De zwervende Naso, Aan den Pontischen Juvenaal, Of een Ongeveinst antwoord,
Op eenige steekelige Vaerzen, my toegebeeten, over het opstellen mynens Swaanenzang, ter Uitvaart van den Heer Jacobus de Man,
Door myn byzonderen goeden Vriend, de Heer Johannes Claudius de Kok; By uitnementheit kunstig Beeldhouwer, binnen Antwerpen.
Schoon ik, op Pontus kap, het ak'lig ys moet kuszen,
En als een Naso duik, langs oevers van de Nyt;
By 't ongepunt verstand, 't geen op myn Digtkunst byt;
Nog zal de dommekragt geen vuur, dat stroomt, ooit bluszen.