|
|
|
| |
5 De opkomst van een regionaal bijstandsevenwicht
Al in de middeleeuwen bestonden instituties zoals hoven en abdijen, die een eigen
surplus vergaarden en die niet onmiddellijk verbonden waren met belangen op
lokaal niveau. Kloosters namen soms behoeftigen op wanneer de omgeving door een
ramp geteisterd werd en verlichtten zo de lasten van naburige dorpen en steden
zodat die de tijd kregen om het charitatief evenwicht te herstellen. Feodale
hoven deden hetzelfde en om dezelfde reden: om de instorting te voorkomen van
het systeem van produktie en handel dat de belastingen opleverde waarvan zij
bestonden. Ze gebruikten een deel van het opgespaarde surplus om in tijden van
nood hun bron van inkomsten veilig te stellen. Religieuze aansporingen en
oproepen tot feodale loyaliteit die het plaatselijk belang te boven ging, konden
het proces van desertie uit het charitatieve evenwicht op gemeenschapsniveau
vertragen en sommige steden ertoe bewegen om een deel van de zwervende armen te
adopteren. Doordat ze het strikt plaatselijke perspectief te boven gingen en ze
hun economische, politieke en morele reserves mobiliseerden, waren deze
instituties in staat de fatale vlucht in lokaal isolationisme te voorkomen. Als
ze de storm konden doorstaan, en als men alom ver- | | | | trouwde dat ze
daartoe in staat waren, kon hun integrerende aanwezigheid de figuratie van
lokale autonomie helpen veranderen in de richting van institutionele coördinatie
op regionaal niveau.
Tegen de zestiende eeuw begonnen grote steden als Amsterdam, Londen, Parijs,
Lyon, Rome en Wenen een vergelijkbare rol te spelen in de handhaving van een
charitatief evenwicht in de omringende regio: de gemeentelijke armenhuizen die
voor de autonome lokale gemeenschappen in de regio als opvangscentrum fungeerden
namen vele duizenden zwervers, zieken en bedelaars op. Door een onevenredig
groot deel van de last op zich te nemen, probeerden ze hun centrale en
overheersende positie in het regionale handels- en verkeersnetwerk te handhaven.
Elke stad zag zich genoodzaakt in de streek die haar voedsel produceerde de
armenzorg in evenwicht te houden om te voorkomen dat een heropleving van
banditisme haar toevoerlijnen in gevaar bracht.
Het was voor deze open steden niet eenvoudig om toezicht te houden op het
personenverkeer en mensen die niet voor zichzelf konden zorgen bij de poorten te
weren, of wie de stedelijke liefdadigheid tot last werd uit te wijzen. Dus
werden de steden overspoeld door hulpzoekenden.51 Drijfveer van de wetgeving was in de
zestiende eeuw de bevestiging en versterking van een charitatief evenwicht
tussen de autonome lokale autoriteiten in de omgeving. De beweging die in
Frankrijk bekend staat als le grand renfermement was in de
allereerste plaats een poging om een eind te maken aan de landloperij door
opsluiting van de armen in plaatselijke instituties, vaak in onbruik geraakte
voormalige léproseries, zoals Foucault heeft betoogd.52 Dergelijke
armenhuizen, hospitia en asielen herbergden wezen en weduwen, bejaarden en
zwakken, invaliden en berooiden, gekken en idioten, hoeren, schurken en
kruimeldieven, maar ook de gezonde armen zonder middelen van bestaan. Deze
instituties ontstonden in de grote steden, die rijk genoeg waren om de armen aan
te trekken, maar ook om ze te verzorgen. Maar zelfs daar trachtten de
autoriteiten zich in schaarse tijden te ontdoen van arme vreemdelingen, en
loosden ze hen zodra dit maar enigszins mogelijk was.
De reeks decreten van Elizabeth I van Engeland die resulteerden in de wet van
1601, doelden, hoewel ze geheel andere voorzieningen behelsden, op een
vergelijkbare versterking van het bijstandsevenwicht, zowel van elke gemeenschap
afzonderlijk als tussen de gemeenten in een bepaald gebied.53 De
wet van 1601 stelde normen op voor de verzorging van behoeftigen en de
ondersteuning van gezonde armen, en eiste dat iedere gemeente een adequate
armenbelasting aan de vermogende ingezetenen op zou leggen. De wet verving zo
het instabiele lokale evenwicht van vrijwillige collectieve liefdadigheid door
een systeem van verplichte belasting, en droeg de van oudsher kerkelijke taken
van inzameling, coördinatie en uitbetaling over aan gekozen lokale
armbestuurders. De belangrijkste bepaling in de wet hield in dat mensen zonder
bestaansmiddelen bijstand moesten krijgen in hun geboorte- of woonplaats: de
gemeente kon vestiging weigeren aan mensen die ‘tot last’ zouden kunnen worden,
of ze, voordat het zover kwam, terugsturen naar de gemeente waar ze vandaan
kwamen. De pre- | | | | ambule van de wet was duidelijk over deze veel
voorkomende situatie:
... om reden van enkele tekortkomingen in de wet worden arme mensen
niet tegengehouden bij het gaan van de ene gemeente naar de andere, en derhalve
pogen zij zich te vestigen in die gemeenten waar de grootste voorraden zijn, de
meeste gemeenschapsgrond of woeste grond om hutten te bouwen, en het meeste hout
voor hen om te verbranden of te vernielen, en als ze het hebben opgebruikt, dan
naar een andere gemeente, om ten slotte als schurken en vagebonden te
eindigen...54
Dit slaat op de open-field-dorpen met gemeenschapsgrond, de
meenten, waarvan er vele pas laat in de achttiende eeuw omheind werden. Tot die
tijd konden arme mensen buiten het marktsysteem en zonder eigendomsrechten toch
allerlei bestaansbronnen vinden - een mate van onafhankelijkheid die hun vaak
door de gevestigde burgers werd misgund. De omheining betekende een
verslechtering: ‘Want daar waar vroeger een heleboel gezinshoofden en inwoners
woonden, leeft nu alleen nog een herder met zijn hond...’55 En het proces versnelde zichzelf, want zij die door de omheining
verdreven waren, belegerden nu de gemeenschapsgronden van de overgebleven ‘open’
dorpen.
De essentie van de armenwet was de introductie van een verplichte, uit
gemeentebelastingen bekostigde onderstand56 die in elke gemeente de dilemma's van vrijwillige charitatieve
actie op moest lossen. Geremek geeft een treffende karakteristiek van het
algemene beleid: stedelijke hervormingen, of ze nu blijvend en efficiënt bleken
of niet, grepen steevast terug op dezelfde middelen: er werden lijsten van
nooddruftigen gemaakt, de meesten van hen werden als vagebonden uitgewezen,
bedelaars werden voor ondersteuning uitgekozen en gewaarmerkt, asielen en
liefdadige organisaties werden gecentraliseerd onder het bestuur van het
gemeentelijke gezag, de financiering van de bijstand werd gegarandeerd, meestal
door een speciale belasting.57 Hieraan kan worden toegevoegd dat het in die tijd burgers ook
verboden werd om aalmoezen aan de armen te geven en op eigen initiatief daklozen
te huisvesten.58
In het koloniale Nieuw-Engeland werd naar Elizabethaans voorbeeld een
vergelijkbare regeling uitgewerkt op het niveau van de gemeentevergadering.59 De verantwoordelijkheid
voor belastingheffing en bijstand berustte bij de lokale autoriteiten. De
koloniale regering vaardigde algemene voorschriften uit over de zorg, de hoogte
van de belasting, stelde richtlijnen vast voor inzameling en beheer, en - wat
het belangrijkste was - gaf een regel voor de lastenverdeling van de bijstand
met de bepaling dat alle behoeftigen aan hun geboorte- of woonplaats werden
toegewezen. De verleiding om de armen uit te wijzen en een naburige gemeenschap
met hen op te schepen bleef echter even groot als voorheen, vooral omdat de
nieuwe normen voor bijstand het moeilijker maakten om de armen in de steek te
laten zodra ze eenmaal formeel geaccepteerd waren als ‘last’ voor de lokale
gemeenschap.
Het zeventiende-eeuwse Lyon had archers en chasse-geux, die de zwervende bedelaars moesten wegjagen. De
plaatselijke constables in het koloniale Nieuw- | | | | Engeland waren aangesteld om landlopers ‘te weren of door te verwijzen’.60 ‘Deze beslissing
werd echter ontsierd door kortzichtigheid. De gemeenschap was van de ziekte
genezen, maar bekommerde zich niet om de verspreiding van de besmetting bij haar
buren.’61 In Pruisen
escorteerden Duitse en Oostenrijkse troepen, overeenkomstig de bepalingen van
het ältere Heimatrecht, groepen vagebonden de vorstendommen
uit, terug naar hun veronderstelde geboorteplaats, waar men hun vaak de toegang
weigerde en weer verder stuurde: kluchtige disputen die voor de gedeporteerde
armen maar al te vaak in een tragedie eindigden.62 Omdat verbanning de vagebonden
slechts naar de volgende gemeenschap doorschoof, gelastten de Nederlandse
Staten-Generaal aan de Generaliteiten om de armen die uit een gemeente verbannen
waren ook meteen hun gewest uit te sturen, met als enig resultaat een
schaalvergroting van het probleem.63 Trattner concludeert:
‘Het probleem van de “ontheemde armen” in tijden van nood leidde tot de eerste
belangrijke verandering in de uitoefening van de lokale
verantwoordelijkheden.’64
Zowel de Elizabethaanse armenwet en de Amerikaanse koloniale varianten als het
stelsel van stedelijke asielen in Frankrijk droegen in hoge mate bij tot de
oplossing van het charitatieve dilemma binnen afzonderlijke gemeenschappen. Ze
brachten ook een secularisatie, een laïcisation, van de
armenzorg met zich mee, zoals Foucault heeft betoogd, en een systematische
onderdrukking van de armen. In de woorden van Foucault: ‘Armoede werd van een
religieuze ervaring die haar heiligde, langzaam maar zeker een morele conceptie
die haar veroordeelde.’65 Deze statusverandering
kan heel wel hebben samengehangen met de overgang van een charitatief evenwicht
van vrijwillige donaties onder wederzijdse sociale controle naar een
bijstandsevenwicht van wettelijk afdwingbare belastingen. De nieuwe verplichte
regeling zou de religieuze liefdadige geestesgesteldheid verzwakken en vervangen
door een notie van burgerplicht.
Deze nieuwe benadering van de armoede binnen elke gemeenschap garandeerde nog
geen stabiel evenwicht op regionaal niveau: het bleef nog steeds lonend om de
behoeftigen uit te sluiten en zelfs te verbannen. Gedurende de hele zeventiende
eeuw en daarna heerste er een ‘volledig parochialisme’66 in Engeland, maar ook elders.
Doordat de nieuwe wetgeving de kans op plaatselijke mislukking verminderde werd
het lokale bijstandsstelsel echter toch versterkt en het risico van regionale
ineenstorting verminderd. Het regionale evenwicht werd ook gestabiliseerd door
de afkondiging van een algemene toedelingsregel: de vestigingseis. De regel dat
iedere gemeente zijn eigen armen onderhoudt werd, hoe dubbelzinnig ook, een
‘focale oplossing’67 in de zin dat, zolang
verstoringen uitblijven, de partijen stilzwijgend daarop uit zullen komen. Toch
werd de uitstoting van personen die hun nieuwe woonplaats tot last werden niet
door de regel uitgesloten. En naarmate de manufactuur en mijnbouw tot
ontwikkeling kwamen en de open velden omheind werden, nam het personenverkeer
toe. Het was onmogelijk om een gezonde werkzoekende arbeidskracht te
onderscheiden van een valide be- | | | | delaar die zich als arbeider
voordeed. Bovendien konden ook arbeiders in de loop der tijd behoeftig
worden.68
Het functioneren van de Engelse Poor Law, het asielsysteem in
Frankrijk en de armenhulp van de gemeentevergaderingen in Nieuw-Engeland leidden
tot een gestaag toenemende interventie van de hogere autoriteiten. Omdat zij de
armenwetten hadden uitgevaardigd, werden deze autoriteiten keer op keer
geconfronteerd met verzoeken om amendering of aanpassing, en werden magistraten
voortdurend belaagd door petities met betrekking tot de toewijzing van
belastende armen aan deze of gene gemeente. Omdat het centrale gezag de lokale
autoriteiten een verplichting had opgelegd, konden de gemeenten bovendien altijd
protest aantekenen bij het gezag dat voor die regelingen verantwoordelijk was,
maar ze, bij gebrek aan fondsen of bedolven onder een lawine van hulpzoekenden,
niet ten uitvoer kon brengen. Dit gaf aanleiding tot incidentele wetswijzigingen
en ad hoc subsidies door de hogere autoriteiten, of tot pogingen om de
bijstandskosten over meerdere gemeenten ineens te verdelen of een vereniging van
gemeenten een gemeenschappelijke last op te leggen.69
Doordat de autoriteiten richtlijnen voor de bijstand uitvaardigden, namen zij de
verantwoording voor de uitvoering van hun voorschriften op zich, en werden ze
meer en meer in de concrete toepassing van de armenhulp betrokken.70 Tot de
negentiende eeuw echter leidden deze pogingen in de verste verte niet tot een
coherent en effectief nationaal beleid.
Het probleem van de landlopers nam in de achttiende eeuw steeds grotere vormen
aan. Wat betreft Frankrijk: ‘In de jaren tachtig van de achttiende eeuw namen
hun aantallen, die toch al groot waren ten gevolge van de rigide
sociaaleconomische structuur van het Ancien Régime, door
bevolkingsgroei en economische crisis gestaag toe. In het gebied rond Parijs had
het leger in 1788-1789 grote moeite hen te bedwingen en de wegen vrij te houden.
Dat was ook het geval in Languedoc, waar het wemelde van de rovers en
bandieten.’71 Met de landloperij
nam ook de angst ervoor toe: omdat de stadsbevolkingen groeiden, braken er
epidemieën uit, en men geloofde dat rondzwervende ‘gestoorde personen’ die
ziekten verspreidden, wat ze hoogstwaarschijnlijk ook deden. Ook dit vergrootte
het besef van regionale interdependentie onder de lokale gemeenschappen.72 De koloniale regeringen in
Noord-Amerika, waar de Indianenoorlogen opschudding wekten, en de absolute
monarchieën van West-Europa, die werden geteisterd door economische en
demografische crises,73
konden problemen van een dergelijke omvang niet direct aan. Ze hadden geen
politiemacht die misdadigersbendes kon opsporen en vernietigen, om maar te
zwijgen van de arrestatie van bedelaars in het hele rijk.74 In de meeste gevallen konden ze
slechts strenge straffen vaststellen voor landloperij en de gemeenten met klem
gelasten rondzwervende bedelaars achter slot en grendel te zetten en te houden,
iets waar de bestuuders weinig voor voelden vanwege de inspanning en kosten die
voortdurende patrouille en controle met zich meebrachten.75 De steden
gaven de voorkeur aan verbanning en lijfstraffen. In Lyon bestond de straf voor
| | | | landloperij bij eerste veroordeling uit een publiekelijke
tuchtiging, bij tweede veroordeling uit het blok of de boeien,76 en bij herhaalde recidive uit
de galeien of de galg. In Engeland werden landlopers gedwongen dienst te nemen
in de marine.77 Het haalde niet veel uit; zwervers konden zich altijd voordoen als
rondtrekkende schapenscheerders, scharensliepen, venters en kwakzalvers. De
autoriteiten vermoedden natuurlijk wel dat men al reizende nauwelijks de kost
kon verdienen en dat de rondtrekkenden hun inkomen aanvulden met bedelen en
stelen. Maar dikwijls sprongen lokale boeren in de bres voor een gearresteerde
vagebond, uit medelijden of uit haat voor de autoriteiten, maar vaak ook uit
angst voor de wraak van zijn maats.
|
51Voor
Amsterdam vgl. Oldewelt.
52Foucault, 1972, pp. 56 e.v.
53Vgl. Oxley. Vgl. Jordan over privé-filantropie; vgl. voor de
effecten van de wet in één dorp, Wrightson en Levine, pp. 173 e.v.
54Geciteerd in Tate, p. 163.
55Geciteerd in Tate, p. 163, uit de inleiding van de wet van
1662.
57Vgl. Geremek, 1974, p.
365.
58Bijv. Van den Eerenbeemt, 1977, p.
149.
59Vgl. Rothman, Trattner.
60Rothman, p. 50; Coll, p. 132.
62Vgl.
Endres, pp. 230-1; Küther, p. 15.
63Van den Eerenbeemt,
1968, pp. 117-9; vgl. ook Van Loo, pp. 26 e.v.
64Trattner, p. 22; vgl. ook
Gutton, 1974, pp. 122 e.v.
65Foucault, 1972, p. 70; vgl. ook
Kingdon, p. 51, over de ‘verwereldlijking en rationalisering’ van de
armenzorg in het Genève van Calvijn en elders.
67Vgl. T.C. Schellings bespreking van
focal-point solutions.
68Vgl. Gutton, 1971, p. 458.
70Zie bij voorbeeld Guttons verslag over de wisselvalligheden van
de koninklijke interventie in Lyon, (1971) pp. 455 e.v., 486; vgl. ook C.
Bloch over het Ancien Régime in Frankrijk; Dorwart, pp.
94-111, over Pruisen; Midwinter (1972) over vroege Britse Victoriaanse
hervormingen; Schama over de Bataafse Republiek in Nederland; Melief over de
periode 1795-1854 in dit land; voor Amerika zie Trattner, p. 98: ‘Plaatsen
die de staatsarmen ondersteunden, werden door de koloniale schatkist
vergoed’; vgl. ook pp. 38-9 over lokale interventie door de regeringen van
de staten na de onafhankelijkheid van de Verenigde Staten.
74Vgl. Katz, 1986, p. 21 over de Verenigde Staten in het begin van
de negentiende eeuw: ‘De gemeenten gaven vaak meer geld uit om de armen
kwijt te raken dan ze zouden hebben uitgegeven om ze te onderhouden. Nog
afgezien van de moeite en de kosten van eindeloze rechtszaken, was het
stelsel vaak wreed, want oude en zieke paupers werden van stad naar stad
vervoerd, zelfs midden in de winter.’
75Vgl. de bijna kluchtige beschrijving van de absurditeit en
weerspannigheid onder de lokale autoriteiten in Brabant door Van den
Eerenbeemt, 1968, pp. 106 e.v.: de stad Den Bosch weigerde voorzieningen te
betalen omdat ook het platteland ervan kon profiteren.
76Vgl. Gutton, 1971, p. 458.
77Vgl. Beloff, pp. 107, 116 e.v.;
Burg.
|
|