Seneca. Ik weete niet, dat 'er iets in de natuur der dingen is, of kan genoemt worden, dat meêr volmaakte vergenoeginge schaft als de bespiegeling van waarheit en deugt, dewyl uit de zelve de goddelyke wysheit der maten flikkert, dat de geheele ziel met dezelve als ingenoomen, in die straalen zo veel heldere zoetigheit gewaar wort, dat alle overdenkingen, die minder zyn als de reets genoemden, te zwak bevonden worden voor een redelyk verstand, dat zonneklaar beschout, dat alle dingen wiszelvalligheit onderworpen zyn, buiten de oeffeninge der wysbegeerte alleen. Die is het, Epictetus, die ik stel ten doel myner poogingen, en naauwelyks ben ik afgemat van Staats-, en Hofsbeslommeringen, of in deze overpeinzende wonderen vind ik die rust, die andere derven, om datze hen verslaavende aan den tyd, en zinnen nimmer ophouden van den vrugttelozen arbeit, die het gestadig bewegen der driften verzelt. Ik zal aan u, die de steilte dezer gelukzaligheden hebt beklommen de weegen, hier toe strekkende, niet aftaffareelen, nog de voldoeninge, die ons de Philosophise gronden verschaffen, afmaalen, maar alleen u mededeelen den stand mynes gemoeds, in de gewaarwordinge van de vrugten myner geduurige pogingen, om dus te zien, hoe naar myne doeningen de uwe verzellen, en zo spiegelender wyze een geest onder den uwen te vermengen, die altoos wenst van den uwen verbetert te worden, die, als geheel ontbloot van de aarde, boovenzinnelyk schynt geklommen te zyn, booven zynzelven, door ontfankelyk te blyven aan de indaaginge der gezuiverde vonken, die niemant gewaar wort, die met de benedenste beuzelingen zig ophouwdende, onvatbaar is voor het verheevene. Let eens op de uitdrukzelen van myn gemoed in dit volgende vaars, en antwoort my ongeveinst, of ik het oogmerk onzer studie heb agterhaalt, of niet, zonder u aan myn staat te stooren, want in de school van Pallas koomen geen andere dingen te pass, als de wysheit zelfs, en voorde Gooden zyn wy alle dezelven, zo we maar anders een zelve hoedaanigheit met hen deelagtig zyn.
Epictetus. Groote man, en Prins der Staatbestierders, die billyk met den tytel van een Wysgeer praalt, om dat gy het overschot van uw weinigen tyd opoffert, naar het schynt, aan Minerva, en haare wyze leszen, ik zal my niet inlaaten, om uwe verdiensten te verheffen, en een zwakken lauwer te planten op uwe gryze haaren, dewyl het stryd tegens de billykheit van een redelyk man, een Philosooph te kroonen met een ander cieraat, als waar meê hy zyn zelfs gevoeggelykst kan hullen. Al wat ik kan doen om uwe gedagten te meiteren met een nederige onderwerping van myn verwonderende toestemming is dit, dat ik, op uw heerelyke snaarenzangen wederom kaatssende deze eccho gil, om de uwe te vereeuwigen:
Seneca. Al was myn ziel in een donkeren nevel geslooten, en ze hoorde langs die bruine schors slegts het geflikker uwes dageraats ze zouw de kimmen polssen van het eeuwige goud, en verlieven op de zon uwer deugden, die zo doortintelende werkt, dat ik als eenswillens met uw gelaten geest geworden schynde, moet met verwondering zeggen:
Epictetus. Ach! stont het uw geringsten dienaar vry u te zeggen, op het hooren dezer uwer woorden: dat tussen bespiegelen, en bezitten van waarheit een kloove leit, die grooter is, als die het firmament van het middelpunt des aardbols scheit. Was het genoeg het onderscheit der bovenste en onderste werelden te kennen, om de waare lugt in te ademen van Apollo's gezontmaakende kragt, zo waaren zy die voor leermeesters geschat zyn hier ten deelen toe geklommen, maar neen, de kennis van een zaak is nog geen bezit van de zelve, want de haaven der rust te zien, of daar in te ankeren verscheelt oneindig; de laaste zeggen niet alleen, datze alles wars zyn, om de bezittinge der hemelen, maar ze werpen hun ballast buiten boort, om de goude mynen te zwelgen. 't Is de proef op de som gestelt, als de daaden de woorden evenaaren, en men heeft reeden te denken, dat de waarheit daar huist, daar de leeraar doet het geen hy anderen, als dienstig en nodig aanpryst. Ik zal op het generaal oogende uw grootheit, zo ik hoope, niet verstooren, door te zeggen:
Seneca. Ik begryp klaar wat gy zeggen wilt, overgekoome heillig met u zelven te bestraffen, en de gebreek en der voorgangeren te berispen; het geen gy op die duit, kan gevoeggelyk op my gepast worden, en alhoewel ik de waarheit niet en haat, zo heb ik egter gaarn dat men bescheiden in zyne oordeelen te werk gaat, want het bezit der uitterlyke goederen is geen gevolg van de boeijen des geestes, en ik weet niet, of het niet zwaarder valt een volmaakt Philosooph te weezen, voor een die veel bezit, als die misdeelt van de gaaven der fortuin de occasie niet heeft, die de zulke verzellen die ryk zyn. Niets boeit de reden meêr, als de tydelyke dingen, dog die in het midden derzelve los kan weezen van dezelve is meester van de reden en volstrekt volmaakter, als een arm Wysgeer, die zig vaak van binnen kittelt over zyn verkreege deugt, om dat hy meent te verägten, het geen hy niet bezitten kan. De zwakheit van geringe geesten blinkt nooit meêr uit, als dan, wanneerze andere willen meeten met hun korte el, en hoewel dit een waarheit is, dat veele voorgangeren des volks meêr vertellen, als doen, zo past het de gemeente niet die te oordeelen, die niet gestelt zyn om geoordeelt te worden, van zulk slag van schepzelen, die dikwils tot'er dood toe werk vinden om hun eigen doen te onderzoeken door de kennis van hen zelven. Ik zal u myn meening met een vaarsje doen verstaan, om te toonen dat ik de uwe begryp, waar voor ik zeer veel agting over heb, zo ze op den akker van Pallas is gegroeit,
het geen ik aan u onderzoek nuttiger oordeel te laaten als aan het myne, dat zig weinig met andere bemoeit.
NB. Het vervolg zal over veertien dagen volgen.
Te Amsterdam, gedrukt voor den Auteur, en werden uitgegeven by Adam Lobé. 's Gravenhage, L. Berkoske. Delft, R. Boitet. Uitrecht, Besselingh. Alkmaar, van Beyeren, Dordrecht, van Braam. En verders in de Steeden by de Boekverkoopers.