|
|
|
| |
6 Regionale landloperij en lokaal gezag: een n-personenspel
Lokale gemeenschappen die hun interne dilemma's van collectieve actie hadden
opgelost en een op overeenstemming of verplichting gebaseerd plan voor
lastenverdeling hadden opgesteld, waren te beschouwen als coherente actores, in
staat binnen een regionale figuratie een consistent beleid uit te voeren. In die
regionale context werden alle gemeenten geconfronteerd met de dreiging van
landloperij en banditisme, maar wilde elk ook de uitgaven voor armenzorg beperkt
houden. Een dergelijke figuratie laat zich analyseren als een n-personenspel met alle kenmerken die bekend zijn van het zogenoemde
‘Dilemma van de gevangenen’-spel: coöperatieve handelwijzen resulteren in een
voordelige situatie voor alle betrokken actores, maar die situatie kan zichzelf
niet handhaven omdat een individuele afvallige straffeloos en op kosten van de
loyalen profijt kan trekken van zijn solitair non-coöperatief gedrag. Als
anderen de afvallige daarin volgen, ontstaat een situatie die veel slechter is
dan die algemene samenwerking. Toch is die laatste toestand in formele zin
stabiel: omdat geen actor de eigen situatie op eigen initiatief kan verbeteren,
komt niemand in de verleiding om zijn gedrag te veranderen.
Deze speltheoretische noties kunnen de dilemma's van armenzorg voor betrekkelijk
autonome lokale autoriteiten in een context van regionale landloperij helpen
verduidelijken. Om te beginnen wordt aangenomen dat binnen een regio met vele
kleine gemeenschappen niet één enkele gemeente op zichzelf de algehele situatie
merkbaar kan veranderen, analoog aan de veronderstelling van volkomen
concurrentie op de vrije markt. Wanneer dus een gemeente kiest voor armenzorg,
verandert dat weinig of niets aan de algehele situatie van banditisme en
landloperij binnen de regio, maar stelt die gemeenschap zich wel bloot aan een
invasie van hulpbehoevenden. Net zo, wanneer één enkele gemeente zich aan een
coöperatief beleid van armenzorg onttrekt, zullen de gevolgen daarvan voor de
regionale situatie te verwaarlozen zijn, hoewel die gemeente zich daarmee grote
kosten zou besparen.
| | | |
Ter wille van de eenvoud, wordt dit n-personenmodel samengeklapt tot een
twee-personenspel dat zich afspeelt in de verbeelding van een gemeente, genaamd
‘Wij’. Deze gemeenschap tracht zich voor te stellen wat de gevolgen zullen zijn
van de verschillende handelwijzen die voor haar open staan, namelijk behoeftige
buitenstaanders uitsluiten of toelaten. Het gemeentebestuur kent dezelfde
keuzemogelijkheden toe aan alle andere gemeenten in het gebied, die te zamen als
één actor beschouwd worden: ‘Zij’. De gemeente redeneert: als ‘Zij’ de
rondzwervende armen toelaten, verdwijnt het regionale probleem
van landloperij en banditisme. Omdat de handelingen van ‘Wij’ op regionaal
niveau niet veel uitmaken, zouden ‘Wij’ net zo goed van de algemene weldadigheid
kunnen profiteren en de behoeftigen die hier om hulp komen vragen, kunnen uitsluiten. Of andersom: ‘Wij’ zouden uit Kantiaanse of
christelijke overwegingen de landlopers kunnen toelaten, en zo kunnen bijdragen
aan het bewaren van de regionale stabiliteit.78 Als ‘Zij’ daarentegen besluiten om hun poorten te
sluiten, zal dat overal tot landloperij en banditisme
leiden. Als ‘Wij’ dan toch onze stad openhouden voor deze horden, zal dat
nauwelijks effect hebben op de regionale situatie, maar hoogstwaarschijnlijk wel
leiden tot de ineenstorting van ‘Ons’ bijstandsfonds. Dit lot kan vermeden
worden door een beleid van uitsluiting te voeren zolang het regionale probleem
van landloperij en banditisme onverminderd voortduurt. Deze alternatieven zijn
weergegeven in het onderstaande twee-bij-twee schema.

Figuur 2.2 Lokaal gezag en het probleem van de zwervende armen
Aangenomen wordt dat ‘Wij’ berekeningen maken, ook over de
voorkeuren die ‘Zij’ erop na houden; deze zijn in het schema
weergegeven. ‘Wij’ kunnen de totale situatie in de regio door ons
optreden niet wijzigen, dat kunnen ‘Zij’ alleen als ze allemaal op
dezelfde wijze handelen, hetgeen ‘Wij’ veronderstellen. Het getal
links onderaan in elke cel geeft ‘Onze’ waardering van het resultaat in
die cel weer, het getal rechts boven de waardering die ‘Wij’
aan ‘Hen’ toeschrijven. De getallen zijn slechts ordinaal (laten alleen
maar ‘minder dan’ en ‘meer dan’ vergelijkingen toe). De kosten van
het toelaten van de armen door een afzonderlijke gemeente zijn gesteld
op ‘5’, de kosten van banditisme en landloperij op ‘10’, en de kosten
van uitsluiting op ‘1’. In de tekst wordt naar de cellen verwezen met
cijfers die staan voor respectievelijk de horizontale en de verticale
strategie waarvan die cellen de gecombineerde uitkomst zijn.
| | | |
Op het eerste gezicht lijkt het schema een ‘spel tegen de natuur’, de menselijke
natuur wel te verstaan: wat ‘Zij’ doen is geheel bepalend voor de regionale
situatie en staat geheel los van wat ‘Wij’ beslissen; het is in elke situatie
een gegevenheid. Maar het gemeentebestuur dat de strategie voor ‘Wij’ moet
kiezen, weet dat ‘Zij’ bestaan uit overeenkomstige gemeenschappen met
gelijksoortige belangen en vergelijkbare besturen. ‘Zij’ zullen dus
waarschijnlijk tot dezelfde conclusies komen als ‘Wij’: alleen al het vermoeden
van de afvalligheid van een enkel bestuur zal de afvalligheid van alle anderen
bespoedigen.
Wanneer in de loop der tijd een lastenverdeling in het hele gebied bereikt is,
bij voorbeeld door de aanvaarding van de toedelingsregel dat elke gemeente voor
haar eigen armen zorgt, bestaat een coöperatief evenwicht: cel (1,1) in Figuur
2.2. Eenzijdige afvalligheid - cel (2,1) - is verleidelijk: het bespaart de
gemeente de kosten van bijstand, ‘5’; deze strategie lijkt op korte termijn de
algemene veiligheid binnen de regio niet aan te tasten, vereist alleen bewaking
aan de poorten, ten bedrage van ‘1’: het loon van de chasse-coquins of de constables. Maar ‘Zij’ worden
geacht op dit stuk dezelfde berekeningen te maken als ‘Wij’. Als ‘Zij’ nu
allemaal besluiten om de samenwerking op te geven, resulteert de situatie die in
de tweede kolom is weergegeven: verwoesting op het platteland, plundering van
oogsten en voorraden, ‘10’; plus de kosten van lokale bewaking: ‘1’; in totaal
‘11’. ‘Wij’ zullen ons dus wel tweemaal bedenken voordat ‘Wij’ van (1,1) naar
(2,1) overstappen, omdat dit een algemene run op (2,2) kan uitlokken: de
algehele uitsluiting van de rondzwervende armen met alle verwoesting van dien.
Wat erger is, situatie (2,2) is stabiel: geen gemeenschap kan naar een gastvrij
beleid terugkeren zonder door desperate hulpzoekers overspoeld te worden, omdat
de landloperij in de regio onverminderd doorgaat; het resultaat zou zijn (1,2),
ten bedrage van ‘15’.
Met andere woorden: wanneer een instabiel coöperatief evenwicht bereikt is,
(1,1), blijft de verleiding van eenzijdige afvalligheid bestaan. Omdat alle
actores zich ervan bewust zijn dat dezelfde verleiding ook voor anderen bestaat,
weten ze dat het eindresultaat een nieuw evenwicht kan zijn, troosteloos maar
stabiel. Hun argwaan ten opzichte van de anderen kan hen ertoe aanzetten als
eerste te deserteren, hun angst dat anderen hen hierin zullen volgen kan hen van
een profiteursbeleid weerhouden.
Kennelijk doet zich een dilemma voor. Er bestaat een soort focale oplossing, die
door allen als ‘voor de hand liggend’ of ‘eerlijk’ wordt beschouwd, die ook door
allen verkozen wordt zolang men maar verwacht dat ieder ander ervoor zal kiezen.
En dit is geen tautologie, maar een vicieuze cirkel, door wederzijds vertrouwen
gaande gehouden. De naburige gemeenten kunnen een gemeente | | | | dwingen
om een bijdrage te leveren, een centraal gezag kan de aspirant-afvallige
proberen over te halen, rechters kunnen hem gelasten zijn bijdrage te leveren:
zodra een systeem van dwang effectief blijkt, is het dilemma opgelost en
verandert het geheel in een figuratie van ondergeschikte in plaats van autonome
actores. Maar zelfs in een figuratie van autonome gemeenschappen hoeft het
instabiele evenwicht niet in een te storten zolang geen ingrijpende verstoringen
het patroon doorbreken van traditionele lastenverdeling in wederzijds vertrouwen
en met onderlinge overreding. Anderzijds leidt de opkomst, om welke reden dan
ook, van een algemeen patroon van uitsluiting tot een stabiele situatie van
waaruit terugkeer naar onderlinge samenwerking uiterst moeizaam is, omdat
eenzijdig gastvrij beleid zichzelf te gronde richt.
Het Grand Renfermement-beleid in Frankrijk en de Elizabethaanse
armenwet in Engeland kunnen worden beschouwd als focale oplossingen: ze zorgden
voor een eerlijke lastenverdeling onder de lokale actores zonder die overigens
dwingend op te leggen - bij ontstentenis van adequaat centraal gezag, politie en
fondsen. Tijdens grote rampen of in bijzonder zwaar belaste gebieden grepen de
centrale autoriteiten in met subsidies, zoals le don royal, of
vestigden ze hun eigen instituties, zoals in Parijs en Lyon. Dit kon dan weer
andere gemeenschappen ertoe verleiden extra hulp te eisen of hun eigen armenzorg
alvast maar op te geven. Het wankele evenwicht maakte staatsingrijpen dus nodig,
maar de ervaring leerde telkens weer dat dergelijk ingrijpen al snel zou moeten
worden uitgebreid om de afvalligheid op te vangen die het zelf elders uitlokte.
Een instabiel coöperatief evenwicht lokt centrale interventie uit, maar wanneer
het gevaar van steeds hogere kosten dreigt zal het centrale gezag zich hoeden
voor interventie: een dilemma dat veel overeenkomsten vertoont met dat van de
afzonderlijke gemeenschappen.
Op basis van deze opties en de berekeningen van de opties van andere deelnemers
kan een stelsel van vergelijkingen worden opgesteld, dat een of andere optimale
oplossing of evenwichtsuitkomst oplevert. Maar de coëfficiënten in dat stelsel
zijn onbekend. De kosten van armenzorg per hoofd zijn te reconstrueren, maar de
aantallen behoeftigen, de middelen waarover de gemeenschappen konden beschikken
en de geneigdheid van de armen om naar vrijgeviger plaatsen te trekken zijn
onbekend, en waren dat ook voor de autoriteiten van die tijd. De opgave zou dus
zuiver formeel zijn en niet bijdragen tot een beter begrip van de overwegingen
van historische actores of tot een ‘postdictie’ die vervolgens aan de hand van
bekende gegevens getoetst zou kunnen worden.
|
78‘Dit
machtsevenwicht kan in feite slechts gehandhaafd worden met een beroep op de
Kantiaanse categorische imperatief: handel zo dat als iedereen zo handelde,
dat in je voordeel zou zijn.’ Rapoport, p. 306. Vergelijk echter de
redenering hier.
|
|