Epictetus. Wat is het gelukzalig arm, en gering te weezen! dewyl ditde korste weg is, om van het waarzeggen bevryt te zyn, want de
woorden der Kleinen hebben zelden ingang by de Grooten, die de tong der gemeenen maar schynen te bestuuren, om als weereloze lammeren, ja te blaaten, op hunne willenkeuren, waar aan ik my onderwerp, om te toonen, dat de blinde gehoorzaamheit der wysgeeren, aan de order van den souveryn de ziel is der boovendryvende Philosophie, die de afgescheidene, en verborgene, of die geen opgang kan krygen, om dat een weêrbarstig nootlot de harten van Princen, of Vorsten niet kan vermurwen, tot hunne voordeelen en profyt, zo lange de wereld staat, zal onder zoeken te houden, om de Monarchie van 't Heel-Al, op een Babilonis hooft te houden. Ik spreek tegenswoordig meêr als een Priester van Delphos, dan als een Onderdaan van den Roomsen Senaat, want zonder dat zouw ik my niet durven onderwinden, om u verheventheit te toonen, hoe zwygende kleinen vaak verder denken, als zy begeeren, die over alles het stuur genieten, buiten den vryën wil, die ook in de keetenen kan triompheeren, gelyk ik aan my zelven gevoel, dewyl ik kan zeggen, met den goddelyk genoemden Plato: hier wil ik rusten. Ja Seneca ik heers, om dat ik onderdanig ben, en, om dat ik naar geen kroonen verlang, zwaai ik den Septer der aarde, en hoop in een beter star, als die van Julius Caesar zelver, verheerelykt te worden, dat is te zeggen, als myn aardse grafnaalt, dit rif, deze tombe myner ziele zal van de wormen doorknaagt zyn, te huizen in de straalen der zon, en de vlammen van het eeuwige ligt. Maar genoeg hier van, want Epictetus de slaaf is den Dienaar van den wysgeerigen Staatsman Seneca, en wenst hem, om niet kwalyk te wenssen, dewyl de Stoïse blokken meêr uit de nederige, dan de verheevene gekapt werden, al wat hy voor zyn zelven het oorbaarst oordeelt, dog antwoorde met deze woorden, op uw laaste vaars:
Seneca. De vrypostigheit, waar mede gy de waarheit langs myne ooren dondert, doet my zonneklaar peilen, dat gy tot een Monarch gebooren zyt, en was het in myn magt, ik stelde u op dien zetel, dien gy door de verägtinge des werelds, naar het schynt, lykt te vlieden. Het is een groote deugt, ik zeg, een toppunt van volmaaktheit, dat men niet konnende gebieden, toont de verdienste te hebben van het te mogen doen, en zo dit by u geschiet, zonder eenig particulier bezef van grootsheit over uwe nederigheit, zo reken ik u voor de eerste myner tydgenooten, en zal het my voor een eer rekenen, u te verzekeren, dat ik dit liever wil gelooven, als wederleggen, om niet te vallen in die zoete, en ongeveinsde twyffelinge, die gy van myn persoon, en doeningen hebt opgevat: trouwens het heeft zyn reeden, want uw geest gezuiverder dan de myne, door de ontblootinge der vergankelyke dingen, heeft een volmaakt regt verkreegen, om over alle zaaken te oordeelen, en die een nuttig verwyt toe te paszen, ter beteringe dienende, ook zouw ik niet durven beginnen, by aldien ik in uwe diepe nederigheit, en afgescheidentheit al iets meende te zien, dat nog niet had den top des hemels beklommen, om in my zelven die vooroordelen niet te sligten, dat zulks voortkwam uit myn al ten grooten rykdom, waar van u de Goden bewaart hebben, dewylze uwe ledige ziel te waardig hebben geschat om ze met prullen te vullen, die ophoopende met contemplatien waar voor ik verstom, dog met verwondering uitbarst.
Epictetus. Dat de waare kennis van zig zelf meest openbaar wort in de tegenspoeden is ontwyfelbaar, en niemant kan zig vleijen bevryt te zyn van alle aannemelykheit, als die gewaar wort, dat hy in de verliezinge aller dingen meêr vermaak schept, als in de verkryginge der zelve. Als iemant zyn voet op een anders zeer zet, en zo veel gevoel heeft, dat hy zulks van zig laat verluijen, door den aandoender daar over maar aan te spreeken, al was het nog zo vrindelyk, zo is zulks een klaar teeken van een eigen leeven, dog dit is de hoogste top der volkomenheit, als de ziel, vertrapt en vertreeden, gestooken, en doorpriemt van
scherpe hekelingen, gedwee en lydelyk blyft, en in plaats van buitenwaarts uit te vaaren, in zyn zelve nuttigt de vrugten der bitterheden. Zo de geest geen hooning uit den Leeuw zuigt, en dat de alzem zyn levendigmaakende nuttigheit, ik zeg, die verborge lieffelykheit niet verwekt, en stort in de uitspanningen der gelatene aderen en spieren, zo is de waare rypheit der Hesperidise Appelen nog voor Hercules niet verkreegen. Neen, Seneca, al te gelukkige, om te leeren proeven, wat het is op een ledigheit te dobberen, en de Philosophise onzekerheit, voor het waare zeker te begroeten, door zig blindeling te stellen, onder het bestier van den grooten Jupyn, dien eenigen, dien ik aanbid, om dat ik hem ken door my afhankelyk te kennen, ik was geen Epicteet, geen slaaf, geen worm, geen stof, geen as, geen niet, zo ik anders deed, als ik doe. Myn rol is gering op dit tooneel, dog ik wil 'er geen Koning voor zyn, om niet te zondigen tegens de bestieringe der starren, en was ik Keizer, ik begeerde geen Bedelaar te worden, om niet aan te gaan tegen den Oppersouveryn, wiens leem ik alleen ben: dat my de Pottenbakker vorm, waar toe hy wil! ik blyf den zelven, want een zelve geest heb ik met de Goden gemeen gekreegen, zint de myne den zynen wiert. ô Zalige kennis van my zelven, gy hebt my ontzelft, gy hebt my verändert, en uit my gerukt, in die ruime stilte waar in ik verzink, en altyd in blyven zal, zo de buitenste doornen myne innerlyke roozen bevryden, voor de vingeren der wereld wyzen. Ik dank u, bestuurder van Nero, en stut van Romen voor de krukken, die u ontvallen, om my te schragen, en ik bemin u meêr als ooit, om dat gy my hoe langer, hoe meêr toont, dat de practyk der bespiegelingen zelden by den wysgeer wort gevonden, waarom ik zeg:
Seneca. Ik bemin u, in weêrwil van myn wil, en alhoewel ik in ver na niet volmaakt ben, zo wenze ik het te zyn, om u te doen begrypen, dat uwe laaste woorden my doen merken, dat het gevoelelooze by u tot nog toe zo ver de overhand niet genoomen heeft, als gy wel wenste, dat ik geloofde: egter ik wil dit ten uwen gevalle gaarne doen, en die allersubtielste zwakheden der fynen gaarne toedekken met den bescheiden mantel der reeden, die my evenwel doet zien, dat de allerbeste van alle stervelingen slegts een mens is, met dit kleine beding, zo een minder wysgeer by zyn meerder bedingen mag, van deze volgende regeltjes eens te overweegen, die u, en my niet alleen particulier betreffen, maar alle Philosophise liefhebbers raaken.
Epictetus. De groote verwiszelen van toon, als de kleine, en zwakke aanmerkingen hunner dienaaren hen schynen te verveelen, en de minderen zyn verpligt gestadig de keuren der gezaghebbende wysgeeren te volgen, als ze zien dat het verzoek der Heeren aan hun knegten, is den staf van het commando over dezelve te zwaaijen, om die, en andere reedenen zal ik uwe heerelyke uitbeeldinge van het opperste weezen, met opmerkinge herkaauwen, u zo wel bedankende voor dezelve, als voor de aanwyzinge myner zwakheden, waar aan ik myn zegel, ik wil zeggen, de geringe ketenen myner armoede knoop. Dog dit zegge ik al knielende:
* De Brieven van Parnas zyn nog niet gekoomen.
Te Amsterdam, gedrukt voor den Auteur, en werden uitgegeven by Adam Lobé.