|
|
|
| |
| | | |
4 De ineenstorting van lokale charitatieve stelsels
Aan het begin van de moderne tijd waren de eigendoms- en gebruiksrechten voor de
bewoonde gebieden van Europa vastgelegd.47 In tijden
van vrede en overvloed en bij ontstentenis van epidemieën ontwikkelde zich in de
meeste gebieden een soort evenwicht: er waren geen plunderende soldaten of
veteranen, hongerlijdende boeren of voor de pest gevluchten die op het
platteland rondzwierven. Wie het recht op grond ontzegd was, moest werk zoeken
op andermans land of in de steden. Wie geen werk kon of wilde vinden en wie niet
werken kon, was in zijn parochie toch min of meer bekend en zolang er niet te
plotseling te veel werkelozen bijkwamen was er voor hen wel een oplossing te
vinden. De kerk had tehuizen voor weduwen en wezen, voor zieken, melaatsen
vooral, en voor geestelijk gestoorden. Arme gezinnen ontvingen aalmoezen van de
parochie of van bezorgde buren, en wie de liefdadigheid niet wilde afwachten,
ging haar al bedelend zoeken. Het was zelden een idyllische toestand. Maar
zolang zich geen grote rampen voordeden - pestilentie, oorlog of misoogst-was
het althans een tamelijk stabiele situatie.
Alleen al deze stabiliteit maakte het mogelijk dat een verdelingsstelsel tot
ontwikkeling kwam. In de loop der tijd ontstonden precedenten voor de
ondersteuning; langdurige clientèle-relaties vormden zich, blijvende
verplichtingen en een permanente onderlinge sociale controle, die het de
welgestelden mogelijk maakte om de eigen vrijgevigheid met die van hun
standgenoten te vergelijken en om elkaar aan te zetten tot deelname in de
hulpverlening. Een langere periode van stabiliteit was onmisbaar voor de
ontwikkeling van een charitatief stelsel: voor de contribuanten is het immers
alleen zinvol om te geven zolang zij erop kunnen vertrouwen dat anderen dat ook
zullen doen en zij de zekerheid hebben dat hun collectieve inspanning inderdaad
een zekere mate van sociale rust in stand houdt, zonder van iemand in het
bijzonder onevenredig grote offers te vergen, en zonder ongepast profiteren door
inhalige bezitters die in de voordelen van de sociale orde willen delen zonder
de lasten te dragen.
Maar ook als eenmaal een charitatief evenwicht tot stand is gekomen kunnen
sommigen nog de gemeenschappelijke charitatieve strategie verzaken en daarmee
ondergraven ze ook de inzet van anderen om ermee door te gaan. Er kan een vete
ontstaan, die de toch al onbestendige solidariteit van de rijken tenietdoet. Een
ineenstorting van het charitatieve stelsel zal de wederopbouw nog eens zo
moeilijk maken, omdat de herinnering aan eerdere mislukking het onderling
vertrouwen van de rijken aantast. De kerk heeft uiteraard een belangrijke rol
gespeeld in het voorkomen van zulke afvalligheid en in het herstel van een
evenwicht van onderling vertrouwen en gemeenschappelijke liefdadigheid. Maar het
charitatieve evenwicht bleef intrinsiek instabiel, omdat het voor een ontduiker
op korte termijn steeds weer lonend bleek om kosteloos van de sociale orde te
profiteren.
Op dit punt rijst de vraag waarom de gefortuneerden zich eigenlijk ooit om de | | | | armen bekommerden. Waarom werden ze niet uitgehongerd, afgemaakt, of
opgegeten? Talloze hongerlijders, wezen, melaatsen, idioten, invaliden, zijn aan
hun lot overgelaten en gecrepeerd. En de behoeftigen die de kracht en moed
vonden om verzet te bieden, om eisen te stellen, te stelen en te roven, werden
dikwijls weggejaagd, afgeranseld of zonder pardon gedood. Maar de armen hadden
ook talrijke bondgenoten die voor hen opkwamen: mensen die zelf geen paupers
waren, die net konden rondkomen en die zich realiseerden dat zij straks wellicht
aan de beurt waren. De hulpelozen - weduwen, wezen, zieken, invaliden en ouden
van dagen - ondergingen immers een lot dat iedereen kon treffen in een wereld
waar ziekte, ongeval en dood blindelings toesloegen. Naarmate de geldeconomie
verbreid raakte en loonarbeid algemeen werd, gingen ook arbeiders beseffen dat
ze onverwacht en buiten hun schuld hun werk en dus hun loon konden kwijtraken,
en ook zij vereenzelvigden zich met hun werkeloze lotgenoten.48
Waar de oorzaak van hun armoede beschouwd werd als een tegenslag waaraan zij zelf
geen schuld hadden en die alle bezitslozen kon treffen, konden de armen rekenen
op sympathie bij de onderste lagen van de maatschappij. Kleine boeren, knechts
en ambachtslieden eisten een milde en humane bejegening van hun minder
fortuinlijke medemensen. Zulke eisen konden altijd worden verwoord in het
alombekende en gezaghebbende vocabulaire van Christelijke liefdadigheid waaraan
de rijken zich niet gemakkelijk konden onttrekken. Daardoor dreven de lagere
standen in de samenleving met protest en rebellie de rijken tegen zich in een
verenigd verzet. Deze gezamenlijke tegenactie van de rijken versterkte doorgaans
hun onderlinge solidariteit waarmee dan weer de voorwaarden geschapen werd voor
liefdadige collectieve actie van hun kant. Dergelijke inspanningen werden ook
ingegeven door de angsten die de rebellie had opgeroepen.
Ten dele als een gedachtenexperiment, maar ook omdat het werkelijk zo gebeurd is,
kan de analyse dus beginnen met de veronderstelling van een evenwichtstoestand
die in drie opzichten in balans is.
Ten eerste was er een betrekkelijk gesloten gemeenschap, bij voorbeeld een
plattelandsdorp of een kleine stad, die bestond van de ruil van plaatselijke
ambachtsprodukten tegen de produktie van de omringende streek. De
afhankelijkheids- en ruilpatronen werden niet door ingrijpende beroeringen van
buiten af verstoord.
Ten tweede waren in deze gemeenschap de mensen zonder broodwinning complexe
arrangementen aangegaan met degenen die wel in eigen onderhoud konden voorzien,
waardoor de behoeftigen een deel van het surplus in geld of goed werd
toebedeeld. De regelingen varieerden van incidentele aalmoezen tot permanente
clientèlerelaties, soms direct, soms door tussenkomst van kerkelijke of
wereldlijke autoriteiten. In ruil daarvoor verleenden de armen soms diensten,
| | | | of betoonden ze hun meerderen eerbetoon en volgzaamheid. Van
belang was dat elke rijke erop vertrouwde dat zijn gelijken ieder een min of
meer evenredig deel van de last droegen, en dat wie zich daaraan onttrok
bestraft kon worden door roddel, rituele schandalisering, min of meer discrete
aanmaningen, priestelijk vermaan en alle andere technieken van sociale controle
die een hechte gemeenschap ter beschikking staan.
Ten derde werden de armen goed genoeg onderhouden om verhongering, rebellie te
voorkomen, evenals de uittocht van gezonde arbeidskrachten die op een ander
moment weer nodig konden zijn. Een dergelijk niveau van onderhoud werd in een
gemeenschap uiteraard pas geleidelijk bereikt, afhankelijk van het beschikbare
surplus, de levensstandaard van de loonarbeiders en de zelfstandige boeren, en
van de heersende ideeën over goed nabuurschap en menselijke waardigheid. Aan de
andere kant moest het onderhoudsniveau ook weer niet zo hoog zijn dat het de
armen ertoe verleiden zou af te zien van eigen inspanningen zoals jacht op vrije
gronden, voedsel en brandhout zoeken, hand- en spandiensten verrichten en het
aanbod van vast werk accepteren. En de liefdadigheid mocht beslist niet zo groot
worden dat buitenstaanders op de vleespotten van de gemeenschap afkwamen.
Er was dus een drievoudig evenwicht: een tamelijk ongestoord handelsevenwicht
tussen de gemeenschap en het omringende gebied, een gelijke verdeling van
liefdadigheidsplichten, en een afgewogen onderhoudsniveau, waarbij enerzijds de
armen niet verhongerden, en anderzijds hun aantal niet toenam doordat
vreemdelingen werden aangetrokken of gezonde arbeidskrachten de lust tot werken
werd ontnomen. Het eerste evenwicht had de gemeenschap niet in eigen hand. Het
derde, dat van het onderhoudsniveau, kon enigermate gemanipuleerd worden. De
duurzaamheid ervan was afhankelijk van het voortbestaan van de tweede
evenwichtstoestand: het onderlinge vertrouwen van de rijken dat elk zijn deel
zou bijdragen. Dit was geen stabiele figuratie. Elke afvalligheid kon de
liefdadige consensus verminderen. Maar in de loop der tijd konden ook
traditionele banden, onderling vertrouwen en sociale controle een evenwicht
bewerkstelligen.
De meest waarschijnlijke reden voor de ineenstorting van het charitatief
evenwicht was een of andere externe verstoring waardoor de aanspraken op
liefdadigheid plotseling in aantal toenamen: zo'n verstoring kon in het
verborgene werken, bij voorbeeld door schommelingen in de graan- of zoutprijzen;
ze kon komen in de vorm van een epidemie waarvoor de mensen in paniek op de
vlucht sloegen en dan zelf de ziekte verspreidden; of ze kon de vorm van
misoogst of oorlogsgeweld aannemen, waardoor de boeren van hun land verjaagd
werden en naar de dorpen en steden trokken om daar hun toevlucht te zoeken.
Als de rijken het niet eens konden worden over de verdeling van de zo plotseling
gegroeide lasten, vonden ze elkaar in het verweer tegen de hun gestelde eisen.
Als eerste maatregel stuurden ze elke vreemdeling die om voedsel en onderdak
kwam vragen weg. De volgende maatregel was gericht tegen de | | | | groeiende aantallen plaatselijke armen: hun onderhoud werd verminderd, elke
poging tot verzet gesmoord en de nieuwe of onhandelbare armen werden weggejaagd.
In zo een situatie toonde een vrijwillig charitatief stelsel zijn wezenlijke
zwakte: individuele afvalligheid van de contribuanten was voor hen op korte
termijn lonend, of liever besparend. Onderlinge loyaliteiten konden desertie
voorkomen, maar die traditionele banden waren ook weer moeilijk aan te passen
aan de eisen van een crisissituatie.
Als ten gevolge van een externe verstoring het systeem in één dorpsgemeenschap
ineenstortte, was de ondergang elders ook waarschijnlijk, om dezelfde redenen,
en zou bovendien nog versneld worden door de mislukking in omringende dorpen.
Dan werd opeens duidelijk dat de plaatselijke gemeenschappen nooit onafhankelijk
van elkaar bestaan hadden; juist de lokale evenwichten hadden verhinderd dat de
armen uit de ene gemeenschap zich over de naburige dorpen verspreidden.
Catastrofes als oorlog, hongersnood en ziekte herinnerden de steden en dorpen
aan hun lotsverbondenheid, want door de onvermijdelijke hongertochten van de
slachtoffers raakten ook de gemeenschappen die de ramp aanvankelijk gespaard
had, er toch bij betrokken.49
Zo kon het supralokale of regionale evenwicht dat in stand werd gehouden door de
charitatieve autarkie van de afzonderlijke gemeenschappen ondermijnd worden door
de geringste lokale of regionale verstoring. Op korte termijn kon een dorp zijn
voordeel doen met het uitwijzen van de eigen armen en het uitsluiten van
zwervers die door omringende dorpen waren uitgewezen. Ook het regionale
evenwicht was dus instabiel; als het op één punt verstoord raakte, gold op alle
niveau's redden-wie-zich-redden-kon. De rijken die hun lasten zagen stijgen en
vreesden dat de andere rijken zich aan hun plicht onttrekken zouden, trokken
alvast zelf hun hulp in. De armen die konden lopen werden uit de stad verdreven,
of gingen uit zichzelf weg, op zoek naar een beter lot. De onheilsprofetieën
vervulden zichzelf: als ergens horden uitgehongerde en zieke mensen op weg
gingen, trokken ze naar die plaatsen die als gastvrij bekend stonden en eenmaal
aangekomen liepen ze het charitatieve stelsel dat hen juist had aangetrokken
onder de voet. De steden en dorpen sloten bij voorbaat hun poorten, voordat de
armen zelfs maar in de buurt konden komen. Het simpele feit dat de armen op
drift raakten, op zoek naar betere plaatsen, was voldoende om die betere
plaatsen teniet te doen.
Zo ging het telkens opnieuw. En zo gaat het nog steeds, tenzij zich een bindend
systeem van hulpverlening heeft ontwikkeld dat het hele interdependentiegebied
bestrijkt. Maar bij ontstentenis van een effectieve centrale gezagsinstantie
leidde de ondergang van het aanvankelijke, instabiele regionale evenwicht tot de
opkomst van een ander, stabiel evenwicht, maar een van verwaarlozing en ellende.
Op lokaal niveau kon een charitatief evenwicht hersteld worden nadat een deel van
de armen was weggegaan of verdreven; de gemeenschapsautoriteiten konden het
plaatselijk evenwicht proberen te handhaven door de poorten te | | | | sluiten voor de zwervende armen in de streek en zo bijdragen tot stabilisering
van de regionale noodsituatie.50 Geen enkele gemeenschap kwam in de verleiding om
dit evenwicht te verstoren door haar poorten te openen voor de rondzwervende
armen, omdat te vrezen viel dat horde armoedzaaiers die nergens anders heen
konden die ene gemeenschap zouden overspoelen. Een eenzijdige verstoring van dit
uitsluitingsevenwicht zou zich niet snel voordoen, en als het wel gebeurde, zou
daar vlug een einde aan komen: door toedoen van de dorpelingen, als ze dat nog
konden, of anders door de ondergang van hun gemeenschap. Op lokaal niveau was
zo'n voorstel een wel heel onwaarschijnlijke optie voor collectieve actie.
Waarom viel de middeleeuwse en vroeg-moderne maatschappij niet uiteen in een
archipel van kleine bolwerken, gescheiden door uitgestrekte gebieden waar men de
armen liet rondzwerven en creperen? In werkelijkheid gebeurde dat meer dan eens,
gedurende langere perioden en in grote delen van Europa, met name in de nasleep
van de pest in de veertiende eeuw. Soms werden deze verarmde en gedeeltelijk
verwoeste gebieden echter veroverd of opnieuw bevolkt, en een nieuwe heerser
legde belastingen op in ruil voor een zekere bescherming tegen rondzwervende
bendes, waardoor een heropleving van landbouw en handelsverkeer met de steden
mogelijk werd en hij zichzelf een bron van inkomsten verschafte. Na een periode
van betrekkelijke regionale stabiliteit kon dan zo een nieuw charitatief
evenwicht in het gebied ontstaan, min of meer als voorheen, waarbij elk dorp
voor de eigen armen zorgde en een deel van de weinige zwervers die de streek nog
telde opnam.
|
47Le Goff, p. 85,
plaatst in navolging van A. Lewis het einde van de Europese frontier aan het begin van de veertiende eeuw.
48Vgl. Geremek, 1974, pp. 366-7; Gutton, 1974, p. 41.
49De steden van Brabant, die
geteisterd werden door bendes afgedankte soldaten en het beu waren die
steeds weer naar de volgende stad op te jagen, kwamen in 1459 voor het eerst
bijeen om de Staten van Brabant te verzoeken een wet tegen landloperij uit
te vaardigen: de Staten stemden toe, maar bleken niet in staat om de wet ook
uit te voeren. Blockmans en Prevenier, p. 533.
50Gutton, 1974, p. 38: soms
kregen arme vreemdelingen aalmoezen voor de stadspoorten, die dan weer voor
hen gesloten werden.
|
|