en tragten. Naauwelyks is het begeerde ontvlamt, of het stremt tot zout, en schaft aldus den geest zyn lighaam, waar in hy woelt, om de eeuw, en tyden te verduuren. Dog dit is iets, dat wel volmaakt is, om de wereld in een blyvende beweginge, ofte een perpetuum mobile te onderhouden, dog geenzins dienstig om tot den universelen geest, of de oorzaak der mindere geesten te steigeren. ô Neen, de zinnen, en de buitenste ademingen dienen inwaarts te zakken, en uit hun steigerende hoedanigheden, en gestolde zouten te keeren in een wateragtige complectie, die, gezuivert van alle vezelen, een vonk uit het eeuwige vuur trekt om den Faenix te verjongen, die van de omgekeerde natuur ontspringt. Deze veelverwigen vogel, die zyn neb in goude beeken verfrist, is de zon gewyd, uit wie hy leeven kreeg, en in de welke hy wenst te sterven, om altoos uit een, en zelve materie de elementen te oversnoeven. Wat zouw ik hier niet aan mynen Hai Ebn Jokdhan van konnen zeggen by aldien de slaaperigheit zyne oogen niet en sloot, voor myne verheeve toonen.
Hai Ebn Jokdhan. Die booven de starren is doorgedrongen, en in het firmament der zalige zielen huist, denkt om het mindere niet, als met weêrzin. De stookkunde der Wysgeeren is onderscheiden, want eenige booren de aderen der natuur door met hunne heete spooren, om de melk der mynen te proeven, dog andere schynen overwaaszemt met een laauwen dauw der hemelen, en dobberen in den Oceaan en oorzaak der elementen. Die dit proeven hygen om niet anders te zyn, als de wortel wil, en uit die overgegevene gelatentheit vloeit eene indaaging van ligt, die onze zinnen verblindende, ons met andere oogen doet zien, als die de onze zyn. Wy weeten niets, als dat wy gekent zyn en beeldelyk worden, om dat de ongebeelde Schepper der dingen, ons ziende, verstaat wat wy zyn, terwyl wy in die gewaarwordinge gelukkig leeven, als een jong geboore kind, dat de boezem zyner moeder drukkende in slaap valt op den ruimen schoot der zalige G...heit.
Ali Puli. Daar is nog iets in de Alchymie dat de Alchymie overtreft, en nog een Magia die de Magi niet en kennen, en ik hoop te leeren, door de myne te vergeeten. Ach! was ik Hai Ebn Jok Dhan, in steê van Ali Puli, zo zouw ik zien dat de ziel der wereld, daar de stookkundige Liefhebbers tans van spreeken, heel ver verscheiden is van die, die de andere heeft gestelt, om ze in de onbekende te verliezen.
Wy zullen deze Hermetise pot toedekken, op dat 'er onze hedendaagse Adepti, en Magi niet van koomen te barsten, met eene vaste belofte, dat wy, tegens dat hun mystike slokdarm weêr een weinig verder is geprepareert, hen met de rest zullen vergasten; neemt ondertussen dit vaarsje voor lief, van ons gemaakt, op de schielyke dood van den Eerw: Godz- en Hooggeleerde Heer W. Vonk: gewezen Predikant binnen Amsterdam.
NB. Gelieft op pag. 262. op de eerste regel te leezen voor van noot, van 't noort.