|
|
|
| |
2 Ongeschiktheid, nabijheid en meegaandheid
Om de uitsluiting, impliciet in de institutie van eigendom, te handhaven en
tegelijkertijd de gevolgen ervan te verzachten, was het nodig regels te
ontwerpen voor de herverdeling van het surplus en om categorieën van armen te
definiëren die recht hadden op hulpverlening. Impliciet waren zulke indelingen
altijd al toegepast, maar in de zestiende en zeventiende eeuw werden ze ook
onderwerp van brede discussie.4 Op zichzelf zeggen ze niet veel over de feitelijke
levensomstandigheden van de armen in al hun verscheidenheid, maar ze onthullen
veel over hoe de rijken daarover dachten.
De drie criteria die van meet af aan impliciet waren in bijna alle indelingen van
armoede zijn ongeschiktheid, nabijheid en meegaandheid.
Ongeschiktheid heeft betrekking op het onvermogen in het eigen
levensonderhoud te voorzien. Deze dimensie vormt de ‘behoefte’, de andere twee
betreffen de ‘aanspraak’. Ongeschiktheid is dus de noodzakelijke voorwaarde, zij
het op zichzelf zelden voldoende.
Strikt genomen kan niemand voor zichzelf zorgen wanneer eenmaal een
arbeidsverdeling ontstaan is: het beste wat men kan doen is anderen voor zich
| | | | laten zorgen als tegenprestatie voor de eigen inspanningen.5 Het
criterium kan daarom slechts binnen de context van de produktie- en ruilmiddelen
in een gegeven maatschappij worden geïnterpreteerd, en tegen de achtergrond van
wisselende arbeidsomstandigheden. Op dit algemene niveau is ongeschiktheid het
waargenomen onvermogen om enigerlei activiteit te ontplooien die een sociaal
geldige aanspraak schept op iemand anders' middelen, voorraden of inspanningen.
In elke ruil, of deze nu in geld of in natura plaatsvindt, schuilt een notie van
wederkerigheid. Ongeschiktheid is dus het onvermogen om in een wederzijdse
ruilrelatie een gelijkwaardig geachte tegenprestatie te leveren. Eerbied en
dankbaarheid, gebeden en zegenspreuken behoren tot de beloningen die de armen
kunnen schenken, of, negatief, afzien van geweld, beledigingen, vervloekingen of
betoveringen.6 Op deze manier kan er
een morele of metafysische economie bestaan die de op het materiële niveau
ontbrekende wederkerigheid herstelt. Dit toont zowel het sociaal geconstrueerde
karakter van schijnbaar feitelijke categorieën als ongeschiktheid, als een
menselijke neiging om interpretaties te bedenken die een relationele asymmetrie
kunnen opheffen.
In overwegend agrarische samenlevingen gold iemand als gezond van lijf en leden
als hij het land kon bewerken of de boeren bij hun werk kon helpen om zo een
deel van de opbrengst in geld of natura te verdienen. Zelfs dit criterium laat
een breed scala aan vaardigheden toe: van geitenhoeden - wat meestal maar weinig
kracht en vaardigheid vergde - tot ploegen en oogsten, vaak zwaar werk dat een
voiledig functionerend volwassen lichaam vereist.
Het tweede criterium is nabijheid. Dit definieert een sociaal
bereik van verantwoordelijkheid. Daarbinnen komen de armen ten laste van de
rijken, daarbuiten zijn zij anderen tot last, of niemands zorg. Nabijheid kan
zowel betrekking hebben op verwantschap als verblijfplaats. Verwantschap is tot op de dag van vandaag een
belangrijk criterium van verplichting, bij voorbeeld in de wederzijdse plicht
tot hulp tussen ouders en kinderen, een plicht die zich soms uitstrekt tot
grootouders en neven en nichten. In kleine nomadische en vroegagrarische
gemeenschappen was het wellicht het enige criterium, maar toen de sedentaire
landbouw zich verbreidde en familieleden niet altijd meer dicht bij elkaar
woonden, werd het aangevuld met en deels vervangen door het criterium van
verblijfplaats. Zelfs de simpele maatstaf van nabijheid sluit één oplossing van
de armoede uit: de armen eenvoudigweg verjagen. Met het criterium van
verblijfplaats wordt elke arme ingedeeld bij een bijstandsgemeenschap, waarmee
de verantwoordelijkheden nauwkeurig kunnen worden afgebakend: dit was uiteraard
de gedachte achter de roemruchte Engelse Elizabethaanse armenwetten en de
edicten die daaraan voorafgingen op het Europese vasteland: die van Karel V voor
de Lage Landen (1531), Ferdinand I voor Oostenrijk (1552), Johann Georg voor
Brandenburg (in Pruisen), en het parlement van Parijs (1535).7 Het criterium van verblijfplaats was in
beginsel al door het tweede concilie van Tours (567) uitgevaardigd: ‘Ut unaquaeque civitas pauperes et egenos incolas alimentis
congruentibus pascat secundum vires’ - dat iedere gemeenschap de
autochtone armen | | | | en behoeftigen op passende wijze voede, elk naar
eigen vermogen.8 En zelfs toen
voegden de bisschoppen, in een continentale raad bijeen, er een motivering aan
toe die het bereik van de geïsoleerde dorpseconomieën van die tijd te boven
ging, maar die aan het begin van de moderne tijd van overheersend belang zou
worden: ‘quo fiet ut ipsi pauperes per civitates alias non
vagentur’ - opdat niet de armen van de ene gemeenschap naar de andere
zullen zwerven.9
De vroege absolute vorsten trachtten de lokale zorg voor behoeftige inwoners af
te dwingen door een verbod op landloperij, bedelarij en het verstrekken van
aalmoezen uit te vaardigen en tegelijkertijd een scherp onderscheid te maken
tussen armen die al dan niet hulp verdienden. Dit curieuze mengsel van repressie
en zorg is karakteristiek voor het sociale beleid aan het begin van de moderne
tijd.10 De
mislukking ervan zou Europa en Amerika nog gedurende vele eeuwen parten spelen.
Er is nog een derde criterium, dikwijls vermomd als een moreel of juridisch
oordeel: meegaandheid. Dit heeft betrekking op de mate van
passiviteit of activiteit waarmee de armen streven naar een herverdeling van het
surplus waarvan ze uitgesloten zijn. Aan het ene uiterste bevonden zich de pauvres honteux, de fatsoenlijke en beschaamde behoeftigen die
hun ellende verborgen hielden en niets eisten, maar de liefdadigheid
accepteerden zonder erom te bedelen.11 In werkelijkheid was dit vaak toch een
tamelijk actieve maar subtiele strategie om verhuld aanspraak te maken op zorg
en bedeling. Degenen die uit bedelen gingen en zo, vaak met veel vertoon, de
aandacht vestigden op hun misère, waren al wat meer actief.12 Via subtiele
nuances in gebaar en mimiek kon een bede om aalmoezen overgaan in een eis; wie
weigerde liep kans op een vervloeking of een bedekte dreiging van geweld, roof
of brandstichting. Het bleef niet altijd bij een dreigement; maar al te vaak
kwam het tot diefstal en vernieling. Het andere uiterste werd gevormd door de
armen die in bendes verenigd de boeren van de streek terroriseerden. Al deze
overgangsvormen tussen passiviteit en activiteit, tussen meegaandheid en
rebellie, worden in het zestiende- en zeventiendeeeuws taalgebruik in steeds
afwijzender morele termen aangeduid, van pauvres impotens et
honteux tot coquins vagabonds.
De zwakke armen probeerden medelijden op te wekken, maar vaak ook angst aan te
jagen. Afzichtelijke melaatsen hieven hun hand op alsof zij de voorbijgangers
gingen aanraken - en besmetten. Een armzalige oude vrouw fluisterde
zegenspreuken, maar als ze geen gehoor vond, uitte ze vervloekingen en
toverspreuken. De verminkte bedelaar strompelde op de voorbijgangers af, smerig
stinkend en iedereen besmeurend die hij aanraakte. Zelfs kinderen konden dreigen
nog afzichtelijker zweren te laten zien dan ze al toonden, ze schimpten en
scholden op de omstanders, liepen hen achterna en maakten hen te schande, of ze
stalen wat hun geweigerd werd. Een stumper kon de gierigheid of gevoelloosheid
van iemand die niet wilde geven aanklagen door ieders aandacht op de weigeraar
te vestigen. De zwakken bedelden bij voorkeur in het openbaar en met veel
vertoon, op pleinen of bij kerken. Wat voor het publiek een zaak van moreel | | | | gevoel was, was voor hen die bedelden om den brode een kwestie van
techniek: aandacht trekken, medelijden wekken, aanklagen en heimelijk bedreigen.
Het bedelaarsvak heeft een lange traditie, en de kunstgrepen ervan zijn
gereconstrueerd door sociale historici als Aydelotte, Cobb, Geremek, Küther,
Salgado en anderen. Voor die armen die niet beschaamd thuis de bedeling wilden
afwachten en die hun behoeftigheid opvatten als een soort beroepskwalificatie,
was de uitstalling en overdrijving van hun ellende de enige manier om hun
dagelijks brood te verdienen.13
Ook de zwakken konden gevaarlijk zijn; er is niet veel lichaamskracht voor nodig
om van onbewaakte akkers te stelen, uit boomgaarden te plukken, loslopende
geiten te melken, of erger, wraak te nemen door de schuren in brand te steken
(een voortdurende angst) of de putten te vergiftigen.14
Het minst meegaand en het meest actief waren echter de gezonde zwervers die zich
in bendes verenigden en een gehele streek terroriseerden. De armen op het land
beschouwden deze bandieten vaak als rebellen en koesterden een heimelijke
sympathie voor ze. Tegen de dreiging van deze bendes - een bedreiging die in
Europa en de Verenigde Staten tot diep in de negentiende eeuw voortduurde, en
hier en daar zelfs tot in onze eeuw - zijn allerlei maatregelen uitgevaardigd
die veel hebben bijgedragen tot de transformatie van de lokale armenhulp tot het
moderne, nationale systeem van heropvoeding en hulpverlening.
De drie dimensies van ongeschiktheid, nabijheid en meegaandheid werkten op elkaar
in. Maar ongeschiktheid bleef het voornaamste criterium, omdat daardoor de
opties van de armen in de andere twee dimensies bepaald werden.
Een gezonde volwassene kon werken voor de kost, en iemand die kon werken, kon ook
lopen en vechten. Dat was de fundamentele formule waarin werk, landloperij en
rebellie werden gelijkgesteld. Het feit dat iemand kon lopen maakte hem tot een
potentiële vagebond, tot iemand die de gemeenschap kon verlaten, eruit verdreven
kon worden, of als een rondzwervende vreemdeling zich er aan kon opdringen. Zo'n
‘krachtig’ persoon was echter ook in staat tot werken, en kon daarom nuttig
gebruikt worden, of als iemand die geen hulp nodig heeft, van ondersteuning
worden uitgesloten. En wie kon werken en lopen, kon vechten, stelen, roven,
verkrachten, brandstichten en plunderen. Zulke mensen moesten tot bedaren worden
gebracht of opgesloten, verjaagd of vermoord. Omgekeerd werden vaganten bij
voorbaat van bedelarij of dieverij verdacht: want ook al beweerden ze met werken
in hun onderhoud te voorzien als scharensliepen, jongleurs, waarzeggers, ze
konden daar toch zelden van rondkomen.15 En ook een smeekbede om aalmoezen liep vaak uit op een eis die
als een schatting werd opgelegd en die maar weinigen durfden te weigeren.16
Uit dit alles volgt dat wie geen vaste verblijfplaats had, in staat moest zijn om
rond te trekken en dus ‘krachtig’ moest zijn.17 En er volgt ook uit dat een meer actief - dat wil
zeggen: meer laakbaar - optreden alleen voor zulke gezonde armen was weggelegd.
Nog drie of vier generaties terug waren zwerversbendes een even gebruikelijke
als angstaanjagende verschijning op het platteland: ze | | | | bedreigden
reizigers en terroriseerden afgelegen hoeven, werden voortdurend opgejaagd, maar
zelden uitgeroeid door de politiekorpsen van de staat. Ze vormden een geheel
eigen gemeenschap, met ingewikkelde hiërarchieën en onderscheidingen,
loyaliteiten en codes. Deze onderklasse was vaak vrij talrijk, al hebben de
tijdgenoten het aantal misschien overdreven. De zwakke armen konden zich op hun
zwerftochten alleen handhaven als de bevolking geloofde dat zij bovennatuurlijke
krachten hadden, angstaanjagende tovenaars waren en vervloekingen konden
uitspreken: dit geloof in hun bovennatuurlijke gaven kon hun lichamelijke zwakte
compenseren.18 Het geloof in hekserij kan dus
heel goed méér levens hebben gered dan gekost, omdat het mensen ertoe bewoog om
rondzwervende oude vrouwen aalmoezen te geven.19 In het algemeen sloten
de sterkste en meest vertwijfelde armen zich aan bij de bendes die zich in de
bossen verborgen hielden.20 Küther beschouwt deze vagebonden in het zeventiende en
achttiende-eeuwse Duitsland als een afzonderlijke sociale laag, die bij tijden
tot 20% van de bevolking omvatte en goed genoeg georganiseerd was om de
staatsmacht keer op keer te weerstaan.
In de vroeg-moderne tijd waren er in Europa aan het ene uiterste de invalide,
inheemse, passieve armen, die op al deze drie gronden aanspraak konden maken op
hulp, en aan de andere kant de krachtige, rondzwervende en actieve armen, die
driewerf bestreden dienden te worden. Tussen de fatsoenlijke armen enerzijds en
de krachtige zwervers anderzijds bevond zich een aantal tussenliggende
categorieën, zoals Figuur 2.1 laat zien.21

Figuur 2.1 De drie dimensies van de armoede in het vroeg-moderne
Europa
| | | |
Het meest tragisch waren misschien wel de invalide armen zonder vaste
verblijfplaats. Als ze maar met weinigen waren, en vragend en bedelend, maar
heel meegaand, hun weg zochten, kwamen ze wellicht een goede ziel tegen die hen
verder hielp. Maar zodra door hongersnood of pestilentie hun aantal toenam,
werden de stille, ellendige scharen van zieke, uitgehongerde boeren die door de
catastrofe van hun land verdreven waren, het voorwerp van geschokt medelijden,
en naarmate hun gelederen aangroeiden tot een onstuitbare massa en zij
zelfvertwijfeld en talrijk genoeg waren om de oogsten te plunderen en de steden
te bestormen, het voorwerp van haat en angst. ‘De permanente confrontatie met de
rondtrekkende bezitslozen werd een obsessie voor de “rechtgeaarde” Europeanen...
Men zoekt vergeefs naar een spoor van begrip, een vaag gevoel van
sympathie.’22 De
stadsmuren moesten de stad vaak evenzeer tegen deze armen verdedigen als tegen
vijandige legers. Hun spookbeeld sluimert nu in de marges van het Europese
bewustzijn, en wordt alleen nog opgeroepen door berichten uit verre landen waar
hongersnood en ziekte nog steeds de armen teisteren: verschijningen op de
beeldschermen van de welvaartswereld van het Westen, waar ze een even humanitair
als kosteloos medelijden oproepen, maar nauwelijks verontrusting wekken, en al
helemaal geen angst.
De invalide armen die zich in de dorpen hadden gevestigd of naar de steden waren
getrokken, waren aangewezen op plaatselijke liefdadigheid. Zolang ze maar
meegaand waren, hadden ze zonder meer recht op aalmoezen. Als ze weerspannig
werden, was het in kleine gemeenschappen eenvoudig om hen te bedwingen, maar in
de steden veel moeilijker; daar vormden ze een vergaarbak van bedelaars die
overliep in een poel van kleine misdaad, diefstal en prostitutie.23
Er waren natuurlijk ook gezonde armen die op het platteland leefden van de
opbrengsten van de gemeenschapsgronden, of in steden als oisifs, leeglopers, alle slechtheden bedreven die bij het stadsleven
hoorden. Zulke inheemse armen waren zichtbaar en bruikbaar. Gezond als ze waren,
werden ze ook gevreesd, en werd alles wat ze ondernamen om hun lot te verbeteren
hun kwalijk genomen, voor zover dat geen werk voor loon inhield: ze waren dan
ook het eeuwige voorwerp van zorg en hervorming. Omdat ze konden lopen, konden
ze ieder moment gaan zwerven en veel zwervers die kans zagen de stad binnen te
komen, voegden zich bij hen.
De dimensies van ongeschiktheid, nabijheid en meegaandheid maken een eerste en
globale karakterisering van de verschillende vormen in de periode van armoede
mogelijk, maar ze zijn onvoldoende voor een volledige indeling van alle
uiteenlopende verschijningsvormen van de vroege middeleeuwen tot heden; ze
corresponderen echter wel met door de autoriteiten gehanteerde fundamentele
onderscheidingen tussen de rechthebbende en de gevaarlijke armen.
|
4Vgl. Furet; Depauw;
Gutton, 1971.
5Vgl. het titelessay in De Swaan, 1982.
6Vgl. Gouldner, 1973, p. 242: ‘Een norm
van wederkerigheid stelt in zijn universele vorm twee, onderling
samenhangende, minimale eisen: (1) mensen moeten hen die hen geholpen hebben
helpen, en (2) mensen mogen hen die hen geholpen hebben niet schaden.’
Vooral de tweede voorwaarde is hier relevant.
7Resp. Bonenfant, pp. 117, 156 e.v.; Stekl, p. 24; Dorwart, pp.
96-7; Geremek, 1974, p. 351.
10Vgl. Geremek, 1974, p. 351.
11Vgl. Geremek, 1976,
p. 209; Gutton, 1971, p. 23.
12Vgl. Geremek, 1976, p. 212; Garraty, p. 28.
13Vgl. Geremek, 1976, p.
221.
14Vgl. Abbiateci; Hufton, p. 206; E. Weber, p. 16; Geremek, 1976, p.
215.
16Vgl. Küther, p. 16; Hufton, pp. 202 e.v.
17Ze moesten
Rufflers en Upright Men zijn, zoals
de hoogste orden der schurken heetten bij Thomas Hardon, geciteerd in
Aydelotte, p. 27.
18Vgl. Salgado, p. 91: ‘Voor een oude
vrouw in een Elizabethaans dorp konden een handvol erwten, een zak graan, of
een paar eieren al het verschil uitmaken tussen nog net overleven en haast
ondraaglijke ontbering. Een reputatie van hekserij kon, binnen zekere
grenzen, een bruikbare manier zijn om te zorgen dat haar buren haar niet te
vaak zonder zo'n gift lieten gaan.’
19Vgl. idem, p. 87: ‘Dat het vrouwen waren was te verwachten,
want oude vrouwen en kinderloze weduwen waren economisch en sociaal de
kwetsbaarste leden in een kleine gemeenschap.’
20Vgl. Le Goff, 1964, p.
297.
21Vgl. Küther, p.
38; vgl. voor andere ramingen Endres, pp. 223-5, Sachsse &
Tennstedt, p. 102; voor Frankrijk: Geremek, 1974, p. 358.
23Vgl. Aydelotte; Geremek, 1976; Mollat, p. 198-202;
Salgado.
|
|