|
|
|
| |
3 Taalunificatie in Europa en Amerika
De Franse historicus Marc Bloch heeft de middeleeuwse samenleving met één grote
taalkundige tegenstelling getypeerd:
Aan de ene kant de immense meerderheid der analfabeten, allen
ingekapseld in hun eigen regionale dialect, met een literaire bagage die niet
meer omvatte dan wat mondeling overgeleverde profane gedichten en vrome
gezangen, door welmenende geestelijken in de volkstaal gecomponeerd ten behoeve
van de eenvoudigen van geest, en soms aan het perkament toevertrouwd. Aan de
andere zijde het handjevol beschaafde mensen dat, onophoudelijk manoeuvrerend
tussen de omgangsspraak en de universele geleerdentaal, in de ware zin des
woords tweetalig was. Voor hen waren de grote theologische en historische werken
geschreven; zij begrepen de liturgie en de zakelijke documenten. Latijn was niet
alleen de taal van het onderwijs, het was ook de enige taal die onderwezen werd.
Kunnen lezen betekende: Latijn kunnen lezen.54
| | | |
De functies van het Latijn werden geleidelijk overgenomen door de talen van de
centrale hoven; het Latijn bleef nog enkele eeuwen het communicatiemedium van
geleerden, en handhaafde zich ten slotte alleen nog als de taal van de
katholieke liturgie. De uitvinding van de drukpers versnelde dit proces:
De drukkunst conserveerde, codificeerde en creëerde zelfs bepaalde
volkstalen... Nadat ze de taalmuren tussen de verschillende groepen verstevigd
hadden, egaliseerden de drukkers alles wat zich tussen die muren bevond... en
verleenden zo de provinciale dialecten een nieuwe, perifere rol.
Elisabeth Eisenstein concludeert:55 ‘De drukpers remde de vervloeiing van talen.’ Klassikaal onderwijs
door centraal opgeleide onderwijzers, en in onze eeuw radio en televisie hadden
een zelfde effect.
De hoftalen, die zich met de ontwikkeling van nationale staten tot volkstalen
verbreidden, verdrongen slechts langzaam - en nooit volledig - de regionale
dialecten. Het koninklijke hof legde het gebruik van de hoftaal aan de landadel
op, als gevolg werden de lokale elites doorgaans tweetalig en communiceerden in
het regionale dialect en in de hoftaal, die daarmee ging fungeren als een
moderne lingua franca. Wie die taal niet kon lezen of spreken,
bleef gebonden aan de lokale, mondelinge taalgemeenschap en zag zich afgesneden
van het culturele en politieke leven daarbuiten: ‘De dorpsgemeenschap... bevond
zich in een politiek isolement, met uitzondering van hen die aan het hoofd
stonden; de heer van het dorp, en soms ook de geestelijke, was de verbindende
schakel tussen het dorp en de natie.’56
Historische kaarten van de linguïstische verscheidenheid in Frankrijk57 en
Engeland (of Rusland en Spanje, wat dat betreft) in de vroeg-moderne tijd
vertonen een bloemfiguratie: één grote, centrale vlek geeft het oppervlak aan
waar de standaardtaal werd gesproken, een zeer uitgestrekt metropolitaans gebied
rond de hoofdstad, Londen of Parijs. Op deze kaarten verschijnen aan de randen
de regio's waar dialecten en zelfs geheel verschillende talen in gebruik waren.
Die afgelegen gebieden waren vaak in een meer recent verleden veroverd of
verworven, of waren nog lang onafhankelijk gebleven, zoals Schotland en Wales,
of ze hadden deel uitgemaakt van een ander rijk, zoals bij voorbeeld
Catalonië,58 terwijl weer andere landstreken betwist bleven, zoals de Elzas
door Frankrijk en Duitsland, tot zelfs in onze eeuw.59
Het patroon van taalverscheidenheid in wat nu het Verenigd Koninkrijk is, wordt
treffend beschreven door de uitdrukking the Celtic fringe, de
Keltische zoom:60 de grote boog van
Schotland, Ierland, Wales en het eiland Man, elk met een eigen Keltische taal,
die het Engelstalige centrum omgeeft. De anglisering van Schotland begon al in
de dertiende eeuw, in Wales lag de oorsprong in de ‘Union’ van 1536. In Wales
met name getroostte de adel ‘zich de grootst mogelijk moeite om zich van zijn
primitieve en barbaarse landgenoten te distantiëren’ door de Engelse taal en
zeden over te nemen.61 De
anglisering van het gewone | | | | volk begon in Schotland met de zending
door de ‘Established Church’,62
de gevestigde anglicaanse Kerk, en werd in de negentiende eeuw in Wales met
hernieuwde kracht voortgezet toen eerst de anglicaanse Kerk, en later de
centrale regering daar lagere scholen stichtten. De Dissenting School Society,
die met de anglicanen concurreerde, bevorderde doorgaans de plaatselijke taal en
werd door de gewone Welshman dan ook welwillender ontvangen.63 Officieel
onderwijsbeleid en de industrialisering, die het Engels de taal van vooruitgang
en kansen deden lijken, leidden tot het geleidelijke verval van de Keltische
talen, eerst in het openbare leven, en met de opkomst van de massamedia
bovendien in bijna alle privé-situaties.64
De linguïstische landkaart van Frankrijk onder het Ancien
Régime is het schoolvoorbeeld van een bloemfiguratie van talen. Dit patroon
bleef tot ver in de negentiende eeuw bestaan, zoals Eugen Weber heeft
aangetoond: er was nog lang sprake van een ‘rijkdom aan talen’.65 De Franse koningen stonden op het
gebruik van het Frans in het openbaar verkeer, maar bemoeiden zich ternauwernood
met het taalgebruik van het gewone volk. ‘De burgers van de grotere steden, de
juristen uiteraard, en de geestelijken werden twee- of veeltalig.’66 De onderzoekingen van Gregoire tonen aan dat
ten tijde van de Franse Revolutie slechts drie van de vijfentwintig miljoen
inwoners vloeiend Frans spraken, en dat zes miljoen Fransen helemaal geen Frans
kenden.67
Met de Revolutie begon ook de campagne voor taalunificatie, die moest worden
doorgevoerd met de oprichting van openbare lagere scholen in het gehele land. De
katholieke Kerk en de plaatselijke geestelijken verzetten zich daartegen, meer
uit zorg over de handhaving van hun machtsbasis en het religieuze leerplan dan
uit verbondenheid met de streektaal. In dit opzicht volgden ze meer het lokale
verzet dan dat ze het leidden. Maar zoals Eugen Weber heeft opgemerkt:68 ‘Een van de grootste vijanden van
het lokaal dialect was het eigen parochialisme.’ Lager onderwijs en militaire
dienstplicht overwonnen ten slotte de regionale verscheidenheid aan talen: rond
1900 zagen boerenkinderen neer op hun plaatselijk dialect en leerden liever de
taal die hun stijgingskansen kon bieden.
In de Duitse landen, waar de politieke fragmentatie veel langer voortduurde, was
het linguïstisch patroon opvallend homogeen. Plaatselijke dialecten vertoonden
aanzienlijke onderlinge verschillen, maar reeds rond 1500 was het Duits de
voertaal van de Oostzee tot de Donau, van de Oder tot de Maas, met slechts één
enclave rond Lützen ten zuiden van Berlijn, waar men Sorbisch sprak, een
Slavische taal.69
Voor officiële doeleinden was een geschreven standaardversie van de taal
algemeen in omloop. Slechts aan de randen van het gebied dat later het Duitse
Reich zou worden, hielden andere talen en duidelijk
onderscheiden dialecten stand, verwant aan het Tsjechisch, het Pools of het
Deens, en in het hoge noorden aan het Fries, dat ook in het noorden van de Lage
Landen gesproken werd.70
Met de Pruisische annexatie van Pools grondgebied in 1772 kwam een talrijke | | | | anderstalige bevolking onder Duitse macht. Gedurende de volgende
eeuw was de officiële taalpolitiek ‘pragmatisch’, ‘liberaal’ en ‘behoedzaam’. In
de hoofdzakelijk agrarische samenleving bleef het Pools de spreektaal van de
grote meerderheid. De adel werd het eerst tweetalig, omdat het Duits de taal was
die de Pruisische beambten, hovelingen en interregionale handelslieden
gebruikten.71 De
verduitsing, die altijd een impliciet en ververwijderd doel geweest was, werd na
1871 het openlijk en energiek beleid in het Reich. Zoals
elders waar regionale talen waren blijven bestaan, werd de taalunificatie
onderdeel van een campagne voor verplicht lager onderwijs: ‘alfabetisering als
instrument van taalpolitiek’.72
De katholieke geestelijken stelden zich tegen deze Duitse invloed te weer: nadat
zij aanvankelijk de landheren hadden gesteund in hun verzet tegen elk Pruisisch
onderwijsinitiatief, begonnen ze tegen het einde van de eeuw een campagne voor
lagere scholen met een katholiek leerplan en onderwijs in het Pools. In dit
geval werden conflicten over taal en onderwijs een onderdeel van een nationale
strijd die in onze eeuw in twee opeenvolgende wereldoorlogen een voorname rol
zou gaan spelen.
Ook de Nederlanden vormden in linguïstisch opzicht een betrekkelijk homogeen
gebied. In de contacten tussen de verschillende regio's werd in de Republiek
voornamelijk bemiddeld door de stedelijke elites; de boerenbevolking en het
lagere volk hadden daar part noch deel aan. De taal van het Amsterdamse
patriciaat fungeerde als norm.73 Met het voortschrijden van de nationale integratie in de
Nederlanden raakte de taal van de voorhoede, de bourgeoisie, geaccepteerd als
‘Algemeen Beschaafd Nederlands’. Die standaardtaal had communicatieve functies
in een integrerende samenleving, met name in secundaire relaties - tussen
vreemdelingen en binnen formele instituties. Maar een dergelijke taal leverde,
zoals Goudsblom heeft aangetoond, door haar strikte regulering van taalvormen
tevens een norm voor beschaafd gedrag, en schakelde zo mensen aaneen, terwijl ze
tegelijkertijd de afstand vergrootte tussen mensen met een ‘verfijnd’ en mensen
met een ‘ruw’ taalgebruik.
In de zuidelijke en noordelijke randgebieden van Nederland worden nog steeds
duidelijk onderscheiden dialecten gesproken: in Limburg is een dialect blijven
bestaan dat ooit gezien werd als een variant van het Hoogduits, maar dat
tegenwoordig wordt beschouwd als een dialect van een naaste verwant, het
Nederlands of Laagduits;74 in het noorden van Nederland wordt nog Fries gesproken, dat
recentelijk opnieuw een opleving heeft gekend als taal van onderwijs, recht en
politiek. Al met al is de regionale taalverscheidenheid in Nederland zonder veel
conflict geleidelijk verdwenen, en het zijn de moderne massamedia die vandaag de
dag de nationale norm stellen voor het gesproken Nederlands.
Aan het begin van de twintigste eeuw had de nationale taalunificatie in
West-Europa bijna haar voltooiing bereikt, zeker als het ging om schriftelijke
communicatie. Duidelijk onderscheiden taalgemeenschappen bestaan naast elkaar
binnen één nationaal gebied alleen nog in België en Zwitserland: louter
bloemblaadjes, en geen hart. Maar afgezien van het Raeto-Romaans in Zwitserland
| | | | gaat het hier om regionale versies van nationale talen in
aangrenzende landen; België en Zwitserland zijn als onafhankelijke politieke
eenheden blijven bestaan op de breuklijn van veel grotere politieke eenheden.
Ook de Verenigde Staten hebben zich tot een homogene taalgemeenschap ontwikkeld.
Na de verovering van het continent door Europese kolonisten en de
Indianenoorlogen zijn de oorspronkelijke Amerikaanse talen nagenoeg verdwenen.
De talen die ooit in meer recente aanwinsten, zoals Louisiana, New Mexico en
Californië, gesproken werden, behoorden tot andere taalgebieden: Frankrijk en
Spanje. Deze taalverscheidenheid overleefde echter ternauwernood het begin van
de negentiende eeuw.
In Amerika vormde immigratie een tweede belangrijke bron van taalverscheidenheid,
maar ook dit was niet van lange duur. Het proces van taalassimilatie voltrok
zich onder migranten op geheel andere wijze en in een veel hoger tempo dan
binnen sedentaire bevolkingen die een gevestigde taalgemeenschap vormen.
Immigranten hadden immers de beslissing genomen om naar elders te verhuizen en
waren meestal bereid de cultuur van hun nieuwe omgeving over te nemen. Bovendien
stonden zij afzonderlijk of in kleine groepjes van kolonisten tegenover de
nieuwe cultuur, ontworteld en afgesneden van hun gemeenschap van herkomst.
Vanwege de overstelpende voordelen van aanpassing aan de taal van de nieuwe
omgeving en hun gerichtheid op opwaartse mobiliteit, behielden immigranten hun
oorspronkelijke taal hooguit twee of drie generaties. Dit alles heeft ertoe
geleid dat de ‘Verenigde Staten, in etnisch opzicht de meest heterogene natie,
op het punt van talen een der meest homogene naties zijn’.75
Ook in Europa speelde migratie een - zij het grotendeels vergeten en
onnaspeurbare - hoofdrol bij de taalunificatie. Net als in de Verenigde Staten
gaven de plattelandsbewoners die naar de stad trokken hun lokale taal op, en ook
de kleine-stadsbewoners die op de metropool afkwamen, namen de standaardtaal
over. In Engeland en Frankrijk speelde omgekeerde migratie ook een belangrijke
rol. Beambten en ondernemers die naar de perifere gebieden trokken, fungeerden
onbedoeld als missionarissen voor de standaardtaal en droegen met hun
prestigieuze aanwezigheid bij tot het overwicht ervan. Ook soldaten in de
garnizoenssteden en geschoolde arbeiders die naar de nieuwe industriegebieden,
zoals de mijnstreken van Wales, getrokken waren, verbreidden de boodschap, en
verleenden de metropolitaanse taal - die bijgevolg vaak evenzeer veracht werd
als zijzelf - een vernieuwend en modern imago. In Ierland of op het Franse
platteland, ging de lokale bevolking massaal van de streektaal over op de
standaardtaal, net als de Amerikaanse immigranten omdat het een noodzakelijke
voorwaarde was voor sociale mobiliteit. ‘Welke mensen de taal
spreken is uiteindelijk een veel belangrijker vraag dan hoeveel mensen,’ schrijft Dorian, en ze voegt daar elders aan toe: ‘Het
overnemen van de taal van een dominante cultuur (zelfs indien de eigen taal
opgegeven wordt) door de leden van een ondergeschikte of perifere cultuur is een
adaptieve of het-hoofd-biedende stra- | | | | tegie.’76 Hieraan kan worden toegevoegd dat
de strategische positie van die taalgemeenschap die alle
andere taalgroepen in de samenleving onderling verbindt uiteindelijk van groot
belang kan zijn.
Rond 1800 had zich in al deze landen een nationaal stelsel van
regeringsinstellingen en gerechtshoven gevestigd waar de standaardtaal nodig was
voor de transactie van officiële zaken en het opstellen van wettelijke
documenten. Een stelsel van poststations vervoerde instructies, brieven, boeken,
traktaten en kranten naar elke uithoek van het rijk, en deze poststukken waren
vrijwel allemaal in de standaardtaal geschreven. Het beschaafde, geleerde,
juridische en officiële vertoog vereiste beheersing van deze centrale code,
zowel schriftelijk als mondeling.
Lokale elites en notabelen beheersten de standaardtaal die ze op school hadden
geleerd, als ze hem al niet met de paplepel hadden ingekregen. Sommigen waren de
lokale taal zelfs al vergeten, of veinsden die niet te kennen. Het Latijn
fungeerde nog als lingua franca, maar alleen onder
geestelijken en geleerden. Gedurende de achttiende eeuw was het Frans op het
Europese vasteland de internationale taal van de diplomatie en het culturele
leven, en in Nederland, Duitsland en Rusland (waar ook het Duits een dergelijke
rol speelde) was Frans ook de eerste of tweede taal aan het hof, en in de
kringen van adel en een deel van de hoge burgerij.
Gebruik van het Frans breidde het communicatienetwerk van deze elites uit tot hun
standgenoten in andere landen, maar versterkte vooral het sociaal onderscheid
met de lagere burgerij en de werkende klassen. Vandaar ook dat de leden van de
hogere burgerij in het begin van de negentiende eeuw voorstanders waren van de
herinvoering van het Latijn als de taal van het hoger onderwijs en de vrije
beroepen om zich zo van de lagere standen te onderscheiden toen die eenmaal
toegang kregen tot het middelbaar onderwijs. Kennelijk was de waarde van zulke
codes niet alleen gelegen in het aantal gebruikers of in de beschikbaarheid van
vertalers naar andere talen: ze boden ook directe toegang tot een internationaal
netwerk dat de nationale elites verbond - dat was hun strategische functie. En,
deze ‘exclusieve talen’ verschaften met voorrang toegang tot de bijbehorende
elitenetwerken, omdat de gebruikers van de exclusieve code de voorkeur kregen
boven anderen die weliswaar ook rechtstreeks konden communiceren, maar alleen in
de volkstaal waaraan minder status werd toegekend. Op dezelfde wijze
functioneren nu de professionele jargons, die in onze eeuw het Latijn hebben
vervangen, als exclusieve codes. Om dit verschijnsel van ‘exclusieve talen’ te
kunnen verklaren zou het bloemmodel moeten worden herzien door de notie toe te
voegen van ‘wedijver om toegang tot rechtstreekse communicatie’.77
Aan het eind van de achttiende eeuw was de standaardtaal in gebruik bij de gehele
metropolitaanse bevolking, en bij de ‘perifere’ edelen en notabelen. De armen,
de arbeiders en de boeren in grote delen van de buitengewesten, vooral in
Frankrijk en Engeland, beheersten de standaardtaal niet of nauwelijks, en dat
| | | | gold ook voor de buitenlandse immigranten. Sinds de Franse
Revolutie hebben centrale regeringen steeds geprobeerd om de standaardtaal in
alle delen van het rijk in te voeren als de spreektaal van alle rangen en
standen. De lokale lagere scholen moesten dienen om in één grote campagne het
onderwijs in lezen, schrijven, rekenen, geschiedenis en aardrijkskunde te
verbreiden.
De geschiedenis van taalassimilatie en taalunificatie moet nog geschreven worden.
Het is al heel moeilijk om achteraf te reconstrueren in hoeverre er sprake was
van onderlinge onverstaanbaarheid tussen de verschillende dialecten en van het
‘holosysteem’78 waartoe ze
behoorden. Ten tweede blijken de statistieken over talenkennis (naar eigen
opgave) als die al beschikbaar zijn, onbetrouwbaar en vol leemten, al was het
maar omdat respondenten het sociaal onwenselijk of juist politiek passend vonden
om onwetendheid te veinzen of integendeel kennis van de regionale of centrale
taal voor te wenden.79 Ten derde is het
nagenoeg onmogelijk om achteraf te traceren wat het feitelijk taalgebruik was en
hoe het spraakgebruik van de ene naar de andere taal verschoof, onder
verschillende groeperingen van de bevolking, bij verschillende gelegenheden in
een bepaald gebied en gedurende een bepaalde historische periode.80 Ten
vierde, het verzet tegen het verplicht gebruik van de standaardtaal was meestal
lijdzaam, stilzwijgend en heimelijk. Mensen deden alsof ze niets verstonden
wanneer hun dat goed uitkwam. De koloniale zegswijze ‘Oostindisch doof’
verwoordt dit vermoeden van voorgewend onbegrip van de imperialistische taal
exact. Het kwam pas tot een meer welbespraakt protest tegen de verwaarlozing en
de bewuste afschaffing van streektalen toen die dialecten al haast uitgestorven
leken. De eersten die hun stem verhieven waren immigranten die naar de stad
waren getrokken en, nadat ze daar hun fortuin hadden gemaakt, nu omzagen naar
wat ze ooit achter zich gelaten hadden. Deze bewegingen voor herstel van de
streekcultuur romantiseerden het bedreigde erfgoed hogelijk en overdreven graag
de volharding waarmee de lokale bevolking daaraan vasthield.81 Dit
regionalisme werd pas een politieke machtsfactor toen het samenging met het
verzet tegen de economische overheersing van de regio door metropolitaanse
ondernemers en politici. Een groot deel van de contemporaine literatuur over de
problemen van streektalen ademt een romantische verontwaardiging, alsof
regionale talen per se te verkiezen zouden zijn boven
standaardtalen en alsof hun verdwijning zich zonder enige medeplichtigheid van
de regionale sprekers heeft voltrokken.
In de negentiende eeuw voltrok het conflict tussen taalverscheidenheid en
taalunificatie zich vrijwel geheel binnen de context van de strijd om het lager
onderwijs als het vehikel van de taalassimilatie. Wie nu de standaardtaal
beheerste kon rechtstreeks communiceren met bijna iedereen die kon lezen en
schrijven, omdat het schriftelijk verkeer tegen die tijd bijna alleen nog maar
in de nationale taal verliep.
De lokale elites kantten zich in het algemeen tegen de uitbreiding van het lager
onderwijs onder de lagere klassen, en daarmee verzetten zij zich impliciet | | | | tegen verbreiding van het alfabetisme en de standaardtaal onder hun
dialectsprekende achterban, wat op grond van het bloemmodel ook te verwachten
is. Maar, tegen de voorspellingen van het model in, waren ook de lokale boeren
en arbeiders niet zeer geneigd hun kinderen de standaardtaal te laten leren
spreken, lezen en schrijven. Dat kwam deels doordat mensen hun toekomstkansen
zochten op de markteconomie, met hun voeten stemden en naar de steden trokken,
maar het kwam ook voort uit pure noodzaak: ze konden het niet stellen zonder de
arbeidskracht van hun kinderen. Ouders zagen vaak niet in wat het onderwijs voor
voordeel bood; in een stagnerende gemeenschap vergrootte het inderdaad
nauwelijks iemands toekomstkansen. En ten slotte vreesden velen de rebellie van
kinderen die wijzer waren geworden dan hun ouders; zij identificeerden zich met
de gevestigde orde, met het gezag, en met de traditionele plaatselijke spraak en
zeden.
De impuls voor taalunificatie, alfabetisering, en daarmee voor de verbreiding van
het lager onderwijs kwam uit de metropolitaanse kringen rondom het uitdijend
staatsapparaat en de groeiende nationale markt. Het waren de eentalige sprekers
van de centrale taal die, in termen van het model, veel te winnen hadden bij het
leren van de lingua franca door anderen. En toen de
metropolitaanse campagne eenmaal op gang was gekomen, was er ook een voorhoede
die de vaart erin hield: de onderwijzers die werden gerekruteerd om het
eigenlijke werk te doen.
|
57Vgl. Cohen, vooral p. 81; herdrukt in Deutsch, p. 42.
58Vgl. Siguan voor de huidige
situatie.
59Vgl. Stephens voor een overzicht van de regionale talen die in het
hedendaagse Europa nog gesproken worden.
63Vgl. Marsden. David Williams, pp. 246 e.v.
64Vgl. K. Morgan,
pp. 242 e.v.
66Idem, p. 71. Chartier e.a., p. 107, schrijven over de achttiende
eeuw: ‘De Occitaanse tweetaligheid bestond in het naast elkaar voorkomen van
enerzijds een elite voor wie de verwerving en beheersing van het Frans en de
afwijzing van het dialect de voorwaarde waren voor hun integratie in de
nationale gemeenschap, en, anderzijds het gewone volk dat de eigen taal kon
lezen noch schrijven.’
69Vgl. Van der Plank, pp. 241-7.
71Vgl. Glück, pp. 196-236.
73Vgl. Goudsblom, 1970, pp.
109-110.
74Vgl. Van der Plank, p.
68.
75Thernstrom (red.), p. 619. De huidige Spaanstaligen in de
Verenigde Staten, meest Mexicanen en Puertoricanen, vormen misschien de
uitzondering op dit stramien, als zij voor het officiële privilege om Spaans
te mogen spreken en schrijven een blijvende tweederangs positie over
hebben.
76Dorian, pp. 37, 40; Van der Plank, p. 114, merkt op dat de
lagere strata binnen een linguïstische meerderheid zich soms uit vrees voor
toenemende concurrentie verzetten tegen de overname van de dominante taal
door een anderstalige minderheid.
77Een paar sprekers, h en i, die in een gemeenschappelijke taal
(of talen) communiceren, kan worden uitgebreid met een ‘ergerlijke derde’
die met de eerste spreker alle talen deelt die de eerste met de tweede
deelt. De ergerlijke derde, j, kan alleen worden uitgesloten van de
communicatie tussen h en i indien die twee een ‘exclusieve’ taal, L, spreken
die j niet verstaat; dat wil zeggen: indien er een L
bestaat zodanig dat L∈c h
en L∈c i
en L∈/c j. De kansen, u h', voor spreker h om een spreker i te vinden met wie hij een taal L
deelt en een spreker j uit te sluiten die L niet kent,
bedragen: u h' = ∑ i∑ j(f i·f j), voor L∈c h
en L∈c i
en L∈/c j. Aan deze voorwaarde wordt
nooit voldaan door sprekers die uitsluitend de algemene taal machtig zijn:
voor die sprekers u h' = 0. Maar sprekers die de algemene
taal en een exclusieve taal L spreken kunnen wel deel
uitmaken van een drietal dat aan de voorwaarde voldoet, zodat u h' > 0, en dit geeft de voordelen weer van het
spreken van een exclusieve taal.
79Vgl. Stephens, passim, vooral over het Occitaans, p. 297.
80Vgl. Dorian, een voorbeeld van een gedetailleerde studie van
feitelijk taalgebruik bij hedendaagse Schotse hooglanders.
81‘Hij is Engelsman, zei Buck Mulligan, en hij vindt dat we in
Ierland Iers dienen te spreken. - Dat moesten we eigenlijk ook, zei het oude
vrouwtje, en ik schaam me dat ik zelf die taal niet spreek. Mensen die het
weten kunnen hebben me verteld dat het een grootse taal is.’ James Joyce,
Ulysses, vertaald door John Vandenbergh, p. 20; vgl.
ook Hobsbawm en Ranger (red.), vooral de bijdrage van Morgan.
|
|