[p. 217]
origineel
Op heerooms kap
en
keuvel
, Of de
duivel
van Binnen, en de
Christus
van Buiten.
B
estond het Christendom in kleed, in plooi, en bef,
In zugt, in weinig doen, in teem, of veel gekef,
In kruijen van het kruis, en diergelyke streeken,
De Zon die blonk alreê, die na eerst door moet breeken.
Neen, neen, het moordschavot van Adams eersten lust.
In ons, door bloet bevlekt, alleen die misdaad zust.
Gods daad is altyt eens. Het lyden, en het waagen
Is 't werk, die niet begeert, en hoeft geen kruis te draagen,
Dog die voor sleper komt, en die een Christ' wil zyn,
En niets verdraagen kan, diens Christendom is klein.
O God! waar is die Leer? waar 't Leven? waar de Werken?
Uw Christus is om hoog, de Kerk is uit de Kerken.