|
|
|
| |
2 De bloemfiguratie van communicatienetwerken
De historie van het onderwijs is bestudeerd als een geschiedenis van pedagogische
ideeën in de eerste plaats, ten tweede van parlementaire wetgeving, en ten derde
van bewegingen voor onderwijshervorming. Maar de historiografie van het
onderwijs ging vooral over denkbeelden: pedadogische, politieke en religieuze
ideeën. Gewoonlijk wordt het beeld geschetst van de trage maar onweerstaanbare
overwinning van de idealen van verlichting, beschaving en maatschappelijke
gelijkheid op het reactionair obscurantisme en de autoritaire onderdrukking van
de lagere klassen.
Maar dat is niet het gehele verhaal.34
Ongetwijfeld manifesteerde de beweging voor de oprichting van een
lagere-schoolstelsel zich voornamelijk in openbare debatten en propaganda:
vrijwel nergens kwam het tot gewapende strijd, geweld was zeer uitzonderlijk, en
zelfs van uitsluitingen en boycots was | | | | nauwelijks sprake. Het ging
inderdaad om een strijd van ideeën, die zich als woordenstrijd voltrok. Ideeën
die bovendien vasthoudender gekoesterd werden naarmate zij nauwer aansloten bij
de pogingen van sociale groepen om hun positie in de samenleving ten opzichte
van andere groepen te handhaven en te versterken. De verbreiding van lezen en
schrijven en het ontstaan van een onderwijsstelsel waren het resultaat van
maatschappelijke strijd en beïnvloedden op hun beurt weer de relatieve posities
van de in deze wedijver verwikkelde groeperingen.
De opkomst van het lager onderwijs was een universeel verschijnsel, zo
gelijkvormig in de verschillende landen, dat het proces slechts kan worden
verklaard uit diepgaande sociale transformaties die in feite in al die landen
plaatsvonden, ondanks de nationale verscheidenheid aan ideeën, strijdpunten en
organisatievormen. Een uitwerking van deze visie vindt men in de
structuralistisch-functionalistische benadering, die onderwijsinstituties onder
andere verklaart in termen van de aanhoudende functionele vereisten van het
sociale stelsel waarin zij voorkomen, of, zoals Talcott Parsons35 de opgave omschreef: ‘een analyse van
de... lagere-schoolklas als een sociaal stelsel, en de relatie tussen haar
structuur en haar voornaamste functies in de maatschappij als een orgaan van
socialisatie en toedeling.’ Wanneer de omvattende ontwikkelingen zich in
verschillende samenlevingen op overeenkomstige wijze voltrekken, zullen de
daarmee corresponderende systeemvereisten leiden tot overeenkomstige instituties
- waaronder de onderwijsinstituties.
Vaughan en Archer hebben deze benadering bekritiseerd:
Op deze manier wordt het selectiemechanisme dat de verandering van het
onderwijs bepaalt gelokaliseerd in het vage en onbepaalde domein van sociale
behoeften... maar omdat het hele idee van ‘behoefte’ ongedefinieerd is, kan de
deterministische invloed ervan op de ontwikkeling in het onderwijs slechts ex post worden vastgesteld. Bijgevolg wordt de rol van
afzonderlijke hervormers of activistische groepen over het hoofd gezien, tenzij
hun doelstellingen toevalligerwijs overeenkomen met die sociale behoeften. Het
bestaan van tegenstellingen wordt als symptomatisch beschouwd, niet als een
constituerend proces op zichzelf.36
Een verrassend overeenkomstige benadering is door marxisten toegepast, ditmaal in
termen van systeemvereisten; zij definiëren deze vereisten als de noodzakelijke
voorwaarden voor de opkomst van de kapitalistische produktiewijze. Hoewel deze
benadering door het historisch-materialisme is geïnspireerd, is de methode
veelal functionalistisch.37 Gepoogd wordt de opkomst van het lagereschoolstelsel te
verklaren in termen van functionele vereisten, zoals de vorming en reproduktie
van een voldoende gekwalificeerd proletariaat, met vermijding van de opkomst van
een mondige en goed geïnformeerde arbeidersklasse. Fabriekseigenaren, zo luidt
de redenering, hadden behoefte aan een gedisciplineerd en beheersbaar
arbeidsleger, en de scholen moesten de opeenvolgende lichtingen van geschoolde,
volgzame en punctuele arbeiders afleveren.38
| | | |
Het negentiende-eeuwse schoolregime vertoont onmiskenbare overeenkomsten met het
fabrieksregime van die dagen: in beide instituties voerden standaardisatie,
formalisering en de oefening in punctualiteit en discipline de boventoon. Toch
kan deze analogie niet als verklaring dienen, en dit om twee redenen. Ten eerste
spanden ondernemers, al hadden zij er baat bij kunnen hebben, zich meestal niet
erg in voor de stichting van lagere scholen; soms stelden zij zich er zelfs
actief tegen teweer, alleen al omdat zij de kinderen voor fabrieksarbeid nodig
hadden. Vele andere maatschappelijke groeperingen, pedagogen,
overheidsfunctionarissen en arbeidersorganisaties, bepleitten de vestiging van
een schoolstelsel met heel wat meer inzet. Met andere woorden, het blijft
onduidelijk hoe aan de functionele eisen van het kapitalisme voldaan kon worden,
als dit niet gebeurde door de inspanningen van degenen die daar zelf het nauwst
aan gelieerd waren. De tweede reden waarom de functionalistische visie te kort
schiet heeft betrekking op de tijdsvolgorde: in de meeste landen, zoals bij
voorbeeld in Frankrijk en Nederland, voltrok zich de groei van het alfabetisme
en van het openbaar lagere-schoolstelsel vele decennia eerder dan de
industrialisatie.39 Kennelijk werd in de eisen van het industriële
kapitalisme voorzien zonder specifieke inspanning van de meest betrokken partij,
de industriëlen, en lang voordat het systeem dat erbij gebaat was tot wasdom
gekomen was.
De historisch-materialistische annex functionalistische benadering gaat gebukt
onder dezelfde tekortkomingen als het meer traditionele
structureel-functionalisme, maar behelst bovendien de teneur om de opkomst van
een lagereschoolstelsel te reduceren tot de eisen van de kapitalistische
economie, met veronachtzaming van de culturele en politieke implicaties die dat
stelsel had en de rol die het speelde in de figuratie van communicatienetwerken
en het proces van statenvorming.40
Een meer adequate verklaring voor het ontstaan van het lagere-schoolstelsel dient
te worden geformuleerd in termen van de conflicten tussen sociale groepen die
hun wederzijdse positie trachten te handhaven en te verbeteren. De kwestie van
zeggenschap over deze onderwijsinstellingen was één aspect van de strijd. De
verklaring ‘dient aandacht te schenken aan de diepgaande onenigheid over het
onderwijs zonder de betrokken partijen te identificeren met tegengestelde
sociale klassen, of de ideeën in kwestie te rangschikken in een ordening naar
overwicht en ondergeschiktheid volgens sociale behoeften.’41
Vaughan en Archer werken dit perspectief verder uit in termen van een strijd om
de macht over het onderwijs tussen ‘dominante’ en ‘stijgende’ groepen in de
samenleving. In de door beide auteurs bestudeerde gevallen - Frankrijk en
Engeland in de negentiende eeuw - waren de gevestigde kerken, de katholieke en
de anglicaanse Kerk, aanvankelijk de dominante groepen. De stijgende groepen
waren afkomstig uit de gelederen van de middenklassen: ‘Het assertief beleid van
de Franse bourgeoisie berustte op haar politieke rol en belangen, die van de
Engelse middenklasse op haar economische positie en belangen.’42
Het pleit voor deze benadering dat de strijdige ideeën, belangen en strate- | | | | gieën van de betrokken partijen serieus genomen worden zonder ze
dadelijk te reduceren tot de metafysische werking van systeemvereisten of de al
even duistere invloed van klassenbelangen. Het is daarom een in essentie
sociologische benaderingswijze, die de ideologische conflicten plaatst in de
context van een machtsstrijd om de zeggenschap over de belangrijkste institutie
voor de overdracht van cultuur: de school.
De benadering die in deze studie voorgestaan wordt, stelt eveneens
groepsconflicten centraal, maar in het algemene theoretische perspectief van de
sociogenese van de verzorgingsstaat: het ontstaan van een nationaal openbaar
lageronderwijsstelsel wordt als één aspect van deze bredere transformatie
behandeld. Ook in de behandeling van het onderwijs zal de nadruk liggen op de
opkomst van collectieve arrangementen ter remediëring van tekorten en
tegenslagen. Het tekort waar het hier om gaat is onwetendheid, of, meer in het
bijzonder, onkunde van de standaardtaal en analfabetisme. De externe effecten
van een groeiend alfabetisme maakten het analfabetisme geleidelijk tot een
tekort: naarmate lezen en schrijven gemeengoed werden, werden degenen die deze
vaardigheden niet beheersten steeds onbekwamer in het alledaags verkeer. En
omgekeerd belemmerde het analfabetisme de grootse plannen van ambtenaren en
ondernemers die daarom collectieve remedies trachtten te vinden voor een tekort
dat ook hen hinderde.
Onwetendheid of analfabetisme kunnen niet gezien worden als een tegenslag, omdat
ze niet plotseling of willekeurig toeslaan; maar in een samenleving waarin het
alfabetisme verbreid raakt, worden ze wel de voorwaarden voor een tekort. Hier
is het begrip ‘externe effecten’ duidelijk van toepassing. En hoewel de
‘onzekerheid over het moment en de omvang’ in de analyse nauwelijks van belang
is, speelt de ‘onzekerheid over de effectiviteit’ een voorname rol: het
onderwijs aan kinderen is een betrekkelijk kostbare en langdurige onderneming
met een onzeker resultaat: het is in meer dan één opzicht een riskante
investering op lange termijn.
Lager onderwijs was op de allereerste plaats een manier om mondelinge en
schriftelijke beheersing van de standaardtaal over te dragen, en zo het
corresponderend communicatienetwerk toegankelijk te maken.43
Het kunnen lezen en schrijven van de standaardtaal bood rechtstreekse toegang
tot een nationaal netwerk van geschreven communicatie. Maar daaraan voorafgaand
bestond, zij het in sterk wisselende mate, in veel landen behoefte aan onderwijs
in de gesproken standaardtaal aan kinderen die een dialect of een andere taal
spraken. Eerst als zij de standaardtaal spraken en verstonden hadden ze
rechtstreekse toegang tot het nationale netwerk van mondelinge communicatie -
een tamelijk los netwerk van gesprekken en preken, dat pas werkelijk een eenheid
werd en nationale betekenis kreeg met de komst van de elektronische media in
onze eeuw. En uiteraard was het begrip van de standaardtaal altijd al een
noodzakelijke voorwaarde voor het lezen en schrijven in deze taal.
Vertrekpunt van dit betoog is een figuratie van lokale of regionale taalge- | | | | meenschappen die elkaar onderling nauwelijks overlappen, maar alle
verbonden zijn met één centrale of nationale taalgemeenschap door de bemiddeling
van tweetalige en alfabete lokale elites.
In de middeleeuwen was het Latijn vanzelfsprekend steeds de lingua
franca geweest, het communicatiemiddel van de geestelijkheid tussen
alle regionale taalgemeenschappen. Met de opkomst van centrale staten in het
begin van de moderne tijd ging in elk land een regionale spreektaal fungeren als
idioom van hof, regering, rechtspraak, wetenschap en literatuur; het werd zo de
standaardtaal die diende als communicatiemiddel tussen de elites van de diverse
regionale taalnetwerken binnen het rijk. Tussen deze regionale
communicatienetwerken was weinig of geen uitwisseling, behalve dan in deze lingua franca.
Anders - en meer formeel - gezegd: er bestond een verzameling van verzamelingen
van regionale sprekers die elkaar onderling niet of nauwelijks overlapten. Al
deze verzamelingen hadden echter wel een doorsnede met één andere verzameling:
die van de lingua franca-sprekers. Deze constellatie kan een
‘bloemfiguratie van communicatie’ worden genoemd, op grond
van het simpele feit dat de meest geschikte grafische weergave van een
dergelijke figuratie de vorm van een bloem heeft, met de regionale
taalgemeenschappen als de - elkaar nauwelijks overlappende - bloemblaadjes, en
de categorie van de lingua franca-sprekers als het hart, dat
elk bloemblaadje overlapt. Soms is er een deel van de centrale verzameling dat
geen van de overige verzamelingen overlapt, of in gewone woorden: sommige lingua franca-sprekers spreken misschien geen enkele regionale
taal en leveren dus ook geen bemiddelingsdiensten aan een regionale clientèle,
maar zijn voor de toegang tot de regionale dialectsprekers afhankelijk van
bemiddeling door regionale elites.
Dit ‘bloem’-model van communicatie kan ook toegepast worden op een figuratie
waarin de onderlinge uitwisseling belemmerd wordt, niet door de verscheidenheid
van talen, maar door analfabetisme. Mondelinge communicatie tussen verschillende
regionale netwerken was mogelijk wanneer de regionale spraken onderling
verstaanbaar (intercomprehensibel)44 waren, maar bleef noodzakelijkerwijs beperkt tot de naaste
omgeving. Het geschreven woord verspreidt zich immers snel en ver, maar
mondelinge communicatie vereist lichamelijke aanwezigheid en werd in het
verleden des te meer belemmerd door fysieke afstand en de beletselen van het
reizen. In deze versie van het bloemdiagram vertonen de bloemblaadjes een
grotere overlap dan in het model van taalverscheidenheid, omdat mondelinge
communicatie tussen regio's op korte afstand wel plaats kon vinden. Ook als de
grote meerderheid van de bevolking de standaardtaal begreep, kon slechts een
minderheid in elke streek deze lezen en schrijven. De alfabete elites in de
regionale netwerken van mondelinge communicatie konden onderling schriftelijk
communiceren. Deze minderheden die konden lezen en schrijven maakten dus tevens
deel uit van de centrale verzameling van lezers en schrijvers van de
standaardtaal. Maar de analfabeten waren voor schriftelijke communicatie in
officiële kwesties of over lange afstand aangewezen op deze | | | | geschoolde bemiddelaars. Ook hier waren er leden van de centrale verzameling
die niet tot een of ander regionaal netwerk van mondeling communicatie
behoorden, niet omdat ze nooit met iemand spraken, maar omdat iedereen in hun
netwerk kon lezen en schrijven en zij geen clientèle hadden die van hun
bemiddelingsdiensten afhankelijk was. Deze ‘metropolitanen’ ontbeerden, met
andere woorden, een eigen afhankelijke clientèle - dit in tegenstelling tot de
tweetalige of alfabete elites in regionale netwerken van mondelinge communicatie
- terwijl ze wel de diensten van regionale bemiddelaars nodig hadden voor het
bereiken van de merendeels analfabete bevolking in de rest van het land.

Figuur 3.1 De bloemfiguratie van talen
De buitenste cirkels verbeelden de gebruikers van de regionale
talen; het gearceerde gebied geeft de gebruikers van de standaardtaal
weer. De mensen in het niet-gearceerde deel van de buitenste cirkels
spreken slechts de regionale taal. De mensen in de centrale ster (de
‘metropolitanen’) beheersen alleen de standaardtaal. De tweetalige
bemiddelingselites kan men aantreffen in de gebieden waar de gearceerde
centrale cirkel en de buitenste cirkels elkaar doorsnijden. Het
gearceerde gebied kan ook worden gezien als de groep van alle alfabeten.
De buitenste cirkels zijn dan de regionale gemeenschappen van mondelinge
communicatie.
De figuratie van taalverscheidenheid en de figuratie van analfabetisme vertonen
in veel opzichten overeenkomsten; zowel de lingua franca als
de schriftelijke communicatie dragen bij tot de verbinding van verschillende
regionale netwerken via de bemiddeling van tweetalige of alfabete elites. De
bevolking van een regio heeft deze bemiddelende elites nodig om in het nationale
netwerk te kunnen communiceren - wanneer zij slechts een regionaal dialect
spreekt, maar ook | | | | wanneer zij de standaardtaal beheerst zonder te
kunnen lezen of schrijven. En in beide gevallen zijn de ‘metropolitanen’
aangewezen op de regionale elites voor de toegang tot de bevolkingen in de
periferie. Er is echter één belangrijk verschil tussen beide figuraties: de
verscheidenheid van talen kan overwonnen worden doordat sprekers van de ene taal
een andere taal leren en vice versa; analfabetisme, daarentegen, kan maar op één
manier overwonnen worden: door mensen te leren lezen en schrijven.
Er bestond kortom een bloemfiguratie van regionale netwerken van mondelinge
communicatie die bijna niet of slechts losjes met elkaar verbonden waren: de
‘bloemblaadjes’, die samen de ‘periferie’ vormden en onderling gescheiden werden
door wederzijdse onverstaanbaarheid van de dialecten, of door
de beletselen van afstand in het geval van een gemeenschappelijke gesproken
standaardtaal bij aanhoudend analfabetisme. Al deze regionale netwerken werden
bij elkaar gehouden door een centrale verzameling - het ‘hart’ van het
bloemdiagram - waartoe tweetaligen of alfabeten behoorden die zowel deel
uitmaakten van een regionaal netwerk als van deze centrale verzameling. Ten
slotte was er een derde categorie, de ‘metropolitanen’, ook in het ‘hart’ van de
figuratie, die tot de centrale verzameling behoorden, maar tot geen enkele
andere.
Wat zijn nu de communicatieve interdependenties tussen de categorieën van
taalgebruikers in deze bloemfiguratie van talen? Een eenvoudig formeel model kan
bijdragen tot de analyse van hun strategische posities. In de algemene analyse
van veeltalige figuraties is de bloemfiguratie een bijzonder geval.
Drie soorten kansen blijken vooral relevant voor de bepaling van de
communicatieve belangen en interdependenties in veeltalige figuraties: (1) de
kansen van een spreker om met een ander te kunnen communiceren in een
gemeenschappelijke taal, dat wil zeggen: de kansen op ‘rechtstreekse
communicatie’; (2) de waarschijnlijkheid voor een spreker om een tweede spreker
te ontmoeten zonder gemeenschappelijke taal en een derde
spreker - een vertaler - die een taal deelt met zowel de eerste als de tweede
spreker en zo tussen hen kan bemiddelen; dat wil zeggen: de kansen op ‘passieve
vertaling’; en (3) de waarschijnlijkheid voor een spreker om een tweede spreker
te ontmoeten met een gemeenschappelijke taal en een derde
spreker die geen taal deelt met de tweede spreker maar wel met de eerste; dat
wil zeggen: de kansen op ‘actieve vertaling’.
De bloemfiguratie van talen komt hieronder aan de orde als een bijzonder geval
van een veeltalige figuratie. De nadruk ligt op de gevolgen van het leren van
een tweede taal voor de strategische posities van de verschillende groepen. De
analyse leidt tot een aantal empirische generalisaties van speciaal belang voor
het huidige onderwerp: de verbreiding van nationale communicatiecodes.
| |
2.1 Een probabilistisch model van communicatieve kansen
S is een stelsel bestaande uit verschillende talen en de personen die deze
talen spreken. Alle talen zijn onderling onverstaanbaar.45 Twee mensen die geen ge- | | | | meenschappelijke taal beheersen kunnen niettemin via een tolk die de talen
van elk van beiden spreekt met elkaar communiceren. Mensen kunnen elke
mogelijke combinatie van de talen in S spreken. Sprekers die allen dezelfde
combinatie46 van
talen spreken vormen een uniek bepaalde deelverzameling van alle sprekers.
In een viertalig systeem S= {E,F,G,H} is er bij voorbeeld één
deelverzameling van sprekers ah = {x1,x2,x3,... } die de
twee-talencombinatie ch = {F,G} beheersen.
De verhouding tussen het aantal sprekers in ah, n(ah), en het totaal aantal sprekers, N, in het systeem kan
worden geschreven als fh:
fh=n(ab)/∑in(af);0≤fh≤1.
Elke spreker in S is lid van precies één verzameling ai:
een partitie van groepen sprekers in S naar de combinatie van talen die zij
spreken is disjunct (ai∩aj=ϕ voor i≠j) en exhaustief (∑ifi= 1).
Als het niet alleen gaat om de combinatie van talen die sprekers beheersen,
maar ook om de volgorde waarin zij die talen verworven hebben, dus één als
eerste taal, en de andere als tweede (en misschien zelfs derde of vierde)
taal, kunnen verzamelingen sprekers gedefinieerd worden volgens de
specifieke variaties (geordende combinaties) van talen, ob die hen karakteriseren.47
Hoewel elke combinatie van talen ci (of elke variatie
oi) correspondeert met een verzameling sprekers,
kunnen sommmige heel wel leeg zijn: ai=ϕ en fi=0. Er zijn dan geen sprekers in het
stelsel die juist deze deelverzameling van talen beheersen. De verzamelingen
van sprekers van één taal zullen doorgaans niet leeg zijn, en een aantal
verzamelingen die met tweetalige combinaties corresponderen evenmin (anders
zouden er onvoldoende vertaalmogelijkheden voorhanden zijn, waardoor het
systeem in disjuncte subsystemen uiteenvalt). Drieen viertalige combinaties
zullen echter meestal maar met weinig sprekers corresponderen, en soms zelfs
met geen enkele.
Op dit punt van de analyse ligt de nadruk op de strategische positie van
sprekers van een bepaalde combinatie van talen binnen het stelsel S. In
navolging van Greenberg nemen we aan dat paren sprekers volkomen willekeurig
gevormd worden.48
| |
2.1.1 Kansen op directe communicatie
Het gaat hier vooral om de strategische positie van sprekers in veranderende systemen. In deze subparagraaf is de
vraag hoe groot de waarschijnlijkheid is dat een spreker xh uit een verzameling ah met frequentie
fb en talencombinatie ch
deel is van een willekeurig paar waarvan de leden een gemeenschappelijke
taal hebben en dus rechtstreeks met elkaar kunnen communiceren. Het paar
bestaande uit xh en xi zal ten
minste één gemeenschappelijke taal hebben indien de talencombinaties
ch en ci van de sprekers in
de verzamelingen in ah en ai ten
minste één gemeenschappelijk element hebben. Bijgevolg kunnen we de
kansen op rechtstreekse communicatie ub, van een
spreker die tot de verzameling van | | | | sprekers ah behoort, schrijven als:
(1) uh = ∑ifi voor alle ci zodat ch∩ci≠ϕ. (ϕ is de lege verzameling)
Merk op dat h gelijk of ongelijk kan zijn aan i. Tot hier toe was de
benadering analoog aan die van Greenberg, hieronder wordt de redenering
verder doorgetrokken.
| |
2.1.2 Kansen op passieve vertaling
Naast de mogelijkheid van directe communicatie zijn er voor iemand in het
systeem S nog andere kansen. Bij ontmoetingen met anderen die geen
gemeenschappelijke taal beheersen, kan er een derde partij gevonden
worden die als vertaler kan fungeren. Dit vereist de vorming van een drietal in plaats van een paar. Ook hier kan, om de
kansen op deze bemiddelde vorm van communicatie te bepalen, de
waarschijnlijkheid worden berekend dat een willekeurig drietal gevormd
wordt, waarvan het eerste en het tweede lid geen taal gemeenschappelijk
hebben, terwijl het derde lid een taal gemeen heeft met de eerste, en
een andere met de tweede spreker. De kansen op passieve vertaling, vh, van een lid uit de verzameling ah kunnen nu worden geschreven als:
(2) vh = ∑i∑j(fi·fj)
voor ch∩ci=ϕ
en ch∩cj≠ϕ
en ci∩cj≠ϕ.
Merk op dat per definitie h≠i, h≠j, i≠j. De vertalers zijn leden van aj.
| |
2.1.3 Kansen op actieve vertaling
Ten slotte kunnen meertalige sprekers in een systeem S eventueel als
vertalers voor anderen optreden, en ook deze kans is een bestanddeel van
hun algemene strategische positie binnen het stelsel. Deze situatie doet
zich voor wanneer er een drietal gevormd wordt bestaande uit een spreker
met twee andere sprekers die geen gemeenschappelijke taal beheersen,
terwijl de eerste spreker een taal gemeen heeft met elk van beide
anderen. De kans op actieve vertaling, wh, voor een
spreker in ah kan als volgt worden weergegeven:
(3) wh = ∑i∑j(fi·fj)
voor ch∩ci≠ϕ
en ch∩cj≠ϕ
en ci∩cj=ϕ.
Merk op dat per definitie ook hier weer h≠i, h≠j, i≠j, en dat de
vertalers nu leden zijn van ah.
| |
2.1.4 Algemene strategische kansen
Afhankelijk van de doelstellingen der analyse kunnen de kansen uh, vh en wh
als karakteristiek beschouwd worden voor de strategische positie van een
spreker in stelsel S. De som van deze waarden is een belangrijke
indicatie van de algemene kansen van een spreker in ah:
(4) yh = uh + vh + wh.
Merk op dat 0≤yh, maar dat soms yh>1 (max(yh) = 2).
| |
| | | |
2.2 Formele karakterisering van een bloemfiguratie
De verbanden tussen de verschillende talen kunnen in sommige stelsels een
karakteristiek patroon te zien geven. Die verbanden worden gevormd door
meertalige sprekers die telkens twee of meer talen aan elkaar ‘koppelen’.
In een ‘willekeurig’ stelsel lijken deze verbanden puur toevallig. In een
‘evenredig’ stelsel zijn ze proportioneel met de frequenties van de
verzamelingen eentalige sprekers die ze verbinden.
Een meer realistisch patroon is het ‘grensstelsel’, waarin talen die in
aangrenzende gebieden gesproken worden hechter met elkaar verbonden zijn via
tweetalige sprekers dan talen die geen geografische grens gemeenschappelijk
hebben.
Een ‘bloemfiguratie’ van talen ten slotte wordt gekarakteriseerd door een
aantal ‘perifere talen’ die niet alleen onderling onverstaanbaar zijn maar
bovendien door een gering aantal vertalers met elkaar verbonden worden,
terwijl er tevens een centrale of metropolitaanse taal is die een
aanzienlijk aantal vertalers gemeenschappelijk heeft met elk der perifere
talen. Deze centrale taal noemen we L, naar lingua franca.
Doorgaans zijn de verzamelingen van meertalige sprekers betrekkelijk klein;
fi≤m, tenzij de lingua franca L een element is van de tweetalige combinatie, en in
dat geval fi>m. Als n(cj)
staat voor het aantal elementen in een verzameling ci,
dan kan een bloemfiguratie als volgt worden gedefinieerd:
(5) fi≤m voor L∉ci
en n(ci)≥2; fi>m voor L∈ci
en n(ci)=2.
| |
2.3 Een analyse van transformaties in veeltalige
figuraties
We beschikken nu over een erg krachtig, eenvoudig en algemeen model van
taalfiguraties en voor de communicatieve kansen van sprekers in deze
figuraties. De volgende opgave is de studie van de transformaties die zich
in deze figuraties voordoen, of zoals het ook wel heet, ‘de dynamiek van het
systeem’.
In deze context is het leren van een taal door mensen in de figuratie het
belangrijkste proces. In dit stadium van de analyse is het eenvoudiger om de
aandacht te beperken tot een subsysteem dat bestaat uit slechts twee talen,
zeg F en G, en bijgevolg uit slechts drie verzamelingen ci: {F}, {G}, en {F,G}, die respectievelijk c1,
c2 en c3 genoemd worden.
Wat gebeurt er wanneer de verzameling a3 van tweetaligen
die c3={F,G} spreken, begint te groeien doordat mensen
een tweede taal erbij leren? Dat verschilt per categorie. Voor de resterende
eentaligen, laten we zeggen de leden van a1, die slechts
F spreken, worden de kansen op rechtstreekse communicatie
niet groter ten gevolge van het feit dat sommige sprekers van hun taal de
andere taal verwerven en tot a3 toetreden: ze konden
toch al rechtstreeks met hen commu- | | | | niceren. Maar voor de leden
van a2, de sprekers van de andere taal, G, worden de
kansen op rechtstreekse communicatie wel groter, omdat ze nu direct met de
nieuwe tweetaligen, die door het aanleren van G van a1
naar a3 zijn overgegaan, kunnen communiceren. Wie een
taal spreekt die door anderen als tweede taal geleerd wordt bevindt zich
onmiskenbaar in een comfortabele situatie. In een bloemfiguratie waarin
leden van alle perifere taalgroepen de centrale taal L erbij leren, bevinden
de eentalige sprekers van L (de ‘metropolitanen’) zich dus in een
buitengewoon gunstige positie: hun kansen op directe communicatie nemen toe
zonder enige inspanning tot taalverwerving hunnerzijds.
Voor de tweetalige sprekers die zich reeds in a3 bevinden
worden de kansen op rechtstreekse communicatie echter niet groter als hun
gelederen groeien, omdat zij in het tweetalige stelsel al met iedereen
konden communiceren.
In formele termen: omdat a3 groeit ten koste van a1, f1+f3=c; en
omdat f1+f2+f3=
1, f2= 1-c. Na substitutie in formule (1) voor uh:
u1 = f1+f3 = c (F gemeenschappelijk); u1 blijft constant;
u2 = f2+f3
= 1-c+f3 (G gemeenschappelijk); u2
neemt toe met f3; u3 = f1+f2+f3 = 1 (F
en G gemeenschappelijk); u3 blijft constant.
Wat is het gevolg van dezelfde toename van tweetaligen in a3 ten koste van de F-sprekers in a1 voor de kansen
op passieve vertaling, vh, zoals deze
in (2) hierboven gedefinieerd zijn? Voor het geringe aantal eentaligen die
in aj achterblijven komt een toenemend aantal vertalers
ter beschikking voor de bemiddeling met het gelijkblijvende aantal eentalige
sprekers van G in a2. Ook voor de eentaligen in a2 zijn er steeds meer vertalers beschikbaar voor de
communicatie met een afnemend aantal eentalige sprekers van F in a1. Voor de tweetaligen in a3 is
passieve vertaling niet van belang.
Na substitutie in formule (2):
v1 = f2·f3 = (1.-c)·f3; v1 neemt toe
met f3; v2 = f1·f3 = (c-f3)·f3; v2 neemt eerst parabolisch toe
tot f3 = c/2, en neemt vervolgens af, totdat f1=0, f3=c, en v2=0: iedereen spreekt G (u2=1). v3 = 0. Kansen op passieve vertaling zijn voor
tweetaligen irrelevant. De kansen op actieve vertaling
daarentegen, zijn des te meer van belang voor deze groep (en irrelevant voor
a1 en a2).
Opnieuw na substitutie, ditmaal in formule (3) voor wh,
de kansen op actieve vertaling:
w3 = f1·f2 = (c-f3)·(1-c) = -(1-c)f3 +
c(1-c).
De kansen op actieve vertaling w3 voor de tweetaligen in
a3 dalen lineair: de allereerste vertaler (lim(f3)=0) wordt beloond met w3=c - c2. Maar naarmate het aandeel f3 naar
zijn bovengrens c toegroeit, neemt w3 af van c - c2 tot 0. Dit is zo omdat er minder en minder eentaligen
in a1 overblijven om voor te vertalen in ontmoetingen
met leden van de constante verzameling a2. Maar dit
betekent dat | | | | sprekers die reeds tweetalig zijn verlies lijden bij een toename van hun aantallen, zelfs al heeft
elke afzonderlijke spreker veel te winnen bij toetreding tot hun gelederen.
Dit verlies voor de tweetaligen wordt niet gecompenseerd door een groei van
hun kansen op rechtstreekse communicatie u3 - die
blijven immers steeds gelijk aan 1 - en evenmin door een groei van de kansen
op passieve vertaling v3, omdat die niet op hen van
toepassing zijn.
De algemene communicatiekansen yh = uh+vh+wh vertonen ten
slotte het volgende patroon bij een groei van a3 ten
koste van a1 (en een constante a2):
y1 = u1+v1 = c+(1-c)·f3; lineaire toename met f3; y2 = u2+v2 = 1-c+f3+(c-f3)·f3; parabolische toename van y2=1-c voor f3=0 tot y2=1 voor f3=c; y3 =
u3+w3 = 1-(1-c)·f3+c(1-c); lineaire afname met f3.
Hieruit volgt dat de eentaligen in a1 die geen tweede
taal verwerven toch meer algemene kansen krijgen wanneer anderen uit hun
groep een andere taal leren; hetzelfde geldt voor de eentaligen in a2, van wie er niemand een tweede taal leert; zij die
echter op enig tijdstip tweetalig zijn, de leden van a3,
gaan er in algemene kansen op achteruit wanneer hun gelederen talrijker
worden.
Ten slotte nemen de algemene kansen toe voor iemand die van a1 overgaat naar a3 door het verwerven van een
tweede taal:
y3-y1 = 1-(1-c)·f3+c(1-c) - {c+(1-c)·f3} =
(1-c)·(1+c-2f3).
De winst is positief, omdat (1-c)>0 en (1-f3)>0 en (c-f3)>0; de winst neemt af
naarmate f3 groeit; late leerders boeken minder
winst.
| |
2.4 Empirische generalisaties op basis van het model
Op grond van deze analyse zijn enige algemene uitspraken te doen.
| (1) | In veeltalige figuraties heeft een bevolking van eentalige sprekers er
profijt van als mensen die hun taal spreken andere talen leren, niet
vanwege toenemende kansen op rechtstreekse communicatie, maar omdat de
kansen op passieve vertaling groeien. |
| (2) | In veeltalige figuraties heeft een bevolking van eentalige sprekers er
profijt van als mensen die andere talen spreken hun taal leren, wegens
toenemende kansen op rechtstreekse communicatie, en tot op een bepaald
punt ook ten gevolge van groeiende kansen op passieve vertaling. Daarna
nemen de algemene kansen minder snel toe. |
| (3) | In veeltalige figuraties zullen de mensen die er een taal bij leren
hun kansen op rechtstreekse communicatie vergroten doordat ze toegang
krijgen tot de sprekers van deze extra taal (deze winst weegt altijd op
tegen het verlies aan kansen op passieve vertaling; deze zijn immers
niet langer relevant); ze zullen eveneens hun kansen op actieve
vertaling doen toenemen, en dit des te meer zolang er nog weinig andere
vertalers beschikbaar zijn. |
| | | |
| (4) | In veeltalige figuraties hebben meertalige sprekers meer kansen op
rechtstreekse communicatie dan de sprekers die slechts één taal
beheersen, maar deze kansen nemen niet toe wanneer het aantal sprekers
van hun specifieke talencombinatie toeneemt; bovendien veroorzaakt deze
toename een verlies aan kansen op actieve
vertaling. |
In bloemfiguraties van talen biedt de beheersing van de centrale taal
bijzondere kansen op rechtstreekse communicatie, omdat dit de taal is die
door de meeste mensen als tweede taal geleerd wordt, maar ook op passieve
vertaling, omdat er vertalers beschikbaar zijn voor elke perifere taal, en
wel steeds meer naarmate het leren van een tweede taal zich verbreidt. Om
deze redenen kan het verwerven van de centrale taal een proces zijn dat
zichzelf versnelt.
Als men aanneemt dat mensen en taalgroepen in hun handelen streven naar
handhaving of vergroting van hun communicatieve kansen, genereren deze
algemene uitspraken in veeltalige figuraties, en vooral in bloemfiguraties,
een constellatie van groepsconflicten. Eentaligen zullen het leren van een
taal aanmoedigen, met name het leren van hun eigen taal door anderen.
Afzonderlijke mensen kunnen hun kansen ingrijpend vergroten door het leren
van een extra taal (maar zullen daar wegens te grote kosten vaak van
weerhouden worden). Daarnaast zullen meertalige sprekers het leren van de
talen waartussen zij als vertalers bemiddelen trachten tegen te gaan (maar
zij staan positief tegenover mensen die een van hun talen combineren met een
andere taal). En ten slotte kan er binnen bevolkingen waarin
tweede-taalverwerving veel voorkomt een restgroep overblijven, wanneer er
alom de mogelijkheid is van passieve vertaling en de winstkansen van actieve
vertaling zodanig zijn verminderd dat het leren van een tweede taal niet
langer meer de moeite waard lijkt (ook al is die moeite onder deze
omstandigheden misschien niet meer zo groot als voorheen).
Het leren lezen en schrijven kan in dit model als een bijzonder geval van
taalverwerving gezien worden. Uiteraard vindt het leren hier slechts in één
richting plaats: van analfabetisme naar alfabetisme, terwijl alle alfabeten
de gesproken versie van de taal al beheersen. De analfabete bevolking is
verdeeld in betrekkelijk disjuncte groepen, elk met zijn eigen mondelinge
communicatienetwerk, maar onderling gescheiden, niet zozeer door wederzijdse
onverstaanbaarheid (hoewel dit zich ook kan voordoen) als wel door afstand
en vervoerskosten. Geschreven boodschappen reizen door het hele stelsel,
maar alleen tussen alfabete mensen die omdat ze kunnen lezen en schrijven,
die boodschappen kunnen ‘vertalen’ voor de analfabeten. In termen van het
model functioneert het schrift net zo als een lingua
franca. En dezelfde voorspellingen zijn van kracht; analfabeten
profiteren van het leren lezen en schrijven: ook wanneer ze het niet zelf
doen, hebben ze baat bij het leren door anderen; alfabete lokale elites zien
hun kansen op actieve ‘vertaling’ kleiner worden wanneer analfabeten binnen
hun clientèle leren lezen en schrijven; alfabete metropolitaanse elites,
voor wie dergelijke actieve bemiddeling bij gebrek aan een eigen analfabete
clientèle minder belangrijk is, kunnen er alleen maar op vooruit gaan
wanneer mensen leren | | | | lezen en schrijven, omdat dit hun kansen op
rechtstreekse, schriftelijke communicatie met hen vergroot.
De sprekers van de centrale taal en de mensen die kunnen lezen en schrijven
nemen dus in een bloemfiguratie een cruciale positie in. Anderen zullen
trachten zich de centrale communicatiecode eigen te maken. De
metropolitaanse gebruikers van de centrale code, die uitsluitend deze code
beheersen en hanteren, zullen de verbreiding ervan ondersteunen ten behoeve
van de rechtstreekse communicatie. De regionale elites, die naast de
centrale code nog een andere code beheersen, zullen de verbreiding van deze
codes trachten tegen te gaan ter handhaving van hun winsten uit actieve
bemiddeling. Maar ook zij zijn erbij gebaat indien sprekers van een derde
code - die buiten hun bemiddelingssfeer valt - de centrale code leren:
Hoewel de mediërende groepen overeenkomstige belangen hebben, bezitten ze
geen gemeenschappelijk belang - een fatale zwakke plek.
Uit de analyse volgt dat een staatsapparaat er baat bij had de kennis van een
centrale code L in het gehele territoor te bevorderen, omdat de beambten
daarmee de burgers rechtstreeks - dus zonder lokale bemiddeling - kunnen
benaderen.49
Evenzo was het inherent aan de positie van de supraregionale handelslieden
om bij te dragen aan de bevordering van de nationale communicatiecodes, van
de standaardtaal, van standaardmaten en standaardvaluta, van vaardigheid in
rekenen en aardrijkskunde: dat alles vereenvoudigde het handelsverkeer.50 Dat gold
niet altijd voor industriëlen; zij opereerden immers vooral in de eerste
fasen van de industrialisatie meest op lokale markten voor arbeidskrachten,
grondstoffen en eindprodukten.
Om soortgelijke maar omgekeerde redenen was het eigen aan de positie van
lokale en regionale elites om de verspreiding van de standaardcode in hun
eigen invloedssfeer tegen te gaan,51 om de trouw van hun clientèle te
waarborgen en de voordelen van hun bemiddelingsmonopolie veilig te
stellen.52 Toch was het zeer goed mogelijk dat ze de
verspreiding van deze code in andermans gebieden neutraal of positief
beoordeelden. En dat belemmerde de collectieve actie door deze regionale
elites.
In een regio liepen ook de communicatieve belangen van enerzijds de
dialectsprekers of analfabeten, en anderzijds de tweetaligen of alfabeten
uiteen: ze liepen grotendeels parallel met culturele, economische en
politieke scheidslijnen. Bij de tweetaligen of alfabeten ligt het voor de
hand te denken aan de plaatselijke adel, de geestelijkheid en de
notabelen,53 bij de
eentaligen of analfabeten vooral aan boeren, dagloners, en arbeiders. Het
patroon van communicatie liep veelal parallel met de patronen van
commerciële, politieke en culturele contacten - mensen communiceren
tenslotte over iets. Maar ook al vielen de lijnen van communicatie en
isolatie niet altijd volledig samen met die andere ruilpatronen, ze waren
toch ook relevant voor die andere belangen, en zo werden ze indertijd ook
opgevat.
Gezien het perspectief van de bloemfiguratie is ook de rol van de ‘immer | | | | opkomende’ bourgeoisie als drager van de onderwijshervorming aan
herziening toe. De burgerij in haar geheel was geen onvermijdelijke
voorstander van nationaal lager onderwijs: ‘notabelen’, zoals kleinsteedse
notarissen en advocaten, waren er vaak sterk tegen gekant. Hoofdzakelijk op
regionale markten gerichte industriëlen gaven soms de voorkeur aan een
alliantie met leden van de lokale gevestigde orde. Aan de andere kant kozen
aristocraten in de nationale handel en vooral in de bureaucratie van de
centrale staat eerder partij voor de verdedigers van het onderricht in lezen
en schrijven en de standaardtaal.
De verschillende groepen in de bloemfiguratie worden gedefinieerd door hun
positie in het communicatieproces. Maar een gemeenschappelijke positie is
nog niet genoeg om de leden van zo'n groep tot een coherente actor te maken,
in staat tot collectieve actie. Lokale elites werden vaak bijeengehouden
door onderlinge huwelijkse banden, commerciële belangen,
vriendschapsrelaties en de kerk. Het belangrijkste was echter dat hun
machtsbasis doorgaans samenviel met een institutionele, politieke entiteit:
een als zodanig erkende stad, een gewest, enzovoort. Dit stelde de leiders
in staat een samenhangend beleid te voeren, en zo konden de lokale elites
opereren als coherente politieke actores. Coalities van regionale elites
konden soms de macht veroveren in de nationale regering. Maar daar bevonden
ze zich op onderwijsgebied in een ambivalente positie: het staatsapparaat
dat zij nu beheersten zou aan effectiviteit winnen door een uitbreiding van
het nationaal lager onderwijs, maar dat zou ten koste gaan van de
oorspronkelijke machtsbases van de lokale elites. Omdat ze het nationale
stelsel konden noch wilden ontmantelen, trachtten ze het leerplan dan maar
te doordrenken met traditionele waarden en het toezicht erover over te
dragen aan de plaatselijke geestelijken en gezagsdragers.
Voor de boeren en de landelijke arbeidersklasse was het veel moeilijker, zo
niet onmogelijk, om zich als een zelfstandige politieke entiteit te
manifesteren. Voor zover ze zich al organiseerden, gebeurde dit binnen
verbanden die door de lokale elite beheerst werden. Dit alleen al verklaart
veel van de zwakte, of soms zelfs de afwezigheid, van initiatieven onder de
boerenbevolking om rechtstreeks toegang te krijgen tot het nationale
communicatienetwerk en voor de kinderen lager onderwijs op te eisen.
De metropolitaanse elites bevonden zich in een gunstiger uitgangspositie om
op te treden als coherente actores, vooral wanneer zij de macht hadden in de
centrale regering, of althans het ministerie van onderwijs en het
inspectoraat. Maar als dat niet het geval was, waren de leden van de
metropolitaanse elite aangewezen op vrijwillige collectieve actie om scholen
op te richten en in stand te houden. Hier blijkt duidelijk het tweeslachtige
karakter van het onderwijs: enerzijds is de opvoeding van een kind een
individueel goed, een investering op lange termijn van ouders in hun
nageslacht. Anderzijds vormen gezamenlijke onderwijsvoorzieningen niet
alleen een enorme kostenbesparing omdat scholen veel goedkoper zijn dan
huisonderwijzers, maar hebben ook alle ouders binnen | | | | een
bepaalde sociale categorie een collectief belang bij de overdracht aan de
volgende generatie van uniforme en gemeenschappelijke communicatiecodes, van
een samenhangend geheel aan kennis dat een ieder bij alle anderen bekend kan
veronderstellen.
Met de vrijwillige schoolgelden kochten de ouders een opvoeding voor hun
eigen kinderen, maar leverden zij bovendien een bijdrage aan de kosten van
het collectieve schoolstelsel in zijn geheel om de gangbaarheid te vergroten
van het leerplan waarin hun kinderen werden onderwezen. Ook hier moesten
geloofsijver en politiek engagement, wederzijdse sociale controle en
toenemende institutionalisering de dilemma's van collectieve actie
overwinnen, en ook hier fungeerden geestelijken als entrepreneurs in
collectief onderwijs. De collectieve campagnes voor de vestiging van
gelijkgezinde scholen droegen ook hier bij tot de vorming van de
collectiviteiten die in de scholen weer versterkt en voortgezet werden.
Het bloemmodel biedt een globaal en eenvoudig schema waarin mensen erop
vooruit gaan, of achteruit, doordat andere mensen een tweede taal verwerven
of leren lezen en schrijven. Deze externaliteiten staan voor een
linguïstische interdependentie die kan leiden tot eendracht, of tot
onenigheid. Als zodanig geeft het model een eerste schets van de
uiteenlopende belangen die met taalverwerving en alfabetisering gemoeid
zijn. De partijen worden gedefinieerd door hun communicatieve posities in de
bloemfiguratie. Vaak zullen deze posities in hoge mate bepaald zijn door
sociale klasse, vrijwel altijd hingen ze samen met geografische locatie, en
ze waren mogelijk ook te herleiden tot religieuze gezindheid. Met andere
woorden, de dynamiek van een figuratie van communicatienetwerken hangt nauw
samen met de dynamiek van de strijd tussen klassen, regio's en religies.
|
34‘Een simpel relaas
over de triomf van democratie en goede wil kan geen enkele onderzoeker nog
presenteren, die ook maar zijdelings op de hoogte is van de onderwijskundige
geschiedschrijving in de laatste vijftien jaar.’ Katz, 1976, p. 382.
36Vaughan en Archer, p.
5.
37Recentelijk is het debat over
deze problemen weer opgeleefd door een polemiek tussen Elster (1982) en
anderen.
38Vgl. bijv. de
bijdragen Hartmann, Nyssen en Waldeyer; vgl. ook Bowles en Gintis. Cremin
(1977, p. 55) bekritiseert Bowles en Gintis' redenering van analogie via
functie naar verklaring: ‘Opnieuw wordt de overeenkomst eerder geponeerd dan
aangetoond, en afgezien van enige gelijkenis, wordt niets over de aard ervan
verduidelijkt.’ Vgl. voor een kort overzicht van de discussie in Engeland
Digby en Searby, pp. 24-5.
39Vgl. Vaughan en Archer; vgl. ook
Stone, 1969, p. 95: ‘De toename van het alfabetisme die blijkt uit Engelse
huwelijksakten, ongeveer na 1780, wijst op een verbetering van de
onderwijsvoorzieningen zo'n vijftien jaar eerder, en dat is ruim voordat de
industriële revolutie goed en wel begonnen was.’ Schofield besluit zijn
onderzoek naar de cijfers voor alfabetisme in Engeland tussen 1750 en 1850
met de opmerking (p. 453): ‘Het voortduren van het analfabetisme onder
mannen, zowel landelijk tot het decennium 1805-1815, als in verscheidene
beroepsgroepen tot in het midden van de negentiende eeuw, geeft weinig steun
aan de opvatting dat een toename in alfabetisme noodzakelijk gevolgd wordt
door of gepaard gaat met economische groei.’ Graff merkt op dat in het
negentiende-eeuwse Ontario alfabetisme geen duidelijke gevolgen had voor
inkomen of loopbaan (p.198 en passim), en hij concludeert
dat in het algemeen ‘in grote delen van Noord-Amerika het onderwijs
bovendien aan de industrialisatie voorafging’. (p. 231,
cursief in het origineel). Lundgreens kwantitatieve studie over
inschrijvingscijfers en nationaal (arbeids-) inkomen eindigt met de
conclusie ‘dat in Duitsland gedurende de negentiende eeuw, maar ook in de
naoorlogse periode 1950-62, slechts een minimaal deel van de indrukwekkende
groei van de produktie rechtstreeks kan worden toegeschreven aan de groei
van het onderwijs.’
40Katz, 1976, verklaart
het ontstaan van het lager volksonderwijs in het kader van de overgang naar
het kapitalisme, maar zonder een beroep te doen op ‘systeemvereisten’.
Oproer op het platteland, immigratie en urbanisatie, en de opkomst van een
klasse van bezitsloze loonarbeiders boezemden de gevestigde bourgeoisie
grote angst in. Vandaar dat zij trachtte deze massa's te beheersen met
allerlei nieuwe instituties, waaronder de scholen. Dit doet recht aan de
culturele en politieke aspecten van het proces en biedt ook een meer
adequate oplossing voor het probleem van de tijdsvolgorde. Maar de
beweegreden van de ‘metropolitaanse’ bourgeoisie voor het propageren van een
code voor nationale communicatie was toch meer dan alleen maar
‘reactie’.
41Vaughan en Archer, p. 16.
42Idem, p. 217; Laqueur, 1973, brengt hiertegen
in dat de gevestigde kerk het onderwijs nooit zo volledig heeft beheerst (er
waren in werkelijkheid veel particuliere scholen), en dat de middenklasse
nooit zo homogeen geweest is.
43De begrippen van nationale en regionale communicatienetwerken
zijn verwant aan de ideeën van Karl Deutsch (1953) over (denkbeeldige)
‘kaarten van taalgemeenschappen, waarop elk taalcontact
zou worden weergegeven met een enkele lijn om zo de relatieve dichtheden van het taalverkeer zichtbaar te maken.’ p. 41.
44Vgl. Glück, pp.
67-90, voor een bespreking van de problemen die zich voordoen bij de
definitie van deze termen en bij de bepaling van de feitelijke mate van
onderlinge verstaanbaarheid, vooral in historisch-sociologische
studies.
45In werkelijkheid lijken talen in een taalfiguratie in
mindere of meerdere mate op elkaar. Een maat van wederzijdse
verstaanbaarheid zou eenvoudig in het model geïncorporeerd kunnen
worden. Er zijn echter geen systematische gegevens over de
overeenkomsten tussen talen die bruikbaar zijn voor de constructie van
een dergelijk herzien model.
46Een combinatie is een deelverzameling
van S; uit een verzameling met n elementen kunnen n!/(k!(n-k)!)
verschillende combinaties van k elementen gevormd worden.
47Een variatie is een
geordende combinatie; een deelverzameling van S met een welbepaalde
elementenvolgorde. Voor elke combinatie van k elementen zijn er k!
variaties.
48Greenberg was vooral geïnteresseerd
in een algemene karakterisering van taalsystemen
volgens hun diversiteit (Greenbergs A) of communicatiepotentieel
(Greenbergs H). Greenbergs A correspondeert met een maat van
fragmentatie (bij voorbeeld voor een besluitvormend lichaam); formule
(1) hieronder en Greenbergs H zijn formeel identiek. Vgl: voor een
verdere uitwerking van Greenbergs maten ook Lieberson, (1964),
1981.
49Marc Raeff beschrijft de Pruisische
hofbureaucratie aan het begin van de achttiende eeuw in zeer
overeenkomstige termen: ‘Door zich te bemoeien met de dagelijkse
bezigheden van zijn onderdanen en door een maximaal gebruik van alle
grondstoffen en creatieve vermogens te stimuleren, ondermijnde de
absolutistische staat de standenstructuur, waarop hij in feite vaak
steunde en bevorderde hij de dynamiek van modernisering en de
klassenvorming.’ p. 1228. Vgl. Goody voor een historische beschouwing
over de functies van alfabetisme in het proces van statenvorming.
50Eén beroepsgroep had een wel heel direct belang bij
het alfabetisme: de uitgevers, en vooral de redacteuren van kranten en
leerboeken. Het belang van hun bondgenootschap met de
onderwijshervormers in de campagne voor algemeen lager onderwijs is
vooral onderstreept door Amerikaanse auteurs; bijv. Tyack, p. 95; Soltow
& Steven, pp. 58-88; Cremin, 1980, pp. 298-334.
51Bijv. Magraws
relaas over het verzet door landelijke notabelen en geestelijken in het
midden van de vorige eeuw.
52Soms kunnen deze monopolistische
bemiddelingsvoordelen heel letterlijk genomen worden: In de zeventiende
eeuw waren de meesterscribenten en hun beroepsorganisaties gebelgd over
de concurrentie van de petites écoles, die ze keer op
keer zonder succes voor het gerecht daagden. Ariès, p. 911. Deze
scribenten waren tegelijkertijd schrijvers, vertalers, rekenaars en
boekhouders.
53Vgl. Maynes (1985), p. 37: ‘Maar
grosso modo werden de dorpszaken overal in Europa beheerd door de meer
bemiddelde landeigenaars, soms kleine bezitters, soms grote
aristocraten. In de steden kwamen onder de notabelen huizenbezitters,
renteniers, kooplieden voor, en ook beoefenaars van de vrije beroepen,
beambten en dergelijken, die aan het einde van het ancien
régime de zeggenschap over de stadspolitiek hadden veroverd en
een oligarchische macht uitoefenden. In steden waar de nieuwe
industrieën zich gevestigd hadden, vormden de ondernemers de
doorslaggevende kracht.’ De positie die deze lokale kleine
burgerij als een groep van lingua franca-sprekers met
een bemiddelingsmonopolie voor een regionale clientèle in het model
inneemt, is een andere dan die van de ‘metropolitaanse’ bourgeoisie van
beambten en ondernemers. Hier leidt de positie in het klassenstelsel, de
regio en het netwerk dus niet tot overlappende belangen.
|
|