· 3 · Het lager onderwijs als code voor nationale communicatie
Vandaag de dag gaan over heel de wereld rond een miljard kinderen het grootste
deel van elke werkdag naar school - al twee eeuwen lang nemen het aantal en
percentage schoolgaande kinderen toe, en ook de tijd die elk kind op school
doorbrengt.1
Al deze kinderen leren in de eerste zes schooljaren verrassend overeenkomstige
zaken onder opvallend vergelijkbare omstandigheden.
Overal leren schoolkinderen lezen en schrijven, heel vaak in een taal die nogal
afwijkt van hun eigen spreektaal: zij leren een standaardtaal die in een hele
regio, een land of zelfs een continent gangbaar is.
De scholieren leren ook nog een ander soort taal, met een beperkter gebruik, maar
die vrijwel de gehele mensheid kent: rekenen - een code voor koop en verkoop,
voor het inventariseren van bezittingen en het heffen van belastingen, voor het
berekenen van afstanden en het meten van de tijd.
Alle kinderen wordt ook hun plaats in de wereld bijgebracht - de positie van hun
woonplaats ten opzichte van andere lokaties in de streek, het land, het
continent, de aarde en zelfs de ruimte: aardrijkskunde. Ze leren ook hun eigen
levens te zien als de laatste schakel in een lange keten van generaties die alle
hun bijdrage hebben geleverd aan een samenhangende ontwikkeling waarvan zij nu
ook deel uitmaken: geschiedenis.
Ten slotte trachten onderwijzers overal ter wereld hun leerlingen ideeën van goed
en kwaad, van rechten en plichten in te prenten, impliciet via een ‘verborgen
pedagogiek’,2 en
expliciet door het onderwijzen van godsdienst en ideologie. Overal waar een
lager-onderwijssysteem werd opgezet, was deze Bildung of
‘vorming’ een zó zwaarwegend discussiepunt, dat men de reeds bereikte
eensgezindheid over het eigenlijke ‘onderwijs’ dikwijls over het hoofd zag.
Lezen, schrijven, rekenen, wat aardrijkskunde en geschiedenis, en een flink
portie ideologische of godsdienstige vorming vormen samen overal ter wereld de
hoofdmoot van het lager onderwijs. Andere vakken worden als toegift aangeboden:
lichamelijke opvoeding wordt vrijwel overal ter wereld gegeven; op vele plaatsen
krijgen arme kinderen wat beroeps- of huishoudonderwijs en worden rijke kinderen
onderricht in vreemde talen, de letteren en de exacte vakken, maar dit zijn
slechts toevoegingen aan dat ene programma van lager onderwijs dat de mensheid
de afgelopen twee eeuwen heeft beziggehouden en getransformeerd.
Toch hield in de aanvangsfase van campagne voor het lager onderwijs een
fundamentele kwestie in Europa en Amerika de geesten gescheiden: de voor-