|
|
|
| |
8 Het armenhuis als dominante oplossing
Het model dat in deze paragraaf uiteengezet wordt, illustreert niet zozeer de
feitelijke ontwikkeling in de historische samenlevingen, als wel de in de
figuratie impliciete dynamiek. Ten eerste verstreken er bijna tweehonderdvijftig
jaar tussen de stichting van het eerste armenhuis in 1596, het ‘Rasphuis’ in
Amsterdam, en de hoogtijdagen van het instituut in Engeland en Amerika. Ten
tweede werd de term ‘armenhuis’ zonder onderscheid gebruikt voor een scala van
instituties, van de miniscule Engelse plattelandsasielen in de achttiende eeuw
tot het gigantische Parijse Hôpital Général rond 1650. De term
refereert meer aan de verwachtingen van de stichters dan aan de omstandigheden
van de bewoners: de meeste armenhuizen werden bevolkt door een ratjetoe van
mensen die om de een of andere reden voor onderdak of opsluiting in aanmerking
kwamen: krank- | | | | zinnigen, kleine criminelen, gemakzuchtige
rijkeluiszoontjes die tucht nodig hadden, wezen, weduwen, bejaarden, zieken,
invaliden enzovoort. De gezonde armen waren er doorgaans in de minderheid.102 Hoewel men alom geloofde dat
arbeid de weg was tot morele verheffing, speelden toch gebed,
godsdienstonderricht en tucht de voornaamste rol. De gezonde armen deden hun
uiterste best om buiten het armenhuis te blijven, dat daardoor met de minst
arbeidsgeschikten bleef zitten. De lichamelijk gezonde bedelaars en zwervers
voor wie de inrichtingen in de eerste plaats waren opgezet, bleven liever buiten
en ze werden door de regenten gemeden omdat nauwlettend toezicht en strenge
veiligheidsmaatregelen nodig waren om te verhinderen dat ze zouden ontsnappen.
Armenhuizen in engere zin, als logementen voor arbeidsgeschikte werkelozen met
adequate voorzieningen voor produktieve arbeid en een volledig werkrooster,
waren eerder uitzondering dan regel. Achteraf gezien is het niet verbazend dat
deze instituties zo dikwijls de verwachtingen van hun stichters beschaamden. Van
dag tot dag werden die mensen binnen gebracht die het meest in nood waren en het
minst in staat zich tegen opname te verzetten, terwijl degenen die het meest
geschikt waren om te werken buiten bleven en daar het grootste gevaar bleven
vormen.
Zelfs armenhuizen die als een fabriek-met-logement gerund werden, konden zich
maar met moeite bedruipen: in slappe tijden was ook naar de produkten van het
armenhuis weinig vraag. Nam de vraag toe, dan konden particuliere ondernemers
daar ook op inspelen. Wanneer het armenhuis strak geleid werd, concurreerde het
op onbillijke wijze met het particuliere zakenleven; wanneer dat niet zo was,
werkte het met verlies. Hetzelfde dilemma staat tot op de dag van vandaag
werkgelegenheidsprojecten in de weg.
In de zeventiende eeuw zette de ene gemeente na de andere met hooggespannen
verwachtingen een armenhuis op. Die armenhuizen zijn een goed voorbeeld van
‘bewuste culturele diffusie’,103 van de weloverwogen overname van een project van de ene
gemeenschap door andere: het Amsterdamse project werd overgenomen door gemeenten
in de Nederlanden,104 door de Hanzesteden en zo verder tot Wenen,105 en
Parijs,106 van
daaruit verbreidde het zich over heel Frankrijk, en beïnvloedde op zijn beurt
weer Duitse, Nederlandse en Spaanse plannen.107 Het
idee werd telkens overgenomen als een oplossing voor de nijpende problemen van
openbare orde die werden veroorzaakt door de horden bedelaars en vagebonden. Het
plan moest verlichting brengen in de lasten van de bijstand, die tot dan toe de
armen tegen honger en ondeugd beschermde. Steeds opnieuw leken kleine
verbeteringen in de opzet de beloofde doelmatigheid dichterbij te brengen. Maar
elke nieuwe regeling vertoonde weer andere tekortkomingen.
In feite waren de armenhuizen intramurale centra ter detentie en behandeling van
invalide en ziekelijke behoeftigen die daar onder grote aandrang het weinige wat
zij vermochten aan het eigen onderhoud bijdroegen. Het ontbrak de stedelijke
autoriteiten eenvoudig aan de wil, de techniek en de middelen om het | | | | regime op te leggen aan hen die wel konden werken maar het niet wilden. Voor
het grootste deel van zijn geschiedenis was het armenhuis niet zozeer een
panopticum als wel een pandemonium.
Pas toen de industriële revolutie eenmaal op gang was en toen nationale
regeringen in staat waren effectief toezicht te houden op de verbindingswegen en
criminelen, bedelaars en vagebonden nauwkeurig te registreren, lukte het om ook
gezonde armen op te sluiten en tewerk te stellen. Tegen die tijd was het
armenhuis een strafinrichting geworden, een opvoedingsgesticht om beginnende en
recidiverende leeglopers de discipline van gestage arbeid bij te brengen.108 De traditie van het algemene armenhuis was ten
einde en werd opgevolgd door een differentiatie in velerlei gespecialiseerde
instituties zoals weeshuizen, bejaardenhuizen, ziekenhuizen, tuchtscholen,
krankzinnigengestichten, kraaminrichtingen en gevangenissen.109
Pogingen om weerspannige bewoners een arbeidsdiscipline op te leggen raakten
achterhaald door de werking van het fabriekssysteem en de arbeidsmarkt. Onder
invloed van literaire aanklachten werd dit streven ook steeds meer afgewezen als
strijdig met de humanitaire ideeën die er vroeger altijd mee geassocieerd waren.
Pas weer in de twintigste eeuw stelden veel effectievere bestuurs- en
beleidstechnieken en de ideologische notie van de ‘staatsvijand’ de centrale
autoriteiten van nazi-Duitsland en de Sovjetunie in staat miljoenen mensen op te
sluiten en dwangarbeid te laten verrichten.
Midwinter schrijft:
De industriële, bijna militaire regulo die nu nog
heerst in gevangenissen, maar ook in ziekenhuizen, op scholen en in
verzorgingsinstituties, vormt een pijnlijke getuigenis van zijn oorsprong in een
traditie die nog steeds wacht op een herwaardering. De voortzetting is fysiek in
de zin dat de oorspronkelijke inrichtingen nog steeds in gebruik zijn of model
staan voor de vervanging, maar ook psychologisch voor zover onze vertrouwdheid
met die instituties het moeilijk maakt een alternatief te bedenken.110
De verwachting dat de werkeloze armen tewerkgesteld konden worden in een zichzelf
bekostigend systeem van bijstand heeft grote gevolgen gehad. De methode leek een
uitweg te bieden uit het dilemma van uitsluiting of ondersteuning dat de
betrekkelijk autonome gemeenschappen in het moderne Europa tot dan toe verlamd
had. De gemeenten waren nu eerder genegen om aanzienlijke aantallen bedelaars en
vagebonden toe te laten, omdat ze in het armenhuis konden worden opgesloten en
de kosten van onderhoud uitgespaard werden - althans, dat dacht men.
Ook dit proces kan aan de hand van een spelmodel verduidelijkt worden. Uiteraard
vermocht geen enkele gemeenschap afzonderlijk een einde te maken aan banditisme
en landloperij in de hele regio. Maar nu kon een gemeente er een begin mee maken
en de eigen situatie verbeteren, ongeacht wat ‘Zij’ deden. Zo zouden ‘Wij’ voor
een armenhuis kunnen kiezen - strategie 3 - ongeacht de verdere situatie in de
regio: wanneer een algemeen evenwicht van lokale bijstand | | | |

Figuur 2.3 Lokaal gezag en het probleem van de rondzwervende armen
Armenhuizen worden verondersteld niets te kosten: ‘0’. Zie verder
de toelichting bij Figuur 2.2.
bestaat, bespaart de gemeenschap zich toch de kosten voor bijstand -
die gaan van ‘5’ naar ‘0’ - terwijl de regionale orde blijft bestaan: cel (3,1).
Wanneer de figuratie tot algemene uitsluiting en wanorde is vervallen, kan de
gemeenschap met een armenhuis de algemene chaos niet beëindigen, maar zich wel
de kosten van uitsluiting en waakzaamheid, ‘1’, besparen, terwijl de kosten van
onvermijdelijke regionale verwarring blijven bestaan, ‘10’: cel (3,2). Andere
gemeenschappen zullen tot dezelfde conclusie komen en op hun beurt armenhuizen
vestigen, waarmee de orde in de regio hersteld wordt en de kosten van bijstand
worden bespaard, resulterend in ‘0’: cel (3,3). Het armenhuisevenwicht (3,3) is
duidelijk optimaal - het geeft immers voor elke actor een beter resultaat dan
enig andere strategie - en het is ook stabiel in de zin dat eenzijdige
afvalligheid niet loont. Het is dus niet verbazend dat de illusie zo gretig
geloofd werd.
Het is interessant om uit het schema af te leiden wat er gebeurt wanneer het
armenhuis eenmaal een teleurstelling gebleken is, wanneer bij voorbeeld de
kosten de baten blijven overtreffen en de gezonde armen weigeren zich te laten
opsluiten. Bij voortdurende verstoring van de regionale vrede en een
tegenvallende lastenvermindering kunnen sommige steden gaan overwegen hun
gesticht te sluiten, waarbij als keuzen resten eenzijdige afvalligheid van (3,3)
naar (2,3), uitsluiting, of (1,3), extramurale armenzorg. Opnieuw ontstaat een
dilemma. Afvalligheid is weer aanlokkelijk, ook al omdat anderen op het idee
kunnen komen en daarop moet geanticipeerd worden. Anderzijds, juist omdat
anderen ook op het idee kunnen komen kan afvalligheid leiden tot algemene
uitsluiting van de armen, (2,2), met alle afschrikwekkende gevolgen van dien.
Op dit punt kon een centrale regering met kleine middelen grote resultaten
boeken. De subsidiëring van de bedrijfskosten van het armenhuis kon de overstap
naar (2,3) minder aanlokkelijk maken, en zo'n subsidie hoefde alleen maar | | | | het verschil ten bedrage van ‘1’ te dekken. De centrale autoriteiten
of de grote steden konden ingrijpen door oprichting van een gesticht voor de
krachtige maar weerspannige elementen in de regio, iets waar de regenten van
lokale instituties een hekel aan hadden omdat ze wisten dat het de kosten van
het opsporen, omsingelen, insluiten en het opleggen van een permanent regime van
dwangarbeid met zich meebracht. Toch kon een centrale regering die over de
middelen beschikte de plaatselijke autoriteiten met subsidies ertoe bewegen toch
de zwervers op te nemen om zo de orde in de regio te handhaven of te herstellen.
De analyse toont de dynamiek van toelating en uitsluiting in een figuratie van
autonome gemeenschappen geconfronteerd met een regionaal probleem van banditisme
en landloperij. Dergelijke figuraties hebben geleidelijk plaats gemaakt voor
figuraties waarin een centrale staat de gemeenten in zijn gebied door wetgeving,
belasting en toezicht reguleert. Deze staatsinterventie wordt doorgaans
verklaard uit ontwikkelingen die zich buiten de regionale figuraties afspeelden.
Niet zelden wordt de toenemende interventie door het centraal gezag
toegeschreven aan de invloed van humanitaire ideeën en hervormingsgezinde
campagnes, of wordt het toegenomen fiscale, regulerende en controlerende
vermogen van de staat aangevoerd ter verklaring van de interventie van het
centrale gezag in de regionale figuraties. Het was echter deze dynamiek,
inherent aan de figuratie van regionale landloperij en betrekkelijk autonome
armenzorg, die aanzette tot toenemende staatsinterventie en zo weer een bijdrage
leverde aan verdere staatsvorming.
Vanaf de zestiende eeuw hadden centrale autoriteiten op het groeiende probleem
van regionale landloperij gereageerd met het uitvaardigen van een ‘focale’
wetgeving die in de praktijk de vervolging en detentie van zwervers, of de
financiering en het bestuur van armenhuizen overliet aan de lokale autoriteiten.
Niettemin werden deze centrale machten in talloze minuscule stapjes tot meer
directe interventie gedreven door de incidentele maar des te dringender
verzoeken van bedreigde lokale autoriteiten. Alleen al de toekenning van
staatssubsidies kon de begunstigde lokale autoriteiten verlokken tot mindering
van de eigen inspanningen, en de overige tot de roep om een even groot aandeel.
Dit mechanisme vergrootte langzaam maar zeker de betrokkenheid van de centrale
staat bij de armenzorg en de strijd tegen de landloperij.
Zo ontstond een centrale macht met voldoende interne samenhang en externe
connecties om een beleid te ontwikkelen en voor het hele rijk af te kondigen. De
staat was bij machte het regionale of zelfs nationale karakter van problemen als
dat van de landloperij in te zien en een regeling uit te vaardigen die bedoeld
was om de openbare veiligheid te waarborgen, zijn opdracht, maar tegelijkertijd
de moeite en kosten van de tenuitvoerlegging moest afschuiven, zijn zwakte. De
lokale gemeenschappen bleven de lasten dragen, maar de supralokale
toewijzingsregel werd toegepast door de staat of zijn gerechtshoven. Vervolgens
raakte de staat betrokken in pogingen om die beslissingen ook aan de
plaatselijke gemeenschappen op te leggen. En in een nog latere fase liet het
centraal gezag zich | | | | verlokken om de medewerking aan zijn beleid te
bevorderen door rechtstreeks, zij het incidenteel, ingrijpen. Gegeven de
wedijver tussen de lokale autoriteiten werden deze geïsoleerde ingrepen steeds
talrijker en gingen ze de plaatselijke inspanningen in toenemende mate
vervangen, vaak in weerwil van de principiële bedoeling van de staat en de
directe intenties van de lokale autoriteiten, beducht om hun autonomie.111
Deze figuratie van betrekkelijk autonome, lokale instanties die zich gedwongen
door nood en onderlinge wedijver onderwerpen aan een centraal gezag dat zich
overeenkomstig uitbreidt, doet denken aan Elias' ‘monopolistisch gebonden
concurrentiestrijd’, een model dat primair betrekking heeft op de
afhankelijkheidsrelaties tussen de landadel en het koninklijk hof tijdens de
laatste fase in de overgang van feodalisme naar absolutisme.112 Het
dilemma van samenwerking of desertie in de ongecoördineerde figuratie van lokale
bijstand werd steeds meer vervangen door een wedijver om de steun van de
centrale staat, ten koste van de lokale autonomie. De staat, die daarmee aan
invloed won, moest de kosten van de bijstand op zich nemen en bleef al die tijd
gevangen in het dilemma om ofwel die afgeschoven lasten te aanvaarden, ofwel het
regionaal bijstandsevenwicht te laten uiteenvallen door plaatselijke
verwaarlozing.
In dit geval werd de statenvorming bevorderd door de dynamiek van interne
politieke wedijver, een complement van de externe politieke concurrentie tussen
staten onderling, die eveneens aan de statenvorming heeft bijgedragen. De
groeiende staatsinterventie moet begrepen worden tegen de achtergrond van de
relatief autonome processen van kapitaalsaccumulatie en urbanisatie, waar dat
staatsingrijpen weer toe bijdraagt.
Wat het armenhuis teweegbracht was uiteindelijk een op illusies gebaseerd
coöperatief evenwicht. Het eenmaal bereikte evenwicht hoefde echter niet
noodzakelijk door desillusie verstoord te worden, omdat de staat en de grote
steden desertie konden voorkomen door welbewust als stabiliserende factoren op
te treden. Onbedoeld gaven deze instellingen zo mede een impuls aan de
transformatie van de figuratie van autonome lokale instanties tot een van
gecentraliseerde bewaking en bijstand.
Het spel is nooit van begin tot eind precies zo gespeeld. Maar vele malen, en
eigenlijk bijna overal, zijn er gedeelten van opgevoerd; een analytisch inzicht
in deze dynamiek kan bijdragen tot beter begrip van historische episoden.
|
103Wallerstein, p. 254. Vgl.
J.S. Taylor, p. 60: De bekeringen kwamen van geslaagde voorbeelden; als een
gemeente een armenhuis opgezet had dat de kosten van de armenzorg en het
aantal aanvragers verminderde, volgden de naburige gemeenten dat
na...’
104Vgl. Foucault, 1975, pp.
123-130.
105Vgl. Stekl, p. 54; Lis en Soly, pp. 118 e.v.
106Vgl. Geremek, 1974, p. 363.
107Vgl.
Küther, p. 143; Van den Eerenbeemt, 1972, pp. 51 e.v. Kingdon, pp. 67 e.v.
geeft argumenten voor een verbreiding in omgekeerde richting.
108Vgl. Foucault, 1972, pp. 82 e.v.; Ignatieff passim.
109‘De armenhuizen onder de oude armenwet zijn te beschouwen als de
voorlopers van de meeste instituties die deel uitmaken van de moderne
sociale voorzieningen.’ Oxley, p. 79.
111Bijv. Gutton, 1971, pp. 454 e.v.; C. Jones, pp. 131
e.v.
112Elias, 1982 vol. 2, pp. 112 e.v., en vooral p. 123.
|
|