MEn ziet doorgaants, dat de Zon nooit smakelyker lagt, dan wanneer hy heeft geschreit. Op het traanen van den Hemel, volgen de Palm-tropheên der Aarde. De jeugdige Lente is een Dogter des gryzen Winters, en de guure Herfst een zuigeling van den warmen Zomer. Waarom zou ik altyd Democretiseeren, zonder eenen Heracliet te verzellen. De rol van een Huilenbalk zwigt nimmer voor 't gespot der vrolyke Aanschouweren. Het Treurspel spant den kroon boven een blyeindenden Klugt. De hartstogten der Ziel worden meer door droefheid, dan vreugde bewoogen. De geest schynt zuiverder op den Smeltkroes van tegenspoet, dan ze was, eerze geloutert, nog kleefde aan het drabbige slyk des tyds. Wie het heeft geproeft doornen te draagen, wil geen gouden Myter torschen. De last der kroonen is te zwaar voor 't vrygebooren gemoed. Dat wil aan geen gulden keten geklonken, de overwinnende lusten in triomphen verzellen. Myn rykdom bestaat in arremoê, en door niets te begeeren, bezit ik het al, roept een waaragtige Wysgeer, die de ontblooting der zinnen keurt boven het fluweele dekkleed der Begeerlykheden. De voering van dat stof schynt het Armelyn der Koningen te overtreffen, en ondertusschen is het wreder van Borstels, dan de Pels van een Everzwyn. Het naberouw volgt op de zonde, en hy is wys die ten halven gekeert, de deugd kiest voor den gruwel der boozen. Die Sireen verlekkert ons brein, en eer wy 't weten, zyn wy verstrikt. Een mond vol kussens baard de dood, en op die volgt een eeuwig leven. Twee Uiterstens kleeven aan dien stam: want Hel en Hemel, spruiten uyt een en den zelven wortel. Hy die het ligt schiep is meester van de nagt. De keur daar omtrent hangt onder af van den armen mensch, schoon 'er een zekere voorbepaalde schikking rust in de grond oorzaak der dingen. Hy die den Bejaart riep, klonk de vezels op zyn onwederspreekb'ren wil. 't Stond de Oppermagt vry te schikken van zyn werk, en 't Maakzel heeft geen
regt 'er reden van te vorderen. Het voldoet door gehoorzaam te zyn. met op het einde te letten, agterhaalt het zyn begin. Dat was donker voor den Cherub, en daarom keek hy na het ligt. Had hy afhankelyk gebleeven, hy had door onderzoek niet van boven gebuitelt. De straalen der Godheid verdoofde zyne oogen, en hier door schemerig, koos hy den wyk van de bovenste na de benedenste werelt. Dat is u huis niet, myn Ziel. Der geesten kring is de trans uwer geboorte. Op die Puyën moet gy nederiger uwe hoogheid vergeeten. De waare grootsheid is klein te zyn, en hoe daar toe best gekomen? zo gy het pad van distelen niet wilt inslaan. Weenen uwe voetzoolen bloed, geen ander zweet word 'er geëist van Adam, om zyn akker te ploegen. De voorens der aarde geëgt door goede werken, teelen Edens vrugt. Wil iemant die tanden, hy spuuw de nooddelooze kennis der dingen uyt. Agter de onnozele eenvoudigheid pronkt de regte wysheid; een Dogter zo min vermaagtschapt aan Vrienden, als ofze de waarheid zelver was. Leevender nog Neeven van die Maagt in Nederland? Is 't ons geoorloft te vragen, of de deugt nog herrebergt by den Batavier? Mag de trouw nog pronken op den tuynspeer der Waterlanders? Die hoed die zo schoon vergult plagt te zyn met de pluimen der onsterffelykheid, heeft die nog een sweemzel van dar wezen? Spreek Holland, waar zyn uwe Stelten, waar meê gy langs Jacobs trappen uyt Spanjens Ur der Chaldeën in Canaän instapte? Treed gy ongeschoeit met geest na 't Heiligdom? Eet gy de Toonbrooden uiterlyk, Israël, die 't Levi past te nutten? danst gy voor de Ark, beklad met het bryn der Philistynen? Waar wil dit heen? roept Salomon. De vorst der Leeuwen ziddert op zynen elpenbeenen troon. Hy schrikt voor uw bedryven. Het Sannedrim van Mozes ziet na Aronsrok. Onder dat wit Sattyn schuilt de Urim, en Thummim des verbonds. Wat gedaan voor Jerusalems gruwelen? Is 'er geen balssem in Gilead? Wie stelpt de breuke? roept de groote Vaderlander van zyne Haagse trappen. Hy scheurt zyn kleed van schrik; want Josephs dood, gaat Jacob ter harte. Rebekka's spruit is gesneuvelt, en de Weduwenaar heeft geen kinderen, als uyt Lea's Bedt, en overspeelige Myden. De vroome Broeders zyn oorzaak van die smert. Die om gelt de deugd veilen, hebben den Heiland verkogt. Iscariot zit op den zetel van 't gemak. Hy denkt niet om den strop van Haman, want zyn glorie spot met het zaad der waare Joden. O Hemel, krimp de uuren in! of alles gaat verlooren. De Gierigheid is de wolf der Schaapen. Wat zullen de Harders doen in dezen rouw. Zy steeken hunne stulpen en kooyen in floers. De Lamphers waayen van de Haartsteden der Dorpen, en de Steeden trekken zak en as om hunne lendenen. Daar is een verbotsdag! Jonas predikt in Ninive, bekeert u, want de byl van Johannes leid aan de wortel des Christendoms. Zou ik dan op myn beurt niet mede weenen, nu yder Klaag-
liederen zingt. Weg pen van dertelheid, valt in de Zee. Kus traanen van berouw. In 't zilte nat wierd de liefde gebooren, de dogter des Hemels. Wie die omhelst, hoeft voor geen toorn te vrezen. Als de Barmhertigheid de Regtveerdigheid overtreft, dan staan onze Wallen zeker. Al viel den Arent op ons aas: al stiet de ram op ons vagt, wy bleeven vylig op onzen muur, waaren wy los van onzen eigen Vos. De begeerlykheid verslind 's Lands lammeren. 't Is al Corban, want de Eigenbaat speelt voor tartaffe. De Tempel! de Tempel des Heeren! roept de Gier, en hy oogt op de Beurs, de Vergaderplaats der Smoussen. Kan de Hemel dit gedoogen? neen, zeid Neêrlands God. Myn legerbundelen beeven voor de blixem des Hemelaars. Grypt boete in den arm, gy Waterhelden van Zee- en Holland. Neemt naberouw te baat, gy zoonen der Friezen, en gy kinderen die den Rhyn, den Yssel, den Lek, en den Waal met uwe duimen meet. Stapt op het wierook van gebeden, na de vader uwer golven. Moet gy sneuvelen Jerusalem? val in den starken arm uwer Wallen. 's Lands David treet u voor. De zoon van Isai is gesluyert in Arons offervlammen. Langs dien trap gaan u de Hylanden voor onzer Vesten. Hun zevenstar prykt reeds aan het Firmament; niet met dien staf waar meê het Oceaanen gebied, maar in een tulleband van zugten gedooken, kampen hunne Zuilen voor uwe Capiteelen. Al aardbeefde de grond om uwe zonden, de yzre krammen van hunne deugden, hieuwen uwen bodem overent. Op de eerste Hypaalen van dit Land, rusten hunne zorgen. Zy zien uyt de Timmeragie hunner Kerken en Capitoolen, dat op Bidden, Vasten en Danken, de muuren zyn gelegt. 't Zag 'er droevig uyt, doe Duc de Alba de kalk der Huizen met bloed natte. Doe hielpen geene traanen der zuigelingen: Neen, de weeklagten der gerimpelde Greyzaarts vogten voor den dolk der jeugdige Soldaten. Had Neêrland doe niet geknielt, 't was nimmer vry geworden van de Inquisitie dwingelandy des Vlies-ridderen. 't Zag na boven doe het stond te vallen. God greep Habakuk by de hairen, om Daniel in zyn Leeuwenkuil te ondersteunen. De yver, wil ik zeggen, der Leeraaren, sloeg vuur uyt Keyën. De Steenen wierden menschen, en die wierden van de Engelen geleid op de tinnen des verborgenen Tempels. Daar omarmde de geest dermaaten het kruis, dat men de munt vergat, of zo men 'er om dagt, men leî hem aan tot glorie des Scheppers. Wat waaren de vrugten van dezen arrebeid? spreek myn pen. Niets anders als overwinningen? ô Vrygevogte volk. Gy trad langs weeke turven op marmere trappen. Gy kapten de Eike, en Dennebossen uwer gebuuren, tot zoolen, om over de Zeën te wandelen! Gy zette uwe voeten op de Ooster, en Westersche Indien! De Eisbeer knielde van zyne Spitsbergen voor uwe scheenen! De wereld wierd te klein voor uwen schoot! Gy zogt andere Ryken, gy vond nieuwe Monarchien! En by dat alles verloort gy u
oude deugt, ô myne dierbaare Lezers. Dina komt zelden t'huis, of Levi's zuster is verkragt, en dat baard Oorlog. De roode Haan maakt zig gereed tot het kraayen van kruid en vuur. De goude Hen die onze kuikens dekt, ziet aan het rooken van den adem des Donderaars, dat de Bommen reeds worden gebakken in den oven der Helle. De yzere Kogels zyn straks gaar. Wyk u voor de kneeders van dit deeg. Al had gy metaale Maagen, gy zoudze niet verduuwen kunnen, zo de Oppergeneesheer u geene cordiaalen schonk. Die kunt gy krygen door traanen en gebeden. Door u brood op het water te werpen, kund gy het weder vinden. Weest mededeelzamer, want liefde overtreft alle Offers. Door dien weg is 'er kans te bestaan. Al ging Israël al door het roode Meir, 't zal behouden aan land, zyn Pharaö zien zinken. Dit weet Moses, Arons Broeder. Die heilige Gezaghebber, doorgeoeffent in de wysheid der Volkeren, is uwe Stuurman, myne waarde Abrahamiten. Hy ziet uyt de Characters, de figuuren der gewyde rollen, dat 'er geen kans is tot heil, als door die tekens te beleeven. De vervulling der Wet en Propheten, zyn Boete en Bekeering. Het Euangelium leert liefde. Hunne Apostelen prediken niet anders, en wie is 'er die het gelooft? want zo ik uyt de werken moet oordeelen, zo moet ik melaatser dan gy allen roepen: Onrein, onrein. Van de hooftschedel tot de voetzoolen toe, is alles bedorven. Wat raad? weg vreugde en jok, uit de Vergadering der levenden. Onze kinderen zyn dood, en slimmer; want ze schynen tweemaal gestorven te zyn. Job zit op den Misthoop, want zyn Huyd is schurft. Wat Potscherf zal hem krabben? die van Arom moet het doen, heeft het gedaan, doet het nog, en zal het doen. 't Is waar, 't doet zeer bestraft te zyn; maar weeke Meesters maken vuile wonden. Wy willen de Corrosieren omhelzen voor den Balzem van Peru. Wy geeven ons ten besten, en willen worden wat my moeten zyn. Dit schreef ik met haast, doe ik het Placaat van haare Edele Groot Mogende langzaam las, en het quam my voor dat het niet onaardig zouw zyn tot onderzoek voor myne Weekelykze Liefhebbers. De Titel is 'er niet na gestelt, dagt ik in myn zelve, en om die te veranderen, bleef 'er veel zwarigheid over, om dat een aan den ander geschakelt werk, niet wel door een nieuwen raam scheen herdoopt te kunnen worden. Ik zal het waagen op myne opregtigheid, riep dezen Veder. Men schuive een vaal Gordyn voor mynen lustig Portaal! Men hang een donker slot voor onze heldere Puyën! want doe Ninive vaste, kreegen de Ossen en Ezels zelfs geen eeten. Als 't alles door vuur en vlam in rep en roer is, binnen het waare Athenen; dan rolt Diogenes zyn Ton mede in den as. Ja, Vaderlanders, ik volg uwen sleep in den rouw, en schrei langs het Lykcipres van de overleede waarheid en deugt, dezen volgende Treurtoon op een Bybelzen snaar.
NB. Een Beschryving der waare Vriendschap, zal dezen Boetgezant van zyn post aflossen.