|
|
|
| |
1 Het nut van lezen en schrijven
De kloof tussen de ongeletterde, ruwe boeren en de mensen van goede komaf leek
immens en onoverbrugbaar, bijna alsof het om verschillende soorten ging.5 Het kwam
gewoonweg niet in de beschaafde en verlichte geesten van die dagen op dat hun
begrippen van vrijheid en menselijke rechten ook van toepassing zouden kunnen
zijn op deze proletarii of rascals - op het
gepeupel. De Engelse moraalfilosofen sloten de armen en boeren uit bij
omissie:6 het was niet eens nodig
ze te noemen, want het sprak voor een achttiende-eeuws publiek vanzelf dat de
onvervreemdbare mensenrechten niet golden voor de armen7 - ze werden even achteloos buiten de discussie gehouden als in onze
eeuw nog de kinderen.
De gehele achttiende eeuw wordt in Europa gekenmerkt door een intense
belangstelling voor onderwijsaangelegenheden, en toch werd het vraagstuk van
onderwijs aan boeren en behoeftigen nauwelijks aangeroerd: ‘Leden van de
verlichte gemeenschap konden zich nauwelijks een drastische verbetering in het
levenslot van de armen indenken,’ schrijft Chisick over Frankrijk, en hij voegt
| | | | eraan toe dat deze geesten ‘opmerkelijk eensgezind waren in hun
oordeel over de mogelijke gevolgen van onderwijs aan de werkende armen: ze
achtten het “gevaarlijk”.’8
Het lot van de boeren was een zwoegen zonder ophouden en armoede zonder eind; en
de ‘leden van de verlichte gemeenschap’ waren ervan overtuigd dat dit ook zo
moest blijven: ‘Dit was het grote non-dit, de doorgaans
verzwegen maar algemeen begrepen premisse waarop het gehele debat over
volksonderwijs gestoeld was.’9
De politiek hoorde tot het domein van het gedrukte woord, en men kon alleen door
drukwerk op de hoogte blijven van het nieuws; nog een reden om gewone mensen
niet te leren lezen. Het zou hun toegang verschaffen tot kranten en
bijbeltraktaten en hen verwikkelen in controverses die hun onvolgroeide geesten
maar zouden vertroebelen en verhitten. Gezien de praktische eisen die het
alledaagse boerenleven stelde was lezen en schrijven volslagen overbodig. Ook de
arbeiders in de nieuwe fabrieken hadden er niets aan: zoals A. Smith al
vastgesteld had,10 vereiste hun werk nog minder
vaardigheid dan de oude ambachten. Onderwijs zou de lagere standen in de
samenleving niet van nut zijn, en de maatschappij als geheel evenmin tot
voordeel strekken - integendeel: het zou arbeiders en boeren maar van de hun
voorgeschreven levenswandel doen afdwalen, hun ontevredenheid aanwakkeren en
hogere aspiraties wekken. Deze angst hield de hogere klassen voortdurend in zijn
greep: ‘het vooruitzicht van een onberekenbare en vagelijk bedreigende massa dat
de werkgevende en heersende klassen zo hevig verontrustte.’11 En
Schama schrijft over de Nederlanders aan het einde van de achttiende eeuw: ‘Het
is wellicht verrassend dat het stedelijke patriciaat, dat zo vrijgevig schonk om
de armen uit het zicht te houden, veel minder bereidwillig in het onderwijs voor
hen voorzag. Het leek nutteloos hen voor te bereiden op posities die ze ten
gevolge van hun onverbeterlijke zedeloosheid toch niet konden innemen.’12
Sedert de dagen van Reformatie en Contrareformatie was het officiële onderwijs
vrijwel uitsluitend een aangelegenheid van de kerken geweest. De rijken, de
landadel en de handeldrijvende burgerij namen huisonderwijzers en gouvernantes
in dienst totdat hun kinderen klaar waren voor een - veelal door geestelijken
beheerde - Latijnse school of collège. Voor de resterende,
overgrote meerderheid der bevolking waren er parochiescholen die tegen een
gering schoolgeld een al even karig onderwijs boden, een paar uur per dag, enige
wintermaanden per jaar, en dit gedurende slechts enkele kinderjaren. Maar zelfs
deze scholen waren te duur, te ver en te veeleisend voor vele boeren- en
armengezinnen. Verreweg de meeste mensen genoten geen onderwijs van enige
betekenis. Wanneer de plaatselijke bevolking het schoolgeld missen kon, of
wanneer men over een legaat beschikken kon, werd het geld gebruikt voor een
klaslokaal en een schoolmeester. De kinderen kregen les in het uit het hoofd
opzeggen van bijbelteksten, het van buiten leren van het alfabet, en het hardop
en in koor opzeggen van bijbelse en geestelijke teksten. Scholen waren minder
ingesteld op | | | | opvoeding dan op bewaring, en het beetje onderwijs dat
gegeven werd was gericht op religieuze indoctrinatie door middel van instampen
en massaal opdreunen.13
Het was meedogenloos monotoon: in Pruisen moest de catechismus elke zes weken
van a tot z herhaald worden, en dit nog wel op last van Frederik de Grotes
progressieve minister van onderwijs.14 Nog in 1836 waren de kinderen op anglicaanse scholen verplicht
om elke keer als ze ‘Christus’ lazen een knieval te maken, om de tien of twintig
lettergrepen dus.15
Handhaving van de orde was altijd het grootste probleem: de scholen bestonden
meestal uit één enkele klas, stampvol met ongezeggelijke kinderen van
uiteenlopende leeftijd, gewend aan de ruimte en de bewegingsvrijheid van het
buitenleven. De klaslokalen waren vaak donker, vochtig en smerig; dikwijls
werden ze nog voor allerlei andere doeleinden gebruikt: als opslagruimte, als
woonkamer van de onderwijzer en zijn gezin, of zelfs als schuur of stal.16 De
omstandigheden thuis waren echter voor de meeste kinderen nauwelijks beter, voor
sommigen zelfs veel slechter.
De dorpsgeestelijke had het laatste woord in alles wat met de school te maken
had, en de onderwijzer hielp hem met karweitjes als grafdelven of klokkeluiden.
Niet zelden beheerde de schoolmeester tevens de plaatselijke ziekenkas, of
werkte daarnaast als landmeter, boekhouder, kroegbaas of politieman.17 Het leraarschap was geen beroep,
laat staan een roeping; meestal was het een bijbaantje voor mannen die men
nergens anders geschikt voor achtte. Per slot van rekening bestond er voor
mensen zonder bezit of bijzondere vaardigheden vrijwel geen werk dat geen zware
lichamelijke inspanning vergde; kinderbewaking was een van de weinige
mogelijkheden die afgedankte soldaten en invalide arbeidskrachten nog restten.
‘Men moet niet vergeten dat in die tijd de meeste onderwijzers en
“maatschappelijk werkers” zelf door de parochie tewerkgestelde
armen waren.’18
Anderzijds waren boeren, knechts en armen ook niet bijzonder gediend van
onderwijs voor hun kinderen. Zij hadden de helpende hand of de bijverdienste van
de kinderen van zeer jongs af aan nodig.19 Bovendien
dachten ouders dat lezen en schrijven in het latere leven van weinig praktisch
nut zouden zijn. En dat was ook zo. Boeren leerden hun vaardigheden al doende,
en de meeste kooplui en ambachtslieden leerden hun vak in hun leerlingtijd. Het
idee dat onderwijs een middel tot verbetering van individuele
levensomstandigheden kon zijn ontstond pas in de loop van de negentiende eeuw.
Zelfs een langdurige opleiding opende geen nieuwe sociale toegangswegen. Daar
waren in die tijd nog steeds rijkdom, afkomst en relaties voor nodig.20 In
de woorden van Drucker: ‘Door de eeuwen heen heeft men het volgen van onderwijs
als een vorm van improduktiviteit beschouwd.’21
Toch getroostten boeren en ambachtslieden zich soms offers voor het onderricht
aan hun kinderen. De klas was een bewaarplaats waar de kinderen niet in
moeilijkheden raakten en waar het vaak behaaglijker was dan in de hutten van hun
ouders of buiten in de kou. Zelfs als hij geen andere bekwaamheid bezat, | | | | kon de onderwijzer de ouders een dienst bewijzen door hun kroost ten
minste wat tucht en goede manieren bij te brengen. Van hun kant stelden de
kinderen het gezelschap van hun leeftijdsgenoten op prijs in een situatie die
veel kansen bood om aan het waakzame oog van de meester te ontsnappen.22
Voor vrome ouders was het uiteraard van groot belang dat hun kinderen
godsdienstonderricht kregen. De leerlingen raakten door opdreunen met de
religieuze teksten vertrouwd. Maar lezen en schrijven - ook al bleef het bij
fragmenten uit bijbel en catechismus - was iets heel anders, waar onder
geestelijken en leken heel uiteenlopend over werd gedacht. Enerzijds konden
geletterde gelovigen de Schrift voor zichzelf lezen. Dit stelde ze in staat veel
vaker en op meer plaatsen bijeen te komen dan een geestelijke ooit kon bereiken.
Anderzijds konden de vromen die eigener beweging de bijbel bestudeerden hun
eigen lezing van de tekst ontwikkelen, en op traktaten en pamfletten van andere
gezindten stuiten.23
Bijbellezing was een der voornaamste bekeringsmethoden van de Reformatie geweest
en had de verspreide gemeenten in staat gesteld het nieuwe geloof te celebreren
en levend te houden. De grote onderwijsinspanning van de katholieke leerorden
werd weliswaar sterk gestimuleerd door het protestantse schrikbeeld,24 maar ging nooit zover dat zij
zelfstandige lectuur van de Schrift in de volkstaal toestond.
Meer dan godsdienst was godsdienstige wedijver de drijvende kracht achter de
verbreiding van het onderwijs. Waar de gevestigde kerk zich hecht verbonden wist
met de landadel en krachtig gesteund door de centrale staat, stagneerde de
scholing van arbeiders en armen. Zo was het aan het eind der zeventiende eeuw in
Engeland, Frankrijk, Italië en Spanje. Maar overal waar gezindten elkaar presten
tot een strijd om aanhang en om steun van het wereldlijke gezag, ging het
onderwijs vooruit:25
dat geldt vooral voor Nieuw-Engeland en de Lage Landen, en tot op zekere hoogte
ook voor Pruisen, waar Frederik ii er nooit gerust op was dat
‘sie doch nicht Katholisch werden’ - dat ze niet katholiek zouden worden als hij
niet aandrong op lutherse catechisatie.
Al met al was het lager onderwijs voor de lagere standen in protestantse landen
superieur, omdat men daar de armen aanspoorde tot lezing van de bijbel in de
volkstaal, maar ook omdat de verspreiding van het protestantisme aanleiding gaf
tot een religieuze wedijver die ook onderwijsverbetering met zich
meebracht.26
Het alfabetisme onder de bevolking van het platteland vertoonde in Europa en
Noord-Amerika een trage en onregelmatige groei; en het onderwijs aan de armen
bleef schaars en sporadisch.27 De achttiende eeuw was het tijdperk van de grote
pedagogische vernieuwers - Locke, Basedow, Pestalozzi, Rousseau en Helvétius -
maar de nieuwe inzichten lieten de praktijk op de dorpsscholen onberoerd. De
hervormers hielden zich niet bezig met de bestuurlijke en financiële problemen
van het massaal lager onderwijs. De onverbeterlijkheid van de situatie blijkt
nog het best uit het treurig lot dat alle grootscheepse plannen | | | | voor
onderwijsverbetering trof. Voor de Franse philosophes en hun
publiek was de educatieve hervorming een onuitputtelijk onderwerp van discussie,
maar dat leidde niet tot wezenlijke veranderingen.28 Frederik II van Pruisen bereidde een hele reeks van
wetsvoorstellen voor en convoceerde zowaar een Woensdagkring van verlichte
intellectuelen om zijn denkbeelden over volksonderwijs voor boeren en
lijfeigenen te bespreken.29 Maar
ook deze discussies boekten weinig praktisch resultaat: zelfs als de wetten
daadwerkelijk werden afgekondigd hadden ze nog weinig reëel effect. Toch legden
deze debatten de ideologische fundamenten voor de diepgaande veranderingen die
zich in het kielzog van de Franse Revolutie zouden voltrekken.
De verlichte discussie in Frankrijk en de wetsvoorstellen in Pruisen onthulden
een fundamentele ambivalentie met betrekking tot de opvoeding van de lagere
standen.30 Het vraagstuk werd nog niet geformuleerd in
termen van een leerplan met vaardigheden die een volwassene van nut konden zijn;
zulke bekwaamheden werden toch meestal door ouders aan hun kinderen, door
ambachtslieden aan hun leerlingen overgedragen. Waar het idee van onderricht in
huishoudelijke en ambachtelijke vaardigheden ter sprake kwam, ging het niet
zozeer om de voorbereiding van kinderen op de arbeidsmarkt, maar om een poging
hen door de uitoefening van traditionele ambachten tot deugdzame, geduldige en
vlijtige schepsels te maken.31 Deze hooghartige minachting van de reële vraag
naar geschoolde arbeidskrachten was mede oorzaak van de mislukking van de Industrieschule.32
De zeventiende-eeuwse hervormers konden zich geen wereld voorstellen waarin een
grote vraag naar geschoolde arbeiders zou bestaan: arbeid was lichamelijk, en
behalve kunstenaars en drukkers werkten geletterde mensen niet met hun handen;
zelfs dokters raakten hun patiënten niet aan en lieten de lichamelijke
behandeling over aan lager geplaatste chirurgijns. Ook in de lagere en
middelbare rangen van de nog heel kleine bureaucratie was alleen ruimte voor een
gering aantal zonen van handelaars en boeren. Het officierskorps bestond
grotendeels uit edellieden, die zich doorgaans verzetten tegen bestuurlijke en
technische vernieuwing; cadetten werden zelden aangenomen louter op grond van
hun bekwaamheden en ongeacht hun afkomst. De industriële produktiewijze die
technici vereiste voor het toezicht op machines, of klerken en opzichters voor
het beheer van de onderneming bestond nog nauwelijks. Zodoende kwam het
volksonderwijs vooral ter sprake in de context van morele, religieuze en
politieke verheffing enerzijds, en de beheersing van opstandige boeren en armen
anderzijds. Conservatieve geesten waarschuwden tegen de ontevredenheid en de
opstandigheid die lezen en schrijven onder het volk zouden opwekken. Anderen,
met een meer rationalistische visie op de mensheid, vertrouwden erop dat het
onderwijs vooroordeel, halsstarrigheid en rebellie bij de boeren juist zou
wegnemen, een einde zou maken aan lediggang en ondeugd bij de jeugd, en door een
beter begrip van de morele grondslagen van de samenleving een opstand der
massa's zou voorkomen. Deze diepgaande en voortdurende tweeslachtigheid | | | | onder de gevestigde standen over de wenselijkheid van de opvoeding
van het gepeupel had zich al eerder geuit in de twijfel over het onderricht in
zelfstandige lezing van de Schrift in de volkstaal: enerzijds een middel tot
verbreiding van de opvattingen der heersende maatschappelijke groeperingen,
anderzijds een instrument voor de invoering en verspreiding van afwijkende en
radicale ideeën. Dezelfde tweeslachtigheid deed zich opnieuw voor toen het
onderwijs in meer wereldse termen werd behandeld als een weg naar morele
verbetering en politieke participatie; in de achttiende eeuw speelden praktische
overwegingen van beroepskwalificatie een nog te verwaarlozen rol: de school
diende de lagere standen de conceptuele fundamenten van burgerdeugd en gezag bij
te brengen, maar zou ze ook in aanraking kunnen brengen met de revolutionaire
ideeën van vrijheid, gelijkheid en broederschap.
Tussen 1750 en 1850 maakten deze twijfels geleidelijk plaats voor een splitsing
tussen groepen die elk een van beide meningen over het onderwijs toegedaan
waren. De individuele ambivalentie loste op in een sociaal conflict tussen twee
groeperingen die niet geheel samenvielen met sociale klassen of correspondeerden
met een bepaalde belangentegenstelling, maar toch in hoge mate bepaald werden
door hun positie in de figuratie van communicatieve relaties die mensen
verbonden en isoleerden binnen een natie in opkomst. Steeds grotere aantallen
burgers werden voor hun levensonderhoud afhankelijk van ofwel de
staatsbureaucratie, ofwel de handel op nationale en internationale markten. Deze
beambten en ondernemers leefden niet van hun grondbezit en waren dus veel minder
afhankelijk van een bepaalde plaatselijke of regionale gemeenschap. Zij hadden
daarentegen juist belang bij maximale bewegingsvrijheid en minimale belemmering
van de uitwisseling van berichten tussen de verschillende streken.
Die beambten en ondernemers woonden voor het merendeel in de grote stad en zij
zochten toegang tot de bevolking in de ommelanden voor de belasting en de
rekrutering, of voor de in- en verkoop van goederen en de werving van
arbeidskrachten. Zij waren dus gebaat bij het ontstaan van een nationaal
communicatienetwerk en pleitten dan ook voor volksonderwijs in de standaardtaal.
Zelf spraken zij die lingua franca op hun werk, en vaak ook
thuis. Hun zaken, het bijhouden van boeken en dossiers, het vastleggen van
contracten en statuten, werden schriftelijk afgehandeld, en zij schreven in de
standaardversie van de taal. Daarnaast vormden deze kringen het natuurlijke
gehoor van een groeiende groep intellectuelen die voor dit publiek een literaire
versie van de lingua franca, een Kunstsprache, ontwikkelden en uitwerkten.
Deze beambten en ondernemers bewogen zich in kringen waar iedereen de
standaardtaal sprak en schreef. Op het platteland was de situatie volstrekt
anders. De dorpsgemeenschap, en dikwijls ook het grotere geheel van een
provinciestad met haar omgeving, vormde een betrekkelijk gesloten netwerk van
communicatie en ruil. De bevolking was niet rechtstreeks betrokken bij de
nationale politiek, maar was daar alleen mee verbonden via de bemiddeling van
haar verte- | | | | genwoordigers van oudsher, meestal de leden van de
lokale aristocratie. De boeren en ambachtslieden kochten en verkochten niet zelf
op de nationale markt, maar waren door middel van tussenpersonen, waaronder ook
de landadel, bij dat ruilverkeer betrokken. Zij kregen ook maar heel weinig
direkte informatie van buiten. De meeste plattelanders, die de lingua franca niet kenden, waren aangewezen op berichten in het
regionale dialect, en als analfabeten moesten zij reizigers en lokale
geletterden op hun woord vertrouwen. In figuraties waar de lingua
franca onbekend was voor de grote meerderheid van mensen in de
periferie, zoals in Zuid-Frankrijk, Oost-Pruisen en de noordelijke en westelijke
delen van Groot-Brittannië, of waar de meeste plattelandsbewoners niet konden
lezen of schrijven, en dat was in heel Europa het geval, bezaten de plaatselijke
elites nagenoeg een monopolie in de communicatieve bemiddeling tussen hun
clientèle en het metropolitaanse netwerk. Deze tussenkomst liep ten dele
parallel met de monopolistische bemiddelaarsfuncties die zij in handel en
politiek vervulden.33
Uiteraard veranderde de situatie in de loop der tijd en liepen de omstandigheden
uiteen van het Oostpruisische platteland met Pools sprekende, aan de grond
gebonden lijfeigenen tot de provinciesteden van het achttiende-eeuwse Engeland,
waar iedereen de hoftaal verstond en een vrije, probleemloze communicatie
mogelijk was; maar zelfs daar sloot het analfabetisme velen uit van het open
verkeer van feiten en ideeën, en hield hen afhankelijk van bemiddeling door de
lokale elite.
In de volgende paragrafen komt de opkomst van het lager volksonderwijs ter sprake
in deze context van lokale communicatienetwerken, min of meer direct verbonden
met en toegankelijk voor een metropolitaans netwerk: eerst in een theoretisch en
formeel kader, en vervolgens in de vorm van een kort overzicht van de
historische ontwikkelingen in afzonderlijke landen.
|
5Parijzenaars zagen de campagne als een
‘land van wilden’, Idem, pp.3-22.
6Vgl. Mandeville, Fable of the
Bees, 1714, I, pp. 328-9: ‘Om onder de slechtste omstandigheden de
maatschappij gelukkig en de mensen meegaand te maken, is het noodzakelijk
dat grote aantallen van hen onwetend alsook arm zijn. Kennis vergroot en
vermeerdert tevens onze verlangens... Lezen, schrijven en rekenen zijn hard
nodig voor hen wier zaken dergelijke kwalificaties vereisen, maar wanneer
iemands levensonderhoud niet van deze vaardigheden afhankelijk is, zijn ze
uiterst schadelijk voor de armen, die immers noodgedwongen hun dagelijks
brood verwerven met hun dagelijkse arbeid.’
7‘Tussen 1680 en 1780 was er een duidelijke vertraging in de verbreiding van
het lezen en schrijven, als gevolg van de vrees bij de hogere standen dat
het volksonderwijs had bijgedragen tot de revolutionaire roerselen in de
jaren veertig en vijftig van de zeventiende eeuw.’ L.S. Stone, p.
136.
8Chisick, respectievelijk pp.
261 en 263.
9Idem, p.
270; het beste wat men kon doen was ‘het bestaan van de boeren te
verzachten, zonder hen echter ooit te helpen om eraan te ontkomen,’ zegt
Rousseau in Julie ou la Nouvelle Heloïse (door Chisick in
het Frans geciteerd op p. 269). Evenzo Voltaire: ‘Het lijkt me essentieel
dat er onwetende bedelaars moeten bestaan,’ en: ‘Het is passend dat men het
volk leide, niet dat men het onderrichte - dat verdient het niet,’ geciteerd
door Ariès, p. 925.
10Hoofdstuk I en II van The
Wealth of Nations (pp. 109-121). Vgl. ook Maynes (1985), p. 123:
‘Het vroege industrialiseringsproces en de ermee gepaard gaande stedelijke
groei hadden aanvankelijk een negatieve uitwerking op het
ontwikkelingsniveau van het volk.’
11Geciteerd uit M. Tylecote (1851) door Simon, p. 153.
13Vgl. Van der Giezen, p. 24.
15Vgl. H. Silver, 1977, p. 206.
16Vgl. Aumüller, p. 63; vgl. ook Tyack, p. 14, voor de
omstandigheden op het Amerikaanse platteland rond 1900.
18J.S. Taylor, p. 70; en soms waren het
zwervers of ontslagen veteranen, die dikwijls een vergunning voor het
schenken van alcoholhoudende dranken hadden en zo hun inkomen aanvulden:
Aumüller, pp. 59-60, 63.
19Vgl. Chartier
e.a. voor het achttiende-eeuwse Frankrijk, pp. 41-4.
20De technische afdelingen van het leger hoorden misschien
wel tot de eerste uitzonderingen. De achttiende-eeuwse Franse
artilleriescholen lieten gewone mensen toe en leidden hen op voor hogere
functies, ongeacht de status en rijkdom van hun familie. Als gevolg werd op
de artillerie in haar geheel neergezien, totdat dit wapen zijn
ontzagwekkende kracht bewees en zodoende bijdroeg tot de ondergang van de
zeer aristocratische cavalerie. Vgl. McNeill, 1982, pp. 166-173.
21Drucker,
p. 15, vgl. p. 18. In de twintigste eeuw was dit veranderd: ‘We maken een
onderwijsrevolutie door, omdat het werken met kennis niet langer
improduktief is in termen van goederen en diensten. In de nieuwe organisatie
is het de produktieve arbeid bij uitstek.’
23Vgl. Strauss, p. 96, over Duitsland
rond 1530: ‘Bijbellezing werd meer en meer verdacht als voedingsbodem voor
de kiemen van een onbeheersbaar sektarisme.’ Drie, vier eeuwen later kiemde
in het geschreven woord nog steeds het zaad der rebellie: ‘Geletterde slaven
kregen vroeger of later de geschriften van de abolitionisten onder ogen,
arbeiders die konden lezen en schrijven stuitten op een bepaald moment op de
teksten van vakbondsleiders.’ Cremin, 1980, p. 493.
25‘Zo suggereert al het beschikbare
materiaal (1) dat de strijd tussen de verschillende christelijke
groeperingen om de macht over het denken van de armen een van de
hoofdoorzaken is geweest van de groei van het volksonderwijs in het Westen,
en (2) dat de protestanten de bruikbaarheid van school en drukpers als
wapens in deze slag als eersten hebben ingezien.’ L.S. Stone, p. 83.
26Barker (pp. 67-8) stelt dat de overdracht
van onderwijsvoorzieningen door de kerk aan de staat zich in protestantse
landen sneller voltrok ‘omdat de secularisatie van religieuze stichtingen
die tijdens de Reformatie plaatsvond de middelen van de kerk zozeer beperkte
dat de protestantse staten zich gedwongen zagen enkele van de oude taken
over te nemen’. Dit lijkt in strijd met het gegeven dat lagere scholen
talrijker waren waar de gemeenten konden beschikken over gemeenschapsbezit
om de kosten van het onderwijs te dekken; vgl. Maynes (1979).
27Voor cijfers over
alfabetisme in Engeland en de Verenigde Staten vgl. Cressy, Lockridge,
Schofield (allen herdrukt in Graff, red.), L.S. Stone; voor Frankrijk: Furet
& Ozouf; Le Roy Ladurie (die een schijncorrelatie constateert tussen
geletterdheid en lichaamslengte: beide zijn te herleiden tot regionale
welvaart). Voor vergelijkende statistieken vgl. Chartier e.a., pp. 87-109;
Maynes (1985), p.14.
30In Amerika ondervonden de voorstanders van
volksonderwijs geen tegenstand van betekenis, zelfs niet van de elites; in
Engeland, net als elders in Europa, kwamen in de hogere klassen zowel voor-
als tegenstanders voor.
31De kwestie van onderwijs
voor meisjes was een heel andere zaak, nog sterker door morele overwegingen
beheerst; vgl. Maynes (1985), pp. 97-102 (ook voor
literatuurverwijzingen).
33Vgl. voor de rol van dergelijke
bemiddelaars in de veertiende eeuw op het Franse platteland Duby, II, pp.
248 e.v. De notaris verenigde in zijn persoon alle liaisonfuncties die het
dorp vervulde voor de ongeveer twintig omringende gehuchten (p. 254). Voor
het moderne Europa, vgl. Maynes (1985), p. 13: ‘Ofschoon er vele
ongeletterde buitengewesten bestonden - gebieden waar de mensen bijna tot de
laatste man of vrouw analfabeet waren - konden ook in die gebieden de
bewoners van stadjes en steden vaak wel lezen en schrijven, en hun
veelvuldige contacten met de bewoners van het platteland moeten ook hen in
aanraking hebben gebracht met de inhoud van de geschreven cultuur.’
|
|