Ter betuiginge van Onderdanigsten pligt, onderwerpt de Bestierder uwer adelyke Zoonen dit geringe verjaardigt,
Aan de goedkeuringe van zynen Meester, den Hoog-Welgebooren Heer, Mynheer Henderik,
Baron van Laar, Vryheer van den Ligtenberg, Lid der Ridderschap van Gelderland, Extraordinair Gedeputeerde ter Vergadering van haar Hoog Moogende, Admiraliteitsgenoot van het Noorderquartier, &c.
Wat Godheit knelt myn ziel aan Rotssen, die vermoeit
Van wrange kouw, geen sap van groene lauw'ren zweeten?
Heeft dan Natuur de kunst, of kunst Natuur vergeeten?
Of is myn hart alleen aan dofheit vast geboeit?
De loomheit, die myn ziel besneeuwt, met spat op spat
Van gryze Noorder lugt, doet al myn vogten stremmen,
Waar door myn brein, onthalst van pit, niet meêr kan zwemmen,
Gelyk by vroeger eeuw, in weelig Henkste-nat.
Wat heb ik vaak, in 't vroegste van myn Morgen-gout,
Niet meenig Digt geneurt, vol streelende gedagten?