|
|
|
| |
| | | |
6 Het begin van het lager volksonderwijs in West-Europa en de
Verenigde Staten
In het proces van Europese statenvorming betekende de scholing van boeren en
arbeiders in de nationale communicatiecodes een aanslag op de mediatiemonopolies
van de lokale elites - een eerste grote stap in de richting van de vorming van
een nationaal netwerk van massacommunicatie. De landadel en de plaatselijke
geestelijkheid stonden hierin tegenover de metropolitaanse elites van ambtenaren
die geörienteerd waren op de centrale staat, en ondernemers gericht op een
nationale markt: hun conflict kan geanalyseerd worden in termen van de
bloemfiguratie van communicatie.
Maar telkens speelden ook andere conflicten een rol in de strijd om het lager
onderwijs. In de Verenigde Staten, maar ook in Europa, beschouwde men
immigranten als een bedreiging voor de gevestigde stedelijke orde;
industriearbeiders eisten kansen op die ouders uit de middenklasse voor hun
eigen kinderen trachtten te reserveren; en waar nieuwe religieuze en politieke
organisaties hun intree deden, verdedigden ze al spoedig eigen gevestigde
belangen. De onderwijsconflicten deden op hun beurt religieuze loyaliteiten
herleven en versterkten de kerkelijke banden, soms op regionaal niveau, maar
vaak ook op nationale schaal.
De volgende paragrafen geven een beknopte beschrijving van de ontwikkeling van
nationale lager-onderwijsstelsels - een eerste verkenning van de relevantie en
geldigheid van het perspectief dat in de vorige paragrafen gepresenteerd werd.
| |
6.1 Pruisen
Meer dan elders was in Pruisen de schoolhervorming een kwestie van
regeringsbeleid. Frederik de Grote (die regeerde van 1740 tot 1795) had voor
de bekostiging van zijn militaire expedities een steeds hoger
belastinginkomen nodig, en hij trachtte zich daarvan te verzekeren door
handel en industrie te bevorderen. Maar dat vereiste weer verbetering van
het onderwijs, dat ‘een zekere commerciële genius, of drift en verrukking,
moet weten op te wekken,’ schreef Bergius, de bestuurskundige - of
‘cameralist’ - in 1768.88
Een andere doelstelling betrof de ontwikkeling van een Duitse standaardtaal:
‘zonder een dergelijke taal geen kunst of cultuur,’ schreef Frederik II (in
het Frans)89 ‘thans is er slechts een half-barbaarse volkstaal, die
evenveel vormen kent als Duitsland provincies telt.’ De parochiescholen
moesten de nadruk niet langer uitsluitend leggen op catechisatie en de
vorming van goede christenen; er was ook een ‘burgerlijke catechismus’
nodig, die de mensen tot brave burgers zou opvoeden.90 Maar ook de geestdriftige
hervormers die van het onderwijs de vorming van toegewijde en nijvere
burgers verwachtten, vreesden tegelijkertijd voor de mogelijkheid dat het
ambities zou aanwakkeren die volstrekt onverenig- | | | | baar waren met
de openbare orde van een voornamelijk feodale, landelijke samenleving: ‘Voor
het platteland is een beetje lezen en schrijven al genoeg. Maar als ze te
veel weten, zullen ze alleen maar weglopen naar de steden en klerken willen
worden, of zoiets.’ Aldus Frederik II, in een schrijven aan zijn minister
van onderwijs Von Zedlitz, die hij tevens waarschuwde dat ‘de boeren niet
uit de dorpen moeten weglopen, maar netjes moeten blijven zitten waar ze
zitten.’91
Deze zorgen geven precies aan hoe ver de achttiende-eeuwse Europese
hervormingsprojecten gingen. Van Frederiks plannen kwam niets terecht, ten
eerste vanwege geldgebrek, maar ook omdat zelfs behoedzame verbeteringen
binnen de boerenscholen voor de landeigenaren onverteerbaar bleken.92 De preoccupatie met het emancipatorisch
potentieel van het volksonderwijs weerklonk in heel Europa: het zou niet
verstandig zijn ‘het gemeen boven zijnen staat te verheffen,’ waarschuwden
de Nederlandse hervormers;93 en het moest evenmin ontevredenheid met de landelijke
levenswijze oproepen. De anglicaanse bisschop Goldsmith rijmde in 1770: ‘Wat
wacht wie naar de stad toe gaat? Slechts schadelijke overdaad.’94
De hervormingsvoorstellen die nuttig leken op het ene niveau, dat van de
Pruisische staat, werden als hoogst schadelijk beschouwd op het andere
niveau, dat van het Pruisische grondbezit. Frederiks hervormingspogingen
werden van meet af aan verlamd door een dreigende confrontatie tussen het
feodaal, aristocratisch grootgrondbezit en de bureacratie van de nationale
staat in wording. De handeldrijvende middenklasse telde nog onvoldoende
leden en middelen om de balans te doen doorslaan ten gunste van de
metropolitaanse bureaucraten en hun voorstellen voor onderwijsvernieuwing.
De hervormingsvoorstellen beoogden een drieledig onderwijssysteem, ingedeeld
volgens de verschillende klassen in de Pruisische samenleving. Het laagste
schooltype, de Volksschule, was bestemd voor boeren en
alle anderen die slechts tot handarbeid in staat geacht werden, en ‘wier
levensomstandigheden het onderwijs niet onverdraaglijk moest maken’, zoals
Von Zedlitz het uitdrukte. Een ander soort school, de Realschule, zou ten behoeve van de Bürger
opgericht worden, en voor de adel was er de Ritterschule.95
In termen van het bloemmodel van communicatie zou de directe toegang tot het
nationale netwerk de boeren tot voordeel strekken, en het onderwijs zou hun
deze toegang verschaffen. De boeren stonden evenwel geheel buiten het
politieke proces, dat immers door de landheren werd gedomineerd. Maar de
enkele keren dat zij hun stem verhieven, kwamen de boeren op voor het behoud
van de traditionele godsdienst en de overgeërfde zeden. In Nassau kwam het
zelfs tot een opstand, de zogenaamde ‘ABC-oorlog’ tegen de invoering van
nieuwe, meer ‘verlichte’ schoolboeken.96
Achteraf, en vanuit een rationeel gezichtspunt bezien, leek het lager
onderwijs de communicatieve kansen van de boerenstand te vergroten. Maar de
realiteit van het traditionele plattelandsleven, en zeker die van de
Pruisische lijfeigenschap, stond zulke ambities in de weg: ‘Apathie
tegenover alle scholing was | | | | voor de meeste vroeg-moderne
gezinnen een rationele houding,’ schrijft Mary Jo Maynes.
Overal waren de boerengezinnen in het seizoen aangewezen op
kinderarbeid. Gratis onderwijs was slechts zelden beschikbaar, zodat een
schoolgaand kind het dikwijls marginale gezinsbudget belastte. Voor de
meerderheid van boerengezinnen was het economisch rendement van die scholing
ook minimaal, al won het lager onderwijs ongetwijfeld aan betekenis met de
toenemende commercialisering van de agrarische economie.97
De boeren, de lijfeigenen incluis, identificeerden zich bovendien in
traditionele gemeenschappen sterk met het gevestigde gezag, en waren
waarschijnlijk bang dat hun kinderen, onderwezen zonder God of gebod, zich
tegen hen zouden keren. Hun landheren waren zelfs nog conservatiever: toen
Von Zedlitz voorstelde ‘om wat aardrijkskunde in hun hoofden te stoppen’,
werd hij ervan beschuldigd de boeren tot desertie aan te sporen door hun de
landkaart van de streek bij te brengen.98
De achttiende-eeuwse pogingen tot onderwijshervorming hadden nauwelijks
praktisch resultaat, maar toch legden ze enkele theoretische en
administratieve fundamenten voor de vestiging van een lagere-schoolstelsel
in de eeuw erna.
Ten eerste raakte het beginsel van algemeen en dwingend onderwijs, dat al
vele malen was afgekondigd nadat het in 1658 voor het eerst in de
verordeningen van Maagdenburg was vastgelegd, maar dat steeds weer een dode
letter was gebleven,99
tegen het eind van de achttiende eeuw in brede kring aanvaard.100
Daarmee werd ook geaccepteerd dat het lager onderwijs gegeven moest worden
in de standaardtaal van het rijk, het Duits, en niet in het Latijn, de lingua franca van de pre-moderne tijd, dat in de hogere
Bürger- en Realschule nog lang de
onderwijstaal zou blijven.101
Het leerplan van de lagere school in het achttiende-eeuwse Pruisen was vooral
gericht geweest op een - uiterst mechanische - catechisatie. Maar het
omvatte ook enige alfabetisering in de standaardtaal. En er werd hardnekkig
gepoogd om de kinderen van armen en soldaten te leren lezen en schrijven,
hun wat huiselijke en ambachtelijke vaardigheden bij te brengen, om ze zin
voor vlijt en gehoorzaamheid in te prenten.102
Maar zolang de lijfeigenschap bestond kon er voor de landelijke massa's geen
sprake zijn van rechtstreekse toegang tot de nationale cultuur, handel en
politiek. En ook nadat deze instelling in de jaren na 1791 officieel was
afgeschaft onder het Allgemeines Landrecht en de
daaropvolgende wetgeving,103
behielden de plaatselijke heren de onbedreigde macht over de lokale scholen,
op nationale schaal gesteund door de conservatieve partijen, en op
dorpsniveau door de Deputation,104 die toezicht hield op de
plaatselijke school, en die met zorg door de landheer was samengesteld.
Gedurende de gehele negentiende eeuw waren de centrale staat en de lokale
elites van landeigenaren het er geheel over eens dat het lager
plattelandsonderwijs trouw aan de natie en de plaatselijke heren moest
inprenten, en zij zagen er | | | | nauwlettend op toe dat niets dat
ongepast was werd onderwezen.105 Die
gedeelde bezorgdheid woog blijkbaar zwaarder dan de religieuze verschillen,
want de katholieke scholen protesteerden zelden tegen het strenge toezicht
door de lutherse overheid, haar inspecteurs en haar plaatselijke
afgevaardigden.106 Rond
1850 kwam de tegenstand vooral van de lutherse onderwijzers die hun bekomst
hadden van de niet aflatende bemoeizucht van de autoriteiten: ‘Reeds in 1848
eisten protestantse onderwijzers en masse autonomie voor
de scholen,’ en pleitten ze voor niet-confessioneel onderwijs.107 Geschoold en ambitieus
als zij waren, zochten de onderwijzers, die veelal tegen hun zin op het
platteland waren gestationeerd, toegang tot het metropolitaanse netwerk.
Lezen en schrijven, elementaire kennis van rekenen, geschiedenis en
aardrijkskunde en hun grondige vorming in de christelijke moraal stelden de
landelijke massa's in Pruisen enigszins in staat tot communicatie met de
centrale staat, en in toenemende mate ook met kooplieden en ondernemers die
op de nationale markt opereerden. Maar tegelijkertijd bleven hun werkelijke
kansen op sociale mobiliteit uiterst beperkt, voornamelijk wegens het bijna
kaste-achtige drieledige schoolstelsel.
Zo werden de lagere standen rechtstreeks toegankelijk voor de staat, als
belastingbetalers, rekruten en, later, ook als kiezers (in niet-geheime
verkiezingen). Toch zagen deze groepen nauwelijks kans om het nationale
netwerk voor hun eigen doelen aan te wenden. Integendeel, de landheren en de
Pruisische staat gebruikten de school als een instrument voor de permantente
indoctrinatie in burgerdeugd. Maar daarmee schiepen zij, huns ondanks, een
potentieel opstandig onderwijzerskorps,108 en al even
onvermijdelijk leerden de stedelijke armen en boeren zo communicatieve
vaardigheden die ooit van pas zouden komen om zich te organiseren voor
politieke emancipatie.
De achttiende-eeuwse pogingen tot onderwijshervorming van het
Hohenzollern-hof waren steeds gericht op de verwerving van rechtstreekse
toegang tot de boerenbevolking en op het ondermijnen van de macht der
landheren over hun achterban. Dit was in belangrijke mate een strijd om de
militaire macht: de Junker rekruteerden de soldaten voor
's konings leger uit de gelederen van hun lijfeigenen en pachters, maar
kweten zich niet altijd even stipt van deze taak.109 De Franse Revolutie versnelde de pogingen
om de plattelandsbevolking rechtstreeks onder de macht van de centrale staat
te brengen. Het Pruisisch hof zag zich genoodzaakt tegen die Franse dreiging
een nationaal leger te mobiliseren en een nationale produktiecampagne gaande
te houden. Een deel van de inspanning om de menselijke en economische
middelen van de natie vrij te maken uit de feodale banden was de campagne
voor het volksonderwijs, dat het volk loyaliteit aan de Pruisische staat
moest bijbrengen.110
Toen de Franse revolutionaire legers verslagen waren en vrijwel overal in
Europa een conservatieve alliantie aan de macht was slaagden de Pruisische
landeigenaren erin de zeggenschap in het staatsapparaat over te nemen.
Vanuit deze voordelige positie tolereerden ze de verbreiding van het
volksonderwijs, | | | | maar beperkten het leerplan tegelijkertijd tot
wat nodig was voor de vorming van trouwe onderdanen. Zo werden de scholen
onderwerp van centrale wetgeving, maar behielden de lokale autoriteiten toch
de zeggenschap over de financiering, het curriculum en de opleiding van het
onderwijzerskorps, terwijl de schoolstelsels voor het volk en de hogere
klassen zorgvuldig van elkaar gescheiden bleven.111 De conservatieve coalitie was sterk genoeg om de Maartrevolutie
van 1848 te doorstaan en de stichting van het Reich in
1871 te overleven, maar sneuvelde ten slotte met de nederlaag van 1918.
In Pruisen werd het voortbestaan van het lokaal gezag gegarandeerd door het
feit dat de lokale elites in een coalitie verenigd de staatsmacht veroverd
hadden. Maar bij de uitoefening van die centrale macht konden deze elites
niet de ontwikkeling voorkomen van juist die gecentraliseerde
bureaucratieën, zoals het leger, de ambtenarij en het schoolstelsel, die
geleidelijk de traditionele autonomie van de lokale instituties, de
machtsbasis van de Junker, zouden ondermijnen. Het lager
onderwijs bestond voor een groot deel uit indoctrinatie in de traditionele
waarden van trouw aan de lutherse Kerk, het feodale landgoed en de
Pruisische - later de Duitse - staat, maar het bracht ook burgers voort die
de Duitse standaardtaal konden spreken, lezen en schrijven, en heel wel in
staat waren tot deelname aan het nationale communicatieproces. Uiteindelijk
zouden zij deze vaardigheden in nieuwe toepassingen benutten: in de
vakbonden en de liberale of radicale politieke partijen.
| |
6.2 Frankrijk
Wat de beginfase van het lager onderwijs in Pruisen zo uniek maakte, was niet
de inhoud van de hervormingsvoorstellen, maar het feit dat ze van de kroon
zelf uitgingen. De volgende gelegenheid waarbij een onderwijshervorming in
het centrum van de staatsmacht ter discussie stond, deed zich voor in
Frankrijk; hier werd het woord echter niet gevoerd door de koning, maar door
de koningsmoordenaars van de constituerende vergadering.
Vóór de Revolutie, schrijft Gontard,112 was de school meestal niet meer
dan een aanhangsel van de kerk, en de onderwijzer op de eerste plaats een
man van de kerk, die de pastoor moest assisteren. Sinds 1724 had de
staatsinspectie echter gaandeweg aan invloed gewonnen:113 de activiteiten van de intendant bleven weliswaar discreet en beperkt van omvang, maar ze
waren toch doeltreffend.114 Met
deze inspecteurs had de staat een vetorecht gekregen over de oprichting van
scholen, iets wat overigens aan de katholieke Kerk voorbehouden bleef.
Deze bijna volledige zeggenschap van de gevestigde kerk over het onderwijs
wilden de Franse revolutionairen in één klap afschaffen en vervangen door
een geheel nieuw stelsel van algemeen, onkerkelijk, kosteloos en verplicht
lager onderwijs. Tot op de dag van vandaag is deze episode in de kringen van
Franse historici en onderwijskundigen omstreden. Beide partijen zijn het
erover eens dat de revolutionaire voorstellen onuitvoerbaar waren, en dat
alle scholen er | | | | onder de Republiek op achteruitgingen. Allain,
wiens l'Oeuvre Scolaire de la Révolution in 1901
verscheen, stelt de revolutionairen zonder meer verantwoordelijk voor de
vernietiging van de scholen: ‘“Vernietiging was onvermijdelijk”; die
bekentenis mag nooit vergeten worden, want die drie woorden onthullen de
ware geest van de revolutie.’115
Maar Gontard, die meer dan een halve eeuw later vanuit een onkerkelijk
perspectief schreef, beschouwt de ondergang van de scholen als een
onvermijdelijk gevolg van de Revolutie, omdat ze onlosmakelijk verbonden
waren met het Ancien Régime van kerk, adel en
monarchie.116
De eerste voorstellen behelsde een stelsel van kosteloze, door de staat
gefinancierde scholen, waar alle kinderen voeding en onderricht zouden
ontvangen, terwijl de ouders toezicht zouden houden op de presentie (hier
hield het gezag van de staat blijkbaar op), en met het Frans als taal van
onderwijs,117 ‘om door
de eenwording van de taal de eenheid van de Natie te versterken.’118 Eugen Weber merkt
op:119 ‘Dit was allemaal
gemakkelijker gezegd dan gedaan,’ en: ‘Alleen het principe overleefde de
schipbreuk.’ Zoals Weber heeft laten zien was het patois
rond 1870 nog her en der in Frankrijk in gebruik, en nog veel Franse boeren
spraken zelfs toen nog helemaal geen Frans. Toch had de Conventie in 1794
beslist dat met onmiddellijke ingang instituteurs moesten
worden uitgezonden naar elke gemeenschap in de gebieden waar een andere taal
dan Frans gesproken werd: ‘Laat de taal zijn als de Republiek; van noord tot
zuid, over heel het Frans gebied zijn tong en hart in samenklank.’120 Met andere woorden: alle dialecten en vreemde talen moesten
worden afgeschaft, en het Frans werd per revolutionair decreet dwingend
opgelegd. Het ging, zoals Weber opmerkt, om het principe. En daarom stelden
de opeenvolgende conventies een reeks hervormingen voor om de lokale
bemiddelingsmonopolies af te breken, door overal de regionale spraak uit te
bannen ten gunste van het standaard-Frans, en door onderricht in lezen en
schrijven verplicht te stellen.
De Revolutie stortte zich in een strijd die ze halverwege al opgaf, maar
Frederik II had hem niet eens aangedurfd: de ontmanteling van de lokale
scholen onder bestuur van de geestelijkheid en de landadel, en hun
vervanging door een gecentraliseerd stelsel van kosteloos, openbaar,
verplicht, onkerkelijk lager onderwijs. In de Franse Revolutie ontstonden de
administratieve technieken voor de levée en masse en de
bevoorrading van volkslegers, zoals onder Frederik II de technieken waren
ontwikkeld voor het onderhoud van een staand leger over langere tijd. De
organisatorische vermogens die vereist waren voor de omverwerping van het
schoolstelsel in heel het land waren vast wel aanwezig in de gelederen van
de Franse revolutionairen, maar de buitenlandse oorlogen legden beslag op
alle beschikbare middelen, mankracht en geestdrift.
De hervormingspogingen van het Pruisische koninklijke hof werden door de Junker verijdeld, de revolutionaire Franse parlementen
faalden bij gebrek aan geldelijke en bestuurlijke middelen. Toch wijzen deze
mislukkingen op een dieperliggend tekort: het apparaat en de techniek van
centraal bestuur, die voor een zo massale onderneming nodig waren, moesten
nog ontwikkeld worden. | | | | Frederik II en de Franse revolutionairen
waren, ieder op hun eigen manier, wel in staat gebleken tot ongeëvenaarde
militaire prestaties. Beide regimes hadden geworsteld met de budgettaire,
logistieke en administratieve problemen die het onderhoud van een
ontzagwekkende strijdmacht met zich meebracht. Het Pruisische beleid was
gericht op de bevordering van handel en industrie om daarvan de belasting te
kunnen innen ter financiering van een staand leger. Als deel van dit
veelomvattende project was ook een begin gemaakt met onderwijshervorming. De
Fransen waren erin geslaagd een volksleger te mobiliseren, te bevoorraden en
over grote afstanden te verplaatsen - eenmaal onderweg zorgde het op
traditionele wijze voor eigen onderhoud door plundering en requisitie. Zo
ver was rond 1800 de kunst van het centraal-militaire bestuur
voortgeschreden. Maar de invoering van algemeen lager onderwijs zou de
bestuurders voor geheel nieuwe problemen hebben gesteld: het vereiste de
ontwikkeling van technieken voor de heffing en toewijzing van fondsen, de
bouw van scholen over het hele rijk naargelang het inwonertal ter plaatse,
de ontwikkeling en gedwongen invoer van een standaardleerplan, het breken
van diep geworteld lokaal en religieus verzet, het opleiden en examineren
van onderwijzers voor hun diploma, de inspectie van de omstandigheden en
prestaties op de scholen, de disciplinering van het nieuwe en snel groeiende
onderwijzerskorps (dat een regering voor veel van de problemen kon stellen
die legers - ook intellectuele legers - nu eenmaal oproepen), het aansporen
van lokale schoolbesturen, en de zorg om de kinderen naar school te krijgen,
niet alleen op papier, maar in den lijve. Inderdaad zou een militaire
mobilisatie een goede leerschool geweest zijn voor een levée en
masse in het onderwijs, en zo dacht de Conventie er ook ongeveer
over toen ze haar instituteurs de dorpen inzond, op
dezelfde manier als de ronselaars en kwartiermeesters. Toch was het maar een
halfslachtige poging; de Conventie had andere, dringender zaken af te
handelen, en hoewel ze talrijke decreten uitvaardigde, werden die slordig
geredigeerd en plichtmatig afgehandeld. En de instituteurs
stuitten op koppig verzet in de dorpen, waar ze de priester op eigen terrein
tegemoet moesten treden.
Ook in de eerstvolgende jaren kwam er niets van de onderwijshervorming
terecht.121 Toch werden ten tijde van de Revolutie de richtlijnen
aangegeven voor het beleid in de daaropvolgende eeuw: secularisatie,
nationale eenheid en het inprenten van burgerzin. In het begin van de
negentiende eeuw was de centralisatie vooral een reactie op de sterke
centrifugale krachten van de regionalistische afscheidingsbeweging. En al
die tijd trachtte de katholieke Kerk geduldig haar greep op de lagere
scholen te herwinnen.122
Onder Napoleon werd de verwaarlozing van het lager onderwijs een weloverwogen
beleid: ‘Zijn uitgangspunt was het stelselmatig onwetend houden van de
massa's, om hen beter aan zijn tirannie te kunnen onderwerpen,’ schrijft
Godechot.123 De keizer liet het gehele
stelsel van lager onderwijs volkomen onbeheerd: ‘De scholen, evenals de
onderwijzers, zijn in een staat van diep verval,’ meldt Gontard.124 Dit liet de
keizer onverschillig, behalve als het ging om de | | | | opleiding van
een administratieve en miltaire elite: daartoe richtte hij in 1808 de
Keizerlijke Universiteit op, die via een strak mechanisme van
onderwijzersdiploma's en centrale examens toezicht moest houden op heel het
stelsel van universiteiten en middelbare Lycées en collèges. Tijdens de Restauratie werd de zeggenschap over
de Universiteit overgedragen aan de kerk, een zeggenschap die in de jaren
daarna keer op keer werd aangevochten.
In de nieuwe Bourbon-monarchie (1815-1830) werd het initiatief in de
lagere-schoolkwestie genomen door een groep onderwijskundigen, die zich in
de zeer invloedrijke Société pour l'instruction
élémentaire verenigd hadden en de école mutuelle
propageerden, een schooltype dat uitdrukkelijk was overgenomen van het
Engelse Lancasteriaans of ‘monitoriaal’ stelsel, waarin gevorderde
leerlingen onder toezicht van de meester les gaven aan jongere
scholieren.125 De katholieke leerorden maakten er bezwaar
tegen dat de Société het godsdienstonderwijs wilde
afschaffen, en de catechisatie overlaten aan de priesters, na schooltijd.
Lodewijk XVIII, die de Lancasteriaanse voorstellen steunde, garandeerde dat
op de nieuwe scholen de katholieke godsdienst, en geen andere, onderwezen
zou worden. Met het Engelse voorbeeld voor de pedagogische methode werd het
Nederlandse model van onderwijsorganisatie overgenomen in de Wet van 1816.
Dit leidde tot een slepende strijd tussen de Société en de
kerk, die verdere wetgeving verhinderde, maar wel op grote schaal en over
heel het land de publieke opinie in beweging bracht. De kerk werd het lager
onderwijs in getrokken, ‘ook al verkoos zij boven de half geschoolden,
opgevoed zonder God, de geheel onwetenden die ten minste geduldig en
volgzaam waren.’126 De kerk moest de uitdaging wel aannemen, wilde ze haar greep op
het onderricht niet geheel verliezen, een greep die ze sinds het
revolutionaire tijdvak met zoveel inspanning had herwonnen. Overal stonden
de katholieken tegenover de leken: ‘In vele gemeenten waar vroeger niemand
zich zou hebben ingespannen voor de oprichting van een school, wilden ze er
nu een, omdat een stel dorpelingen er een van het andere soort wilde
hebben.’127 Maar het onderwijzersloon bleef even karig
als altijd.
Omdat beide strijdende partijen elkaar min of meer in evenwicht hielden,
werden de wisselvalligheden van het onderwijsbeleid bepaald door de politiek
van de opeenvolgende kabinetten. Rond 1830 waren het aantal scholen, het
aantal schoolgaande kinderen en het bedrag van de staatssubsidie voor de
vestiging van scholen sterk toegenomen,128 en met de Wet van 1830 was een
verstrekkende regulering van het lager onderwijs aangenomen - overigens
zonder veel praktisch gevolg.
In deze jaren zag de kerk geleidelijk af van haar maximalistische
stellingname, de eis van een onderwijsmonopolie met volledige staatssteun,
en koos voor de minimalistische optie, haar tweede keus, een beleid van
vrijheid van onderwijs, ‘ook al betreurt zij het misbruik dat anderen daar
maar al te graag van maken.’129 Deze verandering van positie kwam met het
besef dat een monopolie slechts | | | | gehandhaafd kon worden ten
koste van pijnlijke concessies aan de staat, of dat een stelsel van
kerkelijke scholen onder staatsbestuur op een kwade dag in vijandige handen
zou vallen.
Er was een coup d'état voor nodig om de politieke
patstelling te doorbreken. De Juli-monarchie betoonde zich openlijk
anti-Bourbon en antiklerikaal, en ging ervan uit dat het lager onderwijs een
generatie van burgers zou vormen die de burgerlijk-liberale democratie
zouden steunen, want ‘in talloze landelijke streken heerste nog steeds het
adellijk en priesterlijk gezag, ontleend aan de afgezette vorst, en
begunstigde onwetendheid en bijgeloof.’130
Louis Philippe, de ‘burger-koning’, vreesde niet alleen de reactie, maar, net
als de Engelse middenklassen in die tijd, wilde hij bovendien graag het
opkomende stedelijke proletariaat tevreden stellen.131 Dit leidde tot een hernieuwd
touwtrekken om de onderwijswetgeving, maar ditmaal kregen de
burgerlijkliberale kringen en hun voorhoede, de Société pour
l'instruction élémentaire, de overhand, en met de Loi
Guizot van 1833 kwam het tot de invoering van een stelsel van
algemeen lager onderwijs132 met
aanwezigheidsplicht (met toestemming van de ouders), vrije keuze door de
ouders tussen openbare of bijzondere (meestal katholieke) scholen,
vrijstelling van schoolgeld voor de armen, diplomering van onderwijzers door
de staat, en financiering door een stelsel van schoolcommissies in elk département en arrondissement, en in
elke gemeente.133 De wet bleek te werken en werd door dat welslagen nog
versterkt.
De Loi Guizot was weer aanleiding tot vele nieuwe
conflicten, ditmaal op dorpsniveau. De lokale notabelen vreesden dat de
geletterde boeren het verder zonder hen zouden kunnen stellen en dat de
geschoolde jongeren de stad zouden verkiezen boven het dorp.134 De adel en de geestelijkheid
deden wat ze konden om de inspanningen van de openbare-schoolmeester te
saboteren door giften, intrige en roddel. En de vijandschap was wederzijds;
de burgemeester koos partij voor de onderwijzer van de openbare school, die
vaak ook als zijn secretaris optrad. Beide partijen probeerden hun
aanhangers in het schoolbestuur en de gemeenteraad te krijgen.
De Revolutie van 1848 bracht een mislukte poging tot radicale
onderwijshervorming, maar zodra Lodewijk Napoleon aan de macht was gekomen,
keerden de kansen opnieuw, nu ten gunste van de kerk, met de Loi Falloux van 1850, een wet aangenomen ‘ter verbetering van de
moraal in het onderwijs, dat te ver van het geloof is afgedwaald.’135 Het toch al moeilijke bestaan
van de onderwijzers werd nu een en al ellende. ‘Opgesloten in zijn dorp,
onder druk gezet door de lokale notabelen, door zijn salaris afgesneden van
de middenklasse, en door zijn ontwikkeling van de boerenstand, viel de instituteur ten prooi aan wraakzuchtige vervolging, die
nog werd aangemoedigd door een opeenvolging van regeringsmaatregelen.’136 Toch vormden de onderwijzers
als beroepsgroep al geruime tijd een machtsfactor waarmee rekening gehouden
moest worden. Liberale regeringen steunden hen tegen de kerk en de ouders,
conservatieve regeringen konden het niet zonder hen stellen om kinderen van
de armen gehoorzaamheid en rechtgelovigheid bij te brengen.137
| | | |
De leerorden en de nonnen keerden terug naar de dorpen. ‘De factor die in dit
soort geschillen de doorslag gaf bij het falen of slagen van een klerikale
campagne was of ze al dan niet kon rekenen op de steun van invloedrijke
lokale notabelen, die niet alleen fondsen konden verschaffen, maar ook de
mensen die op hen aangewezen waren, pachters, klanten enzovoort, konden
bewegen de katholieke school te steunen.’138
Op den duur wekte de religieuze inbreuk op het volksonderwijs op het
platteland zoveel antiklerikalisme op onder de boeren (die bovendien een
kerkelijke onderwijsbelasting zagen aankomen), dat de opmars tot stilstand
kwam. Bovendien maakte Napoleon III, om zijn eigen, politieke redenen (de
Ultramontaanse kwestie), gaandeweg zijn banden met de kerk wat losser.
De bourgeoisie leverde ondertussen haar eigen bijdrage aan de ondermijning
van het universele gelijkheidsstreven van de Loi Falloux.
Doordat de wet voorzag in kosteloos onderwijs aan de armen maar de
financiering aan de plaatselijke autoriteiten overliet, werd het verschil in
kwaliteit tussen de arbeiders- en armenscholen enerzijds en de burgerscholen
anderzijds al maar groter, en richtte de middenklasse haar inspanningen
steeds meer op het middelbaar onderwijs. Het lycée moest,
door carrièrekansen in de ambtenarij en het zakenleven te bieden, het
klassenonderscheid bestendigen en de burgerij in de gelegenheid stellen haar
klassevoordelen aan de volgende generatie over te dragen.139
De dorpsadel en de geestelijkheid moesten ten langen leste hun greep op het
plattelandsonderwijs wel verliezen, want naarmate de staatsfinanciën
belangrijker werden en de boeren in gestaag groeiende aantallen naar de
steden trokken, werd het traditionele gezag steeds meer aangetast door
schoolwijsheid en modernisme. Maar het nieuwe stelsel van algemeen en
verplicht lager onderwijs kende verschillende niveaus die correspondeerden
met de bestaande klassenscheidingen en zo heel effectief de verschillen
tussen de klassen in de volgende generaties reproduceerden.140 In het middelbaar
onderwijs werden bovendien nog eens de onderscheidingen binnen de hogere
klassen zelf gereproduceerd: de lycées bedienden de
burgerij, en de overwegend katholieke collèges de kinderen
van de grande bourgeoisie en de landadel. Naast dit
klassenonderscheid bleef ook het oude onderscheid tussen ‘metropolitanen’ en
de regionale elites bestaan. In heel algemene termen: ‘Katholieke scholen,
met een clientèle afkomstig uit de landadel en de boerenstand, stonden voor
de waarden van de landelijke wereld, terwijl de staatsscholen stedelijk
waren.’141
Terwijl de oude en de meer recent gevestigde maatschappelijke groeperingen
ervoor zorgden dat hun kinderen in de hogere regionen van het
onderwijsstelsel betere carrièrekansen zouden krijgen, werd de basis van dat
stelsel gestaag uitgebreid totdat alle Franse kinderen waren opgenomen in
één communicatienetwerk: het kosteloos, verplicht, niet-kerkelijk openbaar
onderwijs werd met de wetten van Ferry uit 1881-1882 en 1886 ten slotte
gerealiseerd.142
Net als elders werd in Frankrijk de schoolstrijd over godsdienstige kwesties
uitgevochten. De katholieke Kerk had van oudsher het plattelandsonderwijs
| | | | beheerst en volhardde tijdens de Revolutie en daarna in een
maximalistische stellingname. De kerk werd een ideologische voorhoede voor
de lokale elites die hun gezag wilden herstellen en handhaven. En omdat de
kerk altijd al op nationale schaal georganiseerd was geweest, kon zij als
een politieke eenheid op nationaal niveau opereren.
De ‘metropolitanen’ voerden een campagne voor kosteloos, verplicht, algemeen,
onkerkelijk onderwijs. Hoewel dit programma met een revolutionair verleden
besmet was, kreeg het toch de behoedzame steun van Lodewijk XVIII, die
instemde met de Société pour l'instruction élémentaire, na
1814 de drager van de onderwijshervorming. De katholieke Kerk volhardde
echter in haar starre houding, en bleef onverkort bij haar maximalistische
stellingname, tot de Revolutie van 1830 de rollen omdraaide. Maar zelfs met
een burgerlijke regering aan de macht en ondanks de progressieve wet van
Guizot duurde de strijd op lokaal niveau voort. De wetgeving van Napoleon
III - de Loi Falloux - bevoordeelde weer de kerk, maar
bevorderde ook het lager onderwijs aan de armen.
In deze godsdienststrijd verdween de taalkwestie vrijwel geheel uit het
zicht. Maar dat de kerk grotere regionale autonomie voorstond was voor geen
misverstand vatbaar, en dat hield ook in dat de streektaal onder de hoede
van de kerk getolereerd en zelfs aangemoedigd zou worden. De taalstrijd
heeft zich kennelijk vooral gemanifesteerd als een koppig, stilzwijgend
verzet van scholieren, ouders, en vaak ook onderwijzers in de
buitengewesten: een weigering om buiten de klas Frans te spreken, een
afwijzing van de standaardtaal waar die niet zonder meer door het bevoegd
gezag werd voorgeschreven (zoals in de rechtspraak en bij officiële
transacties). Uit het beschikbare materiaal blijkt toch wel dat de Franse
schoolstrijd vooral een conflict was tussen de voorstanders van lagere
scholen onder lokaal bestuur en de verdedigers van onderwijs bestuurd op
nationaal niveau; een belangentegenstelling in een bloemfiguratie van
communicatienetwerken. De lokale elites verzetten zich vanuit hun
monopolistische bemiddelingspositie tegen een nationaal communicatienetwerk
dat hun clientèles rechtstreeks zou verbinden met het uitdijende
staatsapparaat en de groeiende nationale markt. Anderzijds trachtten de
metropolitaanse elites zich vanuit hun machtsbasis in het staatsapparaat,
door verbreiding van het lager onderwijs rechtstreeks toegang te verschaffen
tot de bevolking in het land, zodra het zittende regime ze de kans gaf.
| |
6.3 Nederland
De eerste keer dat bestuurlijke hervormingen ook metterdaad een nationaal
stelsel van lager onderwijs teweegbrachten deed zich verrassend genoeg voor
in een verdeelde en verslagen natie onder de heerschappij van het Frans
imperium, in Nederland.143
Dit was het werk van Fransgezinde patriotten die gedreven werden door een
evangelische zendingsijver die zich richtte op de morele wederopbloei van de
| | | | Nederlandse samenleving na alle stagnatie en corruptie
onder de regenten uit de pruikentijd.
In december 1794 vielen Franse troepen de Republiek binnen en brachten er een
bewind aan de macht van radicale patriotten die de idealen van de Franse
Revolutie waren toegedaan. Ze riepen de Bataafse Republiek uit en vormden de
eerste regering van een gecentraliseerde staat: een scherpe breuk met de
federalistische tradities van de Republiek der Nederlanden.
Sinds een tiental jaren had de Maatschappij tot Nut van het
Algemeen een onderwijshervorming gepropageerd die geënt was op de
denkbeelden van Basedow en Pestalozzi, en op een sterk moralistische versie
van verlicht christelijk piëtisme. Toen de patriotten in 1795 met Franse
bajonetten aan de macht kwamen begon het Nut de Nationale
Vergadering te bewerken om algemeen openbaar onderwijs in te stellen. Al een
paar jaar later, vanaf 1801, werden de meeste van deze voorstellen opgenomen
in de decreten die de Agent van Nationaal Onderwijs, van der Palm,
uitvaardigde. Nieuw was dat deze instructies ook daadwerkelijk werden
uitgevoerd. De Bataafse Republiek was immers opgezet als een eenheidsstaat,
en de patriotten probeerden alle mogelijkheden die het nieuwe centralisme
hun te bieden had uit te buiten. De regenten in de steden en de adel op het
platteland konden tezamen nog steeds een geduchte tegenstand bieden, die nog
aan invloed won toen de kerk hun zijde koos in het protest tegen de inbreuk
door een profaan en revolutionair regime op de invloedssfeer van de
godsdienst. De onderwijshervorming behelsde de examinering van alle
schoolmeesters, en het ontslag van degenen die incompetent bevonden waren.
Die maatregel lokte botsingen uit met de landheren, diakenen en regenten die
hun onderwijzers als protégés beschouwden. Zo zag de Nederlands Hervormde
Kerk scherp toe op elke afwijking van de rechte leer en kon niet aanvaarden
dat jonge onderwijzers werden aangesteld enkel omdat zij hun diploma gehaald
hadden. Vandaar dat de lokale autoriteiten probeerden alles zoveel mogelijk
te vertragen.
De tegenstand van de lokale elites en de geestelijkheid werd echter
grotendeels overwonnen, vooral omdat de vrijwilligers van het Nut
plaatselijke tegenstellingen gewiekst wisten uit te buiten en de inspecteurs
van de Agent energiek optraden in het overleg met de lokale
schoolcommissies.144
De voorrechten van de adel en de kerk werden de een na de ander afgeschaft,
maar niet zonder verzet.145 Het succes van de beweging berustte op een ongewone
combinatie van een sterk gecentraliseerde overheidsbureaucratie, die zeer
goed in staat was om de eigen maatregelen door te zetten, en een brede
volksbeweging die een hervormingsprogram en een evangelische bezieling
inbracht, en een korps van toegewijde inspecteurs, onderwijzers en
vrijwilligers in de schoolbesturen. Gaandeweg ontwikkelde de hervorming haar
eigen paideia - christelijk maar niet sektarisch,
nationalistisch maar naar buiten toe onpartijdig, gericht op de grootste
doorsneegezindte in een sterk gefragmenteerde cultuur, en open voor iedereen
zonder iemand van zich te vervreemden. Maar ‘voor de regenten | | | | die zich in een achterhoedegevecht tegen de aanvaarding ervan te weer
stelden, kwam dit neer op de vervanging van de vertrouwde gemeenschap door
een monistische staatsmacht.’146
Zo werd de schoolhervorming, gedreven door een hang naar morele
wederopleving,147 doorgevoerd in een strijd tussen unitaristen in de regering en
federalisten in het land, tussen enerzijds de Agent en zijn inspectoraat, en
anderzijds de ‘heren’ in de dorpen en de regenten in de handelssteden.
De regenten in de Nederlandse steden hadden zich al in de zeventiende eeuw
weten te vestigen als het heersend patriciaat. Van begin af aan hadden zij
hun lot verbonden met het calvinisme, maar daarbinnen behoorden zij tot een
iets vrijzinniger vleugel. De regenten hadden hun fortuin niet gemaakt in de
landbouw maar in de internationale handel, en zij vormden veeleer het
schoolvoorbeeld van een heersende bourgeoisie - een erfelijke oligarchie -
dan van een aristocratie. De regenten opereerden op de internationale markt
vanuit een zeer smalle stedelijke uitvalsbasis, en in het achterland
beperkten zij zich ertoe om de orde te bewaren met behulp van de federale
regering, de Staten-Generaal, waarin zij de dienst uit maakten. De vorming
van een nationale eenheidsstaat of de mobilisatie van het landvolk of de
stadspaupers zou hun greep op dit gefragmenteerde stelsel alleen maar
verzwakken.
Het Nederlandse voorbeeld vertoont veel kenmerken van het model: de
gevestigde elites met hun lokale machtsbases worden in dit geval
vertegenwoordigd door de stedelijke regenten en de landheren, hecht
verbonden met de Hervormde Kerk, en met een ferme greep op hun achterban van
armen en boeren door respectievelijk aalmoezen en pachtverbintenissen. De
aanval op deze figuratie van netwerken met beperkte toegankelijkheid kwam
van een niet-sektarische, evangelistische en nationalistische beweging die
zeggenschap kreeg over een nieuw, centralistisch staatsapparaat dat
rechtstreekse verbindingen met de lokale gemeenschappen nodig had. In
Nederland speelde de taalkwestie hierbij een ondergeschikte rol;148 de rechtstreekse
toegang tot het nationale communicatienetwerk woog des te zwaarder. De
alfabetisering was al uitzonderlijk ver voortgeschreden.149 De nieuwe,
centrale regering was erop uit om de vaardigheden te ontwikkelen die de
brede massa van het volk zouden verheffen tot burgers die bereid en in staat
waren ‘tot participatie in het nieuwe, nationale gemenebest.’150
Toch was het uiteindelijk resultaat van de hervormingen allesbehalve een
‘staatsmonopolie’:151 de kerken (en
het Nut) bleven vrij in het oprichten van eigen scholen, maar dan wel op
eigen kosten. De openbare scholen waren voor het grootste deel bestemd voor
de armen.152 Maar ook die
openbare scholen stonden, al werden ze door de centrale regering
gesubsidieerd, niet geheel onder haar bestuur. De onderwijzers konden nog
altijd door de departementen benoemd worden, al moesten ze officieel wel
eerst een diploma ontvangen van het centrale inspectoraat; maar dat kon niet
altijd zijn zin doorzetten.
Hoewel het onderwijs in alle openbare scholen doordrenkt was van ‘algemene
| | | | christelijke beginselen’, was sektarisch onderricht
verboden - de geloofsleer mocht alleen verkondigd worden tijdens speciale
lesuren na schooltijd.
Toen de Nederlands Hervormde Kerk eenmaal noodgedwongen haar maximalistische
stellingname had opgegeven, vonden alle kerken elkaar in een minimalistische
positie: de afwijzing van elke overheidssteun. Na eeuwen van achterstelling
in de noordelijke Nederlanden accepteerde ook de katholieke Kerk deze
voorwaarden met gretigheid, omdat zij - weliswaar op eigen kosten - nu ook
eigen scholen mocht oprichten.
De maatregelen van 1801, 1803 en 1806 behelsden een compromis op het punt van
het godsdienstonderricht, maar ook in de kwestie van regionale autonomie,
want veel werd overgelaten aan de autoriteiten van de departementen (later
de provincies) en aan plaatselijke instanties. De regeling bleek in bijna
alle opzichten uitstekend te voldoen;153 zij werd een voorbeeld voor
onderwijsdeskundigen in het buitenland en bleef in grote lijnen ongewijzigd
gelden tot de jaren zeventig van de negentiende eeuw.
In de jaren na 1840 groeide onder calvinisten en katholieken de onvrede met
de ‘algemeen christelijke’ inhoud van het leerplan op de staatsscholen.154 Dit schiep een dilemma voor de
meer vrijzinnige protestanten: moesten zij nu voor een maximalistische
strategie kiezen en versterking eisen van de christelijke inhoud van het
openbaar curriculum, of was het beter om te opteren voor een pluralistische
stellingname: staatssteun voor kerkelijke scholen, ook al bracht dat met
zich mee dat andere gezindten daar evenzeer van zouden kunnen profiteren?
Maar door hun tweeslachtigheid en door de voorkeuren in politiek liberale
kring bleven de openbare scholen de enige onderwijsinstellingen die steun
van de staat genoten; van belang was ook dat aan het hof een voorkeur
bestond voor de ‘algemeen christelijke openbare school’ als een plaats waar
alle gezindten vrijelijk met elkaar konden verkeren. Maar toen uit een
groeiende godsdienstijver het protestantse Reveil voortkwam en de kerken hun
aanhang gingen mobiliseren nam de pressie toe. De katholieken raakten steeds
verder verwijderd van de liberalen die nog met de grondwet van 1848
bijgedragen hadden aan hun gelijkberechtiging en kwamen in verzet tegen het
protestantse karakter van het algemeen christelijke curriculum op de
openbare scholen. De meer orthodoxe protestanten en de katholieken zetten
uiteindelijk hun traditionele vijandschap opzij en konden na de uitbreiding
van het kiesrecht na 1888 een reeks coalitieregeringen formeren.
Maar nog steeds moesten de confessionele scholen het zonder subsidie stellen;
de gelovigen moesten hun eigen scholen op eigen kosten oprichten. Dit dreef
hen tot verzet tegen elke verbetering van de openbare scholen die evenveel
kinderen van de particuliere scholen zou kunnen weglokken. Het griefde hen
dat ze belasting moesten betalen om de openbare scholen te bekostigen en
tegelijkertijd een bijdrage leverden aan de confessionele scholen voor hun
eigen kinderen. Ondanks dat alles nam het aantal leerlingen van
confessionele scholen gestaag toe, van 20% in 1860 tot meer dan 40% in 1917,
juist voordat de finan- | | | | ciële gelijkstelling werd doorgevoerd,
en vervolgens tot 75% in 1970.155
Na meer dan een halve eeuw schoolstrijd bracht de Onderwijswet van 1920 de
‘pacificatie’: de staat werd verplicht om openbare en confessionele scholen
op gelijke voet te onderhouden - een toonbeeld van pluralisme dat tot op
heden vrijwel ongewijzigd is blijven bestaan.
Het verzet van een lokale, landelijke orthodoxie tegen het metropolitaanse,
‘algemeen christelijke’, nationale schoolstelsel was één aspect van de
schoolstrijd. Maar het ging niet uitsluitend om een beweging van landelijke
elites tegen het centrale netwerk. Er was ook sprake van een beweging van
kleine burgerij en boerenstand vóór gedegen godsdienstonderwijs, en tegen
het kwaad van het modernisme en de dreiging van een geseculariseerde,
stedelijke werkende klasse. In de praktijk waren de openbare scholen vaak
afgedwaald van de algemeen christelijke principes, en in latere jaren werden
de slechtbetaalde onderwijzers steeds ontvankelijker voor radicale ideeën.
De ‘proletariërs onder de intellectuelen’ waren veelal afkomstig uit de
lagere standen in de samenleving, want een onderwijzersloopbaan was een van
de weinige paden tot opwaartse mobiliteit. De schoolmeesters staken tot
grote ergernis van vrome ouders hun radicale overtuigingen niet altijd onder
stoelen of banken.156
Tegen het einde van de negentiende eeuw waren de gelovigen massaal
gemobiliseerd voor de schoolstrijd. De religieuze en politieke leiders
wisten die protestgroepen om te smeden tot de confessionele politieke
partijen en organisaties waarmee zij zich in de nieuwe democratische staat
toegang konden verschaffen tot de massa's. Net als in Frankrijk was de kerk
door de schoolkwestie gemoderniseerd en was ze er in geslaagd om de
politieke instellingen te creëren die in een democratisch bestel
onontbeerlijk waren. In Nederland formeerden de verschillende confessionele
groeperingen, de een na de ander, strak bestuurde netwerken van
afzonderlijke verenigingen op vrijwel elk gebied van het sociale leven, en
dat deden ook de ‘niet-confessionele’ groeperingen, de socialistische en -
in mindere mate - de ‘algemene’. Elke (non-)confessie richtte vakbonden,
werkgeversverbonden, boerenorganisaties, kranten en omroeporganisaties op,
die zich aansloten bij de bijbehorende politieke partij.
Het resultaat van dit verzuilingsproces was een overgang van netwerken van
lokaal bestuur naar een reeks nationale netwerken, een voor elke ‘zuil’, aan
de bovenkant met elkaar in verbinding via de onderhandelingen tussen de
verschillende elites.157 Maar in weerwil van alle politieke en religieuze
verschillen, verbreidde het leerplan van openbare en van particuliere lagere
scholen toch een zelfde nationale communicatiecode waarin alle Nederlandse
burgers directe toegang tot elkaar hadden. Dit zou uiteindelijk leiden tot
de geleidelijke ontbinding van de verzuiling in de tweede helft van de
twintigste eeuw.
| |
| | | |
6.4 Engeland
In Pruisen, Frankrijk en Nederland waren de metropolitaanse elites rond de
centraliserende staat de pleitbezorgers van onderwijshervorming.
Aanvankelijk slaagde hun streven alleen in Nederland, dank zij de
volksbeweging die daar de regering had aangemoedigd en gesteund. Maar in die
drie landen was de staat al vroeg in de negentiende eeuw nauw betrokken
geraakt bij het lager onderwijs, hoe omstreden die rol ook geweest moge
zijn. In Engeland, daarentegen, hield de centrale regering zich aanvankelijk
buiten de onderwijskwestie, en de weinige vernieuwingen die werden
doorgevoerd waren het werk van vrijwillige verenigingen die speciaal daartoe
waren opgericht. Net als in Nederland had de Franse Revolutie een
schokeffect op de Engelse publieke opinie gehad, ook waar het ging om het
openbaar onderwijs. De tegenstanders van de Revolutie verwierpen ook haar
pedagogisch gedachtengoed, maar op sympathisanten en weifelaars maakten de
onderwijsvoorstellen van de Conventie diepe indruk.158 Ook in
Engeland kwam een beweging voor schoolhervorming op gang, geïnspireerd door
evangelische en filantropische ideeën, en met een aanhang, niet uit de
kringen van de anglicaanse staatskerk, maar vooral uit de Methodistenkerk,
die haar bekeerlingen onder de arbeidersklasse vond en, meer recentelijk,
ook onder de stedelijke burgerij. De beweging legde de nadruk op
persoonlijke, geestelijke groei en op de humanitaire hervorming van
bestaande instituties; het onderwijs werd gepropageerd als middel om beide
doelen te realiseren.
Al in een vroege fase van de industrialisatie was in de steden een grote
arbeidersklasse ontstaan en daarnaast een rijke en zelfbewuste bourgeoisie
van ondernemers, terwijl de macht over het lokale en centrale bestuur nog
lange tijd in handen van de aristocratie bleef. De stedelijke burgerij en de
‘arbeidersaristocratie’ - de hoogstgeschoolde en bestbetaalde
industriearbeiders - behoorden veelal tot de dissenters,
gezindten die de anglicaanse leer afwezen, en zij zochten passend onderwijs
voor hun kinderen dan ook buiten de perken van de anglicaanse Kerk. Tot laat
in de negentiende eeuw gaven zelfs arbeiders vaak de voorkeur aan de minder
autoritaire en meer geestverwante particuliere scholen boven kerkelijke of
openbare scholen.159 De
aardverschuiving van de Industriële Revolutie en de schok van de Franse
Revolutie leidden ook tot een intense betrokkenheid bij de sociale problemen
van die dagen; in combinatie met een non-conformistische geloofsijver
resulteerde dit in een hartstochtelijke belangstelling voor
onderwijsvernieuwing die institutionele belichaming vond in de British and Foreign School Society van 1814 (voorheen de Lancasterian Society). Deze vereniging was oorspronkelijk
opgericht ter verbreiding van het ‘monitoriaal’ systeem van het lager
onderwijs, waarin gevorderde leerlingen hun jongere klasgenoten les gaven,
zodat de onderwijzer aan vele honderden leerlingen tegelijk onderwijs kon
geven. De nadruk lag op de three R's (van reading, writing and arithmetic: lezen, schrijven en rekenen). De godsdienst werd op de
achtergrond gehouden, in plaats daarvan lag de nadruk op het belang van de
algemene vor- | | | | ming van een christelijk karakter, dit tot
ontzetting van de gevestigde anglicaanse Kerk, die zulk onderwijs minachtend
afdeed als ‘zondagsschoolreligie’. Al voordat de Lancasteriaanse beweging
zich had omgevormd tot de British Society, hadden de
anglicanen een eigen versie van het monitoriale systeem ontwikkeld
(geïnspireerd door Bell) en besloten tot de oprichting van de National Society for the Establishment of Schools According to the
Teachings of the Established Church. De gevestigde kerk, die
vasthield aan een starre, maximalistische stellingname, stond op haar
onderwijsmonopolie, en verwierp alle aanspraken van andere gezindten op
ondersteuning of zelfs maar erkenning door de overheid, omdat dit zou
resulteren in ‘de gelijkstelling van de godslasterlijke jood, de idolate
paap, de Christus loochenende unitariër, of de wellustige Turk, aan de
nederige en godvrezende gelovige in de Zoon van God.’160
Aanvankelijk had de British Society bij velen in de gunst
gestaan, ook bij de koning, die zelfs had overwogen om vrijdom van
zegelrecht te verlenen, in die dagen een eerste voorwaarde om tegen
draaglijke kosten briefverkeer te onderhouden door het hele land.161 Maar de
National Society, het orgaan van de gevestigde kerk,
protesteerde tegen deze voorkeursbehandeling.162 De wedijver om overheidssteun was hiermee
ernst geworden en zou pas in 1870 afnemen met de invoering van een stelsel
van openbaar onderwijs.
Net als elders kwam het initiatief tot onderwijshervorming voort uit de
metropolitaanse elites die op de nationale markt georiënteerd waren en de
doctrine van de staatskerk afwezen. En ook in Engeland lokte dit streven een
herleving uit van zendingsdrang en scholingsijver bij de wederpartij, in de
anglicaanse Kerk, die dan ook trachtte de eigen machtsmiddelen te
mobiliseren door versterking van oude banden met de lokale autoriteiten,
gevoelig voor de waarden van godsdienst, traditie, gezag, en al wat verder
de macht over hun achterban kon bestendigen:
De opkomst van het lager volksonderwijs was grotendeels
het toevallige bijprodukt van de strijd tussen anglicanen en dissenters om de loyaliteit van de lagere klassen. De gevestigde
anglicaanse Kerk bleef lange tijd onverschillig en zelfs vijandig tegenover
onderwijs aan de armen... Na 1800 gold dit niet meer, al was het maar om
redenen van verlicht eigenbelang.163
In de eerste helft van de negentiende eeuw werd de ontwikkeling van het lager
onderwijs bepaald door de wedijver tussen de twee Societies die, in het trage tempo dat hun particuliere middelen
toestonden,164 elkaar presten tot
de oprichting van scholen en de bekostiging van het onderwijs overal in het
koninkrijk: ‘Waar de politieke elite zich uitdrukkelijk van de uitbreiding
van het onderwijs distantieerde, zag de staatskerk zich door de toenemende
druk van andere gezindten gedwongen tot een grotere educatieve
inspanning.’165
De staat raakte geleidelijk, en vaak met tegenzin, in dit proces verwikkeld.
In het begin ontvingen beide Societies kleine subsidies
voor de oprichting van scholen, en kregen de Dissidenten hun zin met de
instelling van een inspectoraat | | | | voor het onderwijs.166 Dit korps werd uiteindelijk
bemand door een groep activisten onder leiding van de ontembare
Kay-Shuttleworth,167 die met
hun bureaucratische neigingen en hervormingsgezind elan vooral de scholen
van de anglicaanse Kerk168 onder druk bleven
zetten om het onderwijs te verbeteren, en met hun jaarlijkse rapporten
telkens weer de wantoestanden in het volksonderwijs onder de aandacht van
het publiek brachten.
Rond 1830 werd het kritieke punt bereikt. Met grootscheepse steun van de
arbeiders voerden de middenklassen campagne voor hervorming van het
kiesstelsel, waarbij vooral de oververtegenwoordiging van de rotten boroughs het moest ontgelden. Tegelijkertijd trachtte de
British Society, waarvan de leden uit gelijkgezinde
kringen binnen de bourgeoisie, de Dissenters en de best
opgeleide arbeiders gerekruteerd werden, de lokale onderwijsmonopolies van
de anglicaanse Kerk te doorbreken. De politieke hervormingsbeweging
zegevierde met de Reform Bill van 1832. Roebucks Education Bill van 1833 haalde het echter niet, evenmin
als latere wetsontwerpen. Dat was ten dele het gevolg van een splitsing in
de reformistische gelederen: de alliantie tussen de bourgeosie en de
arbeidersklasse viel uiteen, zoals ook de samenwerking tussen de burgerij en
de volksmassa's in Frankrijk teloor ging, zodra de Juli-revolutie daar de
middenklassen aan de macht had gebracht.169
De arbeidersbeweging ging verder haar eigen weg met acties tegen kinderarbeid
en voor arbeidstijdverkorting. Dit wekte weerstand bij een belangrijk deel
van de middenklasse, die vreesde dat de leerplicht kinderen zou verhinderen
om te werken als fabrieksarbeiders of huisbedienden. De Factory
Act van 1833 was een compromis: ‘Twee uur onderwijs werd verplicht
gesteld voor werkende kinderen.’170 Maar zolang de kwestie van arbeidstijd en kinderarbeid nog
niet wettelijk was geregeld, bleef elk lager-onderwijsproject tot mislukking
gedoemd.171 De arbeidersaanhang van de chartisten richtte zich daarom vooral op politieke en industriële
hervormingen.172
De poging tot onderwijshervorming was ook mislukt omdat zowel de National Society als de British and Foreign
Society zich tegen de Education Bill van 1833 gekeerd
hadden. De anglicanen eisten dat elke school die uit de algemene middelen
betaald werd ook de anglicaanse catechismus zou onderwijzen. De Dissenters verwierpen die eis: ‘Zo fungeerde dissent als de krachtigste rem op de vorming van een
openbaar-onderwijsstelsel, en versnelde in plaats daarvan de vorming van een
veelomvattend confessioneel stelsel, betrekkelijk onafhankelijk van het
parlement.’173
De concurrerende schoolverenigingen gingen door met de oprichting van scholen
en de benoeming van onderwijzers, en elke partij trachtte de tegenpartij
vóór te blijven. Ondertussen vaardigde de regering wetten uit op de
arbeidsomstandigheden en het onderwijs aan fabriekskinderen, zonder daartoe
echter de fondsen te fourneren of de inspecteurs te benoemen. De overheid
verstrekte ook steeds meer subsidies aan de schoolverenigingen. Maar daar
bleef het bij. ‘Een groot deel van de eeuw waren beide partijen doende om
aan te tonen dat ze | | | | bij machte waren elk onderwijsproject dat
de tegenpartij leek te bevoordelen tegen te houden.’174
Het onderwijs bleef aan de Societies voorbehouden, en het
vrijwilligheidsbeginsel betekende in de praktijk dat het vereiste schoolgeld
de armeluiskinderen uitsloot van alle onderwijs behalve het meest
elementaire, de kinderen uit de arbeidersklasse veroordeelde tot inferieure
scholen en alleen behoorlijk onderwijs verschafte aan degenen die het zich
financieel konden veroorloven.175 Toch
bood de dialectiek van de situatie de gevestigde kerk het voordeel van de
achterstand: legaten, en een traditie van liefdadigheid en kosteloos
onderricht door geestelijken stelden haar in staat de zondagsscholen te
onderhouden, waar miljoenen Engelse arbeiderskinderen oppervlakkig kennis
konden maken met het schrift: bijbellezing, maar verder niets - ook geen
schrijfonderwijs. Zelfs dit rudimentaire onderricht stond niet op het
program van de conservatieve partij; het was veeleer een onbedoeld
bijprodukt van de catechisatie van een proletariaat dat hongerde naar
wereldse kennis. De conservatieven vreesden dat het onderwijs voor de
werkende standen een bron van opstandigheid zou vormen. En die vrees was
niet geheel ongegrond: veel chartistenleiders hadden op de zondagsschool
leren lezen, en daar ook voor het eerst de smaak voor bijbelse retoriek
opgedaan.176
Toch hadden de gebeurtenissen van de jaren dertig der negentiende eeuw in
Engeland en Frankrijk bij de meer vooruitstrevende leden van de middenklasse
veel weggenomen van de oude vrees dat het volksonderwijs een bron van onrust
was, en een nieuw vertrouwen gewekt in de bijdrage van de lagere scholen aan
de oplossing van de problemen van de stadsjeugd en aan de vorming van een
goed gekwalificeerd arbeidsleger.177
Maar ook de ‘diep ingewortelde angst voor rebellie en desintegratie’178 bracht steeds meer mensen
ertoe het algemene lagere onderwijs te propageren als het middel om
discipline en onderdanigheid in te prenten - het conservatieve standpunt -
of om de arbeidende klassen te overtuigen van de verdiensten van het
kapitalisme en de deugden van de middenklasse, zodat zij de burgerlijke
heerschappij zouden aanvaarden.179
Ondertussen raakte ook de overheid langzaam maar zeker nauwer bij het lager
onderwijs betrokken. De British and Foreign Society had
getracht dezelfde priviliges te verkrijgen die de gevestigde kerk al lang
geleden verleend waren, en de gevestigde anglicaanse macht had fel
geprotesteerd tegen de toekenning van deze voorrechten aan haar rivalen.
Maar de anglicaanse Kerk ontkwam niet aan een dilemma: uitbreiding van het
onderwijs betekende hoe dan ook hogere kosten. Overheidssubsidie kon de
financiële last voor de kerk verlichten, maar de staat zou waarschijnlijk in
ruil daarvoor voorwaarden stellen, en bovendien misschien dezelfde
ondersteuning aan andere belanghebbende partijen verstrekken. Zodra
duidelijk werd dat een maximalistische positie - onvoorwaardelijke en
exclusieve overheidssteun voor de anglicaanse Kerk - onhoudbaar was, wendden
sommige anglicanen zich tot de tweede, ‘minimalistische’ positie: al- | | | | gehele afwijzing van overheidssteun (en de eventueel daaraan
verbonden voorwaarden) voor welke gezindte dan ook.180 De anglicaanse Kerk kon erop vertrouwen dat giften en
schenkingen, en haar relaties met plaatselijke en centrale instanties haar
over de vloedgolf van reformistische geestdrift heen zouden helpen.
De minderheidskerken, die elkaar min of meer gevonden hadden in hun steun
voor de British and Foreign Society, namen een derde,
‘pluralistische’, positie in; zij waren voorstanders van een overheidssteun
aan alle gezindten, als maar nooit iets onderwezen hoefde te worden dat in
strijd was met hun eigen leerstellingen (zoals de anglicaanse catechismus).
Geleidelijk raakte in deze kringen de opvatting aanvaard dat het onderricht
in een specifieke geloofsovertuiging beter door een geestelijke gegeven kon
worden in aparte lessen buiten schooltijd, terwijl de resterende leerstof,
vrij van elk sektarisme maar doordrenkt van een algemeen christelijke geest,
de christelijke moraal moest bevorderen, zonder daarbij iemand in het
bijzonder aanstoot te geven. Alleen een deïstische en rationalistische
theologie kon zulk een grootste gemene deler van het christendom formuleren.
Aanvaarding van deze leer betekende voor elk kerkgenootschap een stap terug
uit het dagelijkse leven en uit haar eigen werkterrein daarin: de opvoeding
van de jeugd. De godsdienst zou terzijde geschoven worden als een speciaal
onderwerp voor een aparte les, en daarmee de suprematie als hoogste doel van
alle onderricht verliezen.181
Deze ontwikkeling naar een niet-confessioneel, christelijk leerplan bleek
uiterst praktisch en effectief: het christelijk erfgoed kon behouden blijven
met vermijding van sektarische strijd. De algemeen christelijke leer werd
een lingua franca voor religieuze interactie; een minimale
etiquette voor ontmoetingen tussen vreemdelingen waarin het
gemeenschappelijk christendom zich kon manifesteren en sektarische wrijving
uitbleef. Kort gezegd stond de leer tot de verscheidene gezindten als de
standaardtaal tot de regionale dialecten.
Het grote compromis werd bereikt met de Elementary Education
Act van 1870, die voorzag in de instelling van schoolbesturen die
scholen konden oprichten daar waar bestaande instellingen voor lager
onderwijs niet in de behoeften voorzagen. De wet ‘voerde nog geen kosteloos
of verplicht onderwijs in, maar schiep wel de mogelijkheid ertoe.’ De kosten
moesten in gelijke mate bestreden worden uit schoolgelden,
gemeentebelastingen en overheidssubsidies. Wanneer lokale scholen de
‘schoolcenten’ van de armste kinderen niet konden innen, zag de staat zich
wel gedwongen om hen te betalen, vooral nadat in de loop van de jaren
tachtig van de negentiende eeuw het onderwijs over het hele land verplicht
gesteld was en arme kinderen krachtens de wet moesten worden
toegelaten.182
Zoals elders bood het lager-onderwijssysteem nauwelijks aansluiting op het
stelsel van middelbare en hogere scholen, de ‘onderwijsladder’ was smal en
steil, en voor de werkende klassen ook nog kort. De term ‘lager onderwijs’
had een sterke connotatie van ‘volksschool’, en de middenklassen verzetten
zich tegen de uitbreiding van het armenonderwijs waar zij aan meebetaald
hadden, naar het | | | | middelbare niveau waaruit hun eigen gelederen
gerekruteerd werden.183 Hoewel de besturen op
democratische wijze werden gekozen, zaten er maar weinig arbeiders in, omdat
het een veeleisende taak was en er vaak tijdens schooluren, dus onder
werktijd, vergaderd werd.184
De schoolbesturen waren doorgaans niet sektarisch samengesteld, en meestal
wel geneigd tot het compromis van een algemeen christelijk leerplan, dat
spottend de ‘schoolbestuursreligie’ genoemd werd.185 Zo kwam er een einde aan bijna een eeuw van
concurrentiestrijd: ‘Het is paradoxaal dat de bijna absolute mislukking van de inspanningen der non-conformisten voor een
behoorlijke verbreiding van scholen hun het gesubsidieerd stelsel opleverde,
dat zij altijd hadden nagestreefd. De relatieve mislukking
van de anglicanen, die een enorme inspanning hadden geleverd, bleek niet
voldoende om dit door hen zo gevreesde resultaat te voorkomen.’186
De strijd werd in Engeland, net als in Frankrijk, gevoerd tegen het bolwerk
van de gevestigde kerk; in beide landen vormde een stedelijke bourgeoisie de
voorhoede van de onderwijshervorming, maar de Engelse middenklasse had
fortuin gemaakt in handel en industrie, terwijl de Franse burgerij haar
machtsbasis had gevonden in de staatsbureaucratie en de vrije beroepen. In
de godsdienstkwestie stonden in Engeland de Dissenters
tegenover de anglicanen; in Frankrijk daarentegen, ging het om de
tegenstelling tussen laïques en katholieken. In het ene
land had zich al vroeg en heftig de industrialisatie doorgezet, in het
andere was in een nog heviger omwenteling een nieuw staatsapparaat ontstaan.
Vaughan en Archer hebben overtuigend betoogd dat de verschillen in de
ontwikkeling van het onderwijs tussen beide landen niet alleen verklaard
kunnen worden met een beroep op de industrialisatie. Het functionalistische
argument, gebaseerd op de behoeften van de industriële ontwikkeling, of de
marxistische versie die de kapitalistische behoefte aan een gekwalificeerd
arbeidspotentieel postuleert, overtuigen niet, omdat ze impliceren dat
Engeland, het eerste land waar zich de industrialisatie voltrok, voorop zou
moeten lopen in de ontwikkeling van het onderwijs. Voor de negentiende eeuw
is het tegendeel waar.187 Het Nederlandse tegenvoorbeeld biedt nog overtuigender argumenten
voor de kritiek van Vaughan en Archer.
De beide auteurs verklaren de onderwijsgeschiedenis van Engeland en Frankrijk
in termen van de ‘assertie’ en ‘dominantie’ van wedijverende sociale groepen
die niet precies samenvallen met sociale klassen. Aangezien de staat de
machtsbasis was van de Franse onderwijshervormers, valt te verwachten dat
elke wijziging in de samenstelling van de regering het verloop van de
hervormingen daar veel ingrijpender beïnvloedde dan in Engeland, een
hypothese die door de feiten wordt gestaafd.
Maar ook in Frankrijk beperkte de staat zich nog lang na de Revolutie tot
aanmoediging en toezicht, en waren de gemeenten aangewezen op eigen middelen
en vrijwillige genootschappen, bovenal die van de katholieke Kerk. De cen-
| | | | trale regering raakte maar heel geleidelijk bij het lager
onderwijs betrokken, zij het vroeger en inniger dan in Engeland.188
De fundamentele opvattingen over het onderwijs aan armen en arbeiders waren
in beide landen ‘opvallend gelijk’. De Franse bourgeoisie was steeds
voorstander geweest van overheidssteun - tot het moment, in 1848, dat de
arbeidersklasse zich tegen de staat keerde. De instelling van de Britse
middenklasse was doorgaans wat behoedzamer, maar ook daar werd het
armenonderwijs geleidelijk geaccepteerd, zolang het maar zou bijdragen aan
een passende morele vorming.189
In Engeland en Frankrijk, maar ook elders, verzetten de adel en de gevestigde
kerk zich vanuit hun lokale machtsbases tegen de invoering van een nationaal
stelsel van lager onderwijs dat hun traditionele bemiddelingsvoordelen
teniet zou doen. Die delen van de middenklasse die op de nationale markt en
de centrale staat georiënteerd waren, bleken meestal voorstanders van
nationaal lager onderwijs, al stonden ondernemers er vaak ambivalent
tegenover: het onderwijs zou het aanbod van goedkope, ongeschoolde
(kinder)arbeid kunnen beperken. Omdat ondernemers de Engelse middenklasse
domineerden, verzwakte die aarzelende houding het elan waarmee de
bourgeoisie als geheel zich voor de onderwijshervorming kon inzetten.
Ambtenaren uit de middenklasse daarentegen steunden met kracht de
verbreiding van het onderwijs. In Frankrijk had deze avant-garde van de
‘metropolitanen’ na de Revolutie van 1789 vaste voet in het staatsapparaat
gekregen, maar in Engeland moest dezelfde voorhoede zich neerleggen bij een
stelsel van schoolverenigingen op vrijwillige basis en verloor zich
noodgedwongen in een afmattende wedijver met de anglicaanse Kerk. Deze
kringen kregen dan ook pas laat toegang tot het staatapparaat, en ook toen
nog maar met moeite, toen nieuwe ambtelijke diensten werden ingesteld, en
vooral via de inspectie bij het ministerie van onderwijs. Maar nadat de
‘metropolitanen’ eenmaal machtsposities hadden verworven, leek hun beleid
sterk op dat van hun Franse tegenhangers, en verschilde ook de timing niet
veel: de gebroken beloften van 1830 en de uiteindelijke vestiging van een
verplicht, kosteloos en nationaal stelsel rond 1870.
| |
6.5 De Verenigde Staten van Amerika
Tot ver in de negentiende eeuw bleef het ‘bakstenen huisje’ het prototype van
de Amerikaanse lagere school. De dorpsschool had zijn oorsprong in New
England, en bleef nauw verbonden met de kerk, onderworpen aan het toezicht
van een ouderraad en gefinancierd door schoolgelden en legaten, meest in de
vorm van land. Lawrence Cremin heeft de wezensfuncties van het lager
onderwijs als directe toegangsweg tot het omringend communicatienetwerk
treffend verwoord:
De school had vele functies: jongelui kregen er gelegenheid om er
te leren lezen en schrij- | | | | ven in standaard-Amerikaans-Engels
met het abc van Webster en de leesboekjes van McGuffy; het verschafte ze een
gemeenschappelijke wereldbeschouwing, die een nonsektarisch protestantisme
combineerde met een partijloos patriottisme; de scholieren werden vertrouwd
gemaakt met de grondbeginselen van de elementaire rekenkunde... De school
hielp hen op weg naar produktieve arbeid buiten het huishouden, werk
waarvoor men moest kunnen lezen en schrijven en dat verder eisen stelde als
stiptheid en het opvolgen van regels en procedures, en het vermogen tot
samenwerking met vreemden van elke leeftijd. De school bood hun de
mogelijkheden tot gebruik en misbruik van de gedrukte tekst...190
De koloniale regering en de provinciale autoriteiten mengden zich zelden in
onderwijsaangelegenheden, en in de beginfase van de Republiek bemoeiden de
staten of de federale regering zich daar al even weinig mee. De regering
droeg lokale instanties op om een school op te richten en liet bestuur,
financiering en leerplan verder aan hen over.
De impuls tot uitbreiding van het onderwijs kwam van de opvolgers van de
koloniale kerkelijke elite, die hun positie trachtten te handhaven tegen de
‘barbaren’ in het westen en de ‘vreemdelingen’ die naar de oostelijke
havensteden geïmmigreerd waren. Ze vonden daarbij een bondgenoot in de
opkomende commerciële middenklassen.191 Rond 1800 begonnen de verschillende gezindten
elkaar in een minimalistische stellingname te manoeuvreren: zo kwam het tot
een verwerping van elke overheidssteun, zelfs van vormen die in een eerder
stadium nog acceptabel geleken hadden, uit vrees dat concurrerende sekten er
ook van zouden kunnen profiteren.192 Het resultaat was een
patstelling in de onderwijspolitiek.
Ook als kleine plaatsen uitgroeiden tot steden, bleven de dorpsscholen min of
meer ongewijzigd voortbestaan onder ouderlijk toezicht en op godsdienstige
grondslag. Waar de kolonisten zich vestigden verrees ook het bakstenen
schooltje zodra er voldoende gezinnen bijeen woonden. Maar naarmate in het
westen en in de uitdijende steden onder de bevolking grotere verschillen
ontstonden in godsdienstige overtuiging, werd het strenge sektarisme
geleidelijk vervangen door ‘interconfessionalisme’, door een
doorsneegezindte van de verscheidene protestantse overtuigingen.
De schoolbesturen betoonden zich in onderwijskwesties dikwijls uiterst
conservatief en hielden maar al te vaak uit financiële overwegingen
uitbreiding van de school tegen. Het gevolg was dat de immigranten in de
groeiende steden steeds vaker uitgesloten werden van de krappe
onderwijsfaciliteiten. Maar een nieuwe lichting pedagogen, de schoolmen, kwam in verzet tegen het gemeenschapstoezicht op de
scholen, dat in hun ogen een hervorming en uitbreiding van het onderwijs in
de weg stond. Ze organiseerden zich en voerden campagne voor een verbetering
van het onderwijs met overheidssteun. In New York richtten de Quakers de Free School Society op en gaven de toon aan in de beweging
voor non-confessioneel onderwijs met staatssubsidie en onder professioneel
be- | | | | stuur.193 Rond het midden van de eeuw presenteerden zich in iedere
staat ‘Vrienden van het onderwijs’ die een netwerk van ‘schoolhervormers’
vormden in de Verenigde Staten en zich sterk maakten voor de oprichting van
lagereschoolstelsels door de regeringen van de deelstaten. In deze kwestie
stonden ze lijnrecht tegenover de lokale elites: ‘De ideologie noch de
techniek van politieke beheersing op staatsniveau waren ver genoeg
ontwikkeld om het bestuur op districts-, stedelijk of gewestelijk niveau te
kunnen vervangen.’194 In
Virginia werden ze geconfronteerd met de ‘meedogenloze oppositie van
oostelijke landeigenaren en populisten.’195
De Vrienden zijn in veel opzichten te beschouwen als metropolitaanse
voorstanders van een niet-sektarisch, algemeen en verplicht stelsel van
lager onderwijs dat de grenzen tussen de gezindten kon doorbreken en de
etnische verschillen te boven gaan door de vestiging van ‘het ene, het beste
systeem’196 dat iedereen zou
socialiseren in één grootse, nationale cultuur. ‘Het doel van al deze
stelsels was de vorming van een geletterd Amerikaans publiek.’197 En Kaestle schrijft:
De systematisering van de scholen zou ook het schaalprobleem
oplossen. Zodra het stelsel gevestigd was, werd het recursief. Hoeveel
nieuwe kinderen er ook kwamen opdagen, arm of rijk, immigrant of autochtoon,
het stelsel kon heel eenvoudig meer identieke scholen leveren en meer
identieke onderwijzers opleiden.198
De traditionele scholen werden bovendien van andere zijde aangevallen: door
de katholieke Kerk. In New York City althans werd deze tegenstand versterkt
door de overwinning van de vijand van haar vijanden: de in 1826 opgerichte
Public School Society, de opvolger van de Free School Society, die in 1818 de staat New York ervan had weten
te overtuigen dat subsidies voor lagere scholen bittere noodzaak waren, en
dat die subsidies bovendien niet aan kerkelijke scholen verstrekt moesten
worden, maar uitsluitend aan scholen van de Society.
Daarmee waren de kansen van de katholieke Kerk op eigen scholen met
overheidssteun vrijwel verkeken. In een overwegend protestants land kon geen
sprake zijn van maximalistische ambities. En omdat de katholieke Kerk nog
maar heel weinig scholen onder haar beheer had, was ook een minimalistische
stellingname - de verwerping van regeringssteun aan alle kerken - niet de
aangewezen keus: de protestantse confessionele scholen hadden indertijd
subsidie ontvangen en de non-confessionele - maar in feite
algemeen-protestantse - scholen ontvingen nog steeds gelden van de overheid.
De Kerk van Rome moest dus wel streven naar de status van meestbegunstigde
gezindte - gelijke behandeling met de best bedeelde groepering - en bleef
hardnekkig aandringen op regeringssteun. Ze nam dus een pluralistische
positie in op een tijdstip dat de meeste protestantse sekten niet-sektarisch
onderwijs en (zij het slechts in naam) onkerkelijke scholen aanvaard
hadden.199 Voorlopig besloten de katholieken
tot de stichting van eigen lagere scholen op eigen kosten. Die campagne
bleek mettertijd zo succesvol dat tot op de dag van vandaag in veel
Amerikaanse steden afzonderlijke | | | | katholieke-schoolstelsels zijn
blijven bestaan naast een door de regering gefinancierd stelsel van openbare
scholen. Na de officiële scheiding van kerk en staat in 1833 kwamen school
en kerk steeds losser van elkaar te staan en zo werden de algemene scholen
tot ‘de publieke instellingen voor de vorming en hervorming van
publieken.’200
Evenals in andere landen ontstond in de loop van de negentiende eeuw in de
Verenigde Staten een alomvattend lagere-schoolstelsel, dat vrijwel alle
kinderen van schoolgaande leeftijd een standaardversie van de geschreven
taal oplegde.201 In koloniale tijden was de verscheidenheid aan
talen een ondergeschikt probleem geweest, beperkt tot enkele Duitse en
Franse en een handjevol Nederlandse gemeenschappen die aandrongen op
onderwijs in hun eigen taal.202 Maar anders dan in andere landen
werd de taalkwestie mettertijd urgenter, toen nieuwe lichtingen immigranten
onderwijs in de taal van hun land van herkomst gingen eisen. Net als elders
was de taalkwestie innig verstrengeld met de godsdienst en de handhaving van
traditionele leefwijzen; maar in de Verenigde Staten kwamen de voorstanders
van linguïstische en culturele verscheidenheid niet uit de gevestigde lokale
elites van meest blanke, Angelsaksische protestanten, maar waren het juist
recente immigranten in de grote steden, veelal arbeiders van boerenafkomst.
De informele leiders van deze immigrantengemeenschappen, bij de Ieren, de
Polen en de Italianen meestal katholieke geestelijken, waren voorvechters
van afzonderlijke confessionele scholen, en, wanneer het te pas kwam, ook
van onderwijs in de taal van herkomst; de Duitse immigrantengemeenschappen
slaagden er nog het best in om hun taal op school te handhaven.203
Maar zulk non-conformisme lokte een ‘nativistisch’ offensief uit tegen
allochtone tradities, etnische subculturen, machine
politics in de immigrantenwijken, en ook tegen minderheidstalen. Deze
veldtocht werd met een zelfde geestdrift en idealisme gevoerd als de
Europese campagnes van metropolitaanse hervormers tegen regionaal
traditionalisme en stedelijke armoede. Maar in Amerika vormden de
‘metropolitanen’ de gevestigde groepering, en hun inspanningen waren
grotendeels preventief: gericht op het voorkomen van minderheidsinstituties
in politiek, economie en cultuur.
De Europese migratie van het land naar de stad verschilde niet zoveel van de
transatlantische migratie van het Europese platteland naar de Amerikaanse
steden, ook al was dat laatste voor de immigranten heel wat dramatischer en
is het meer gedramatiseerd in de populaire verbeelding van toen en nu. De
opgave om opeenvolgende golven immigranten te assimileren in de Amerikaanse
maatschappij vertoonde veel overeenkomst met de inspanning om boeren aan te
passen aan de eisen van de stedelijke industriële samenleving in Europa. En
op beide continenten werd van de scholen verwacht dat ze deze acculturatie
zouden bewerkstelligen. Achteraf gezien is het onderwijsstelsel uiterst
effectief gebleken in de taak om armen en nieuwkomers aan de metropolitaanse
cultuur te assimileren. Het was veel minder succesvol in het scheppen van
een grotere gelijkheid: ‘De negentiende-eeuwse steden kan men het beste zien
als spoor- | | | | wegstations met wachtkamers voor de verschillende
klassen. Hoewel de bevolking van het station voortdurend verandert, kwamen
voor de vertrokken reizigers toch steeds anderen in de plaats met
opmerkelijk overeenkomstige eigenschappen. En terwijl hun bezetting gestadig
toenam, bleven de getalsverhoudingen tussen de wachtkamers ongeveer
hetzelfde.’204
De massale toevloed van nieuwkomers, nieuwelingen in het stedelijk verkeer,
veroorzaakte grote verontrusting onder de reeds gearriveerde stedelingen. De
aanwezigheid van die aanzwellende horden immigranten werd door de gevestigde
stadsbewoners opgevat als een bedreiging van eigen fysieke veiligheid en
sociaal aanzien; dat droeg in aanzienlijk mate bij tot de negentiende-eeuwse
hervormingsijver die heeft geleid tot de vorming van zovele collectieve
arrangementen, zoals lagere scholen, ziekenhuizen, strafinrichtingen,
politie, medische politie enzovoort. In dit perspectief bezien is de
vestiging van een lagereschoolstelsel de reactie van de uitdijende, open
steden op het probleem van de armoede, toen bleek dat de liefdadige
instellingen en parochiescholen van de oude, relatief gesloten steden de
steeds toenemende migratie niet langer aankonden.205
De verschijning van jonge zwervers werkte nog het meest ontmoedigend: ze
vormden een tamelijk nieuw verschijnsel in de steden - op de boerderijen
hadden jonge mensen altijd wel iets om handen, en als er niets te doen was
wisten ze zich gauw genoeg uit de voeten te maken. In de oude steden werkten
arme kinderen als knechts of leerjongens. Maar met het verval van de
ambachten raakte ook het leerlingstelsel in onbruik, en het werd maar ten
dele door fabrieksarbeid vervangen. In de nieuwe overvolle woonkazernes was
geen ruimte voor kinderen, zodat ze hun toevlucht zochten op straat waar hun
spel al gauw overging in kattekwaad, en vandaar in allerlei wandaad.
Jeugdcriminaliteit baarde hevige zorgen: de minderjarige overtreders zouden
zeker opgroeien tot rovers en moordenaars. Terwijl de geïmmigreerde ouders
nog om hun lompe boerenmanieren werden geminacht, vreesde men hun kinderen
als vandalen en toekomstige bandieten. Vandaar dat de school als een soort
politie moest gaan optreden. Lang voordat de leerplicht werd ingesteld,
patrouilleerde een spijbelpolitie langs de straten, op zoek naar jeugdige
schoolverzuimers. De scholen fungeerden voor deze kinderen als centra van
preventieve hechtenis: alleen al hun aanwezigheid op straat tijdens lesuren
was voldoende reden om kinderen op te pakken en bij de eerste de beste
school af te leveren ‘voor hun eigen bestwil’.206 Onderwijzers waren echter niet erg gesteld op onruststokers
in hun klas: voor de onverbeterlijke gevallen werden speciale klassen
ingesteld en later kwam het tot de oprichting van speciale tuchtscholen, een
mengvorm van school en armenhuis ter disciplinering van de jeugd.
De verontrusting die de straatkinderen opriepen sloeg om in een krachtige
roep om meer en betere scholen voor arme kinderen, immigrantenkinderen
vooral. Door op deze angsten en eisen in te spelen zagen professionele
pedagogen kans om hun onderwijsplannen door te zetten. Met de expansie van
het | | | | schoolstelsel werd ook het lerarenkorps uitgebreid dat,
mondig en goed georganiseerd als het was, een krachtige en tamelijk autonome
stimulans bood aan de verdere groei en bureaucratisering van het
onderwijsstelsel.207
Het lager onderwijs kreeg in de westelijke frontier-staten vorm als gevolg
van de Ordonnantie van 1784, die bepaalde ‘dat in elke stad een stuk grond
gereserveerd wordt voor het onderhoud van openbare scholen’. Aanvankelijk
was er land in overvloed, dat dan ook niet veel opbracht; de bedoeling was
geweest dat de pachtopbrengst van de geschonken grond min of meer gelijke
voet zou houden met de bevolkingsgroei in de nieuwe nederzettingen en dus
met de toenemende kosten van het onderwijs, maar de inkomsten gingen
verloren door corruptie.208
Met de vestiging van de ene agrarische gemeenschap na de andere deed ook de
commerciële landbouw zijn intrede en ontstond een middenklasse van boeren.
Rondtrekkende methodisten- en baptistenpredikanten kwamen tot in de kleinste
dorpen om het geloof te verbreiden. ‘Met de religie verscheen het onderwijs,
en dikwijls in de persoon van dezelfde ondernemers en ouderlingen.’209 Zo kon het model van de
dorpsschool in alle landelijke gebieden van het Amerikaanse continent worden
nagevolgd. Het onderwijs bereidde voor op de algemene vaardigheden van het
nationale burgerschap, en in afwezigheid van een landadel waren er ook geen
bemiddelingsmonopolies die het in de weg stonden.
Het openbaar onderwijs bereikte de zuidelijke staten met de militaire en
politieke bezetting in de nasleep van de Burgeroorlog.210 En ook hier probeerden
‘metropolitanen’ uit het noorden het lokale bemiddelingsmonopolie te
omzeilen door de vestiging van een schoolstelsel in het zuiden. Ze stonden
daarin tegenover lokale elites die hun toch al gevoelig beschadigde
bemiddelingsmonopolie door deze onderwijshervorming nog verder aangetast
zagen. De zuidelijke elites wisten in het algemeen weerstand te bieden aan
de ‘noordelijke’ nieuwigheid van openbaar onderwijs. Pas aan het einde van
de negentiende eeuw begon een autochtone beweging van ‘Vrienden van het
onderwijs’ een campagne voor schoolhervorming in het zuiden, ondersteund
door een ‘vloedgolf van kapitalistische filantropie’211 uit het noorden.
In één opzicht verschilde het Amerikaanse stelsel van lager onderwijs
wezenlijk van zijn Europese tegenhanger: de blijvende apartheid van de
zwarten, die tot het derde kwart van onze eeuw zou voortduren.212 In
termen van het bloemmodel ligt het voor de hand dat metropolitaanse
ondernemers en ambtenaren rechtstreekse toegang tot deze lokale, landelijke
clientèle zouden trachten te verwerven, wat in de periode van Burgeroorlog
en Reconstructie ook het geval was.
Rond 1890 waren in veel zuidelijke staten de inschrijvingscijfers van de
negers bijna even hoog als van de blanken. Maar deze verworvenheid werd
effectief teniet gedaan zodra de politieke macht van de zwarten in het
zuiden begon te tanen. Het onderwijs voor zwarten in de zuidelijke staten
herstelde zich pas weer in het begin van de jaren vijftig.213
| | | |
Ook de zwarten die naar het noorden waren getrokken boekten aanvankelijk
goede resultaten op de scholen; hun scholingsniveau benaderde dat van de
autochtone blanken.214 In de jaren dertig kwam echter een scherpe kentering in deze
ontwikkeling: de onderwijskloof verbreedde zich.215 De zuidelijke zwarten die
tijdens de grote crisis naar het noorden waren geëmigreerd kregen, als ze al
werk vonden, alleen de beroerdste baantjes. In die jaren werd de
buitenlandse immigratie drastisch beperkt, en bovendien wisten arbeiders van
Europese herkomst hun positie te beschermen door een closed
shop-beleid van de bonden, dat alle nieuwkomers uitsloot. Scholing
verbeterde dus voor de zwarten nauwelijks hun kansen op de arbeidsmarkt en
dit weerhield zwarte ouders weer om hun kinderen naar school te sturen; ook
de armoede thuis belemmerde de inschrijving en scholing van jonge zwarten.
De burgerrechtenbeweging, in een ongemakkelijke alliantie met de federale
regering, slaagde er ten slotte in de wettelijke en institutionele
hinderpalen voor het onderwijs aan zwarte kinderen weg te nemen en althans
hun participatie aan het lager onderwijs veilig te stellen. In een aantal
opzichten, hun nationale oriëntatie, hun metropolitaanse achtergrond en hun
dissidente levensbeschouwing, deden de strijders voor de burgerrechten
denken aan hun negentiende-eeuwse voorgangers. En het was tenslotte een
negentiende-eeuws programma dat zij met enige vertraging uitvoerden.
De geschiedenis van het Amerikaanse onderwijs vertoont meer variatie dan die
van de Europese naties, ook al omdat de federale regering zich zo lang
afzijdig hield.216
Scholen op het platteland bleven onder lokaal bestuur, en alleen in de grote
steden kwam een lagere-schoolstelsel tot ontwikkeling, met verschillen van
staat tot staat, tussen gemeenten onderling, en lange tijd zelfs tussen
verschillende stadswijken. De schoolstrijd werd getemperd door het overwicht
van de Engelstalige protestanten: sektarische geschillen speelden zich af op
de kleine schaal van dorp en wijk. Behalve in de zuidelijke staten bestond
er geen grondbezittende aristocratie, en de bijbehorende clientèle-relaties
en bemiddelingsmonopolies waren al even zeldzaam.217
De strijd om het onderwijs voltrok zich in de grote steden, waar een modern
schoolstelsel ontstond in samenhang met grootscheepse stedelijke immigratie.
Geen van deze immigrantengroepen vormde ooit een ernstige bedreiging voor de
dominante Angelsaksische cultuur, behalve misschien de georganiseerde,
katholieke, etnische groeperingen. Maar zelfs die groepen verkeerden bij
lange na niet in een positie waarin ze een eigen linguïstische identiteit
konden behouden, alleen al om de eenvoudige en klassieke reden dat juist hun
separatisme een beletsel vormde voor de solidariteit met andere
minderheidsgroepen die zich overeenkomstige doelen hadden gesteld.218 Zo deden de Polen afstand van hun aanspraak
op het Pools als onderwijstaal toen ze zich realiseerden dat de Italianen
dezelfde voorrechten zouden opeisen, net als de Nederlanders en Duitsers die
eis al eerder hadden opgegeven. Elke poging om de jeugd tegen ‘vreemde’
invloeden te beschermen was in een grootsteedse omgeving tot mislukking ge-
| | | | doemd, ook al omdat de ouders zelf al gekozen haden voor de
‘schadelijke overdaad’ van het stadsleven.219 En per slot van
rekening waren de voordelen van Engels kunnen spreken, lezen en schrijven zo
overduidelijk, dat ze niet lang genegeerd konden worden.
|
89In De la littérature
allemande (1780), geciteerd door Heinemann, p. 60 (in het
Duits). Nog zo'n ‘metropolitaanse’ metafoor: ‘De cultuur zou, net als
het geld, wijd en zijd dienen te circuleren.’ Idem, p.
61.
92Idem, pp. 111 e.v. Toch voerde een
van hen, Von Rochow, op zijn landgoed radicale hervormingen door: hij
schafte de gemeenschapsgronden af en stichtte scholen voor al zijn
pachters. ‘Kinderen zijn van de Staat, en de Staat wil dat zij onderwijs
krijgen, op scholen.’ In het Duits geciteerd door Heinemann, p. 149. Hij
publiceerde veel op het gebied van onderwijshervorming en werd een van
Frederiks naaste adviseurs, maar zijn projecten vonden geen navolging op
andere landgoederen.
93Van den Eerenbeemt, 1977,
p. 47.
94Geciteerd in Tate, p. 169.
95Vgl. Heinemann, pp. 60 e.v.;
vgl. Müller, passim.
96Heinemann, p.
136; Roessler, p. 319, citeert een boer die uitriep: ‘Liever mijn kop
eraf dan nieuwe boeken in handen van mijn kind.’
97Maynes, 1979, p. 613. Maar: ‘Waar nieuwe economische
mogelijkheden de sleur van het landleven doorbraken, waren de boeren
graag bereid de scholen te steunen.’ E.N. Anderson, p. 268.
98Vgl.
Heinemann, p. 135.
100‘Het principe, en in beperkte mate ook de praktijk van
verplicht lager onderwijs, werd in Pruisen geïntroduceerd dank zij de
achttiende-eeuwse Hohenzollern-vorsten.’ E.N. Anderson, p. 261.
101Vgl. Dorwart, p. 179. Er
bestond echter nog een derde lingua franca: het Frans,
de taal van het hof.
102Aumüller interpreteert deze projecten, die werden uitgevoerd in de
armenhuizen en de regimentsscholen, door te verwijzen naar de dringende
behoefte aan geschoolde arbeid onder de omstandigheden van het opkomend
kapitalisme. Toch lijken deze projecten eerder te zijn ingegeven door de
wens om weerspannige paupers tot deugdzame burgers te vormen dan door
het pragmatische idee om arbeiders op te leiden voor de fabrieken van
die dagen. Het was, met andere woorden, meer een ‘politionele’ dan een
‘economische’ aangelegenheid; iets wat overigens voor het gehele
armenhuizenbeleid geldt; vgl. ook Roessler, pp. 303-5.
103Vgl. Kosselleck, 1976,
voor de sociale gevolgen van het Landrecht.
104Vgl. E.N. Anderson, p. 276.
105Vgl. Busshoff, p.
392; de koning waarschuwde tegen ‘das Übel der Überbildung’, het gevaar
van te veel onderwijs voor onderwijzers en hun leerlingen.
106Aan het eind van de eeuw waren
er in Duitsland ongeveer 7.300 katholieke scholen, tegen 22.000
protestantse op een totaal van 36.000 (vgl. E.N. Anderson, p. 276). De
katholieke Kerk nam in de eerste helft van de eeuw de positie van een
minderheidsgezindte in, met sterke lokale machtsbases in het zuiden en
oosten van het land. (Vgl. ook Glück, pp. 178-195.) Zolang haar
monopolie op plaatselijk niveau gerespecteerd werd, en er geen
bemoeienis was met haar godsdienstonderricht, kon de katholieke Kerk
zich vinden in een liberale stellingname van gelijke ondersteuning voor
elke gezindte, en accepteerde bovendien de voorkeursbehandeling van de
lutherse staatskerk. Het katholicisme was dan ook verstokt
regionalistisch. Pas met de stichting van het Reich in
1871 brak een ernstige Kulturkampf uit.
107Vgl. E.N. Anderson, p. 276.
108Al met al
hadden de Volksschule-onderwijzers in de negentiende
eeuw een ‘platformfunctie’, aldus Busshoff, p. 396.
110Vgl. Hartmann, p. 180.
111Vgl. Müller, passim; Waldeyer, vooral pp. 161
e.v.
112Gontard, p. 15;
vgl. ook Chartier e.a. over het onderwijs in Frankrijk onder het Ancien Régime.
113Reeds in 1698 had Lodewijk XIV kinderarbeid voor kinderen
tot veertien jaar verboden, en onderwijs verplicht gesteld; de intendants dienden erop toe te zien dat scholen
gesticht werden, en dat de kinderen van de armen kosteloos onderricht
zouden ontvangen met subsidie van de lokale autoriteiten: het toezicht
op de scholen kreeg geleidelijk een deels kerkelijk, deels wereldlijk
karakter; Poutet, p. 110.
118Gontard, p. 187, over de Conventie van 1793. Deze
ideeën gingen terug op de voorstellen van La Chalotais, in diens Essai d'Education Nationale (1763): ‘Ik sta op de eis
van een onderwijs voor de natie dat uitsluitend afhankelijk is van de
Staat, want het behoort in wezen tot de Staat, omdat elke natie een
onvervreemdbaar en onvergankelijk recht heeft om de eigen leden te
onderwijzen.’ Geciteerd door Ariès, p. 919.
120Gontard, pp. 121-2; maar de onderwijzers kwamen niet
opdagen, de gemeenten stelden geen schoollokalen beschikbaar, of de
ouders weigerden hun kinderen naar school te sturen; vgl. Gontard, p.
12.
121Vgl. Godechot, p. 461: ‘Zo lieten de
conservatieve bourgeois van het Directorat zich weinig aan het onderwijs gelegen liggen,
behalve wanneer het ging om de scholing van hun eigen zonen, die immers
voor de handhaving van de machtspositie der burgerij onontbeerlijk
was.’
122Een eerste rapprochement was al ten tijde van het Consulaat begonnen,
vgl. Gontard, pp. 192-3; zie ook Gerbod voor de negentiende-eeuwse
betrekkingen tussen kerk en staat op het punt van onderwijs.
123Godechot, p. 648, citeert een decreet
uit 1811: ‘De inspecteurs der Academie zullen erop toezien
(surveilleront) dat de onderwijzers niet verder gaan dan het onderricht
in lezen, schrijven en rekenen... ’
125Vgl. Idem, pp.
273-296: ‘De methode was werkelijk de openbaring van dit kwart van de
eeuw en zorgde voor de overwinning van de strijders voor lager
onderwijs’ (p. 296).
127De afgevaardigde Cuvier, geciteerd
door Gontard, p. 357.
128Vgl. idem, p. 419. Toch ‘was in 1832 de helft van de
dienstplichtigen analfabeet’. Er bleven duidelijke geografische
verschillen bestaan: ‘Een lijn tussen de baai van St. Michel naar het
meer van Genève vormt de afscheiding tussen een in verrassend hoge mate
geschoold noordwestelijk deel en een betrekkelijk onwetend zuiden...
Misschien kan het onderling uiteenlopende tempo van economische
ontwikkeling een verklaring bieden, of ook het bestaan van dialecten in
het zuiden die slechts min of meer op het Frans leken.’ Dupeux, p. 116;
vgl. Prost, pp. 104-8.
129Vgl. ook R.D.
Anderson, pp. 18-9.
130Gontard, p.
453, in een weergave van de triomfantelijke stemming binnen de
bourgeoisie.
131Vgl. Vaughan en Archer, pp. 127-8.
132Dat wil zeggen: voor
jongens. Meisjes werden grotendeels over het hoofd gezien, vgl. Gontard,
p. 533; vgl. Mayeur, passim; Post, pp. 102.
133Vgl. idem, pp.
493-536.
137R.D. Anderson, 1975; p. 38, vgl. Ariès, p. 949.
138Magraw,
p. 209; hoe groter het percentage grote landgoederen, des te groter het
aantal legitimistische notabelen; vgl. Prost, p. 177: De wereldlijke en
kerkelijke partijen vormden twee onafscheidelijke tegenspelers die
elkaar wederzijds vormden en versterkten; de katholieken die zich
gedwongen voelden tegen de ‘rede’ te zijn, tegenover de leken die zich
genoodzaakt zagen de ‘religie’ te verwerpen, omdat elke zijde vreesde
dat de aanvaarding van een van beide begrippen het andere zou
uitsluiten, en voor zichzelf uitmaakte dat de tegenpartij er net zo over
moest denken. Zeldin, p. 228: voor het eigenlijke leerplan maakte het
niet zoveel uit.
140Vgl. Ariès, pp. 925-930; Gontard, p. 272. Zo mochten de pas
opgerichte ambachtsscholen die voortgezet onderricht boden na de lagere
volksscholen onder geen beding ook maar de indruk wekken dat ze
aansluiting boden op het middelbare schoolstelsel. Zelfs Durkheim legde
er de nadruk op dat ‘het van het grootste belang is ze te
onderscheiden’. Mialaret en Vial, p. 109.
141R.D. Anderson, 1970, p. 69.
142Vgl. Prost, pp. 192-220.
143Voor een historisch
overzicht van Nederland onder Franse heerschappij vgl. Schama, 1977,
Kossmann, R.R. Palmer.
144‘De Maatschappij maakte tot
eigen voordeel gebruik van elke kans die uit het lokale politieke
conflict voortkwam,’ bijv. door - tegen de aloude privileges van de
hervormde ‘heren’ in - partij te kiezen voor de katholieke bewoners van
Brabant en hen aan te moedigen hun kinderen naar de scholen van de
Maatschappij te sturen, in plaats van naar de scholen van de hervormde
kerk; Schama, 1970, p. 597.
148Het Fries, en de dialecten van Brabant, Groningen en
Limburg zijn voor het ongeoefende oor van Nederlanders uit andere
streken vaak onverstaanbaar. Tot op de dag van vandaag vinden oudere
dialectsprekers het moeilijk om het standaard- A.B.N. te spreken, hoewel
iedereen het verstaat, leest en schrijft.
149Men schat dat rond 1800 ongeveer 75% van de mannen kon lezen
en schrijven, een percentage dat slechts door Schotland overtroffen werd
(88%); vgl. Knippenberg, p. 35; Frijhoff, pp. 15-17.
150Ibidem; vgl. ook Schama, 1977, p. 534: ‘De
Republiek had het Nut nodig om de eerste lichting beambten te leveren en
om de vaart te houden in de propagandacampagne voor vernieuwing. Het Nut
had de staat nodig om officiële minimumeisen vast te stellen.’ - en ook
om de salarissen voor de onderwijzers te subsidiëren.
151Vgl. Van der Giezen, die de
kracht van de anti-unitaire oppositie onderstreept.
153De
Onderwijswet van 1806 ‘werd metterdaad uitgevoerd en verschafte een
uitstekende basis voor de opbouw van een stelsel van openbare lagere
scholen.’ Kossmann, p. 96. ‘De enige ernstige problemen deden zich voor
in 1812, toen (zonder veel succes) werd gepoogd om de Nederlanders te
bewegen het Frans als eerste taal op de lagere school te introduceren,’
en toen bovendien de Franse financiële chaos de betaling van de
onderwijzers in gevaar bracht.
155Vgl. Knippenberg, p.
90; Röling, pp. 75-84. Na de totstandkoming van financiële gelijkheid
groeide het percentage langzaam tot 73% in 1970. Vgl. ook Verberne, p.
219; Dasberg & Jansing, 1978, pp. 56 e.v.
157Vgl. Lijphart, die het
Nederlandse model ‘consociationalistisch’ genoemd heeft. Vgl. ook
Stuurman.
158Vgl. Barnard, 1947; pp. 42-50; H. Silver, 1975; pp. 1-5.
160Uit de Handelingen geciteerd door Hurt, 1972, p. 20.
161De introductie van de één-penny-postzegel in 1840
werd een ‘grootse gebeurtenis voor het onderwijs’ genoemd, omdat dit de
correspondentie, en daardoor weer de alfabetisering zou bevorderen; vgl.
H. Silver, 1975, p. 96. Het is uiteraard een goed voorbeeld van
bevordering van de communicatie in het nationale netwerk.
162In
1834 kreeg de National Society vrijdom van zegelrecht,
de British Society bleef van dit voorrecht verstoken,
vgl. Hurt, 1972, p. 27.
163L.S. Stone, p.
81; vgl. ook Hurt, 1972, pp. 21 e.v.
164Vgl. Johnson, p. 98: ‘Zij die
zoveel spraken, schreven en preekten over het onderwijs, vormden
ongetwijfeld een minderheid met zeer duidelijke meningen. De meerderheid
stemde stilzwijgend met haar portemonnee, en werd ten langen leste
gedwongen om de schoolbelasting te betalen.’
165Vaughan en Archer, p. 37.
166Vgl. Digby & Searby, pp. 7-8. Het
Departement van Onderwijs voerde een examenstelsel voor onderwijzers in
en een systeem van betaling naar het aantal kinderen dat het diploma
haalde. Dit was een beleid ‘van heimelijke centralisatie, niet
verwezenlijkt door wetgeving, maar door regulering en daardoor
grotendeels ontoegankelijk voor parlementaire controle. De nota's
bevatten ook een soort van ingebouwde vermenigvuldiger van de
bestuurlijke bureaucratie: naarmate er meer schoolmeesters werden
aangetrokken, werden meer assistenten gediplomeerd en kwamen meer
scholen in aanmerking voor subsidies, zodat het aantal inspecteurs en
klerken dat de geldstroom moest controleren en verwerken ook toenam’
( ibidem).
167Vgl. voor de rol van de
inspecteurs in de totstandkoming van de instituties waaruit de Britse
verzorgingsstaat ontstond Roberts, passim: ‘Hun ijver
was verbazingwekkend - en hun integriteit blijkbaar onkreukbaar.’ Vgl.
pp. 185-202, over schoolinspecteurs. Vgl. ook Johnson.
168Plaatselijke geestelijken,
die hun zaken altijd via informele sociale contacten geregeld hadden,
waren de omgang met een centrale bureaucratie als het ministerie
absoluut niet gewend, en wisten ook niet hoe ze een subsidieverzoek
moesten opstellen. Vgl. Hurt, 1972, p. 47-8.
169Vgl.
Simon, pp. 126 e.v., over het tweeslachtige beleid van de middenklasse;
met de werkende massa's tegen kerk en adel, maar tegen die massa's als
het erom ging de eigen voorrechten te beschermen. Kortom: ‘In wezen
zagen de utilitaristen het onderricht aan de arbeidersklasse als een
noodzakelijke voorwaarde voor de emancipatie van het kapitaal - van de
middenklasse, en niet van de arbeid - van de arbeidersklasse zelf.’ p.
128.
170Vaughan en Archer,
p. 40.
171Vgl. Simon, p. 152, (p. 173); er was
net als elders verzet van behoeftige ouders die hun kinderen niet graag
naar school stuurden: ‘Ze moesten niet alleen geld zien te vinden voor
de schoolbijdragen, maar bovendien afstand doen van de inkomsten van het
kind.’ Hurt, 1979, p. 34.
172Vgl. ook Simon, p. 277, over de
onafhankelijke rol die de chartistenbeweging als arbeiderspartij begon
te spelen, met de Radicals voor parlementaire
hervorming, met de Tories voor
fabriekswetgeving.
173Vaughan en Archer, pp. 40-2.
174Sutherland, p. 15. Om deze reden noemt H. Silver, 1965, p.
xi, de geschiedenis van het volksonderwijs in de negentiende eeuw ‘een
soort militaire geschiedenis’. Vgl. ook Digby en Searby, p. 10; Glass,
pp. 392 e.v.
175De vrijwillige Societies bleken niet bij machte de meest misdeelde
groepen te bereiken, vooral niet in de steden; vgl. Marsden.
176Vgl. Simon, p. 183; vgl. ook Laqueur,
1976, p. 242: ‘Het radicalisme van de arbeidersklasse was resultaat van
alfabetisering... De zondagsscholen waren dan misschien wel opgezet als
pogingen tot beheersing en indoctrinatie, maar ze werden nooit
opgedrongen aan de arbeidersklasse, die veel waarden van de middenklasse
onderschreef, zich van de ruwen en rebelsen wilde onderscheiden, en aan
het godsdienstonderricht haar radicale politieke visie, aan de
alfabetisering haar retorische en organisatorische vaardigheden
ontleende.’
177Vgl. Vaughan en
Archer, pp. 127-8.
179Idem, p. 126; vgl. ook Hurt, 1972, pp. 111 e.v.
180Bijv. het Tractarianisme in de jaren zestig van de negentiende eeuw; de
Congregationalisten stelden zich op hetzelfde standpunt en verlieten de
British and Foreign Society. Hurt, 1972, pp.
45-6.
182Vgl. Lawson en Silver, pp. 314
e.v.
183Vgl. Sutherland, p. 3;
Musgrave, p. 63; vgl. Wardle, p. 73, die uit die tijd een vergelijking
met de spoorwegen citeert: ‘De public schools vormden
de eerste klasse, de grammar schools en private schools de tweede klasse, terwijl de elementary schools de derde klasse waren. Elk schooltype stond
ten dienste van een andere sociale klasse, en leidde de leerlingen op
voor een ander beroepsniveau.’
184Vgl. Hurt, 1979, p.
95.
187‘Engeland, de rijkste staat
van allemaal, kwam uitzonderlijk laat tot daden.’ L.S. Stone, p.
96.
188Vgl. R.D. Anderson, 1975, pp. 6-7.
189Vgl. Jefferson, vooral
pp. 362-3.
191Vgl. R.
Collins, p. 107.
192Vgl. Bailyn, pp.
45-6: na de Revolutie ‘hadden de meeste vooraanstaande staatslieden
ingrijpende plannen voor een nationaal onderwijsstelsel... Maar pogingen
om die voorstellen te realiseren leidden tot niets... Overal waar
plannen voor een stelsel van staatsscholen de invloed van sektarische
groepen dreigden aan te tasten werden ze verijdeld, of kwamen alsnog
onder zeggenschap van die gezindten.’
193Vgl. Kaestle, 1973, pp. 80
e.v.
198Kaestle, 1973, p.
166.
199Vgl. Cremin, 1980, pp. 166-170. Toen
bleek dat de katholieken kans van slagen hadden en staatssteun zouden
krijgen, eisten de overige kerken gelijke steun voor de scholen van hun
gezindte. Dit kan de autoriteiten ervan hebben weerhouden om aan de
katholieke eisen toe te geven.
200Cremin, 1977, pp. 49-53.
201Zie Cremin, 1980, pp. 148-185, voor
een korte bespreking van de oprichting van openbare-schoolstelsels in de
verschillende staten. De auteur waarschuwt echter: ‘Verscheidenheid was
de regel.’ p. 149.
202Vgl. Baylin, p. 102;
vgl. ook Kaestle, 1973, p. 20-21 (over de achttiende eeuw): ‘De aandrang
tot aanpassing in taal of godsdienst kwam voort uit eigenbelang, en niet
uit maatschappelijke regulatie.’
203Vgl. Thernstrom, pp. 307-8; Tyack, pp. 104-9; sommige
invloedrijke groepen immigranten drongen nochtans niet aan op onderwijs
in de eigen taal, omdat het tot verbrokkeling van het onderwijsstelsel
kon leiden; enkele kleine groeringen waren gekant tegen onderwijs in
andere talen, omdat hun taal dan toch niet aan bod zou komen: een
voorbeeld van wederzijdse onverschilligheid, of zelfs vijandigheid,
tussen de verschillende groepen ‘periferen’ in de bloemfiguratie.
205Vgl. Katz, 1976, p. 394: ‘Kortom: de angst voor culturele
heterogeniteit dreef tot de oprichting van openbare onderwijsstelsels;
van begin af aan waren de openbare scholen de dragers van de culturele
standaardisering.’
206Tyack, pp. 69 e.v.; Katz, 1968, pp. 163 e.v.; Kaestle, pp.
126-137.
207De negentiende-eeuwse
stedelijke schoolhervorming is onderwerp geweest van heftige polemiek.
Aan de ene zijde bijv. Katz, 1971: ‘Het openbaar onderwijs kwam voort
uit conservatieve, racistische en bureaucratische impulsen,’ p. 3. Aan
de andere kant een meer positieve waardering, bijv. bij Kaestle en
Cremin, 1977, 1980.
208Vgl. Monroe, p. 196;
bovendien ‘deed de nationale regering tot de periode van de Burgeroorlog
verder niets meer om het onderwijs te bevorderen of te steunen.’ p.
198.
210Vgl. Cremin, 1980, p. 177.
211Bowles en Gintis, pp. 176-7: ‘John D. Rockefeller en andere
invloedrijke financiers waren het belang gaan beseffen van de Zuidelijke
agrarische produktie en van de zwarte arbeidskrachten om de winsten van
de kapitalistische ondernemingen gaande te houden. Ze konden echter de
toetreding van zwarten tot het stelsel niet bewerkstelligen, en moesten
op dit punt toegeven aan de lokale bemiddelingsmonopolies: het onderwijs
voor zwarten bleef gescheiden, en werd steeds minder
gelijkwaardig.’
212Vgl. Tyack, pp. 109-125; Cremin, 1980, 218-245.
213Deze weergave volgt Lieberson, 1980, pp. 137-145.
216‘In de federale Grondwet werd
nergens melding gemaakt van onderwijs (...). De verscheidene staten
voelden zich daarom naar wet en gebruik vrij om in het onderwijs hun
eigen weg te gaan, al strekten ze elkaar tot voorbeeld en nam de ene
onbekommerd van de andere over.’ Cremin, 1980, pp. 159-60.
217Machine politics en etnisch buurtleiderschap
kunnen ook worden uitgelegd als strategieën voor het verwerven van
precies die positie van tussenpersoon die bemiddelt tussen een
betrekkelijk geïsoleerde etnische clientèle en de buitenwereld van
handel en politiek. De Amerikaanse kuststeden, met hun veeltalige
immigrantengemeenschappen, vormden al een bloemfiguratie op zich. De machine politicians konden hun bemiddelingsmonopolie
met succes exploiteren in de periode die nieuwe migrantengeneraties
nodig hadden om op school de vaardigheden te leren die vereist waren
voor zelfstandige participatie in het grotere
communicatienetwerk.
218O. Handlin, 1982, p. 6, wijst erop dat immigranten
die in hun land van herkomst tot minderheden hadden behoord - bijv.
joden, Turkse Grieken en Armeniërs - daar al een traditie bezaten van
eigen schoolorganisaties en dus in de Verenigde Staten in dit opzicht in
het voordeel waren.
219Rond
1900 patrouilleerden in de overheersend joodse Lower East Side van New
York City onderwijzers op de schoolpleinen om scholieren die Jiddisch
spraken te kunnen betrappen, aldus Berrol, p. 37.
|
|