Het eeuwige Paaschlam, Gode toegeweit
By de eerste onbloedige Offerhande van den Eerwaardigen Vader Jacobus Benedictus Janssens, In het wytberoemde Klooster van de EE. P.P. Predikheeren, binnen Antwerpen &c.
Gy Tegenvoeters, die op onderaardsche straalen,
Met Phaëton, niet kunt den fieren moet bepaalen,
Om dat gy by den nagt, den Zonnewaagen stald,
Die oorzaak is, dat droogte en vogt, in goutdraat bralt;
Spant dog de Paarden in, die Vorst Apol moet mennen,
Wanneer zyn liefde heigt Aurora naar te rennen,
Zo kniel ik voor 't Altaar, daar Janssens Dienst op doet
En kus myns Heillands mond, die steets het zuur verzoet.
Dat heeft een and'ren zwier, als Mozes Brand-altaaren,
Daar veege geesten om hun heete Riffen waaren,
Die in den gloed gezengt, ten voorbeeld zyn geweest
Van 't Kruishout, daar God zelfs zyn Israël geneest.