Op C.A. du Fresnois Beknopte Leer-regulen der Schilderkonst,
Uit het Latyn in Neêrduitsche Vaerzen gebragt, Door Heer de Rees, Priester van het Oratorie tot Megchelen &c.
Wie blaast een Swaane-veer naar 't Heillig zonnewout,
En drukt myn zilv're neb, door keurig Morgengout;
In bronnen van Natuur, omheint van lauwerieren,
Die God Apollo's Pruik met Esmeralden sieren?
Is 't Maro? is 't Homeer? of Venus min Poeët,
Die met de norsche lugt, op Pindus stranden street?
Neen, neen, een and're geur, een Parnas met twee toppen,
Een borst van Helikon, met dubb'le rozenknoppen,
Stort haar yvoore zog in myn verdorde borst,
Dus krygt men op zyn beurt ook Nectar voor den dorst:
Want Digt- en Schilderkunst, die op een aspunt draaijen,
En als de zon de rest doen om hen heenen zwaaijen;