terug  begin  verderprepost
[p. 81]

4 Uitgaansbeperking en uitgaansangst; over de verschuiving van bevelshuishouding naar onderhandelingshuishouding1

Erst mit den Spannungen zwischen den Menschen, mit den Widersprüchen im Aufbau des Menschengeflechts können sich die Spannungen und Widersprüche in den Menschen mildern’. - Norbert Elias.2

Mensen maken moeilijkheden met elkaar en met zichzelf. Dat is al lang zo en het zal ieders tijd wel uitduren. Dat zij die moeilijkheden maken, kunnen maken en niet niet kunnen maken, dat is een wezenskenmerk, gegeven met de constitutie van de menselijke soort.

Maar die moeilijkheden veranderen ook, met de veranderingen in de verhoudingen waarin mensen tot elkaar staan. Zulke moeilijkheden van mensen met elkaar en met zichzelf zijn voor velerlei uitleg vatbaar: binnen een gegeven samenleving kunnen sommige moeilijkheden gelden als onvermijdelijk en andere als te verhelpen, sommige als kleinigheden en andere als onverdraaglijk. Sommige worden opgevat als noodlot, als resultaat van erfelijke aanleg of van eigen schuld, als aanstellerij, of als bestraffing, loutering of teken van uitverkiezing.

1. Van moeilijkheden tot problemen

In deze eeuw gelden sommige van die moeilijkheden als ‘psychische Problemen’: ze worden verwoord en dus ook beleefd in termen die ontleend zijn aan een beroepskring in wording, die van de psychiaters, psychologen en Psychotherapeuten. Begrippen en houdingen die in die professionaliserende kringen ontwikkeld zijn, worden overgenomen door leken die aan de hand daarvan hun weerkerende moeilijkheden met zichzelf en anderen ordenen, begrijpen, beleven en verwoorden als ‘psychische problemen’, als problemen dus die te behandelen zijn, en wel door beroepsmensen, Psychotherapeuten bijvoorbeeld.

Zo een ontwikkeling, waarin leken de grondhoudingen en basisbegrippen uit een beroepskring gaan hanteren bij de indeling van

[p. 82]

moeilijkheden in hun dagelijks leven heb ik ‘proto-professionalisering’ genoemd in een dezer dagen verschenen tweedelige studie over de Sociologie van de Psychotherapie: De opkomst van het psychotherapeutisch bedrijf (met Chr. Brinkgreve en J. Onland) en Het spreekuur als opgave (met R. van Gelderen en V.W. Kense).3

Mensen maken moeilijkheden met elkaar en met zichzelf. Daar hebben zij geen hulpverleners voor nodig. Maar Psychotherapeuten leren hen daar psychische problemen van te maken, geschikt voor behandeling door die deskundigen.4

Daarover gaan die twee juist verschenen deeltjes. Maar hier wil ik verder gaan en de vraag bespreken: Wat is er veranderd in de samenleving, in de verhoudingen waarin mensen met elkaar - en tegen elkaar - samenleven, waardoor zich moeilijkheden zijn gaan voordoen die zich zo laten vertalen als psychische problemen?

Dat is een klassieke sociologische vraag: naar de samenhang tussen grote maatschappelijke verandering en de intieme omgangskring en belevingswereld van de mensen die met elkaar die grote ontwikkelingen meemaken.

Het is ook een vraag die door de klassieke auteurs in uiteenlopende richting beantwoord is.

In de conservatieve traditie, en bij de sociologen als Durkheim, ligt de nadruk op het wegvallen van bindingen waaraan mensen houvast kunnen hebben en op een daardoor toenemende desoriëntatie, ‘anomie’.5

‘Depuis un siècle, en effet, le progrès économique a principalement consisté à affranchir les relations industrielles de toute réglementation... Tant que le producteur ne pouvait écouler ses produits que dans le voisinage immédiat, la modicité du gain possible ne pouvait pas surexciter beaucoup l'ambition. Mais maintenant qu'il peut presque prétendre à avoir pour client le monde entier, comment, devant ces perspectives sans bornes, les passions accepteraient-elles encore qu'on les bornât comme autrefois?’

‘Voilà d'ou vient l'effervescence qui règne dans cette partie de la société, mais qui, de là, s'est étendue au reste.’

‘C'est que l'état de crise et d'anomie y est constant et, pour ainsi dire, normal... On a soif des choses nouvelles, de jouissances ignorées, de sensations innommées, mais qui perdent toute leur saveur dès qu'elles sont connues.’

[p. 83]

Met de economische vooruitgang zijn de industriële verhoudingen van alle regeling bevrijd, de afzetmogelijkheden hebben zich over de hele wereld uitgebreid en zo is de winzucht en daarmee de hartstocht teugelloos geraakt, de crisis, de anomie is de gewone toestand geworden.

In de radicale en romantische traditie ligt het accent juist op de toenemende beperking die in de samenleving de mensen krijgen opgelegd. Bij Marx al is het verval van traditionele, feodale, banden tussen mensen scherp geformuleerd:5a ‘Die Bourgeoisie, wo sie zu Herrschaft gekommen ist, hat alle feudalen, patriarchalischen, idyllischen Verhältnisse zerstört. Sie hat die buntscheckigen Feudalbande, die den Menschen an seinen natürlichen Vorgesetzen knüpften, unbarmherzig zerrissen und kein anderes Band zwischen Mensch und Mensch übergelassen als das nackte Interesse, als die gefühllose “bare Zahlung”.’

Maar in die vernietiging vormt zich een nieuwe orde, een onderdrukking waarvan bij Durkheim in dit verband geen sprake is.

‘Die moderne Industrie hat die kleine Werkstube des patriarchalischen Meisters in die grosse Fabrik des industriellen Kapitalisten verwandelt. Arbeitermassen, in der Fabrik zusammengedrängt, werden soldatisch organisiert.’

Deze dubbelbeweging, zowel van maatschappelijke organisatie en rationalisatie als van inperking en onderdrukking van de strevingen van afzonderlijke mensen, vormt een leitmotiv in het oeuvre van Max Weber, door Giddens aldus verwoord:6 ‘But the very rationalisation of social life which has made this possible has consequences which contravene some of the most distinctive values of western civilisation, such as those which emphasise the importance of individual creativity and autonomy of action. The rationalisation of modern life, especially as manifest in organisational form in bureaucracy, brings into being the “cage” within which men are increasingly confined.’

In deze traditie laat zich ook Freud's cultuurkritiek het beste situeren:7 ‘endlich, und das scheint das Wichtigste, ist es unmöglich zu übersehen, in welchem Ausmass die Kultur auf Triebverzicht aufgebaut ist, wie sehr sie gerade die Nichtbefriedigung (Unterdrückung, Verdrängung oder sonst etwas?) von mächtigen Trieben zu Voraussetzung hat.’

De cultuur is bij uitstek gebouwd op het opgeven, onderdrukken

[p. 84]

en onbevredigd laten van driften. En hier ook vindt Norbert Elias de aanknopingspunten voor zijn theorie van de civilisatie als een ontwikkeling van staatsvorming en geweldbeheersing tussen mensen en van gewetensvorming en affectregeling door die mensen.8 Mijn betoog is te lezen als een bijdrage aan de discussie die rond dat werk ontstaan is en waarvan hieronder nog sprake zal zijn.

Een derde traditie is te onderscheiden, minder uitgewerkt in gedocumenteerde beschouwingen dan de vorige, maar minstens zo invloedrijk in de politieke discussie en alledaagse meningsvorming; een in oorsprong liberale gedachtenlijn. In die zienswijze heeft de opkomst van de industriële, ondernemingsgewijze produktie de mensen bevrijd van zorg om het dagelijks brood en de opbouw van een democratische rechtsstaat ze verlost van de angst voor geweld en willekeur. De moeilijkheden die zich nu toch tussen mensen voordoen zijn pas mogelijk, althans zichtbaar geworden, nu die besognes het doen en denken van mensen niet langer geheel beheersen. Ongeveer zoals degeneratieve ziekten als hartkwalen en kanker zich pas manifesteren als mensen niet tevoren al bezwijken aan epidemische besmettingen.9 Menselijke onvrede, gezinsmoeilijkheden en onbehagen in het werk zijn in die visie restverschijnselen, die weliswaar niet worden weggenomen door toegenomen bestaans- en rechtszekerheid, maar evenmin door de recente maatschappelijke ontwikkeling zijn ontstaan of versterkt. Deze opvatting is impliciet in slogans die bij gegeven ‘welvaart’ nu het ‘welzijn’ van mensen aan de orde stellen, of die de ‘kwaliteit van het bestaan’ ter sprake brengen nu de kwantiteit van verbruik en bezit voldoende schijnt.

‘Materiële welvaart is voorwaarde voor welzijn, een mogelijkheid, een noodzakelijk begin, maar niet meer. . . . De mensen blijken niet gelukkig ondanks welvaart. Zoals het streven naar vrijheid, als het meest urgente en nog altijd meest fundamentele, het sociale ongeluk bedekte, zo bedekte het streven naar sociale en materiële gelijkheid het tekort aan welzijn, het menselijk ongeluk. Zoals er sociale nood bleef bestaan ondanks vrijheid en gelijkheid, zo blijkt er welzijnsnood te blijven bestaan ondanks welvaart.’

Het is de verdienste van Weijel,10 aan wie deze passage ontleend is, dat hij deze diffuse ideeën knap geformuleerd heeft en daardoor vatbaar heeft gemaakt voor kritiek. Ook zijn gevolgtrekking uit de voorgaande constatering is vermeldenswaard, omdat die in zijn bon-

[p. 85]

digheid goed weergeeft waartegen zoveel actuele polemiek over de verzorgingsmaatschappij zich richt: ‘Welzijnsnood dient wetenschappelijk benaderd te worden, zoals ziekte en armoede wetenschappelijk doeltreffend bestreden zijn. Wij dienen welzijnstechnieken te ontwikkelen, waarbij wij kunnen voortbouwen op wat bij de mens- en gedragswetenschap nu al bekend is doch niet wordt toegepast, althans niet voor de grote massa.’11

Van kritiek hierop zal hier aan het slot nog sprake zijn.

Liever dan zo dadelijk, al te dadelijk, een beoordeling van maatschappelijke ontwikkelingen te koppelen aan de beschrijving ervan, wil ik een uitvoerig voorbeeld bespreken, een suggestief bedoeld exempel, de negentiende-eeuwse uitgaansbeperkingen voor vrouwen uit burgerlijke kring en de daaropvolgende verschijning van de agorafobie.

2. Uitgaansbeperkingen in de negentiende eeuw

De verschuiving die uit deze illustratie blijken zal, wil ik bespreken als exemplarisch voor veranderingen in het samenleven die zich in de afgelopen honderd jaar voltrokken hebben en die vooral blijken in de wijzigingen in omgangs- en uitingsvormen tussen mensen.

Met het op gang komen van de industrialisering maakten vele Europese steden een snel groeiproces door:12 werkloze dagloners, vaak van huis verdreven door gebrek aan werk en levensonderhoud, trokken naar de stad, zoals dat nu nog gebeurt in Azië, Latijns-Amerika en Afrika. Deze toeloop schiep voor de kleine burgerij, ook klein in aantal, nieuwe kansen en moeilijkheden: er kwamen nieuwe mogelijkheden van afzet en emplooi voor ambachtslieden en winkeliers, kantoorklerken en beambten. Maar het bleek ook moeilijk om de eigen middenstand op te houden, om de fysieke en sociale afstand te bewaren tot het nieuw aangekomen landvolk. Lyn H. Lofland schrijft:13 ‘Lacking the means to insulate themselves from the “common people”, the petit bourgeois were subject to continual harassment whenever they ventured outside their homes.’

De aristocraten en patriciërs konden beschikken over lijfwachten en knechts, verplaatsten zich te paard of per rijtuig en konden zo het ruw gedrang op straat en plein mijden, maar de kleine luyden waren voor hun zaken aangewezen op het druk gedoe op markten en in win-

[p. 86]

kels. Het was soms ondoenlijk voor een kleine burgerman om zich de bedelaars, baantjesjagers en straatschenners van het lijf te houden. En vooral vrouwen uit de kleine bourgeoisie hadden het van de nieuwe havelozen te verduren. De Romeins, (Jan en Annie), vermelden hoe in de eerste helft van de negentiende eeuw de burgervrouwen allengs uit het straatbeeld verdwenen:14 ‘nooit is de vrouw huiselijker geweest en nooit meer vereerd’.

Het ging van meet af aan om het handhaven van fysieke én sociale afstand, om lijfelijke bescherming én maatschappelijke eerbiedwaardigheid. Lofland zegt van deze ‘petit bourgeois’:15 ‘Not only could they not afford a phalanx of servants to protect them in their necessary travels about the city; they were doubly hampered by having no traditional or legal supports for the deference they undoubtedly felt they deserved.’

Burgervrouwen kregen allerlei uitgaansbeperkingen opgelegd en hidden zich daar ook aan om aanraking met de lage volksklassen te vermijden, maar ook terwille van haar eerbaarheid en dat wil weer zeggen, ter accentuering van het standsverschil tussen haar goede familie en het ruwe werkvolk.16

Over die uitgaansbeperkingen, die toch het leven van de burgervrouwen en joffers van de vorige eeuw zo ingrijpend hebben ingesnoerd, is weinig bekend. Ze waren te vanzelfsprekend of te onbelangrijk voor de tijdgenoten om uitvoerige bespreking of discussie uit te lokken.17 Die regels zijn vooral voor het nageslacht bewaard door de memoires van en de romans over vrouwen die ertegen rebelleerden, zoals Aletta Jacobs:18 ‘Geen vrouw van onverdachte reputatie had in dat tijdsbestek zich in de Kalverstraat durven begeven. Zij wist immers van tevoren dat zij zich bloot stelde aan onhebbelijkheden, dat haar gedrag gecritiseerd zou worden, zoo goed aan de bittertafel der heeren als op de naaikransjes van hare seksegenooten. Moet ik nog zeggen, dat ik mij van den aanvang af aan dezen usance niet heb gestoord? Dat ik mij het recht voorbehield op elk uur van den dag en zoo noodig op elk uur van den nacht, door de Kalverstraat te loopen.’

Van de striktheid en de spreiding van deze beperkingen is weinig te achterhalen. Het moet van plaats tot plaats verschild hebben, naar leeftijd, stand en gehuwde staat en ook gedurig in verandering geweest zijn.

[p. 87]

De etiquette-boeken - een genre dat rond het midden van de negentiende eeuw weer in opkomst was - geven enig idee, (L. Stratenus):19 ‘Een ander struikelblok is de vraag of uwe dochters alleen op straat mogen komen. Er zijn steden, zooals Brussel, waar men daaromtrent zoo streng is, dat eene vrouw onder de dertig jaar zelfs geen twaalftal huizen verder dan hare eigene woning onvergezeld een bezoek mag afleggen.’

En:20 ‘men zal mij al zeer streng vinden, vrees ik, doch ik zou, zelfs buiten, mijne dochters niet alleen laten wandelen, tenzij in de onmiddellijke nabijheid van het huis en dan nog alleen in een afgesloten tuin.’

Engelberts schrijft ongeveer terzelfdertijd, in 1895:21 ‘Aan den arm des vaders, mag zich het jonge meisje overal vertoonen, maar niet alleen.’

In hoeverre de voorschriften in deze etiquette-boeken ook in die tijd geldende opvattingen weergeven is moeilijk vast te stellen. Het is aannemelijk dat ze bij verschijning al enigszins achterhaald zijn, strikter en behoudender dan wat in groot-burgerlijke, stedelijke kringen als richtlijn geldt. Ze lijken immers vooral bedoeld voor mensen die met deze omgangsvormen niet van jongsafaan zijn opgevoed en die zich daar nu toch aan willen houden om zo alle aanstoot te vermijden en hun maatschappelijke positie te beteren.

Het is deze wat behoudende en beduchte toon, en de implicatie dat omgangsvormen niet vanzelf nageleefd worden, maar moeizaam moeten worden opgezocht en aangeleerd, die ook nu nog etiquetteboeken iets lachwekkends geeft, als zou de serieuze lezer zich fijner willen voordoen dan hij van afkomst is.

Duidelijk is ook dat tegen het eind van de negentiende eeuw deze uitgaansbeperkingen al controversieel zijn en van plaats tot plaats uiteenlopen. Stratenus meent al dat men haar ‘streng’ zal vinden en suggereert dat de normen in Nederland ruimer zijn dan in Brussel. Het is, alweer, aannemelijk, dat in de periode dat deze normen het meest verbreid waren en het meest strikt, ze in geschrifte het minst aan de orde kwamen en dat die regels later, tegen het einde van de negentiende eeuw, toen minder duidelijk was waar vrouwen zich aan te houden hadden, ook vaker en uitvoeriger besproken werden.

Uit deze schaarse aanwijzingen en uit secundaire brennen22 laat zich reconstrueren dat burgervrouwen in Nederlandse steden in de

[p. 88]

loop van de negentiende eeuw, en waarschijnlijk tot omstreeks 1875 in toenemende mate, aan uitgaansbeperkingen onderhevig waren, die voor jonge vrouwen strikter waren dan voor oudere, voor ongehuwde strenger dan voor gehuwde.

Vooral plaatsen van vertier en de nabijheid van ruw volk moesten vermeden worden. In gezelschap van een oudere dame, een vader, broer of echtgenoot konden vrouwen zich vrijer bewegen.

De stedelijke straat, het stadsplein was in die periode een bedreigde ruimte geworden, van ruwheid, van geweldsdreiging en ook van erotische verleiding. Een fatsoenlijke vrouw had daar niets te maken. In de nieuwe produktieverhoudingen werden ambacht en nering mannenwerk en vond de vrouw haar taak binnen het gezin.23 Vrouwen die zich op straat vertoonden waren ‘dus’ vrouwen die uit werken moesten, vrouwen wier man alléén niet in het gezinsonderhoud kon voorzien. Zij waren ‘dus’ geen fatsoenlijke vrouwen. Was dat eenmaal een uitgemaakte zaak, dan betekende het ook dat mannen zich op straat vrijpostigheden konden permitteren jegens vrouwen die daar wel verschenen, en dat een dame zich daarom al niet op straat vertonen kon zonder geleide: een zichzelf-vervullende voorspelling bij uitstek.

Daarvan getuigen de passages in de documenten uit iets later jaren waarin verteld wordt hoe een vrouw haar beklag doet bij een politieagent over de vrijpostigheden van een mannelijke voorbijganger en dan van de agent te horen krijgt dat ze daar op straat helemaal niets te maken heeft en zo een benadering dan ook verwachten kan.24

De uitgaansbeperkingen voor burgerdochters en voor burgervrouwen dienden dus ter markering van een standsverschil en kregen de betekenis van bescherming van de eerbaarheid van die vrouwen èn van haar gezinnen, moesten de economische en erotische gebondenheid van die burgervrouw aan haar man demonstreren.

In 1918 nog schrijft De Viroflay daarover:25 ‘...en de gehuwde vrouw mag nooit vergeten, dat zij den naam van haar echtgenoot zoo goed als haar eigen op het spel zet, wanneer zij toegeeft aan onbezonnen caprices, waarin in den grond niets kwaads steekt, maar die “men” nu eenmaal veroordeelt’.

Een vrouw die zich onbegeleid in het openbaar vertoonde wekte daarmee twijfel aan de kredietwaardigheid én aan het seksuele monopolie van haar echtgenoot, aan zijn vermogen en aan zijn vermogens;

[p. 89]

zij ondergroef het gezamenlijke echtelijke prestige. Man en vrouw waren samen gebonden in deze strijd tegen de buitenwereld om het ophouden van een precaire stand, ook al voerden zij onderling strijd om grotere bewegingsvrijheid en -beperking.

De economische aspecten van dit stand-ophouden door heel het huisgezin blijken onmiskenbaar, bijvoorbeeld bij Stratenus die het jonge meisje waarschuwt dat zij, als ze uitgaat:26 ‘niet een dier noodlottige genegenheden zal opvatten voor iemand, die nooit genoeg bezitten zal, om haar ook maar een nederig bestaan aan te bieden... Na verloop van één enkel jaar is de ellende hare woning binnen geslopen en heeft de armoede de Liefde gedood. Het jonge vrouwtje, dat zich van ochtend tot avond uit moet sloven in het verrichten van huiswerk, dat kindermeid moet worden, zal spoedig alle illusies verliezen...’

Deze bezorgdheid om de openbare orde en de openbare veiligheid en om het bewaren van de fysieke en sociale afstand tot de lagere volksklassen, was aanleiding tot bewegingsbeperkingen voor vrouwen, maar inspireerde in burgerkringen ook allerlei hervormingsbewegingen die de overlast van de mindere standen moesten beperken. Zo ontstonden genootschappen ter verheffing van de werkende standen, ter bestrijding van prostitutie, het ongehuwde moederschap, de straatschennerij en bedelarij, de drankzucht en al die andere ondeugden waarvan de burgerij hinder ondervindt en waarvan ze zich met moraal-prediking en overheidsinterventie tracht te ontdoen. De actuele ontsteltenis over de misdaad en verslaving onder recente immigranten kan ook begrepen worden als een episode in deze strijd van gevestigde en ingeburgerde stadsbewoners tegen de laatste lichting van pas aangekomen buitenstaanders.

Van belang is dat economische ontwikkelingen als industrialisatie en demografische gevolgen als de trek naar de stad gepaard gingen met een politieke strijd om de openbare orde én met een sociale pressie onder gevestigde burgers om zich de opdringende buitenstaanders van het lijf te houden - een standsverschil te markeren - èn met een gezinsstrijd om de bewegingsvrijheid van de vrouw èn met allerlei persoonlijke fantasieën over de straat als vrijplaats, als de plaats waar mensen elkaar geweld kunnen aandoen en seksuele toenadering kunnen zoeken: beangstigend en heimelijk verleidelijk.

In het laatste kwart van de vorige eeuw begon een kentering.

[p. 90]

Straatverlichting en ordehandhaving, vermindering van het pauperisme en ruimere werkgelegenheid maakten de straten veiliger; vrouwen zochten werk buitenshuis, vooral in de ziekenverzorging en in de sociale hulpverlening die eerst mogelijk werden doordat goed opgeleide burgerdochters er hun talenten inbrachten.27

Dat eigen inkomen en dat eigen beroepsprestige maakten die werkende vrouwen ook minder afhankelijk van haar echtgenoten en daarmee verschoof ook de balans in de strijd tussen echtelieden. Het laat zich aanzien dat na 1890 de uitgaansbeperkingen voor vrouwen in hoog tempo verdwenen.

Al in 1897 schrijft Bruck-Auffenberg:28 ‘De jeugdige weduwe mag gerust overal alleen verschijnen of vergezeld van een harer vrienden, zonder steeds hare gezelschapsjuffrouw mede te moeten nemen.’

En ook elders in deze tekst ligt de nadruk op wat vrouwen nu wel is toegestaan. In de zesde, herziene, druk van 1909 schrijft Van de Mandele:29 ‘Het jonge meisje van heden heeft bijna evenveel vrijheid als een getrouwde vrouw.’ En jonkvrouwe Rappard legt in de vierde druk van haar manierenboek in 1920 een direct verband met de toegenomen openbare veiligheid:30 Tegenwoordig zijn in de steden in ons land de persoonlijke vrijheid en veiligheid vrijwel gewaarborgd... de bescherming tegen persoonlijke aanvallen vormt niet meer het hoofddoel der stedelijke politiedienaren.

Er is sprake van een overgangsfase waarin vrouwen zich groter bewegingsvrijheid toeëigenen, maar gesegregeerd: in damescoupés in treinen, in afgezonderde damescafés;31 vrouwen kunnen zich dan vrijwel overal alleen op straat vertonen, maar dienen op sommige tijden bepaalde straten te mijden, waar dan de burgerheren en prostituées elkaar ontmoeten.32 Ook nu nog bestaan er straten en pleinen waarvoor vrouwen gewaarschuwd worden, maar het accent ligt dan toch meer op de fysieke veiligheid dan op het fatsoen.33

Juist in de jaren dat in de Europese steden de uitgaansbeperkingen wegvallen, verschijnen in de psychiatrische literatuur de eerste gevalsbeschrijvingen van wat eerst ‘Platzschwindel’34 heet en dan ‘agorafobie’.

Wat eerst verboden was - en dus ook niet als een individuele en daarmee problematische angst herkend kon worden - blijkt nu het eenmaal is toegestaan bij sommigen toch ondoenlijk uit een onberedeneerde angst: een vage vrees die verwoording vindt in psychiatri-

[p. 91]

sche termen en die door psychiaters als probleem behandeld wordt.

3. Uitgaansangst in de twintigste eeuw

C. Westphal bedacht in 1872 de term ‘agorafobie’ en publiceerde de eerste samenhangende gevalsbeschrijvingen. (Hoewel Weiss melding maakt van overeenkomstige observaties door Leuret uit 1834.)35

Maar de gevallen waarvan Westphal verslag doet, betroffen - helaas voor de redenering - alle vier mannen!

Deze patiënten reproduceerden uit een voor hen onbegrijpelijke angst nauwkeurig de maatschappelijke taboe's die aan burgervrouwen waren opgelegd. Vrouwelijke patiënten volgden weldra en vormen nu de overgrote meerderheid van de huidige agorafobici.

De patiënten klaagden over een onvermogen om hun huis te verlaten, een stille of een donkere straat over te steken, een drukke concertzaal binnen te gaan - en alles vanwege een hevige, maar onbegrijpelijke angst, een ‘Angst vor der Angst’, zoals Westphal het knap formuleert; een angst die hen overweldigde, ook al bleven ze hem tegelijkertijd ongegrond vinden; het was dus geen waan. Maar in vertrouwd gezelschap bleven deze symptomen achterwege.

Wat nog maar kort geleden een teken van prijzenswaardige ingetogenheid geweest was, en wat dat elders nog steeds was, verloor geleidelijk aan steun en instemming van andere mensen, werd steeds meer opgevat als een individuele vreesachtigheid, een idiosyncratisch - persoonlijk en eigenaardig - onvermogen om net als alle andere mensen zich overal te kunnen bewegen.

De psychiaters die hierover publiceren beschrijven hun naspeuringen naar aandoeningen van de zintuigen, het zenuwstelsel of de hersenen. ‘Epileptoïde’ afwijkingen, zegt Westphal, maar hij concludeert toch tot ‘een geïsoleerde manifestatie - onder bepaalde uiterlijke omstandigheden - van een psychisch symptoom van een algemene neurose van onbekende aard’ (vert. AdS).36

Dr. Barthélémy Brun beschrijft in zijn verhandeling over ‘De agorafobie in verband met oorkwetsuren’ (‘lésions auriculaires’) uit 1894 een mademoiselle D., 37 jaar oud, te Madrid:37 ‘Na een onaangename ervaring (“impression désagréable”) tijdens een wandeling, trad een plotselinge opleving van haar nerveuze symptomen en oorklachten in.’

[p. 92]

En hij vervolgt met scherpe opmerkingszin: ‘Enige dagen later, op het moment dat zij de straat op wilde gaan en nog vóór de herinnering aan wat haar overkomen was haar te binnen schoot, voelde zij zich opeens onwel worden en iedere keer dat zij in Madrid de straat opkwam ondervond zij dezelfde symptomen... Deze “malaise” deed zich steeds op straat voor en ging gepaard met angstgevoel, hartkloppingen en angst voor de bewegingen van de menigte... de oorzaak van deze verscheidene verschijnselen bleek een anatomische kwetsuur van het oor.’

‘Na zes of acht zittingen kwam de patiënt, die in het begin gebracht en gehaald wenste te worden, alleen en zij verheugde zich voortaan in een vaste gang en een helder hoofd en in het uitblijven van zelfs maar de geringste angst’ (vert. AdS).

Kennelijk was het voor ongetrouwde dames in Madrid toen gebruikelijk om op bezoek - bijvoorbeeld op doktersbezoek - te gaan zonder geleide. Wat docteur Brun nog meer deed tijdens deze zittingen, behalve het inmasseren van ‘lotions emollientes’, is niet meer te achterhalen. Maar de oorheelkundige liet toch een spoor achter voor een psychologische interpretatie van de ‘malaise’: de ‘impression désagréable’ tijdens de wandeling die blijkbaar verder beter onbesproken kon blijven en die de plotselinge terugkeer van de verschijnselen teweeg gebracht had.

De beschrijving die Westphal gegeven heeft van de symptomatologie van de agorafobie is in grote lijnen onveranderd gehandhaafd tot in de huidige standaardwerken.

Het Handbuch der Psychologie meldt in 1977 dat bij 60 procent van alle fobici het klinische beeld wordt beheerst door: angst om uit huis te gaan, angst om op straat te komen, om winkels binnen te gaan, of om op drukke pleinen of plaatsen te komen.38

Uit recente onderzoeksresultaten blijkt dat vrouwen 60 tot 75 procent van deze agorafobici uitmaken.39

Deskundigen nemen aan dat het aantal gevallen van agorafobie toeneemt, maar bewijzen daarvan zijn moeilijk te leveren, omdat de cijfers beïnvloed worden door het feit dat er nu ook meer hulpverleners beschikbaar zijn: mensen gaan hun onbestemde angsten herkennen en ordenen naar het patroon van de agorafobie, zoals dat in beroepskringen omschreven wordt, en zij presenteren zich ook met dat klachtenbeeld, zoals A. Tuinier recentelijk nog eens heeft uiteen-

[p. 93]

gezet.40 Een voorbeeld van hetgeen hier eerder omschreven is als ‘proto-professionalisering.’

De ontwikkelingen in de begripsvorming rond de agorafobie zijn rechtstreeks relevant voor de kernkwesties in dit betoog, omdat ze telkens in de individuele symptomatiek een aspect naar voren halen dat in verband te brengen is met de negentiende-eeuwse maatschappelijke verboden en preoccupaties.

De psychoanalytische interpretatie is een uitwerking van Freuds sleutelzin uit 1925: Agorafobie ‘scheint Versuchungsangst zu sein’.41 Of, nader omschreven: een angst voor de bestraffing en verminking die zou kunnen volgen op het toegeven aan lustvolle verlangens met onbekenden.42 In dit eerste thema in de verklaring van de agorafobie weerklinkt de collectieve preoccupatie in negentiende-eeuwse burgerkringen met de straat als het toneel van bedreigende en verleidelijke ontmoetingen, preoccupatie die geleidelijk werd opgegeven, maar die bewaard bleef bij enkelingen als een geprivatiseerde en vaak verdrongen fantasie.

Maar ook het tweede negentiende-eeuwse thema duikt weer op: de afhankelijkheid van de vrouw van haar man als een vaderlijke beschermheer; Freud schrijft, ook in 1925: De agorafobielijder kan op straat komen, als hij maar - als een klein kind - vergezeld wordt door iemand die hem vertrouwd is.43

Het negentiende-eeuwse kindvrouwtje is verdwenen, maar de agorafobica weet toch anderen te dwingen om haar - als een kind - te beschermen en kan op die manier haar afhankelijkheid opdringen aan anderen die zich zo gedwongen zien om het familie-drama uit te spelen onder haar regie.

Zo kan de chaperon een ‘protected protector’ blijken - in de typering van Helen Deutsch uit 1929:44 de beschermer wordt beschermd en staat onder toezicht als hij de agorafobica begeleidt waar zij ook gaat: en hijzelf blijkt soms niet te kunnen zonder de geruststelling van steeds te weten waar zij is.

In de psychoanalytische interpretatie gaat het vooral om de afhankelijkheidsstrijd in het vroege, ouderlijke gezin: de agorafobie is een vermomde herhaling van deze vroege conflicten in de intieme verhoudingen. [Zulke vastgehouden problemen met intieme anderen heten dan ‘psychisch’, terwijl problemen in actuele en minder intieme verhoudingen vaak ‘sociaal’ genoemd worden.]45

[p. 94]

Andere, hedendaagse auteurs leggen de nadruk op de actuele gezinsrelaties en interpreteren de agorafobie als een collusie - een geloochend samenspel - tussen echtgenoten om te voorkomen dat het huwelijk instort onder de onverdraaglijke angsten voor ontrouw en verlating: als nu maar een van de partijen een agorafobie op zich neemt, kunnen de angsten van de wederhelft gesust en verborgen blijven.

Al in 1872 maakt Westphal46 gewag van een man die in paniek raakte als zijn vrouw het huis uit ging en die later een overweldigende angst ontwikkelde om zelf alleen de straat op te gaan. Bij Barendregt en Bleeker is een levendige beschrijving te vinden van het huwelijksconflict dat zich verborgen achter de agorafobische verhouding afspeelt: wanneer eenmaal de angsten van de vrouw door behandeling zijn opgelost en de vrouw werk wil gaan zoeken begint de man daar bezwaar tegen te maken en dan komen haar klachten terug. De echtgenoot ‘was nog steeds jaloers. Het belang van de man was en bleef, dat A. maar zoveel mogelijk thuisblijft; dat A. als een in een purdah levende hindoestaanse vrouw zich slechts onder begeleiding (en liefst de zijne) in de wellustige wereld begeeft’.47

En Fry signaleert dat de echtgenoot eerst de agorafobica aanmoedigt en er dan als terloops aan toevoegt dat ze vooral niet te ver moet gaan in haar eentje. Of, hij volgt zijn vrouw overal wanneer ze zich eenmaal wat vrijer durft te bewegen: ‘the symptoms function to keep the couple united.’48

Uit deze waarnemingen valt helemaal niet te concluderen dat de agorafobici van vandaag deze angsten hebben overgeërfd van hun betovergrootmoeders die toen niet gaan mochten waar zij nu niet heen durven. Maar wel kan gezegd zijn dat de negentiende-eeuwse samenleving omstandigheden opleverde waaronder burgergezinnen - uit zorg om de veiligheid en om het aanzien van hun vrouwvolk - die vrouwen allerlei uitgaansbeperkingen oplegden; en deze preoccupaties raakten weldra vermengd met een zorg om haar eerbiedwaardigheid, kuisheid en afhankelijkheid, en zo groeiden ze uit tot collectieve fantasieën over de openbare orde, over seksualiteit en geweld op straat en over het gezin als een ‘veilige haven in een harteloze wereld’, zoals Christopher Lasch het aanduidt.49

Deze fantasieën verdwenen als algemeen gespreksonderwerp, maar bleven toch beschikbaar als thema's die binnen de intieme echtelijke

[p. 95]

relatie konden worden omgewerkt tot een specifieke agorafobische verhouding. Ongeveer zoals volksverhalen in vergetelheid kunnen raken en dan soms in een individuele bewerking weerkeren als een roman of gedicht.50

Nu de negentiende-eeuwse uitgaansbeperkingen voor burgervrouwen goeddeels verdwenen zijn, en nu haar afhankelijkheid van haar echtgenoot minder eenzijdig is geworden, worden diezelfde beperkingen in de agorafobische verhouding gereproduceerd met ontkenning van ieder motief, behalve een onverklaarbare angst.

4. Van bevelshuishouding naar onderhandelingshuishouding

Ik kom nu terug op het grondthema van deze beschouwing, de vraag: wat is er veranderd in de verhoudingen tussen mensen, zodat de moeilijkheden die zij met elkaar hebben zich laten beleven en verwoorden als psychische problemen? In het voorbeeld van negentien-de-eeuwse uitgaansbeperkingen en agorafobie is er duidelijk sprake van een verruiming en zelfs van een wegvallen van gedragsbeperkingen. Maar er is in die periode meer aan de hand.

Het is een wijd verbreide opvatting dat in de laatste honderd jaar op vele, of zelfs op alle gebieden sprake is van een verruiming van omgangsvormen en gevoelsuitingen.

Dat is een problematische constatering; allereerst omdat de klassieke denkers van die periode, Marx, Weber, Freud en in hun voetspoor Norbert Elias, zoveel nadruk gelegd hebben op het steeds beperkender en onderdrukkender karakter van sociale normen en daaruit ook de moeilijkheden verklaard hebben die mensen ondervonden, hun vervreemding, hun neurose.

Daarmee ontstaat het theoretische probleem om het moderne ongeluk te begrijpen in een samenleving waarin omgangsvormen en gevoelsuitingen toch losser lijken te worden.

De kritische theoretici, als Adorno en Marcuse, en hun Amerikaanse opvolgers, zoals Sennett en Lasch, hebben daar een oplossing op gevonden: weliswaar lijken de emotionele en relationele verhoudingen losser geworden, maar dat is enkel schijn; mensen zijn zich jegens elkander op zo een manier gaan uiten dat ze zich des te beter laten inpassen en manipuleren door de moderne commerciële media en de eigentijdse verzorgingsbureaucratieën. Er is in feite slechts spra-

[p. 96]

ke van een schijnvrijheid. En hier gebruiken alle genoemde auteurs psychoanalytische termen: die verruiming is in feite slechts een uiting van ‘repressieve desublimatie’ (Marcuse), van ‘regressie’ (Calogeras) of van ‘narcisme’ (Sennett, Lasch).51

Maar zulke kwalificaties zijn al problematisch in de spreekkamer van de analyticus, in de maatschappelijke discussie ontaarden ze al gauw in een algehele en moraliserende diskwalificatie van alle verruiming in omgang en gevoelsuiting. Daarover straks meer.

In een belangrijke discussie naar aanleiding van de civilisatietheorie van Norbert Elias heeft Cas Wouters de vraag gesteld: is het civilisatieproces van richting veranderd?52 Laten de mensen zich nu meer gaan dan in vroeger tijden? Wouters' antwoord luidt aan de hand van Elias: mensen kunnen zich weliswaar soms meer laten gaan, maar ze doen dat toch op een beheerste manier, ze beheersen hun ontspanning, dat wil zeggen beheersen en ontspannen zich gelijkmatiger, met groter vanzelfsprekendheid en met meer consideratie van de gevolgen voor anderen en voor de eigen toekomst. Er is dus geen sprake van een terugval - al of niet vervat in psychoanalytisch jargon - maar van beheersing op een ander, een hoger niveau, van ‘zelfsturing’, of van ‘controlled decontrolling of emotional controls’.53 Deze redenering biedt een goed aanknopingspunt, maar gaat voorbij aan de vraag op welke terreinen mensen zich - beheerst of niet, regressief of niet - meer laten gaan.

Wanneer er sprake is van een verruiming van omgangsvormen betreft het in de meeste gevallen de seksualiteit: anticonceptie, abortus, concubinaat, promiscuïteit, echtscheiding, homoseksualiteit, pornografie, masturbatie... Het is alles in sommige kringen aanvaardbaar geworden, bespreekbaar in ruime kring en voor de meesten althans denkbaar.

Maar dat wil niet zeggen dat deze verruiming van omgangsvormen zich ook uitstrekt tot andere levenssferen. Integendeel.

Hoewel de meeste mensen menen dat overal ter wereld het geweld hand over hand toeneemt, nemen de geregistreerde geweldsdelicten in Nederland sinds het begin van de eeuw steeds verder af.54 Allerlei handtastelijkheid wordt juist minder aanvaardbaar; te denken valt aan ontgroeningspraktijken, kroeggevechten en andere mannelijke geweldsrituelen. De toegenomen tolerantie voor seksuele variaties heeft zich al helemaal niet uitgebreid tot verkrachting en flagellantis-

[p. 97]

me.55 Kennelijk wordt mensen een steeds strikter geweldsbeheersing opgelegd. Mensen, ook jonge, sterke, opvliegende mensen worden geprest om zich in te houden, hun handen thuis te houden. Hoewel in romans, op de televisie en in de bioscoop veelvuldig gevochten en gepijnigd wordt, gaan die taferelen vergezeld van een afkeurende strekking en van de bestraffing van al wie zich overgeeft aan lustvol geweld. (Deze gelijktijdige opwekking van lust en van de loochening ervan, deze hypocrisie dus, was tot voor kort kenmerk van seksuele pornografie en toont iets van de moeite die mensen hebben om onder de morele pressie van anderen en van eigen geweten af te zien van genoegens; de verstrengeling van schande en lust wordt tenslotte karakteristiek voor het genoegen zelf.56)

Niet alleen hun aanvalslust trachten mensen in te tomen, ook andere aanvechtingen proberen zij te bedwingen. Al die neigingen om zich boven anderen te stellen worden nu sterker ingehouden: het honen van gebrekkige, lelijke of arme mensen, de kennelijke minachting voor minderen of minderheden, het zelfingenomen vertoon van grotere kennis of rijkdom, hogere afkomst of rang, de zucht om anderen te overtreffen. Ambitie, wedijver, eerzucht tellen steeds meer als ondeugden. Niet dat mensen niet langer zouden proberen zich boven anderen te verheffen, maar het wordt hun meer kwalijk genomen en ze proberen het ook beter te verbergen voor anderen en zelfs voor zichzelf. Mensen proberen nu vaker te doen alsof ze die verheffing zelf niet hebben nagestreefd, maar alsof die hun zomaar ten deel gevallen is. David Riesman heeft er al op gewezen hoe achter een samenwerkings-ethos onderlinge wedijver schuil kan gaan met als resultaat een ‘antagonistic cooperation’.57

Zelfs het besef dat zulke maatschappelijke verschillen in eigen en andermans gedachten een rol spelen wordt geloochend: mensen doen zich jegens donkerhuidigen voor als ‘kleurenblind’, veinzen aan geen standsverschil te denken, ontkennen statusverschillen tussen hulpverlener en cliënt maar zeggen ‘samen naar een oplossing te zoeken’, zijn niet langer leider maar ‘begeleider van een team’ en trachten op allerlei manieren een rangverschil te ontkennen dat juist in die hardnekkige ontkenning zich verraadt.58

Ook de zelfbeperkingen die samengaan met punctualiteit, betrouwbaarheid, discretie, reinheid, hygiëne, slanke lijn, precisie, accuratesse, oplettendheid en voorzichtigheid in het verkeer nemen veel-

[p. 98]

eer toe en gaan voor steeds meer mensen strikter gelden, al is telkens een misstap of een versloddering in kleine kring aanleiding tot verontruste conversatie. De omgang met apparatuur, thuis en op het werk, en vooral het autoverkeer dwingen mensen tot grote nauwkeurigheid van beweging en tot gedurige aandacht en beheersing.

Verbazend is niet de verkeersonveiligheid, maar het in verhouding kleine aantal ongelukken en de myriaden geslaagde automobiele interacties waarbij één teenbeweging fataal had kunnen zijn. In deze eeuw hebben steeds meer mensen zich dat precies en dwingend levensritme moeten eigen maken, op de maat van de klok,59 in de pas bij het gemechaniseerd en georganiseerd verkeer en werk. Voor elke adolescent die zich daar een paar jaar aan weet te onttrekken, zijn er duizenden die zich telkenjare daaraan hebben aan te passen.

Terugkerend tot de seksuele levenssfeer zijn nu enkele conclusies te trekken. De verruiming van omgangsvormen en uitingswijzen geldt slechts voor enkele levensgebieden, bij uitstek voor de seksuele verhoudingen tussen mensen. Maar zelfs daar is geen sprake van verruiming zonder meer, maar van een nieuw en ander soort beperkingen: dwang en zelfverheffing zijn minder aanvaardbaar geworden dan tevoren, ook in seksuele verhoudingen. Tussen mensen is nu een bredere variatie van seksuele relaties toegestaan, maar steeds onder de voorwaarden van wederzijds overleg en wederkerige toestemming.

En hier ligt de kern van het betoog:

Er is in de afgelopen honderd jaar een verschuiving opgetreden in de gevoelshuishouding binnen mensen en in de omgangshuishouding tussen mensen, een verschuiving van een bevelshuishouding naar een onderhandelingshuishouding.

In sommige levenssferen is een bredere variatie van omgangs- en uitingsvormen toelaatbaar geworden en zijn de geboden van de samenleving en van de eigen gewetens minder strikt gaan gelden. Maar die verruiming is onderworpen aan nieuwe beperkingen die mensen niet zozeer voorschrijven welke relaties tussen hen al dan niet zijn toegestaan, maar veeleer hoe ze hun verhoudingen dienen te regelen.

In seksueel en ook wel in ander maatschappelijk verkeer is voor mensen de bewegingsruimte toegenomen, maar onder de nieuwe, beperkende, voorwaarde dat betrokkenen hun omgang regelen in onderling overleg en naar wederzijdse toestemming. Daardoor worden

[p. 99]

deze verhoudingen tussen mensen verscheidener en minder voorspelbaar, minder onderworpen immers aan regels die het resultaat voorschrijven; maar juist strikter geregeld is het proces waarin zij die verhoudingen vorm geven: in onderhandeling tussen de naast betrokkenen. Mensen moeten daarbij meer rekening houden met meer aspecten van meer andere mensen op meer momenten en moeten ook hun neiging tot dwang en zelfverheffing sterker beteugelen.

Deze verschuiving van bevelshuishouding naar onderhandelingshuishouding laat zich het beste vaststellen aan de veranderingen in intieme verhoudingen tussen mensen, tussen gelieven, echtelieden, ouders en kinderen. De formule waarmee homoseksualiteit werd toegestaan tussen ‘consenting adults’ is er een kernachtige uitdrukking van. De poging om echtelijke en buiten-echtelijke verhoudingen met elkaar in harmonie te brengen door ze tussen man en vrouw te bespreken en er afspraken over te maken - thema van zoveel eigentijdse adviezen - biedt een tweede illustratie. De promiscuë wisseling van liefdesverhoudingen onder adolescente, steedse vrijgezellen, telkens met wederzijdse instemming en voor de duur van beider genoegen, kan evenzeer tot voorbeeld dienen. Het kan ook duidelijk zijn welk een eisen de partijen in deze rationele huishouding elkaar opleggen als het aankomt op het afweren van jaloezie op derden, het weghouden van rivaliserende neigingen, het afzien van wensen om de beste, de mooiste, de liefste of de enige te willen zijn, het indammen van verlatingsangst. Anderzijds moeten de betrokkenen proberen eigen verlangens onder ogen te zien, ze uit te spreken en ervoor op te komen, eigen wensen openhartig - ‘assertief’ - tot gelding te brengen, maar ze ook als goede onderhandelaars op te geven wanneer ze niet haalbaar blijken.

Zo een gang van zaken, waarbij de doenlijkheid van de verlangens van de één begrensd wordt door de verlangens van een ander, wordt wel aangeduid met ‘vrijheid’ in de zin dat de rechten van de ene mens ophouden waar die van de ander beginnen. Maar dat is een goede omschrijving van de bewegingsruimte in volkstuintjes, voor de meeste verhoudingen tussen mensen voldoet zij niet: Verlangens en ook rechten van mensen zijn bijna steeds tegelijk verlangens naar en rechten op andere mensen en er bestaat helemaal geen ruimte waarbij niet ook andermans verlangens of rechten in het geding zijn. Vandaar ook dat deze onderhandelingshuishouding, ook al zou die op te vat-

[p. 100]

ten zijn als vrijheid, zo zelden als bevrijding wordt ervaren.

De parabel van uitgaansbeperking en uitgaansangst is nu te interpreteren met de verschuiving van bevels- naar onderhandelingshuishouding. Een hele reeks maatschappelijke beperkingen en innerlijke gewetensrestricties op de verhouding tussen mannen en vrouwen zijn in de afgelopen honderd jaar verruimd, vervaagd en zelfs verdwenen. Veel vrouwen kunnen nu kiezen voor opleiding en carrière of voor een huiselijk leven en zelfs voor een - nog steeds moeizame - combinatie van beide. Mannen kunnen hun daarin niet langer namens de maatschappelijke zeden regels opleggen. Met die toegenomen speelruimte zijn ook de verhoudingen die vrouwen en mannen buitenshuis kunnen aangaan gevarieerder geworden, is ook overspel en echtscheiding vaker denkbaar geworden. Echtelieden kunnen uiteengaan met wederzijds goedvinden en blijven dus ook bij elkaar met wederzijdse instemming. Dat wekt nieuwe angsten voor ontrouw en verlating en noopt ook tot onderlinge afspraken, stilzwijgend of met zoveel woorden, over beider gangen. Mannen en vrouwen moeten ook hun kindertal ‘plannen’ en gaan hun ‘rolverwisseling’ regelen. De agorafobie is nu te begrijpen als een gezamenlijke weigering van zo een onderhandelingshuishouding. De agorafobica ziet af van alle beweging buitenshuis zonder toezicht van haar echtgenoot en bewijst daarmee impliciet haar trouw, tegelijk prest ze hem haar te begeleiden en verzekert zich zo van zijn gezelschap, houdt toezicht op haar toezichthouder. Zolang zij angstig blijft behoeft haar metgezel niet bang te zijn. Zo blijft het patroon van de negentiende-eeuwse huishouding bewaard, maar bij gebrek aan het bevel van sociaal fatsoen en van eigen geweten komt de dwang van een onverklaarbare angst.

Er zijn andere voorbeelden te geven van gedragsmoeilijkheden waarbij mensen afzien van wat ooit verboden was en nu is toegelaten, uit onverklaarbare angst en ook uit lusteloosheid. Juist in adolescente kringen waar promiscuïteit aanvaard is blijken sommigen geen liefdesrelaties te kunnen aanknopen of juist in de snelle opeenvolging geen plezier te kunnen scheppen: een ‘verbod op genot’. Een combinatie van orgastische stoornissen, lusteloosheid, depressiviteit, een onvermogen om zich aan iemand anders te binden en dus ontrouw en verlating te riskeren en van het vage maar schrijnende gevoel dat er eigenlijk niets valt mee te maken, verschijnselen die telkens opduiken in de beschrijving van eigentijdse stoornissen, soms onder de noe-

[p. 101]

mer ‘depersonalisatie’ of ‘narcisme’.60 Duidelijk kan zijn dat deze lusteloosheid en angstigheid alleen zichtbaar kunnen worden in een samenleving waar wel is toegestaan wat zulke mensen dan toch nalaten of ontberen. Duidelijk is ook geworden dat die nieuwe gedragsmogelijkheden een grote mate van onderlinge afstemming vereisen, van onderhandeling en van regulering van eigen neigingen, van zelfbeheersing en ‘elkaar-beheersing’. Maar juist deze nieuwe onderhandelingsdwang blijft onuitgesproken en het kan lijken alsof ieder doen mag wat hem zint. Deze onuitgesproken eisen van de onderhandelingshuishouding zijn sommigen te zwaar en benemen hun de zin in allerlei omgang die toch is toegestaan. Zulk onbehagen hangt samen met een omvattende maatschappelijke verschuiving maar vormt zich uiteraard in de wederwaardigheden van een persoonlijke levensloop en binnen specifieke levenskringen.

Het kan nu lijken alsof de moeilijkheden die mensen van elkaar en van zichzelf ondervinden in de verschuiving van bevelshuishouding naar onderhandelingshuishouding alleen maar zijn toegenomen. Sommige moeilijkheden zijn veranderd, sommige toegenomen, andere verminderd. Karakteristiek voor de periode waarin een bevelshuishouding het meest verbreid was, karakteristiek ook voor de cliëntèle die Freud in zijn praktijk ontving, waren andere klachten: bij uitstek de hysterie, een aandoening die nu uit het moderne steedse leven verdwenen lijkt. Hysterische vrouwen onttrokken zich aan haar huiselijke plichten, wierpen zich met veel vertoon in grote emotionele scènes en scandaliseerden hun omgeving met vaak onverhulde dreigementen en erotische gestes.61. In deze beschouwing kan de hysterie worden opgevat als een revolte tegen de bevelshuishouding, vermomd als geestesziekte. Daartegenover is de agorafobie te plaatsen als een afwijzing van de onderhandelingshuishouding, evenzeer vermomd, maar als een onverklaarbare angst. Geen van beide aandoeningen zijn daarmee voldoende verklaard, laat staan te verhelpen, maar er is een samenhang mee toegelicht van een omvattende maatschappelijke ontwikkeling met veranderingen in de intieme belevingswereld van de mensen die deze verschuiving meemaken.

De verschuiving van bevelshuishouding naar onderhandelingshuishouding omvat veel meer dan alleen deze intieme relaties. Zij voltrekt zich ook in de verhouding tussen burgers en autoriteiten.62 Plaatselijke bestuurders zien zich gedwongen om rekening te houden met de

[p. 102]

verlangens van actiegroepen en georganiseerde buurtbewoners, en een rijk vocabulaire is opgeschoten om deze onderhandeling mee te beschrijven en voor te schrijven: inspraak, participatie, medezeggenschap, hoorzitting, buurtoverleg...

Een overeenkomstige verschuiving heeft zich voltrokken in organisaties, althans in aangrenzende rangen. De interne democratisering van de universiteiten is het schoolvoorbeeld van een verschuiving van bevels- naar onderhandelingshuishouding, maar de ontwikkeling is ook in andere organisaties aan te tonen.63 Telkens weer dienen chefs, bazen, superieuren meer rekening te houden met meer verlangens van ondergeschikten en zelfs de hier gebruikte termen met hun betekenis van ‘meerdere’ en ‘mindere’ zijn in snel tempo pijnlijk aan het worden en onuitsprekelijk.

Deze ontwikkelingen leggen de partijen steeds de eis op om andermans strevingen vaker en ernstiger in aanmerking te nemen, maar ook om eigen strevingen openhartig te verwoorden en tot gelding te brengen. In die nieuwe vormen van regeling voor de onderlinge omgang steken ook nieuwe mogelijkheden van manipulatie en onechtheid,64 verhulde coöptatie, ‘inpakken’ en ‘soft sell’. Dat is het aangrijpingspunt van veel moderne cultuurkritiek. Maar alvorens de verwordirtg aan te klagen is het nodig de verandering te beschrijven. En ook al zou veel van deze consideratie voor andermans strevingen slechts pose zijn, dan leidt toch de verplichting om die schijn op te houden op den duur tot versterking van de pressie om ook aan die steeds weer geuite en aangehoorde verlangens toe te geven: in de zedengeschiedenis is de schijn vaak al de halve waarheid.

Uit het voorgaande volgt dat de verschuiving van een bevelshuishouding naar een onderhandelingshuishouding voor sommigen een veel groter verruiming inhoudt dan voor anderen. Kinderen kunnen zich nu meer veroorloven jegens hun ouders maar ouders zijn zich meer gaan inhouden tegenover hun kinderen; te denken valt bijvoorbeeld aan kastijding en andere bestraffing. Vrouwen hebben grotere bewegingsmarges verworven tegenover mannen, maar die mannen kunnen zich minder vrijheden veroorloven tegenover bijvoorbeeld lager-geplaatste vrouwen, hebben hun gesegregeerde clubs veelal moeten opgeven en hun alleenrecht op de betere arbeidsposities verloren. Actiegroepen hebben recht van spreken verworven in bestuurskwesties, maar gezaghebbers hebben meer moeite met het onderhands re-

[p. 103]

gelen van zaken en moeten zich schikken naar de procedures van het overleg; en alweer: de schijn bedriegt weliswaar, maar sleclits ten dele. Net zo vinden in organisaties lageren in rang meer gehoor, begrip en soms zelfs aanvaarding voor hun verlangens, maar dat houdt ook in dat hogeren in rang zich hebben moeten inbinden.

Hooggeplaatsten, ouderen, mannen, hebben in deze opgedrongen onderhandelingen zich meer beperkingen moeten opleggen dan tevoren. Dat verklaart misschien ook iets van de bitterheid in veel cultuur-kritische beschouwingen die immers vooral door auteurs van aanzien en op leeftijd worden geproduceerd.

Dit alles betekent niet dat mensen over de gehele linie ook gelijker aan elkaar zijn geworden. Daar waar zich zo een onderhandelingshuishouding vormt, in de vriendenkring, tussen gelieven, in gezinnen, tussen voorgangers en medewerkers in de organisatie, tussen hulpverleners en cliënten, tussen groepen burgers en plaatselijke autoriteiten, wordt de afhankelijkheidsbalans tussen partijen minder asymmetrisch. Maar er voltrekt zich ook een andere ontwikkeling: organisaties hebben zich zeer uitgebreid, zijn meer mensen gaan omvatten, bedienen en beheersen; het hiërarchisch trappenstelsel is langer geworden, het aantal treden toegenomen. Dat geldt voor ondernemingen, opgenomen in moedermaatschappijen, genesteld in houdstermaatschappijen tot een hoogste middelpunt waarmee honderdduizenden werkers en soms tientallen miljoenen klanten indirect verbonden zijn. Het geldt evenzeer voor dat conglomeraat van bureaucratische apparaten dat de staat genoemd wordt en waarin miljoenen mensen werk vinden en honderden miljoenen mensen ingeschakeld kunnen zijn als burger en cliënt.

Zo is het heel goed mogelijk dat in een organisatie tussen aangrenzende rangen de afhankelijkheidsbalans nu minder eenzijdig uitslaat dan voorheen, of dat binnen een gemeente groepen burgers hun eisen zwaarder kunnen laten gelden tegenover gezagsdragers, terwijl tegelijkertijd de sociale afstand tussen de hoogsten en de laagsten in de uitgedijde bureaucratische rangorde is toegenomen, zodat de verlangens van de eenling onderaan nauwelijks tellen voor iemand bovenaan, die rekening te houden heeft met zoveel andere en zoveel zwaarder georganiseerde eisen.

Het is juist deze organisatie van produktie en verzorging, zozeer toegenomen in de laatste honderd jaar, die de veranderingen in om-

[p. 104]

gangs- en uitingsvormen waarover het hier gaat, heeft bewerkstelligd. Binnen die organisationele verbanden raakten steeds grotere aantallen mensen van elkaar afhankelijk; maar naarmate telkens andere levenssferen voorwerp werden van zulke grootscheepse, bureaucratische organisatie, werden mensen ook voor die afzonderlijke aspecten van hun bestaan afhankelijk van telkens andere organisationele verbanden, werden hun levens ‘ontbonden in organisationele factoren’.

Ook de aard van die organisaties is veranderd, juist in de laatste decennia. Vooral binnen de verzorgingsbureaucratieën - maar ook in recente en snel-groeiende takken van produktie-organisaties, zoals personeelsbeheer, reclame en verkoop - zijn taken moeilijk te omschrijven en is de uitoefening ook moeilijk te bewaken. Het eigen oordeel en de persoonlijke inzet van werkers in zulke organisaties komt er meer op aan dan bij de vervaardiging van standaardprodukten. Maar ook arbeiders in de moderne industrie die met steeds kostbaarder en kwetsbaarder apparatuur werken kunnen uit tegenzin of onverschilligheid grote schade aanrichten. Onder die omstandigheden zijn arbeidsdwang en arbeidsloon niet langer toereikend om de vereiste toewijding te waarborgen. Daarom ontstaat druk op de beheerders van die organisaties om met meer verlangens van de werkers rekening te gaan houden en om hen aan de organisatie te binden op subtieler wijze dan door de cash-nexus alleen.65 Hierin ligt een van de ontstaansredenen van het stelsel van sociale voorzieningen, maar ook voor een verschuiving van organisationele verhoudingen: waar een simpele bevelsstructuur niet meer voldoet, komt een onderhandelingshuishouding op gang.

 

Deze ontwikkeling heeft zich het eerst en het verst doorgezet in de moderne verzorgingsbureaucratieën, in het onderwijs en de maatschappelijke dienstverlening, en in mindere mate in de gezondheidszorg en de sociale verzekeringen. Het is de toonaangevende klasse van professionele verzorgers en beheerders die hun werkverhoudingen regelen in zo een onderhandelingshuishouding. Zij dragen die omgangs- en uitingsvormen ook over op verhoudingen buiten het werk, in vriendenkring en vooral in gezinsverband.

Maar in die verzorgingsbureaucratieën zijn niet alleen de mensen die er werken opgenomen, maar ook, uiteraard de cliëntèles, scholieren en studenten, patiënten, cliënten en uitkeerlingen. In deze verhou-

[p. 105]

dingen tussen verzorgers en verzorgden worden ook die cliënten gevormd in de nieuwe omgangs- en gevoelshuishouding, in de beheersing van gewelddadigheid en zelfverheffing, de nauwkeurige omgang met geld, tijd, goederen en eigen lichaam, in het kenbaar maken van eigen verlangens en het rekening houden met die van anderen, in het zoeken naar wederzijdse toestemming en het opgeven van kennelijk onvervulbare wensen, kortom in het voeren van een onderhandelingshuishouding.

De verschuiving van bevels- naar onderhandelingshuishouding heeft zich dus vooral voltrokken door de arbeids- en cliëntenverhoudingen in moderne organisaties, en bij uitstek in de bureaucratische verzorgingsarrangementen. Maar in de loop van diezelfde ontwikkeling vormden zich ook nieuwe beroepsgroepen die er hun werk van maakten om de moeilijkheden te verhelpen die mensen onder deze nieuwe verhoudingen van elkaar en van zichzelf ondervonden: organisatieadviseurs, agogen, psychotherapeuten... Zij fourneren het vocabulaire en de modellen waarmee deze omgangs- en belevingsmoeilijkheden te verwoorden en te beleven zijn én - door hen - als problemen te behandelen.

In de verschuiving van bevelshuishouding naar onderhandelingshuishouding zijn mensen elkaar en zichzelf een striktere geweldsbeheersing gaan opleggen, tot groter zorgvuldigheid gaan dwingen en zijn ze hun zelfverheffing verder gaan intomen; in andere levenssferen is de variatie van toegelaten omgangswijzen verruimd onder de nieuwe beperkende voorwaarde van wederzijdse onderhandeling en toestemming. Die overgang mag bevrijdend werken, het is voor mensen ook vaak moeilijk en bedreigend, en wanneer zij het stellen moeten zonder de leidraad van maatschappelijk gebod of gewetenseis ontwikkelen zij soms angsten en onlusten die hen weerhouden van wat hun nu is toegestaan, omdat die onderhandelingshuishouding hen te moeizaam is, te riskant, en te eenzaam.

5. Cultuurkritiek en civilisatietheorie

Al eerder zijn hier auteurs ter sprake gekomen die zich met de tegenwoordige ontwikkeling in omgangsvormen en uitingswijzen hebben beziggehouden. Zoals gezegd doet zich daarbij het theoretisch probleem voor dat deze commentatoren er veelal van uitgaan dat de

[p. 106]

samenleving als geheel repressiever wordt, terwijl de zeden juist losser lijken te worden. De auteurs van de Frankfurter Schule hebben deze paradox trachten op te lossen door die verruiming van omgangsvormen als gezichtsbedrog te kenschetsen. Adorno schrijft ‘dass die Befreiung des Sexus in der gegenwärtigen Gesellschaft blosser Schein sei.’66

En hij vervolgt: ‘Die rationale Gesellschaft, die auf Beherrschung der inneren und äusseren Natur beruht und das diffuse, der Arbeitsmoral und dem herrschaftlichen Prinzip selber abträgliche Lustprinzip bändigt, bedarf nicht länger des patriarchalischen Gebots von Enthaltsamkeit, Jungfräulichkeit, Keuschheit. Sondern der an- und abgestellte, gesteuerte und in ungezählten Formen von der materiellen und kulturellen Industrie ausgebeutete Sexus wird, im Einklang mit seiner Manipulation, von der Gesellschaft geschluckt, institutionalisiert, verwaltet. Als gezügelter ist er geduldet.’

Deze passage bevat de tweede stap in de redenering: de schijnbare bevrijding stelt de samenleving alleen maar beter in staat mensen te beheersen en uit te buiten dan het onder een bevelshuishouding ooit mogelijk was door de ingetoomde lusten enigszins toe te laten en zo juist te manipuleren. De vraag zou hierbij kunnen rijzen wat dan die ‘Gesellschaft’ is en wat daaraan zo rationeel is, als toch de mensen die haar vormen, zich zo gemakkelijk door de industrie laten ringeloren. Of, waarom het noodzakelijk manipulatie en uitbuiting is, als mensen hun impulsen beteugelen en dan gematigd en gestuurd toegeven aan de materiële en culturele genoegens van die industriële samenleving.

Hier kan de psychoanalyse Adorno van nut zijn:67 ‘Psychoanalytiker hätten es nicht schwer nachzuweisen, dass in dem gesamten monopolistisch kontrollierten und standardisierten Sexualbetrieb... Vorund Ersatzlust die Lust überflügelt haben... Während der Sexus eingegliedert wird, bleibt was an ihm nicht sich eingliedern lässt, das eigentliche sexuelle Aroma, der Gesellschaft verhasst.’

Psychoanalytici kunnen aantonen dat de seksuele vormen die maatschappelijk toelaatbaar zijn slechts Ersatz zijn, terwijl datgene dat niet toegelaten is en zich ook niet laat inpassen, het eigenlijke aroma van de seksualiteit uitmaakt. De tegenwerping dringt zich op dat een toenemend aantal seksuele variaties acceptabel zijn geworden, blijkbaar ontberen die toch alle het eigenlijke aroma. Maar in hetzelf-

[p. 107]

de opstel toont Adorno zich zeer afwijzend tegenover gewelddadigheid en zelfverheffing in seksuele relaties. Hij verzwijgt daarbij niet dat zulke dwangverhoudingen ook bij de wet verboden zijn en dus ‘der Gesellschaft verhasst’, maar toch keurt hij ze ten stelligste af, rekent ze blijkbaar niet tot de wezenlijke seksualiteit.

Dat wat maatschappelijk is toegestaan dient slechts om mensen beter uit te buiten en te beheersen - een voortzetting van Marx - en dat wat maatschappelijk is toegestaan kan nooit het wezenlijke zijn, met dank aan de psychoanalyse. De samenleving wordt een ware boze wolf waarvan alle organen slechts dienen om beter te kunnen horen en beter te kunnen zien en, tenslotte, om de prooi beter te kunnen verslinden.

Marcuse herhaalt deze hinkstapsprong, zij het met nog briljanter terminologisch vertoon:68 ‘sexuality is liberated (or rather liberalized) in socially constructive forms. This notion implies that there are repressive modes of desublimation...’

Deze ‘repressieve desublimatie’, vervolgt Marcuse, ‘operates as the by-product of the social controls of technological reality, which extends liberty while intensifying domination’. Opnieuw: mensen desublimeren niet op een bevrijdende manier, integendeel, terwijl ze zich laten gaan, laten ze zich juist beter beheersen.

Een nagenoeg identieke formulering is te vinden bij Philip Slater:69 ‘The “relaxation” of restrictions in all media is not a relaxation at all, but merely another intensification of the control-release dialectic on which Western civilization is so unfortunately based.’

Reimuth Reihe werkt het thema van de repressieve desublimatie uit in psychologische termen: onder de vigerende maatschappelijke verhoudingen bereiken mensen niet een volwassen, genitale seksualiteit, maar blijven ‘onrijp’ of ‘regressief’.70

In de laatste jaren heeft een andere term uit het psychoanalytisch vocabulaire de woorden ‘regressie’ en ‘desublimatie’ afgelost: ‘narcisme’. Vooral onder Amerikaanse cultuurcritici heeft dit begrip ingang gevonden. Richard Sennett geeft een karakteristiek van deze narcistische persoonlijkheid en brengt de verbreiding van dit narcisme in verband met de opkomst van het bureaucratisch middenkader, dat immers wordt aangesteld en bevorderd, niet op grond van inhoudelijke deskundigheid, maar vanwege inzetbaarheid, volgzaamheid en goede contactuele kwaliteiten. Deze gedachtenlijn is verwant aan die van

[p. 108]

mijn beschouwing, maar verschilt door Sennett's gebruik van psychologische en in wezen moraliserende termen. Ook Sennett signaleert een toegenomen aandacht voor de motieven van anderen en een geneigdheid om menselijke verhoudingen in psychologische termen te interpreteren en niet langer met begrippen als zonde en deugd, eigenbelang, of recht en onrecht. Maar Sennett vat al deze ontwikkelingen samen onder het nieuwe verschijnsel van het narcisme:71 ‘The questioning of motives of others similarly works to devalue their actions, because what matters is, not what they do, but fantasies one has of what they are feeling when they do it.’ En, vervolgt hij, deze narcistische instelling wordt volwassenen in de samenleving opgedrongen, omdat de werkelijkheid zo gestructureerd is dat ‘order and stability and reward appear only to the extent that people who work and act within its structures treat social situations as mirrors of self, and are deflected from examining them as forms which have a non-personality meaning.’72 Sennett zinspeelt hier kennelijk op omgangswijzen waarin mensen zich oriënteren op andermans verlangens om zo des te beter eigen wensen te kunnen verwezenlijken in onderlinge onderhandeling en waarin tenslotte normen en gewetenseisen nauwelijks nog gelden en een besef van omvattender maatschappelijke machtsverhoudingen geheel ontbreekt. In die zin opgevat is deze beschrijving een scherpe kenschets van de morele en politieke verwording die zich in een onderhandelingshuishouding kan voltrekken: ‘To the extent, in sum, that a society mobilizes narcissism - it will succeed only in transposing the structures of domination in the society in psychological terms.’

Ook bij Christopher Lasch is een samenhang te vinden tussen de opkomst van het bureaucratisch middenkader, en bij hem vooral van de verzorgende beroepen, en anderzijds, de verbreiding van een nieuwe geestesgesteldheid.73

‘The contemporary cult of sensuality implies a repudiation of sensuality in all but its most primitive forms. The fascination with personal relations, which becomes increasingly intense as the hope of political solutions recedes, conceals a thoroughgoing disenchantment with personal relations. Ideologies of impulse gratification and pleasure seeking gain the ascendancy at the very moment that pleasure loses its savor. A narcissistic withdrawal of interest from the external world underlies both the demand for immediate gratification -

[p. 109]

resoundingly endorsed by advertising, mass promotion, and the health industry - and the intolerable anxiety that continually frustrates this demand.’

Lasch vervolgt deze passage met de constatering dat het superego aan een niet aflatende stormloop onderhevig is waaruit de devaluatie van het gezag in de moderne samenleving blijken kan. Hij signaleert de teloorgang van de bevelshuishouding, maar vat dat proces in psychologische en moraliserende termen als verval en verwording, waar hij toch juist vermijden wil ‘merely to moralize under the cover of psychiatric jargon’.74

Lasch tracht de hedendaagse veranderingen in omgangs- en belevingswijzen begrijpelijk te maken uit de opkomst van de hulpverlenende beroepen en van de verzorgingsarrangementen, een benadering die geheel strookt met wat ik hier heb beweerd. Maar bij Lasch wordt het betoog een requisitoir tegen de opdringende verzorgers die het gezin als laatste toevluchtsoord van persoonlijke autonomie ondermijnen en met het ouderlijk gezag ook de mogelijkheid van karaktervorming en rebellie ondergraven: ‘The citizen's entire existence has now been subjected to social direction, increasingly unmediated by the family or other institutions to which the work of socialization was once confined.’75 In het voorbijgaan is de karakteristieke terminologische slordigheid te signaleren, waarbij wat ‘family’ en zelfs ‘other institutions’ doen blijkbaar juist geen ‘social direction’ is. Het sleutelwoord in dit citaat is ‘unmediated’: tussen gezin en ‘society itself’ zijn geen bemiddelende instanties overgebleven.

‘Social science equally fails to see that “interdependence” merely reflects changing modes of class rule: the extension and solidification of capitalist control through the agency of management, bureaucracy, and professionalization.’76

Heel terecht merkt Lasch op dat termen als ‘interdependentie’ of ‘verafhankelijking’ in hun algemeenheid de overheersing van de ene groep door de andere (zij het niet ‘merely’ klassen) kunnen verdoezelen. Maar hij vervalt vervolgens in een gelijksoortige misvatting door management, bureaucracy, and professionalization als een naadloos gegoten blok kapitalistische beheersing voor te stellen en daarmee juist die tegenstellingen te negeren die in een moderne samenleving mediërende functies kunnen hebben. En in zijn haast om te veroordelen wat nog vast te stellen is, ziet Lasch voorbij aan nieuw opgeko-

[p. 110]

men vormen van regeling van het samenleven die in de plaats komen van een afkalvende bevelshuishouding, namelijk de onderhandelingshuishoudingen waarvan hier sprake was.

 

De cultuurcriticasters van Adorno tot Lasch vertonen een aantal opmerkelijke overeenkomsten. Als echte moralisten verzekeren zij hun gehoor dat de nieuwerwetse genoegens niet de ware zijn. Maar dat is hun niet voldoende. Nu er geen god is of gebod om aan te roepen, sommeren zij de wetenschap om te getuigen, en wel de psychoanalyse. In die leer paraisseren een reeks termen die min of meer naar medische analogie, uitgaand van een ontwikkelingsbegrip, een scheefgroei of een gestokte ontwikkeling moeten aanduiden. Dat is vanwege de biologische beeldspraak al problematisch en ook na zorgvuldig onderzoek van een enkel mensenleven in de spreekkamer al moeilijk genoeg, maar als het wordt toegepast op de samenleving in haar geheel verwordt het algauw tot pseudowetenschappelijke zedenprediking. ‘Es sind eben nur Vergleichungen, mit denen wir uns um das Verständnis des sozialen Phänomens bemühen, die Individualpathologie gibt uns kein vollwertiges Gegenstück dazu.’77 Waar sociologen kennelijk gefaald hebben in de formulering van begrippen waarmee een maatschappelijke ontwikkeling omvattend te beschrijven is, negeren deze cultuurcritici wat wel voorhanden is en hanteren Freuds Individualpathologie als nieuwe Sozialpathologie.

De tweede gemeenschappelijke dwaling van deze cultuurkritische auteurs is de vanzelfsprekende veronderstelling dat wat hun in de hedendaagse samenleving mishaagt ook noodzakelijk de verdere uitbuiting en overheersing door het kapitalisme zal bevorderen. Bij Lasch is deze gedachtenwending ook voor het zeer geoefend oog niet meer te onderscheiden van een reactionaire visie, omdat hij ten eerste alle zedenvernieuwing opvat als verval, zoals zijn voorgangers, maar bovendien ‘management’ en bureaucratie eenvoudig gelijk stelt met de staat in één enkel groots en verwerpelijk geheel.

Tegenover deze bezwaren staat de - veel grotere - verdienste van de besproken auteurs dat zij met beeldend vermogen en eigenzinnigheid de traditie hebben voortgezet van algemene beschouwingen over de samenhang tussen grote maatschappelijke ontwikkelingen en veranderingen in de ervaringswereld van afzonderlijke mensen en dat zij het simpel vooruitgangsgeloof en ordenings-ethos van bureaucraten

[p. 111]

en sociale deskundigen uit alle macht hebben willen ondermijnen.

De aanknopingspunten met het denken van de cultuurcritici zijn vele, maar hier ging het er mij om bij hen een fundamentele gedachtenconstructie aan te wijzen die ik juist heb willen vermijden. De vraagstelling van mijn betoog sluit aan bij een discussie die gevoerd is onder Amsterdamse sociologen naar aanleiding van de civilisatietheorie van Norbert Elias.

Elias heeft in zijn voornaamste werken een verband gelegd tussen processen van staatsvorming, monopolisering van de geweldsuitoefening door die staten, de geweldsbeheersing bij mensen binnen die staatsverbanden en hun overige affectbeheersing, hun toenemend schaamtegevoel en groeiende gewetensvorming in de periode van omstreeks 1200 tot circa 1750, gedocumenteerd aan de hand van voorschriften voor de ridderlijke en hoofse etiquette uit die dagen. Over de ontwikkelingen nadien zwijgt Elias op enkele passages na, al is zijn oeuvre te lezen als een studie in de sociogenese van de affecthuishouding en gewetensstructuur die Freud bij zijn patiënten als gegeven aantrof en analyseerde.

In een finale samenvatting trekt Elias de lijnen van het beschavingsproces verder door, zonder overigens direct twintigste-eeuwse verhoudingen ter sprake te brengen.

Naar aanleiding van een eerste onderzoek naar de teneur van adviezen aan brievenschrijvers in het tijdschrift Margriet in de jaren 1954-1974, concluderen de auteurs, Brinkgreve en Korzec:78 ‘Er worden in '74 minder expliciete en minder strikte regels gesteld. Er wordt minder veroordeeld en meer begrip getoond, er is een grotere aandacht voor het emotionele leven en het uiten van gevoelens.’

Zij vragen zich dan af of dit nu een voorbeeld is van verminderde zelfbeheersing, of juist van een zekere verruiming van omgangsvormen binnen het kader van een toegenomen zelfbeheersing. Zij citeren Elias over de toegenomen bewegingsvrijheid van vrouwen bij het baden in zee sinds de Eerste Wereldoorlog en halen zijn conclusies aan:79 ‘Es ist eine Lockerung, die sich vollkommen in Rahmen eines bestimmten “zivilisierten” Standardverhaltens hält, d.h. im Rahmen einer automatischen, als Gewohnheit angezüchteten Bindung und Umformung der Affekte sehr hohen Grades.’

Brinkgreve en Korzec vragen zich dan af volgens welke criteria een verruiming van de zeden als een vermindering van zelfbeheersing is

[p. 112]

te interpreteren - als een terugval in het beschavingsproces dus - of juist als een ontspanning onder de voorwaarde van een ‘sehr hohe Standard der Triebgebundenheit’.

Cas Wouters opteert in zijn reactie op dit artikel80 voor de laatste interpretatie. Hij stelt voor de gesignaleerde verruiming van omgangsvormen aan te duiden met de term ‘informalisering’. Wouters wijst er dan op dat Elias het beschavingsproces niet eenvoudig beschrijft als een proces van toenemende affectbeheersing, zoals Korzec en Brinkgreve het samenvatten, maar dat volgens Elias de loop van het beschavingsproces gekenmerkt wordt door een verruiming van gedragsmogelijkheden, een vermindering van contrasten, een grotere gelijkmatigheid van beheersing en ontspanning èn een verschuiving van sociale dwang naar zelfdwang. Dergelijke gedragscodes vormen zich mede in de concurrentieverhoudingen tussen maatschappelijke boven- en onderlagen, waarbij opkomende groepen omgangsvormen overnemen van de gevestigden, en omgekeerd zulke codes ook teloor gaan als zij niet langer nodig zijn om standsverschillen te accentueren of te bewaren:81 ‘Zoals in de achttiende eeuw aan het hof de omgangsvormen steeds verder werden verfijnd onder de druk van de toenemende macht van de beroepsburgers, zo werden ook in de negentiende eeuw de burgerlijke omgangsvormen steeds belangrijker als instrument ter distantiëring van de sociaal stijgende “kleine luiden” en arbeiders.’

Daarmee is overigens - bij Wouters impliciet - een antwoord gegeven op de vraag van Brinkgreve en Korzec, welke criteria de interpretatie moeten leiden: het gaat er niet om nu eens dit incident, dan weer die bevlieging te duiden in het licht der beschavingshistorie, maar om langlopende maatschappelijke ontwikkelingen te traceren, zoals de monopolisering van de feodale concurrentie-verhoudingen, de opkomst van nationale staten en van de kapitalistische burgerklasse, en nu ook de bureaucratisering en verstatelijking van de verzorging waarin zich een professionele verzorgersklasse gevormd heeft en waaraan burgers op allerlei wijze als cliënten gebonden zijn.

Die ontwikkelingen zijn te volgen tot in de intieme levenskring en belevingswereld van de mensen die ze meemaken, ze zijn te traceren in de verandering van omgangsvormen, gevoelsuitingen en fantasieen, niet met wetmatigheid, maar wel in geordende ontwikkeling.

Zo kan bijvoorbeeld een interpretatie van toenemende geweldscri-

[p. 113]

minaliteit, van vernielzucht of van toenemende onverschilligheid voor andermans bezit of belang niet verlopen in termen van ‘de geest des tijds’, en evenmin als bij de cultuurcritici direct in termen van uitbuiting, overheersing en individuele regressie en rebellie. Steeds is het nodig na te gaan welke groepen deze gedragsvormen en uitingswijzen gaan hanteren en in welke afhankelijkheids- en concurrentieverhoudingen zij staan tot andere maatschappelijke lagen, van welke kansen zij uitgesloten zijn en tot welke stijgingsmogelijkheden zij geen toegang hebben. Op grond daarvan zijn hun uitings- en omgangsvormen te interpreteren.

Er is in deze eeuw stellig sprake van een ‘gewisse Lockerung in der Sphäre der Umgangsformen’.82 Tegelijkertijd echter neemt, althans in Nederland de geweldsbeheersing tussen mensen toe, onderdrukken zij hun neiging tot zelfverheffing in sterkere mate dan voorheen en oefenen op elkaar en op zichzelf een grotere pressie uit tot nauwkeurigheid met tijd, goed en eigen lichaam. De ‘Lockerung der Sitten’ en de ‘Vergrösserung der Spielarten’ blijkt daarnaast onmiskenbaar in de seksualiteit, maar ook wel in andere levenssferen. Ik heb willen aantonen dat ook deze verruiming en verlossing onder beperkende voorwaarden verloopt, namelijk met vermijding van geweld en zelfverheffing en in wederzijdse onderhandeling.

 

Zeer geachte toehoorders, Al diegenen die hebben meegewerkt aan mijn benoeming, studenten, de minister, leden van het secretariaat in commissie en raad, hare majesteit de koningin, collega's, en u, bestuurders in vrije tijd of beroepshalve, wil ik dank zeggen voor het vertrouwen dat u in mij hebt willen stellen.

Doordat voor de professorale leerstoelen nu vakgroepen in de plaats gekomen zijn, is er in mijn geval niet een duidelijke voorganger die ik hier zou kunnen eren of gekwetst verzwijgen: in een trage stoelendans hebben de universitaire docenten zich opgedeeld over deze vakgroepen.

Mijn opdracht luidt ‘sociologie’ en ik volvoer die binnen de vakgroep Verzorgingssociologie, een gezelschap dat zich bezighoudt met de bestudering van de manieren waarop mensen trachten de gevolgen van ziekte, onwetendheid en tegenspoed te verhelpen, ooit onderling in familiekring, onder collega's, als burenhulp en nu meer en meer in grote organisatorische verbanden, verzorgingsarrangementen als

[p. 114]

scholen, ziekenhuizen en sociale voorzieningen.

Dat is een nieuwe benaderingswijze die ons in staat stelt brede maatschappelijke ontwikkelingen op langere termijn te volgen dan tot nu toe mogelijk was in de afzonderlijke specialisaties van medische sociologie, onderwijssociologie en welzijnssociologie, die immers in onze vakgroep zijn gecombineerd.

 

Beste vakgroepgenoten, Toen ik vorig jaar met ieder van u een gesprek had over ieders plaats in de vakgroep bleek u zich allemaal als een buitenstaander te beschouwen. Maar toen dit jaar studenten gingen deelnemen aan ons overleg bleek hoezeer wij ons inmiddels als gesloten gezelschap hadden gevestigd en hoeveel voor ons gezamenlijk al vanzelfsprekend was geworden.

U weet dat ik een vakgroep beschouw als een gespreksgemeenschap en dat ik weinig fiducie heb in planning, coördinatie en program. Wij zijn nu bijna drie jaar met elkaar aan de praat gebleven en ik hoop dat juist uit onze verschillen een gemeenschappelijke benadering zal ontstaan van de maatschappelijke problemen van de verzorging.

 

En u, studenten, Soms - en dat is nu - is het goed uit te spreken wat niet altijd betoog behoeft: de democratisering aan onze universiteiten is een van de belangrijke sociale experimenten van deze tijd. Als het aan de universiteiten niet lukt om mensen grotere zeggenschap te geven over nun eigen werkverhoudingen, dan lukt het nergens. Deze verschuiving van een bevelshuishouding naar een onderhandelingshuishouding heeft schade gedaan, en mensen ongelukkig of onzeker gemaakt. Maar daar staat tegenover dat nu tienduizenden mensen proberen om in commissies en raden in onderling overleg te beslissen over de omstandigheden waaronder zij werken. Die democratisering is nu een eind op gang, juist aan deze Faculteit, maar moet zich nog verder ontwikkelen en beter bewijzen. In die democratisering is het niet mijn werk, om u naar de mond te praten, maar om u tegen te spreken. Het moeilijkste is daarbij gebleken om voor mensen die siecht werken een oplossing te vinden en om mensen die goed werken verder te stimuleren. Want die verschillen bestaan. Anders komt over het bonte goed van de academie een grauwsluier van middelmaat en conformisme te liggen als het bestuurlijk waspro-

[p. 115]

gram zijn beloop heeft. Mijn werk is het binnen dit democratiseringsproces de kwaliteit van de wetenschapsbeoefening te bevorderen. Daar sta ik voor, en u soms ook. Die democratisering is geen toestand, maar een proces dat wij meemaken. En als het u wat schelen kan, mag u het niet overlaten aan enkele actieven, maar moet u er ook aan meedoen. Wij zullen elkaar moeizaam moeten leren om dat ernstige spel eerlijk te spelen.

 

Lieve Ellen, Gisteren was het op de dag af zeven jaar geleden dat wij elkaar voor het eerst hebben ontmoet. Een goede aanleiding voor iets plechtigs en iets vrolijks: Voilà... een oratio pro domo.

 

Geachte toehoorders, Deze middag was gewijd aan handhaving en vernieuwing van omgangsvormen. Een goede gelegenheid om een heel ongelukkige gewoonte af te schaffen: dat ellendig wachten in opeengepakte rijen in die kale gang voor de receptie. Ik wil u daarom dan ook verzoeken om, nadat u achter het cortège, ordentelijk de zaal verlaten hebt, gewoon door te lopen naar de senaatskamer. U hoeft dan niet in het gelid te staan en wij zullen elkaar toch wel weten te vinden voor een handdruk. Ik wil u danken dat u naar mij bent komen luisteren.

Ik heb gezegd.

1Rede bij de aanvaarding van het ambt van hoogleraar in de sociologie aan de Universiteit van Amsterdam 28 mei 1979. Met dank aan de leden van het ‘Postdoctoraal colloquium in de sociologie van de psychotherapie’ en van het ‘Psychoanalytisch dispuut’ en aan Lo Brunt, J. Goudsblom en mevrouw J. Soetenhorst-de Savornin Lohman voor hun suggesties en aan Yvonne van der Doelen, doctoraal stagiaire, voor haar bijdragen aan de documentatie. Deze tekst is een uitgebreide en herziene versie van de rede.
2Norbert Elias, Über den Prozess der Zivilisation; Soziogenetische und psychogenetische Untersuchungen. Francke, Bern und München 1939, 1969, 2ter Band: Wandlungen der Gesellschaft, Entwurf zu einer Theorie der Zivilisation, blz. 453.

3C. Brinkgreve, J. Onland en A. de Swaan, De opkomst van het psychotherapeutisch bedrijf (Sociologie van de psychotherapie, deel I). Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen 1979: A. de Swaan met R. van Gelderen en V. Kense, Het spreekuur als opgave (Sociologie van de psychotherapie, deel II). idem. Het gedeelte over proto-professionalisering verscheen eerder als A. de Swaan, ‘Professionalisering en proto-professionalisering’. In: Jaarverslag 1976, Instituut voor Medische Psychotherapie, I.M.P., Amsterdam, z.j.
4Hiermee is de kwestie uit de wereld of Psychotherapeuten en andere hulpverleners de vraag scheppen waarin zij dan vervolgens zelf voorzien, óf dat zij een al dan niet manifeste behoefte aan hulpverlening bedienen die zonder hen ook bestaat. ‘Vraag’ is een economische term, ‘behoefte’ heeft biologische connotaties. Maar mensen leven in conflict met zichzelf en anderen en zijn gedurig doende daaraan uiting en uitleg te geven. Daarbij zijn zij meer en meer begrippen gaan hanteren die ontleend zijn aan het beroepsvocabulaire der hulpverleners en gaan zij ook in hun wederwaardigheden een nieuwe samenhang en regelmaat herkennen, naar de patronen die in die beroepskring zijn opgesteld.
5Émile Durkheim, Le suicide; Étude de sociologie (1897). Presses Universitaires de France, Paris 1960, blz. 283-5.
5aKarl Marx en Friedrich Engels, Manifest der Kommunistischen Partei (1848), M.E.W. IV, Dietz, Berlin 1972, blz. 164, resp. blz. 469.
6Anthony Giddens, Capitalism and modern social theory; An analysis of the writings of Marx, Durkheim and Max Weber. Cambridge U.P., Cambridge 1971, blz. 184.
7Sigmund Freud, Das Unbehagen in der Kultur (1930) Freud-Studienausgabe. Fischer, Frankfurt a.M. 1974, Band IX, blz. 227.
8Een goede samenvatting van de civilisatietheorie van N. Elias is te vinden bij Cas Wouters, ‘Is het civilisatieproces van richting veranderd?’ In: Amsterdams Sociologisch Tijdschrift 3 (3), december 1976, blz. 336-360.
9Maar in de historische epidemiologie blijken ook epidemische infectieziekten beschavingsziekten, die immers pas hardnekkig en grootscheeps worden wanneer mensen - in steden - in zo groten getale bijeenleven dat althans enkele sterken de besmetting overleven en de besmettende organismen bij zich blijven dragen zodat ze niet alle te gronde gaan met de ondergang van al hun menselijke slachtoffers. Vergelijk William H. McNeill, Plagues and Peoples. Anchor, New York 1976. En anderzijds treden degeneratieve ziekten niet alleen op in moderne samenlevingen vanwege de hoge gemiddelde levensduur, maar ook omdat ze daar bevorderd worden door de levensomstandigheden van de mensen.
10J.A. Weijel, De mensen hebben geen leven; Een psychosociale studie. Bohn, Haarlem 1971, blz. 10-11.
11Ibidem, blz. 12.

12Vergelijk Robert E. Dickinson, The West European city, A geographical interpretation. Routledge & Kegan Paul, London 1951, blz. 446-454.
13Lyn H. Lofland, A world of strangers; Order and action in urban public space. Basic Books, New York 1973, blz. 63.
14Jan en Annie Romein, De lage landen bij de zee; Geïllustreerde geschiedenis van het nederlandse volk van Duinkerken tot Delfzijl. De Haan, Utrecht 1930, blz. 595. In de tweede helft van de zeventiende en in de loop van de achttiende eeuw trekken gegoede burgers zich terug uit het stedelijk leven en gaan hun vrouwen zich wijden aan de fijnere huiselijke taken; de stad en ook het handwerk worden geringschattend bezien: een ‘aristocratisering van de gegoede burgerklasse’ (J. Wattel, Harem- en Pardah-systeem. Boom, Meppel 1954, blz. 278).
Terloopse zinspelingen op uitgaansbeperkingen zijn bijvoorbeeld al te vinden bij Saartje Burgerhart: ‘Wij Meisjes hebben toch zo een knaapje nodig... om ons overal te brengen, daar de Etiquete niet toelaat zonder chapeau te verschynen.’ Wed. ds. Wqlff, A. Deken, E. Bekker, Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart (1782). Den Haag, 1901, blz. 58.
In patricische kringen golden al in de achttiende eeuw allerlei uitgaans beperkingen voor jonge meisjes en vrouwen. Zulke uitgaansbeperkingen zijn door de kleine burgerij overgenomen, toen mensen van het land naar de stad trokken in zo grote getale dat die kleine burgers zich bedreigd zagen en omwille van de veiligheid én de handhaving van het standsverschil omgangsvormen gingen betrachten die zij kenden van de aanzienlijke burgerij. De periode van zeer snelle toename der stadsbevolking valt in Nederland in het laatste kwart van de negentiende eeuw (Verg.Grote Winkler Prins, onder stadsnamen): in die jaren lijken de uitgaansbeperkingen alweer te minderen. Lofland, op. cit. baseert haar veronderstellingen (‘I am suggesting...’ t.a.p. 65) op anekdotische gegevens over Victoriaans Londen. De bevolking van Londen is in de periode 1800-1840 bijna vertienvoudigd (Encyclopaedia Brittanica, ‘London’) en in die periode verbreidden zich ook de uitgaansbeperkingen onder de kleine burgerij. De bevolking van Parijs groeide veel gelijkmatiger sinds 1700 met een versnelling in de jaren 1855-1865 (Larousse, Grand Dictionnaire Universelle, ‘Paris’).
Behalve voor Londen is uit de ontwikkeling van de bevolkingscijfers geen direct verband af te leiden, met de verspreiding van uitgaansbeperkingen. De samenhang is waarschijnlijk ingewikkelder: de nieuw aangekomenen moesten ook onrust wekken en verontrusting onder de kleine burgerij in de steden; de statistieken van geweldscriminaliteit zouden een koppeling kunnen aangeven tussen stedelijke bevolkingsgroei enerzijds en anderzijds bedreiging van de kleinburgerlijke levenssfeer. Maar die verontrusting heeft ook te maken met het feitelijk verkeer tussen de standen, de onvermij delijkheid van contacten, de mate van buurtgewijze segregatie (in de loop van de negentiende eeuw worden in de nieuwe stadsuitleg de wijken elk voor een afzonderlijke klasse ingericht, waar tevoren rijk en arm veelal dooreen woonden). Van belang is ook in hoeverre de kleine burgerij zich oriënteerde op de gedragscodes van de grande bourgeoisie, of op de gebruiken in andere, grolere steden: ‘das hab'ich in Paris gelernt’.
15Lofland, op. cit., blz. 65.
16N. Elias bespreekt in het kader van een algemene theorie deze vermijding en buitensluiting van buitenstaanders door gevestigden en gebruikt daarbij de term ‘smetvrees’; Norbert Elias, De gevestigden en de buitenstaanders; Een studie van de spanningen en machtsverhoudingen lussen twee arbeidersbuurten. Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen 1976, blz. 45.
17Zo, terloops, in A.L.G. Bosboom-Toussaint, Majoor Frans (1874), Wageningen 1977, blz. 172; op het verwijt dat hij zijn dochter niet uit laat gaan antwoordt de vader: ‘Daarbij is er geen chaperon; ik ken hier de vrouwen niet.’ Ook:, idem, Mejonkvrouwe de Manléon Den Haag 1848, blz. 6.
18Aletta Jacobs, Herinneringen (1924). SUN, Nijmegen 1978, blz. 70-3. Zie bijvoorbeeld ook: Simone de Beauvoir, Een welopgevoed meisje (vert, van Mémoires d'une jeune fille rangée. Agathon, Bussum 1977, blz. 157, 178, 272, 281; C. Amory, The proper Bostonians. Dutton, New York 1947.
19L. Stratenus, De opvoeding van de vrouw; Kleine handleiding voor gegoede standen bewerkt. Amsterdam 1891, blz. 81.
20Op. cit., blz. 84.
21D.H. Engelberts, De goede toon; Een wegwijzer enz. Van Raven, De Rijp 1895, blz. 288.
22Bijvoorbeeld over Victoriaans Londen: Duncan Crow, The Victorian woman, Allen & Unwin, Londen 1971, blz. 81; over negentiende-eeuws Boston, Amory, op. cit., blz. 123-130. Van systematisch gedocumenteerd onderzoek naar deze uitgaansbeperkingen is mij ondanks veel naspeuringen niets gebleken.
23Zie bijvoorbeeld, Eli Zaretsky, Capitalism, the family, and personal life. Harper, New York, etc. 1976, blz. 56 e.v.
24Bijvoorbeeld, Amory, t.a.p., blz. 123; Jacobs, t.a.p., blz. 70; E.C. van de Mandele, Het wetboek van mevrouw Etiquette in 24 artikelen. Utrecht 1897. blz. 133; Richard Sennett, The fall of public man; on the social psychology of capitalism, Vintage, New York, blz. 217, memoreert dat de sociale herkomst van de vrijpostige man ook ter zake doet: ‘if this same worker were to have accosted a middleclass woman for the same information, it would have been an outrage.’
25M. de Viroflay, Plichten en vormen voor beschaafde mensen. Amsterdam 1918, blz. 69.
26Stratenus, op. cit., blz. 94-5.
27A. Querido, ‘Gedachten over de evolutie van het ziekenhuis’. In: De Gids 136 (9/10), 1973, blz. 619-628.
28N. Bruck-Auffenberg, De vrouw ‘comme-il-faut’, (vrij bewerkt naar het Duits), Leiden, 1897, p. 28.
29T.a.p., p. 110. Dat is sindsdien de strekking van aanbevelingen over het uitgaan: Jeanne Kloos-Reyneke van Stuwe, Gevoelsbeschaving; Handboek voor huis en gezelschapsleven, Rotterdam, 1927, p. 125: ‘Een dame kan tegenwoordig zeer goed alleen reizen’; Amy Groskamp-ten Have, Hoe hoort het eigenlijk?, Becht, Amsterdam, 6e dr. z.j. (1930?): ‘De tijden zijn voorbij, dat een vrouw-alleen niet in een café zou kunnen plaats nemen zonder hinderlijk aangestaard of op andere wijze lastig gevallen te worden.’ (P. 73).
30Jonkvr. H.A. Rappard, Goede monieren; Wat men doen en laten moet in het dagelijksch leven, Haarlem, (4e dr.), 1920, p. 110.
31Over damescafés: G.H. Jansen, De eeuwige kroeg; Hoofdstukken uit de geschiedenis van het openbaar lokaal, Boom, Meppel 1976. Over damescoupés in treinen: J.M. Fuchs en W.J. Simons, De reizende mens; Openbaar vervoer in grootmoeders tijd, Ruys. Amsterdam 1968. Ook: Kloos-Reyneke van Stuwe, op. cit. p. 125: ‘Bovendien heeft men nu immers overal de damescoupé's.’ Verg. Stratenus, op. cit., pp. 82 e.v.: ‘De damescoupé's hebben de zaak veel veiliger gemaakt, en toch nog blijft het gevaarlijk.’ Voigt het relaas van een ongewilde ontmoeting met een slager met bebloed voorschoot in de damescoupé.
32Bijvoorbeeld 'smiddags in de Kalverstraat in Amsterdam (Zie Van de Mandele, op. cit., p. 123, Aletta Jacobs, op. cit., p. 70, de hierboven aangehaalde passage; of de Scheveningse Bosjes in Den Haag, (Van de Mandele, ibidem).
33Lofland wijst erop hoe sommige straten en wijken als gevaarlijk bekend raken in alledaagse conversaties en in de massamedia: ‘locational socialization’. De feitelijke geldigheid van zulke waarschuwingen is in vele opzichten irrelevant: ‘As a general principle, then, one might say that for the city dweller, accentuating the negative is always the better part of valor.’, op. cit., p. 104.
34M. Benedikt, ‘Über Platzschwindel’, Allgemeine Wienerische Medizinische Zeitung, 15:40, 1870, p. 488 e.v.

35C. Westphal, Die Agoraphobie; eine neuropathische Erscheinung; Archiv für Psychiatrie und Nervenkrankheiten, Band 3, Berlin 1872.
Edoardo Weiss, Agoraphobia in the light of ego psychology. Grune & Stratton, New York en London 1964, maakt melding van overeenkomstige observaties door François Leuret uit 1834 (blz. 2). Paul Errera, ‘Some historical aspects of the concept, phobia’. In: Psychiatric-Quarterly 36, 1962. blz. 325-336, bevat een overzicht van verwijzingen naar fobieën sinds de oudheid en van vroege gevalsbeschrijvingen van agorafobie.
36Westphal, op. cit., blz. 160. Een aantal citaten werden in de rede in vertaling uitgesproken en zijn ook hier vertaald opgenomen.
37Barthélemy Brun, De l'agoraphobie; ses rapports avec les lésions auriculaires, Lyon 1899, blz. 44.
38Handbuch der Psychologie, 3tte Band: Klinische Psychologie, 1ste Halbband Göttingen 1977, blz. 349.
39Het fobieën-project van het Psychologisch Laboratorium aan de Universiteit van Amsterdam heeft vele onderzoekingen opgeleverd; daaruit blijkt dat onder de aldaar aangemelde cliënten agorafobie de meest voorkomende fobie is, sociale fobie naar frequentie op de tweede plaats komt. De laatste fobie komt meer onder mannen voor, de eerste, de pleinvrees, meer onder vrouwen en in het algemeen onder mensen die een huiselijk leven leiden, zoals werklozen en bejaarden. Onno van Maanen en Carl Starren, Inventarisatie van testmateriaal en een aantal sociale kenmerken van fobische patiënten, (doct. scr. o.l.v. drs. M. Knoppers). Universiteit van Amsterdam 1976, blz. 37, geven een percentage van 75 procent vrouwen onder de agorafobici. Liesbeth Schäfer en Rob Fassaert, Wat zijn dat voor mensen, (‘onze’) fobici?, (doct. secr. o.l.v. drs. F. van Zuuren), Universiteit van Amsterdam 1975, blz. 51, 67 stellen het percentage vrouwen onder de agorafobici op 67 procent; als communis opinio uit de literatuur citeren zij: ‘veel meer vrouwen agorafobisch dan mannen.’ (p. 67). J.H. Marks en E.R. Herst, ‘A survey of 1200 agoraphobics in Britain’. In: Social Psychiatry 5 (1), 1970, blz. 16-24, stellen het percentage vrouwen onder de agorafobici zelfs op 95 procent.
40André Tuinier, ‘Vermijding als modelgedrag; Over de kulturele kontekst van fobieën’. In: Bulletin Persoonlijkheidsleer. Psychol. Lab., Univ. v. A'dam, 7 (2), maart 1979, blz. 64-104, blz. 67, resp. 80. A. Tuinier interpreteert de gesignaleerde toename van de agorafobie in cultuur-historische termen. Aan G. Devereux ontleent hij de notie dat leken van psychiaters ‘modellen van fout gedrag’ overnemen, in dit geval een fobisch model; een gedachte die analoog is aan de algemenere notie van protoprofessionalisering (zie noot 3). In het proces van voortschrijdende individualisatie doen mensen nu angsten op die zij in termen van dit fobisch model kunnen vertalen en ter behandeling kunnen presenteren. Ook bij F.J. van Zuuren, Slachtoffers van de openbare orde; Een culturele benadering van de agorafobie (intern rapport, Psychol. Lab., Univ. v. A'dam), 1975, is een cultuur-historische interpretatie van de pleinvrees te vinden: de opkomst van idealen van persoonlijke uniciteit zijn strijdig met de organisatie van menselijke verhoudingen op grote schaal en deze spanning leidt tot agorafobische angsten.
41Sigmund Freud, Hemmung, Symptom und Angst, (1926), Freud-Studienausgabe. Fischer, Frankfurt a.M.: 1971, Band VI, blz. 253.
42Ibidem, blz. 269.
43Ibidem, blz. 270.
44Helen Deutsch, The genesis of agoraphobia. In: International Journal of Psychoanalysis 10, 1929, blz. 51-69 (gecit. bij Weiss, op. cit. blz. 7).
45Zie ook de inleiding tot De Swaan c.s., op. cit., blz. 29.
46Weiss, op. cit., blz. 98 e.v. beschrijft overeenkomstige symptomen bij Alessandro Manzoni in 1810.
47J.T. Barendregt en A.A.M. Bleeker, ‘Een geval van agorafobie bij een esoforie.’ In: De Psycholoog 8, 1973, blz. 43-48, blz. 48.
48W.F. Fry, ‘The marital context of an anxiety syndrome’. In: Family Process, 1 1975, blz. 245-255, blz, 251. Vergelijk ook W.W.F. Schaper, ‘Some aspects of the interaction between phobies and their partners’ in: (J.C. Brengelman & W. Tunner, red.), Behaviour Therapy - Verhaltenstherapie; Praktische und theoretische Aspekte. Urban & Schwarzenberg, München etc. 1973: ‘it is not always possible to isolate the phobia of some phobies from the social context. There are indications that the partner of a patient may remain well-adjusted and free of complaint thanks to the phobia of the other. The relationship can then be described as a mutual exchange of inconsistent behaviour.’ (blz. 97). Een recent onderzoek van F. Milton en J. Hafner, (General Archives of Psychiatry) bevestigt deze conclusies volgens de New York Times 15/8'79).
49Christopher Lasch, Haven in a heartless world; The family besieged. Basic Books, New York 1977.
50Deze veronderstelling maakt begrijpelijk waarom de fantasieën van fobici, of van hysterici, of van ‘perverten’ telkens onderling zoveel overeenkomst vertonen, hoezeer ook bij ieder mens afzonderlijk ontstaan en betekenis zullen verschillen: ze komen niet uit een collectief onderbewustzijn, maar worden ontleend aan een overlevering van half-heimelijke, half-schertsende bakerpraatjes, griezelverhalen en stereotiepen die onder vorige generaties nog tot de openbare mening behoorden.

51Zie voor literatuurverwijzingen de noten bij paragraaf 5.
52Cas Wouters, ‘Is het civilisatieproces van richting veranderd?’ In: Amsterdams Sociologich Tijdschrift 3.(3), december 1976, blz. 336-360.
53Op. cit., blz. 345, ontleend aan een ongepubliceerd artikel van N. Elias.
54Sinds 1900 is het aantal ‘schuldigverklaringen’ wegens agressieve misdrijven met nog geen 20 procent gestegen, terwijl de bevolking in die tijd bijna verdrievoudigd is. ‘Wederspannigheid’ is sterk afgenomen, het aantal mishandelingen ongeveer gelijk gebleven, het aantal gevallen van moord en doodslag schommelde tussen de 17 en de 50, maar is sinds 1965 stijgende tot 120 in 1976. Het aantal seksuele misdrijven nam toe tot 1950 en daalt gestadig sindsdien. Het aantal schuldigverklaringen wegens vernieling bleef tot het eind der jaren veertig constant en stijgt sindsdien (van ongeveer 1000 tot 2360 in 1975). Zie Zeventig jaar statistiek in tijdreeksen 1899-1969. Centraal Bureau voor de Statistiek, Staatsuitgeverij, 's-Gravenhage 1970.
‘De vrouw als slachtoffer van aanranding en verkrachting krijgt verhoudingsgewijs veel aandacht van het publiek. Deze belangstelling wordt overigens niet gerechtvaardigd door de statistische omvang van de zedendelicten. Deze is namelijk zeer klein en neemt nog steeds af.’ Naar de werkelijke omvang van dit delict zijn een aantal onderzoeken gedaan: daarbij gaf telkens een half procent der vrouwen op in dat jaar slachtoffer geweest te zijn van een zedendelict, dan wel van aanranding, de meesten deden geen aangifte. ‘De omvang die uit het onderzoek blijkt, is echter niet zo hoog dat er reden is voor vrouwen om zich onveilig te voelen.’ J.L. Meyer, Sociale atlas van de vrouw. Sociaal en Cultureel Planbureau, Staatsuitgeverij, 's Gravenhage 1977.
55Integendeel, de verontwaardiging is toegenomen: ‘The rape perpetrated by a working-class man on a working-class woman was treated by magistrates as a rather humorous interlude.’ Benjo Maso, ‘Beheersing en scheidslijnen; Een kritiek op de civilisatietheorie van Norbert Elias’. In: Amsterdams Sociologisch Tijdschrift 5 (2), Oktober 1978, blz. 258-283, blz. 262. (Ontleend aan Pearsall).
Over de impulsbeheersing onderjongeren: J.M.W. van Ussel, Geschiedenis van het seksuele probleem. Boom, Meppel 1968, blz. 66: ‘Gaat men de toestand na in een bioscoopzaal (d.i. in een omgeving waarin het moderniseringsproces ver gevorderd is), dan constateert men er de aanwezigheid in de halve duisternis van mannen en vrouwen, jongens en meisjes, die zonder toezic