|
|
|
| |
| | | |
3 Plaatselijke charitatieve stelsels en het probleem van collectieve
actie
Overal waar de sedentaire landbouw tot ontwikkeling kwam ontstonden betrekkelijk
duurzame eigendomsverhoudingen. De agrarische levensvorm leidde vrijwel altijd
tot exclusief gebruik van een gedeelte van de grond, exclusieve aanspraken op
het vee, de beschikking over eigen duurzame werktuigen en de beschikbaarheid van
een voedselsurplus, al was het maar als zaaigoed voor het volgende seizoen. Die
tamelijk exclusieve beschikking over levende have, grond, gereedschappen en
voorraden moest verdedigd worden tegen andermans hebzucht.24 Het tiende gebod bevat een
nauwkeurige inventaris van het vroeg-agrarische bezit: ‘En gij zult niet
begeeren uws naasten vrouw, en zult u niet laten gelusten uws naasten huis, noch
zijnen dienstknecht noch zijne dienstmaagd, zijnen os noch zijnen ezel, noch
iets dat uws naasten is.’25
Tussen de bezitters ontstonden afspraken over de eerbiediging van elkanders bezit
die duidelijk het karakter van wederkerige verplichtingen, of liever van
niet-aanvalsverdragen vertoonden. Maar het bezit moest ook verdedigd worden
tegen de bezitslozen in de eigen gemeenschap. Dat gebeurde altijd met predikatie
en vermaan, als het kon door omheining en uitsluiting, als het moest met moord
en doodslag.
Dat was weliswaar geen uitzondering, maar evenmin de regel: armenzorg was
christenplicht. Het is gebruikelijk die zorg voor de armen te beschrijven in
termen van individuele altruïstische motieven en als een aangelegenheid tussen
twee partijen, de barmhartige en de begunstigde, de gever en de ontvanger van de
aalmoes. In feite was die armenzorg van meet af aan voorwerp van collectieve
actie, en diende ook een collectief goed.
In de sedentaire landbouwsamenleving met haar betrekkelijk duurzame eigendoms- en
uitsluitingsrelaties stonden de bezitters en de bezitslozen in een
complementaire relatie tot elkaar. De bestendiging van die verhoudingen van
aanspraak en uitsluiting was het gemeenschappelijk belang van de bezitters
binnen een bepaalde regio. De ambulante armen konden van de ene boerderij naar
de andere trekken. Zij waren potentieel inzetbaar als arbeidskrachten,
potentieel gevaarlijk als rovers of brandstichters. Zowel hun bruikbaarheid als
hun dreiging gold niet een individuele boer, maar alle boerderijen binnen
loopafstand.26 In de confrontatie tussen gevestigde boeren
en paupers trachtten de laatsten medelijden te wekken en in min of meer bedekte
termen ook angst aan te jagen; de boeren konden hun plichtsgevoel van
naastenliefde volgen, maar ook proberen deze vage bedreigingen af te weren. De
christelijke leer bevatte een scenario voor het verloop van dit soort
ontmoetingen dat beide partijen bekend was en waaraan zij beiden refereerden.
Tot zover de bilaterale aspecten van de aalmoes.
Maar voor een boerengemeenschap had die barmhartigheid nog andere functies, die
de agrarische gemeenschap als geheel betroffen. Door liefdadige giften | | | | werden de valide armen weerhouden van opstandigheid en misschien ook
misdaad. Hongerlijders vielen eerder ten prooi aan ziekten en vormden daardoor
besmettingshaarden voor de rest van de gemeenschap. Dit is niet altijd zo
begrepen, maar in magische voorstellingen van smet en onreinheid wel aangevoeld.
En zelfs van invalide armen had de gemeenschap vervloekingen en tovenarij te
vrezen en ook die konden door christelijk deugdbetoon bezworen worden. De eerste
collectieve functie van liefdadigheid was dus de bezwering van de dreiging die
van de armen uitging.
De valide armen vormden ook een reservoir van arbeidskrachten die naar gelang het
seizoen en de omvang van de oogst inzetbaar waren. Een boerengemeenschap die de
‘krachtige armen’ in de wintermaanden liet creperen kwam in het voorjaar handen
tekort. De instandhouding van dit reserveleger was dus ook een algemeen belang
waaraan collectieve aspecten verbonden waren.27
De armenzorg vormde bovendien voor de gevestigde boeren een collectieve
verzekering tegen eigen toekomstige tegenslag. De invalide armen waren vooral
wezen en weduwen, bejaarden en gebrekkigen. En wat hun overkomen was kon ook de
bemiddelde boer of de zijnen te wachten staan: hodie mihi, cras
tibi. Aalmoezen hadden daarbij de magische functie het eigen noodlot te
bezweren.
Boeren die geen bijdrage wilden leveren aan de liefdadigheid, genoten toch van de
betrekkelijke rust en orde die met de giften van anderen waren gekocht. In het
seizoen konden ook zij de arbeidskracht huren van armen die dank zij de
aalmoezen van andere boeren de winter hadden overleefd. In deze zin creëerde de
collectieve actie van de rijken een collectief goed waar alle boeren van
profiteerden, of ze er nu toe bijgedragen hadden of niet. De veiligheid waarin
de liefdadigheid resulteerde, was in hoge mate een ‘ondeelbaar goed’ waarvan
niemand in het dorp kon worden uitgesloten. Dit geldt tot op zekere hoogte ook
voor het handhaven van de arbeidsreserve; zelfs boeren die niet aan het
onderhoud van de armen hadden meebetaald, konden hen in het seizoen huren. Het
geldt veel minder voor liefdadigheid als collectieve verzekeringsregeling, omdat
men de nabestaanden van een schraperige boer uit vergelding van de uitkeringen
kon uitsluiten.
Liefdadigheid schiep dus een in belangrijke opzichten ondeelbaar goed dat geen
enkele boer afzonderlijk kon realiseren, terwijl het toch geschapen kon worden
als sommigen eraan weigerden mee te werken: onder deze voorwaarden ontstaan de
dilemma's van collectieve actie, toegepast op gemeenschapsliefdadigheid.
Charitas was en is een bij uitstek altruïstische gedragsvorm: de opoffering van
geld of goed ten behoeve van anderen, een handelwijze die bovendien de
gemeenschap der bezitters als geheel ten goede kwam. Die liefdadigheid is dus
niet alleen op te vatten als een tweezijdige relatie tussen een schenker en een
ontvanger, maar moet ook begrepen worden in de context van de collectieve actie
van de bezitters ten behoeve van collectieve belangen, zoals de afweer van
dreiging en het onderhoud van een arbeidsreserve.
| | | |
Naarmate in heel West-Europa vanaf de negende eeuw de sedentaire landbouw in
dorpsgemeenschappen meer en meer de gangbare levensvorm werd, onstonden er om te
voorzien in het levensonderhoud van de armen geleidelijk onderlinge
arrangementen, in alle overgangsvormen van individuele aalmoezen tot dwingend
opgelegde heffingen voor een communale bijstand. Wanneer zulke
boerengemeenschappen in betrekkelijke vrede en veiligheid konden bestaan, dus na
de periode van de grote volksverhuizingen in Europa, kon zich een stelsel van
armenzorg ontwikkelen waarin de lasten onderling min of meer evenwichtig
verdeeld waren en de giften volstonden om de armen in leven te houden.28 Dat die armen desondanks arm bleven, betekende dat de
bezitters erin slaagden hun grond, gereedschap en voorraden te beschermen en min
of meer stabiele eigendomsrelaties te bestendigen. Deze stabiliteit was
natuurlijk ook het resultaat van militaire bescherming en pacificatie door
feodale heersers, die de boeren gewoonlijk vrij lieten om onderlinge taken zoals
de armenzorg in eigen kring te regelen, zolang ze hun pacht maar stipt
betaalden.29
Onder zulke omstandigheden, die in grote delen van Europa tussen de negende en de
veertiende eeuw golden, konden zich in boerengemeenschappen collectieve
charitatieve stelsels ontwikkelen. De gevestigde leden van de gemeenschap
droegen, zonder dwang van of heffing door een derde partij, bij aan een aantal
collectieve voorzieningen ten behoeve van ‘eigen armen’. De reconstructie van
deze regelingen is moeilijk omdat het weinige dat geboekstaafd is, werd
opgetekend door geestelijken, die in deze stelsels een geheel eigen rol speelden
en er een eigen visie op na hielden.
De armen konden, net als de gevestigde boeren, rechten doen gelden op de
gemeenschapsgronden. Op het land dat tot de onverdeelde boedel van de
gemeenschap hoorde, konden ze een hut bouwen, vee weiden, voedsel en brandstof
verzamelen. Voor het overige werd de armenzorg volgens een of andere
verdeelsleutel hoofdelijk omgeslagen. Al heel vroeg was het de taak van de
dorpsgeestelijke erop toe te zien dat de gevestigde boeren hun christenplicht om
de armen te voeden en te huisvesten niet verzaakten.30
De eenvoudigste vorm van armenzorg bestond erin dat elke hoeve een evenredig
aantal armen aan de dis liet meeëten of in de schuur liet slapen. Maar zelfs dit
veronderstelde enige overeenstemming over het juiste aantal per boerderij.
Naarmate de kerk in de boerengemeenschappen gevestigd raakte, werden door de
geestelijken collectes gehouden en aalmoezen aan de armen uitgedeeld, doorgaans
in natura: tarwe, brood, bier enzovoort. Hier en daar, meestal in of bij steden,
kwam het tot de stichting van gasthuizen waar bejaarden, wezen, zieken,
krankzinnigen, zwervers en hongerlijders werden opgenomen. Dergelijke
stichtingen werden onderhouden met giften en legaten, en gedreven door
lekebroeders en vooral liefdezusters.31 De armenzorg is dan al
enigermate geïnstitutionaliseerd; er wordt boek gehouden en de eerste klachten
over wanbeheer en bestedingen door de bestuurders en verzorgers ten eigen
behoeve zijn zo in de archieven bewaard gebleven.32 Gaandeweg werd
de liefdadigheid door geeste- | | | | lijken steeds meer geritualiseerd:
aalmoezen en donaties werden gekoppeld aan bijzondere gelegenheden, bij bepaalde
festiviteiten deelde men speciale gerechten uit, en giften werden meer en meer
gereserveerd voor een ceremoniële lijst van personen, de immatriculated of marquillers, ‘ingeschrevenen’ op
grond van geboorterecht, veelal onafhankelijk van hun feitelijke toestand.33
De rudimentaire armenzorg in de middeleeuwse boerengemeenschappen droeg een
collectief karakter en bleef althans ten dele vrijwillig. De kerkelijke tiende
werd in toenemende mate een heffing die afgedwongen kon worden en was in theorie
en ten dele bestemd voor aalmoezen.34 Maar
daarnaast en daarenboven bleven de giften en schenkingen ten behoeve van
uitdelingen en gasthuizen vrijwillig. De theologische zin van die vrijwilligheid
was dat alleen de gave uit de volheid des harten als waarlijk liefdadig gold en
kon bijdragen aan het zieleheil.35 De economische functie van deze vrijblijvendheid kan erin
gelegen zijn dat de bezitters niet gebonden wilden zijn aan een vaste afdracht,
maar hun bijdragen wilden kunnen aanpassen aan een wisselend bedrijfsresultaat.
De kerk en de feodale heren hadden al moeite genoeg om hun pachten en tienden te
innen en wilden hun dwangmiddelen niet ook nog eens inzetten ten behoeve van de
armenzorg.
In de loop van de dertiende eeuw ontstond in het gebied van Spanje en Portugal
tot aan de Lage Landen een stedelijke lekenliefdadigheid met een collectief
karakter op het niveau van de parochie, waarbij de ‘gemene aalmoes’ in de Table des Pauvres, de Armentafel, verzameld werd, beheerd door
de plaatselijke notabelen onder toezicht van de parochiegeestelijke en het
gemeentegezag. Zulke vrijwillige, collectieve charitatieve stelsels ontstonden
ook in de middeleeuwse steden en opnieuw met grofweg dezelfde drieledige functie
van bescherming, arbeidsreserve en onderlinge verzekering.36 Broederschappen (confréries),
eedgenootschappen en gilden vormden steunfondsen om de ‘eigen’ armen te
onderhouden.37 Dikwijls
was de inzameling en de bedeling opgedragen aan geestelijken of aan een
kerkelijke stichting. De uitdeling van aalmoezen trok van heinde en verre
beroepsbedelaars aan die zo aan hun trekken kwamen ten koste van de inheemse,
‘eerlijke’ armen. In de laat-middeleeuwse steden wordt dan ook telkens weer een
bedelverbod afgekondigd (en daarnaast een verbod op het geven van aalmoezen),
gekoppeld aan een arbeidsplicht voor valide armen en een onderhoudsregeling voor
invalide behoeftigen.
Fischer concludeert: ‘Van begin af aan ging het niet alleen om rechtvaardigheid
voor de behoeftige bedelaars, maar ook om de bescherming
van de burgerij tegen deze bedelaars, vooral tegen hen die
arbeidsgeschikt waren bevonden en van de bedeling waren uitgesloten.’38 Van al die regelingen kwam niet veel terecht omdat er
geen administratieve technieken bestonden om eerlijke armen te onderhouden
zonder tegelijk werkschuwe arbeidsgeschikten daarin te laten delen, en omdat er
voor die valide arbeidsplichtigen dikwijls geen emplooi was.
Kern van de zaak was dat ook in de steden collectieve charitatieve stelsels tot
ontwikkeling kwamen op basis van vrijwillige bijdragen: ‘Er was geen algemene
| | | | armenbelasting.’39
Zelfs koninklijke edicten die bedelarij verboden, de armen bonden aan hun
verblijfplaats en de gemeenten tot onderhoud verplichtten, behelsden geen
verplichte heffing.40
Het is duidelijk dat - hoewel de armen gewoonlijk aan hun lot werden overgelaten
(als ze al niet werden verjaagd) - in de late middeleeuwen over heel Europa een
arsenaal aan vrijwillige en collectieve liefdadigheidsregelingen tot stand kwam.
Dit zal de historici die sociale instituties verklaren uit vigerende religieuze
leerstellingen, nauwelijks verbazen. Ze zijn echter wel een verklaring schuldig
voor al die gevallen - de overgrote meerderheid - waarin de christelijke leer de
gelovigen niet van de noodzaak van armenzorg kon overtuigen. Maar vrijwillige
collectieve actie stelt op haar beurt sociologen voor een probleem: hoe werden
de dilemma's van collectieve actie overwonnen?
Welzijnseconomen, en meer recentelijk neodarwiniaanse ethologen, hebben getracht
de paradoxen van het ‘altruïsme’ op te lossen. Voor het ‘wederkerig altruïsme’,
waarin de begunstigde van de opoffering duidelijk identificeerbaar is, hebben ze
een bevredigende verklaring gevonden.41 Deze benadering heeft echter geen adequate
verklaring opgeleverd voor het altruïstisch gedrag in groepen, dat wil zeggen,
het opgeven van individuele kansen op overleving of economische winst ten gunste
van een voordeel dat allen in een gegeven collectiviteit ten goede komt,
ongeacht hun eigen bijdrage.42
Deze theorieën over groepsaltruïsme en collectieve actie hebben dan ook gemeen
dat ze om te beginnen de individuele economisch handelende persoon of zelfs het
afzonderlijke ‘zelfzuchtige gen’, zoals Dawkins het genoemd heeft,43 postuleren als eenheid van analyse en dus opteren voor het
kleinste samenstellende element als actor in de theorie. Zodra dan het concept
van een collectiviteit of een groep in het betoog geïntroduceerd wordt, stuiten
ze op een paradox.
Wil men deze paradoxen vermijden, dan moet de analyse van collectieve actie -
althans van menselijke collectieve actie - verlopen in termen van een figuratie
van mensen die met elkaar verbonden zijn in een gestructureerd proces van
wedijver en interdependentie: De informatie, de middelen, voorkeuren en
strategieën waarover de mensen in deze figuratie beschikken, veranderen met de
figuratie zelf - meestal als een onbedoeld resultaat van hun interacties. In
deze termen vervat, kunnen de dilemma's van collectieve actie begrepen worden
als een overgangsverschijnsel, een verschijnsel dat optreedt tijdens de
ontwikkeling van een verzameling van interdependente maar ongecoördineerde
personen tot een gecoördineerd verband dat een effectiefbeleid aan de
samenstellende leden kan opleggen. Een soortgelijke ontwikkeling kan ook
plaatsvinden op hogere niveaus van integratie, waar de samenstellende leden bij
voorbeeld dorpen of steden zijn, in staat tot coherente en doelgerichte
handelingen die dan weer op regionaal of zelfs nationaal niveau gecoördineerd
worden. En een overeenkomstig proces kan opnieuw waargenomen worden bij landen
op mondiale schaal, met naties als de samenstellende elementen.
De dilemma's van collectieve actie treden dus op in deze overgang van onge- | | | | coördineerde interdependentie naar afdwingbare coördinatie. Dit
afdwingen kan met een beroep op allerlei soorten sancties plaatsvinden, fysiek,
monetair, religieus, magisch, enzovoort, en de sanctie kan worden opgelegd door
een centrale instantie of door de collectiviteit als geheel. Maar zodra eenmaal
het overgangskarakter van het probleem onderkend is, houdt het op een paradox te
zijn, en verandert het van een logisch in een sociologisch vraagstuk.
De problemen van liefdadige collectieve actie door de welgestelden ten behoeve
van de armen in een gemeenschap kunnen niet louter op basis van individuele,
doelgerichte handelingen begrepen worden, en evenmin uitsluitend in termen van
collectieve functies; laat staan door een blind selectiemechanisme te
postuleren, dat die entiteiten begunstigt die effectieve aanpassingsvormen
bereikt hebben - een redenering uit de biologie die historici en sociologen
geneigd zijn impliciet over te nemen als ze de opkomst en overleving van
instituties toeschrijven aan een succesvolle aanpassing, zonder uit te leggen
hoe deze institutionele aanpassing door de erin betrokken mensen werd bereikt.
De paradoxen van collectieve actie en van groepsaltruïsme ontstaan en verdwijnen
ook weer doordat de verwachtingen die mensen van elkander
hebben zich wijzigen met de verhoudingen waarin zij tot elkaar staan. Daarin
spelen valse verwachtingen een katalyserende rol: als zij maar
wijd genoeg verbreid raken, bevestigen ze zichzelf, zoals Robert K. Merton
betoogd heeft.44 Is het
onderling wantrouwen algemeen, dan zal dat ook leiden tot onwil om aan
collectieve ondernemingen deel te nemen: de wederzijdse verwachting bevestigt
zichzelf. Maar als om de een of andere reden de verwachting bij sommigen postvat
dat de meesten bereid zullen zijn tot onderlinge samenwerking, dan kan daardoor
het vertrouwen ontstaan dat de collectieve actie kans van slagen heeft en
verbreidt de bereidheid tot medewerking zich.45 En zelfs dan kunnen de deelnemers besluiten de
collectieve inspanning op te geven, als hun dat beter uitkomt.
In het geval van de middeleeuwse armenzorg werd de oplossing van de paradox door
het christelijke geloof ingegeven, maar op een andere manier dan de gelovigen
geloofden. De kerk predikte de naastenliefde en leerde dat het loon van de
liefdadigheid de redding van de ziel in het hiernamaals zou zijn: ‘Hem die
geeft, zal gegeven worden.’ Het is niet eens nodig dat die boodschap ook alom
geloofd werd, het is nodig dat de meeste mensen geloofden dat anderen dat
geloofden.
De plaatselijke geestelijken functioneerden als ondernemers in charitatieve
zaken, zij initieerden, vermaanden, en bovenal verschaften zij de gelegenheid
voor zichtbaar en wederzijds controleerbaar betoon van liefdadigheid. Door hun
toedoen werd de deugd openbaar, haast demonstratief. De een wist van de anderen
dat zij gaven en hoeveel; wie zich aan de charitas onttrok kreeg met de buren te
maken, werd geminacht, gehaat en op allerlei manieren geschaad.46 Met die openbaarheid en sociale controle trad een
proces van collectieve sancties in werking; beloning van plichtsvertoon,
bestraffing van nalatigheid.
De openbare liefdadigheid werd ook tot een erezaak. De talloze legaten voor | | | | de uitdeling van aalmoezen aan de armen dienden ook als eerbetoon
aan de gestorvene en versterkten het aanzien van diens nabestaanden in de
gemeenschap. Zo kon zelfs een wedijver in goedgeefsheid ontstaan waarin de
vrijgevige weliswaar een economisch offer brengt maar daarmee voor zichzelf ook
eer behaalt boven anderen, terwijl de profiteur (er bestaat geen uitdrukking
voor deze rol zonder eerloze connotaties) in ieders achting daalde. Er kunnen
dus binnen samenlevingen verschillende vormen van wedijver gaande zijn, om geld
en goed, maar ook om eer en aanzien, of roem in de strijd.
Hier blijkt een ander fenomeen, dat in de theorie van collectieve actie is
veronachtzaamd. Daar wordt het collectief, en dus het collectieve goed, als
gegeven opgevat. Maar dat collectief ontstaat zelf in het proces van collectieve
actie. In de verdediging tegen vreemde indringers sluiten boeren zich aaneen als
een defensiegemeenschap en ontwikkelen zij strijdmethoden die collectieve actie
vereisen. Hebben zij eenmaal zo een hecht verband gevormd, dan wordt een aanslag
op een hunner ervaren als een aanval op allemaal, en zo is hij door de aanvaller
vaak ook opgezet, omdat deze immers al rekening is gaan houden met een
gezamenlijke verdediging.
Zo is ook de armenzorg een aangelegenheid die zelf tot gemeenschapsvorming leidt
en nieuwe vormen van collectieve actie op gang brengt: de betrekkelijke
veiligheid waarin de pacificatie der armen geresulteerd had, bevorderde het
vrije verkeer en intensiveerde het gemeenschapsleven. Dit wekte op zijn beurt
weer op tot nieuwe collectieve initiatieven. Vanaf een bepaald punt was de
weigering van een enkeling niet langer een blijk van liefdeloosheid jegens een
enkele arme, maar werd ervaren als een ondermijning van de gemeenschapszin
waarop het collectieve charitatieve stelsel berustte.
Kortom: het collectief was geen gegeven, maar werd gevormd in de collectieve
actie, die zelf beter mogelijk werd naarmate het wederzijds vertrouwen in een
steeds effectiever wordend collectief groeide.
Door de wisselwerking tussen verschillende overwegingen en vooral door de
wisselwerking tussen de verwachtingen die mensen hebben van het gedrag van
anderen komt een trage spiraal van liefdadigheid op gang, steeds bedreigd door
eenzijdige afvalligheid, soms in evenwicht wat betreft de onderlinge verdeling
van lasten enerzijds en de noden der behoeftigen anderzijds, altijd labiel
doordat een plaatselijke tegenslag of een verstoring van buiten kan leiden tot
een lawine van deserties. Ook valse verwachtingen over de vruchten van
samenwerking kunnen de impasse van wederzijds wantrouwen doorbreken en zichzelf
vervullen. De deugd berust uiteindelijk op verwachtingen van andermans
deugdzaamheid.
|
24Vgl. Sahlins, pp. 88, 194.
25Exodus 20:14; Deuteronomium
5:16 voegt daar ‘zijnen akker’ aan toe; tegen die tijd hadden de joden zich
blijkbaar gevestigd en bewerkten zij het land.
26Beier schat dat vagebonden in het
Engeland van Elizabeth I slechts een paar mijl per dag aflegden en zo in de
loop der tijd een gebied ‘bestreken’, maar zonder ooit ver af te dwalen van
hun plaats van herkomst.
27Dit is de
klassieke marxistische visie, die vaak in functionalistische termen wordt
verwoord.
28Zie Blum voor een algemene beschrijving van
dorpsgemeenschappen in Europa na de middeleeuwen, vgl. p. 541: ‘De
dorpsgemeenschap als een collectief lichaam dat de gemeenschappelijke
middelen beheert, de economische activiteiten stuurt en toeziet op het
gemeenschapsleven van zijn inwoners, ontstond in Europa in de late
middeleeuwen en raakte in volgende eeuwen over het hele continent verbreid.’
En p. 546: ‘De gemeenschap bood haar leden ook bijstand en hulp... Ze zorgde
voor de behoeftigen, de zieken, de wezen, en stelde soms voogden aan over
minderjarigen.’
29Kloosters en adellijke huizen verzamelden
een vast aantal armen om zich heen die daar de voorrechten van een tamelijk
comfortabele liefdadigheid genoten; Goglin, p. 54; Mollat, pp. 165-9.
30Sint-Chrysostomos beval dat de rijkste tien procent voor de armste tien
procent moest zorgen; Goglin, p. 30.
31Vgl. Mollat, p.
64; C. Bloch, p. 125-6; Gonthier, pp. 141 e.v.
32Vgl.
Bonenfant, p. 26; Mollat, pp. 57, 221; Goglin, p. 167.
33Vgl. Goglin, p. 33; Mollat, pp. 55, 66.
34Een helft voor de
geestelijkheid, een kwart voor de gebouwen en een vierde voor de armen;
Goglin, p. 31. Maar de boeren vreesden veelal dat de tiend vooral de hoge
geestelijkheid zou verrijken en waren er dus tegen gekant. Le Goff, p. 226;
en dit bleef zo tot de Franse Revolutie: C. Jones, p. 39.
35Vgl. Troeltsch, pp. 134
e.v.
36Vgl. Fischer; Gutton, 1974; Gonthier; Bonenfant;
Kossmann-Putto.
38Fischer, p. 314; vgl. ook Sachsse & Tennstedt,
pp. 63 e.v.
40Vgl. Bonenfant, pp. 117, 150
e.v.
41Vgl. vooral
Axelrod. Het is in deze context interessant dat alle oplossingen van het
probleem, al zijn ze vierkant reductionistisch, uitgaan van een benadering
in procestermen, of het nu om ‘natuurlijke selectie’ gaat of ‘iteratieve
spelen’ (M. Taylor), of om de verbreiding over een populatie van een
bepaalde strategie (bijv. ‘oog om oog’) vanwege het competitieve voordeel
ervan (Axelrod).
42Een interessante maar
grotendeels mislukte verklaringspoging in een neodarwiniaans kader werd
ondernomen door Boorman en Levitt.
43Zie Elster, 1979, voor de incompatibiliteit van theorieën in
termen van ‘selectie’ en theorieën in termen van ‘actie’ en
‘intentie’.
45Vgl.
Bowman voor een model dat de verwachtingen omtrent medewerking door anderen
als variabele opvoert.
46Vgl. Blum, pp. 551-2, over ostracisme in de
dorpsgemeenschap.
|
|