|
|
|
| |
7 Regionale landloperij, armenhuizen en centraal gezag
Tot nu toe is steeds aangenomen dat alle gemeenschappen in een figuratie
betrekkelijk klein waren en dat geen ervan afzonderlijk de regionale situatie
kon beïnvloeden. In de loop van de zeventiende en achttiende eeuw werden enkele
| | | | steden echter zo groot dat een heel gebied en alle
gemeenschappen daarbinnen op dit centrum georiënteerd raakten; daar werd hun
oogst verkocht en werden ambachtelijke produkten en luxegoederen ingekocht, daar
werd de politieke lijn van de regio bepaald. Zo'n metropool kon invloed
uitoefenen op de omstandigheden van de landlopers in de wijde omtrek en deed dat
ook wanneer de toevoerlijnen in gevaar kwamen. Mancur Olson heeft aangetoond dat
een ‘grote actor’ die voldoende baat heeft bij een collectief goed om dat op
eigen kosten te verschaffen, dat zal doen, zelfs als die actor anderen niet kan
dwingen eraan bij te dragen of beletten ervan te profiteren.79 Dit was min of meer de situatie van de
Europese hoofdsteden in het absolutistische tijdperk. Hoewel ze de last niet
graag alleen droegen, bleek het toch lonend. Zo kwam het dat vanaf het midden
van de zeventiende eeuw een aantal steden met zeer uitgestrekte en kwetsbare
handelsnetwerken rondtrekkende paupers toelieten en hen - zij het niet van harte
- als hulpzoekenden accepteerden.
Maar dit centrale optreden stimuleert de omringende gemeenschappen juist om op de
uitgaven voor hulp te besnoeien en hun behoeftigen uit te wijzen, een
kostenbesparing zonder gevolgen voor de regionale rust, die immers al vooral
door het toelatingsbeleid van de centrale stad was veiliggesteld. Dit
parasiteren van de omringende gemeenschappen op de armenzorg in de grote stad is
een voorbeeld van wat Olson ‘de exploitatie van de groten door de kleinen’80 heeft genoemd. Een
gevolg hiervan was dat de urbanisatie zichzelf versnelde: de beschikbaarheid van
stedelijke onderstand vormt een gedeeltelijke verklaring voor het verdwijnen van
de bijstand op het platteland, de leegloop van de dorpen en de trek naar de
stad.
Waren deze grote steden tevens residentie van het koninklijk hof, dat een
overeenkomstig belang had bij de pacificatie van het rijk, dan was deze
grootstedelijke bijstand nauwelijks van de beginnende bijstand door de centrale
staat te onderscheiden.
Maar wanneer een ramp toesloeg, stuurden ook de grote steden de uitheemse
behoeftigen en zelfs de autochtone armen weg om hongersnood en besmetting te
voorkomen. De uitgewezenen versterkten de rijen van bedelaars en bandieten in de
omgeving en verergerden de chaos op het platteland. Tilly citeert de door
Braudel genoemde zestiende-eeuwse voorbeelden van Venetië, Marseille en Napels,
en voegt daaraan toe:
Ongeveer tegelijkertijd gooiden de pauselijke troepen in Rome de
bedelaars de stad uit... een klassiek geval van het bestrijden van de kwaal door
haar te verergeren, omdat het feit dat de bandieten belangrijke delen van Romes
toevoerlijnen in handen hadden het tekort in hoge mate had veroorzaakt, en een
groot deel van de verdreven bedelaars zich bij de bandieten aansloot. Zoals zo
vaak gebeurde in de vroeg-moderne geschiedenis van stedelijk bestuur, botsten de
belangen op lange termijn frontaal met de eisen van het moment.81
Desondanks waren de Europese staten al in de zeventiende eeuw nauw betrokken bij
financiering en beheer van armenzorg en armenhuizen. Deze snelle | | | | overgang werd bevorderd door de opkomst van een betrekkelijk nieuw soort
institutie, een stelsel dat elke gemeente een strategie voorhield die deze kon
bevrijden uit het dilemma van uitsluiting of toelating van de armen, omdat de
nieuwe gedragslijn betere resultaten beloofde dan de beide andere. Aangezien het
hier om een dominante - dat wil zeggen: betere - strategie ging, kon elke
gemeente er met een gerust hart van uitgaan dat haar buren er eveneens voor
zouden kiezen en dat daardoor een nieuw evenwicht zou ontstaan.
De nieuwe strategie bleek te berusten op een illusie. Maar tegen de tijd dat dit
duidelijk werd, was al een nieuw evenwicht bereikt op basis van de onjuiste
verwachtingen. Met de verdwijning van de illusie leek individuele afvalligheid
weer lonend te worden, maar die kon nu worden afgekocht met kleine, weloverwogen
subsidies van de centrale autoriteiten.
Die nieuwe uitvinding was het armenhuis. Alle gezonde armen moesten daarin worden
opgesloten. Zij die plaatsing accepteerden, toonden daarmee hun fatsoen en
werden beloond met werk, voedsel en onderdak; zij die zich verzetten tegen
opname, lieten daarmee hun werkschuwheid blijken en kregen hun gerechte straf in
dwangarbeid of uitsluiting van alle hulp.82 Lediggang gold als de
oorzaak van ondeugd, ondeugd werd beschouwd als wortel van de armoede, vlijt was
dus troost voor de fatsoenlijke arme, en voor de onfatsoenlijke arme een
leerschool. ‘Werk kon en moest de bijstand zoveel mogelijk vervangen.’83
Belangrijkst van alles was dat het armenhuis zichzelf zou bekostigen uit de
opbrengsten van het werk der bewoners. Morele argumenten en overwegingen van
economie en openbare orde versterkten elkaar in het pleidooi voor de stichting
van armenhuizen.84 De maatregel kon getroffen worden op het
niveau van de dorpsgemeente of de kleine stad; er was geen bredere coördinatie
nodig. Het initiatief berustte dus bij de politieke instituties die het meest
handelingsbekwaam waren en het meest geneigd om in hun eigen belang op te
treden. Bovendien was de verwachting dat de toelating tot het armenhuis
nauwkeurig geregeld kon worden. Door het manipuleren van arbeids- en
verblijfsomstandigheden kon het armenhuis aantrekkelijker of afschrikwekkender
gemaakt worden naar gelang de beheersing van regionale landloperij en lokale
armoede dat vereisten.85 Aanvankelijk
dacht men dat het plaatselijk bestuur slechts een vergunning hoefde te
verstrekken aan een particuliere ondernemer, die dan een armenhuis zou opzetten
en beheren. Maar de risico's bleken te groot, de disciplineproblemen te
veeleisend en de winstkansen te onzeker om de zaak aan het particuliere
initiatief over te laten. Bij wijze van voorlopige maatregel namen de
plaatselijke autoriteiten zelf de voorbereiding ter hand totdat de armen
gezagsgetrouw en werkwillig zouden zijn geworden en uit zichzelf de arbeidsmarkt
zouden opgaan.
De omstandigheden in de armenhuizen varieerden aanzienliljk van plaats tot
plaats. De schildering van hun gruwelen werd een populair literair genre in het
negentiende-eeuwse Engeland.86 In het zeventiende-eeuwse
Frankrijk waren het lieux redoutables, lugubere gevangenissen,
waar de armen liever met gevaar | | | | voor eigen leven uit ontsnapten dan
in werkten.87 In
Pruisen stonden ze in die periode bekend als Hochschulen des
Verbrechertums,88 of colleges of crime, zoals de Engelsen ze aanduidden. Toch was
het leven in deze instellingen niet altijd even ellendig: andere bronnen maken
gewag van vriendelijke opzichters, weinig tucht, en lichte werkzaamheden, soms
niet eens verplicht.89 Dit gaf
weer aanleiding tot klachten van burgers over lediggang, laksheid en verkwisting
van belastinggelden.90
De armenhuizen werden nooit een zakelijk gezonde onderneming: ‘De autoriteiten
richtten ze op in de veronderstelling kosten te kunnen besparen, maar ontdekten
na enkele jaren dat de inkomsten van het experiment niet opwogen tegen de vaste
bedrijfsuitgaven,’ aldus Oxley.91 De kosten
bedroegen soms het viervoudige van de ambulante armenzorg.92 Over de omkoopbaarheid van
opzieners en de corruptie van leveranciers werd alom geklaagd.93 ‘Niettemin waren de
liefdadige armenhuizen, ondanks alle tekortkomingen, een effectief wapen in de
strijd tegen bedelarij. En bovendien brachten ze een van de nieuwe ideeën van de
achttiende eeuw in praktijk: bijstand door arbeid.’94 In dit opzicht vormden ze een breuk met de
zeventiende-eeuwse asielen en armenhuizen, die de armen slechts herbergden om
hen te onderhouden of te straffen, en hen hoogstens door religieus onderricht
trachtten te verheffen. De achttiendeeeuwse armenhuizen moesten de armen door
arbeidstucht vormen tot burgers en dit streven ging ten minste uit van een
erkenning van hun wezenlijke menselijkheid, van hun vermogen om menselijke
wezens te worden als ieder ander. In die zin kwamen de nieuwe projecten voort
uit een sterkere identificatie van de hervormers met de armen, uit een idee dat
ze niet alleen maar barbaren waren, maar slachtoffers van het lot, die - mits op
de juiste wijze hervormd - alsnog eerlijke en nijvere mensen konden worden. Het
armenhuis kan zo hebben bijgedragen aan de verbreiding van dit besef van
identificatie onder de brede burgerij.
Het armenhuis is vaak geïnterpreteerd als een institutie ter regulering van de
arbeidsmarkt in het vroege kapitalisme. Dit is een dubbelzinnig begrip: het kan
betekenen dat de armenhuizen er waren ter rekrutering van arbeiders uit de
preproletarische zwervende massa's op momenten dat de vraag naar arbeidskrachten
groot was, een transformatie van ‘niet-loonarbeiders tot loonarbeiders’95 door alternatieve
bestaansvormen buiten de markt weg te nemen en de mensen zonder werk tot arbeid
te dwingen tot ze vanzelf bereid zouden zijn hun arbeidskracht voor loon aan te
bieden.96 Het begrip kan echter ook betekenen dat de armenhuizen er waren
voor het onderhoud van loonarbeiders die in magere tijden door de kapitalisten
terzijde geschoven waren, dus voor de handhaving van een arbeidsreserve totdat
de vraag naar arbeid weer toenam.
Het eerste idee - dat armenhuizen in tijden van een sterke vraag naar arbeid
wierven onder mensen zonder werk - wordt al met al niet door de feiten
gestaafd.97 Gedurende vrijwel het hele vroeg-kapitalistische tijdperk was
ongeschoolde arbeidskracht zoals het armenhuis die kon bieden in ruime mate
voor- | | | | handen. Het tweede idee - dat armenhuizen een arbeidsreserve
onderhielden - lijkt in het licht van de historische gegevens aannemelijker.
Piven en Cloward hebben een ingewikkelder verband gesuggereerd:
Bijstandsregelingen zijn ondergeschikt aan economische regelingen. Ze
zijn er vooral ter regulering van de arbeid, en doen dat op twee manieren. In
een eerste fase, wanneer massale werkeloosheid tot onlusten leidt worden
bijstandsprogramma's opgezet die genoeg werkelozen kunnen opnemen en beheersen
zodat de orde gehandhaafd blijft; daarna, als de onrust minder wordt, trekt het
bijstandssysteem samen en stoot mensen af die nu op de arbeidsmarkt nodig zijn.
Toch heeft de bijstand ook in deze geslonken toestand nog een arbeidsregulerende
functie. Sommige bejaarden, zieken, gestoorden en anderen die van geen nut zijn
als werkers, blijven ingeschreven, en worden zo vernederend en bestraffend
bejegend dat de arbeidende massa's doordrongen raken van vrees voor het lot dat
hen te wachten staat, mochten ze het op bedelarij en armoede laten
aankomen.98
Deze marxistisch-functionalistische visie zoekt de functie van de armenzorg
terecht in de regulering van de arbeidsmarkt, al werden tot luiheid geneigde
arbeiders wellicht evenzeer afgeschrikt door de omstandigheden buiten het
armenhuis als door de situatie daarbinnen. Nochtans worden in deze visie de
‘politiële’ functies van de bijstand geheel ondergeschikt gemaakt aan de
economische functies. Daarmee blijft onverklaard hoe dergelijke regelingen
konden ontstaan onder het bewind van elkaar wantrouwende lokale autoriteiten die
geconfronteerd werden met regionale landloperij - in eerste aanleg een politiek
probleem.
De Charité in Lyon opende in slappe tijden inderdaad haar
deuren voor de zijdearbeiders om hen te onderhouden totdat de conjunctuur weer
aantrok; daarmee werd voorkomen dat ze naar het buitenland trokken en de
fabrieksgeheimen van de zijdeindustrie zouden meenemen.99 De omstandigheden in het tehuis
moesten dus voldoende gunstig zijn om de arbeiders van emigratie te weerhouden,
en hard genoeg om hen aan het werk te krijgen als ze weer nodig waren. De recteurs, regenten, waren zeer expliciet in deze overwegingen.
Zij dienden echter meer dan één meester: behalve de zijdeproducenten hadden zij
ook de richtlijnen van de koning te gehoorzamen, die, ofschoon ze niet altijd
strookten met het onderhoud van ontslagen zijdewerkers, toch ook de belangen van
de Lyonese burgers dienden: ook de landlopers uit de omstreken moesten worden
opgenomen. De gasthuizen van Lyon hadden de plicht een deel van de rondzwervende
armen uit de gehele Generalité te accepteren. Ze deden hun
best hun aandeel zo klein mogelijk te houden, maar als ze te veel bedelaars
wegjoegen dreigde een overbelasting van de tehuizen in de kleinere steden in de
regio; en de ineenstorting van de regionale bijstand kon resulteren in muiterij,
plundering en verwoesting, zoals al zo vaak was gebleken. Anderzijds zou een te
royaal beleid de Lyonese regenten opzadelen met vagebonden uit de hele regio en
van nog verder: een overbelasting van de stedelijke voorzieningen en de
vrijgevig- | | | | heid der burgers. En een te laag niveau van bijstand zou
weer de werkeloze zijdewerkers uit de stad verdrijven.
Een modern bestuur zou een scherp onderscheid maken tussen de verschillende
categorieën: werkeloze inheemse arbeiders enerzijds, en uitheemse armen
anderzijds. Maar dat ging toentertijd de bestuurlijke capaciteiten te
boven.100 Zelfs nu, met een hoog opgeleid en loyaal
ambtenarenkorps, met geavanceerde bestuurs- en inspectietechnieken en
betrouwbare bevolkingsregisters, blijft het een probleem om uitheemse
nieuwkomers te onderscheiden van werkeloze ingezetenen. In deze tijd hanteert
Zuid-Afrika een pasjessysteem om onderscheid te maken tussen inheemse arbeiders
en die uit de thuislanden; ook in de Sovjetunie wordt een dergelijke methode
effectief toegepast. In de achttiende eeuw was het nagenoeg onmogelijk, en werd
het ook niet altijd rechtvaardig gevonden. De Lyonse bijstand ‘reguleerde de
armen’ net als het armenbeleid elders in het achttiende-eeuwse Europa: de
regenten waren zich de verschillende keuzen en de gevolgen daarvan goed bewust.
Maar ze moesten verschillende systemen tegelijk reguleren - zowel de regionale
landloperij als de plaatselijke arbeidsreserve - en konden niet verhinderen dat
deze stelsels in elkaar overliepen.
De armenhuizen werden opgericht om de bedreiging van de openbare veiligheid die
uitging van werkelozen en werkschuwen tegen te gaan. ‘L'internement... est chose de “police”,’ zegt Foucault101 - het woord ‘politie’ moet hier in de
brede zin van die tijd begrepen worden. De armenhuizen moesten zo zijn ingericht
dat het leven erbinnen voor iemand die kon kiezen ‘minder verkieslijk’ zou zijn
dan daarbuiten. Dit eenvoudige beginsel verklaart veel van de omstandigheden in
kampen, gevangenissen en andere gesloten instituties voor gezonde en gevaarlijke
mensen - tot op de dag van vandaag. De omstandigheden mogen vaak ondraaglijk
geweest zijn, meestal waren ze alleen maar net iets slechter dan buiten.
|
81Ch. Tilly 1975, p. 440.
82Martin, p. 32:
het ‘aanbod van het Huis’; vgl. J.S. Taylor, p. 60, citerend uit de Workhouse Test Act van 1723: de armen die inlijving
weigeren ‘zullen geen recht hebben op het vragen of ontvangen van goederen
of hulp...’; vgl. ook Foucault, 1972, pp. 71-4.
84Vgl. Lotte Koch, p. 431; Foucault,
1972, pp. 80 e.v.; Lis & Soly, pp. 123 e.v.; Sachsse &
Tennstedt, p. 116, karakteriseren deze vele doeleinden treffend als ‘een
functionele overbelasting’.
85Het armenhuis van Gouda bij
voorbeeld schafte in 1854 de warme maaltijden af om de toevloed van gezonde
armen in te dammen; (vgl. Van den Eerenbeemt, 1977).
86Bijv. Charles Dickens' Oliver Twist of Little Dorritt, Arnold
Bennetts Clayhanger.
87Bijv. Geremek, 1974, p. 356.
88Vgl. Küther, p. 142; vgl. voor
Oostenrijk Stekl; en Ignatieff voor het gruwelijk bestraffende karakter van
de Engelse armenhuizen in het midden van de negentiende eeuw.
89Bijv. de almshouses in de Verenigde Staten, vgl. Coll, p. 135.
90Vgl. Oxley, p.32; J.S. Taylor, p.
70.
91Oxley, p. 85; Van den
Eerenbeemt, 1977, pp. 34 e.v. Katz, p. 24: ‘De voorvechters van de
armenhuizen straalden zelfs van optimisme over het vermogen van de paupers
om hun eigen voedsel te produceren en andere nuttige arbeid te verrichten..
Het optimisme van de eerste geldschieters en bestuurders van armenhuizen
weerspreekt de meeste verslagen van enkele jaren later.’
92Vgl. J.S. Taylor, p. 63.
94Gutton, 1971, pp. 466-7.
95Lenhardt en Offe, p. 101.
96Rusche en Kirchheimer, p.7: ‘De
verbeteringsgestichten ontstonden in een sociale situatie waarin de
omstandigheden op de arbeidsmarkt gunstig waren voor de lagere
klassen.’
97Lis en Soly hebben echter betoogd dat de
armenhuizen in Frankrijk ten minste tot 1630 wél dienden voor de rekrutering
van goedkope arbeidskrachten in tijden van grote vraag; voor de
daaropvolgende slappe periode beschouwen deze auteurs evenwel de
disciplinering van de armen als de voornaamste functie van het armenhuis.
Lis toont tevens aan dat in het negentiende-eeuwse Antwerpen de armenzorg
werd hervormd om arbeiders voor de textielindustrie te kunnen
rekruteren.
98Piven en Cloward, 1972, p. 3.
99Vgl. Gutton, 1971, pp. 458 e.v.
100Bijv. Depauw, p. 403: de verbannen armen
doken onder in de Parijse massa's. Vgl. Kaplow, pp. 129 e.v.; vgl. Dorwart,
p. 111 over Pruisen.
101Foucault, 1972, p. 75. Vgl. Koch, p. 347. Sachsse en Tennstedt,
betogen dat er - althans in Duitsland - te weinig armenhuizen waren om de
arbeidsmarkt te kunnen reguleren - ze waren veeleer bedoeld om af te
schrikken en te disciplineren.
|
|