|
|
|
| |
| | | |
· 4 · Medische politie, openbare werken en stedelijke
gezondheidszorg
In de loop van de negentiende eeuw maakte een aantal steden in West-Europa en
Noord-Amerika een ongekend snelle groei door.1 Rond 1800
overtrof het sterftecijfer nog het geboortecijfer, maar een halve eeuw later
trad al een omslag in.2 Bovendien trokken in toenemende getale
mensen van het land en uit kleine plaatsen naar de hoofdsteden. Met de
commercialisering van het boerenbedrijf werden veel dagloners en knechts
overtollig en daarmee werd het nog eens zo moeilijk om zonder eigen grond op het
platteland in leven te blijven. De traditionele nijverheid, die werkte met wind-
en waterkracht, absorbeerde een deel van het arbeidsoverschot in de omgeving.
Maar met de komst van de stoommachine begon de industriële activiteit zich te
concentreren rond havens en kolen- of ijzermijnen. In de hoofdsteden vormden
zich belangrijke financiële, commerciële en bestuurlijke centra, en in hun
nabijheid verrezen nieuwe industrieën. Al die activiteit trok migranten uit de
kleine steden en dorpen aan. En de beschikbaarheid van goedkope arbeidskrachten
in de groeiende steden lokte weer nieuwe bedrijven aan.3
De stad had nog andere bekoringen voor jonge en ondernemende mensen, voor
jongeren die de boerderij van hun ouders niet zouden erven, of die meer geleerd
hadden dan voor een kleinsteedse loopbaan nodig was, werkeloze boerenknechts en
plattelandsarmen die zich de reis konden veroorloven, familieleden van mensen
die naar de stad waren getrokken en daar succes hadden, of beweerden te hebben,
zij allen raakten in de ban van het grote-stadsleven, van rijkdom, vooruitgang,
carrière en sensatie, bevrijding van de banden van een kleingeestig dorpsleven
en het alomtegenwoordig toezicht van ouders, bazen en schoolmeesters. De
metropool betekende avontuur, avontuurtjes, erotische prikkels en culturele
genoegens. Gebrek aan economische mogelijkheden mag dan de migranten naar de
stad gedreven hebben, een zucht naar culturele en emotionele beleving trok hen
daarheen.4
Tot op de dag van vandaag oefent de grote stad aantrekkingskracht op jonge
mensen uit; het is dé plaats voor adolescenten, en de adolescentie als
levensfase is een modern en stedelijk verschijnsel.
De steden van het negentiende-eeuwse Europa vormden een interne frontier, een gebied van expansie en van nieuwe kansen voor de
ontwortelde landelijke bevolking, en dat geldt ook vandaag nog voor de steden in
Azië, Latijns-Amerika, en delen van Afrika. Ook in Amerika fungeerden de steden
aan de oostkust, en vooral New York, als een transcontinentale frontier voor de immigranten uit | | | | Europa. Over de
negentiende-eeuwse steden schreef Dyos:
Hier kwamen de nieuwe mogelijkheden van communicatie samen, vormden
zich nieuwe patronen van menselijke relaties, verrezen opeens nieuwe
instituties; nieuwe waarden, ervaringen, conventies en problemen vonden er hun
uitdrukking, terwijl oudere zienswijzen, gedragingen en beperkingen een andere
wending kregen of geheel verdwenen: overal het flakkerend falen van het absolute
in ideeën en opvattingen, een tastend zoeken naar een vrije omgang tussen
mensen, een verder gedemocratiseerde stedelijkheid.5
Miljoenen stroomden naar de steden, en overal waar de arbeidsmarkt de toevloed
niet kon absorberen, vormde zich een massa van behoeftige, vaak dakloze paupers,
die bijeenhokten in de sloppen, de binnenplaatsen, zolders en kelders van de
oude stadskern, of hun intrek namen in hutten op braakliggend terrein,
aangewezen op liefdadigheid en een bedreiging vormend voor de veiligheid van de
gevestigde stadsbewoners.6
In de loop van dit urbanisatieproces komen mensen in een andere
aggregatietoestand samen te leven, hechter, gestructureerder en meer
gedifferentieerd dan in vroegere maatschappijvormen. Onderlinge nabijheid en een
hoge mate van functionele interdependentie karakteriseren de stedelijke
samenlevingsvorm. Van autarkie kan voor de stad als economische entiteit nooit
sprake zijn, en dat geldt ook voor de afzonderlijke inwoners. In dat overvolle
milieu bleven geen open plekken over waar iemand in betrekkelijke
onafhankelijkheid de kost kon vergaren, buiten het bereik van de geldeconomie.
Er bleven geen plekken over waar iemand zich kon onttrekken aan de tweevoudige
beheersing door arbeidsmarkt en liefdadigheid, behalve in de stedelijke
onderwereld.7 Niemand in
de stad kon de dagelijkse confrontatie met het leven van de buren ontlopen;
andermans bezigheden werden voor anderen steeds noodzakelijker - en steeds
hinderlijker.
|
1Vgl.
Lampard, p.5, voor jaarlijkse cijfers over de bevolking in steden met
minstens 10.000 inwoners: in de eerste helft van de eeuw was de urbanisatie
het meest uitgesproken in Groot-Brittannië, maar na 1850 liepen Pruisen, de
Verenigde Staten en Frankrijk hun achterstand des te sneller in; Nederland,
dat rond 1800 nog het meest verstedelijkte land geweest was, bleef achter
tot het midden van de eeuw. Vgl. ook Schmal (red.).
2Vgl. Lampard; voor Amsterdam
bovendien Verdoorn, p. 31.
3Tegen het einde van de negentiende eeuw waren Londen, New York, Parijs en
Berlijn (in die volgorde) 's werelds grootste agglomeraties, die bleven
groeien met een verdubbelingstijd van ongeveer dertig jaar; vgl. Lampard, p.
9.
4Vgl. Banks voor Engeland, p. 112.
6Ariès, p. 129, beschrijft het
Parijs van vóór 1850 als volgt: ‘De overbevolking staat elke vorm van
sociale specialisatie in de weg. Er zijn geen arbeiderswijken, slechts één
wemelende menselijke massa, waarin alle rangen zich zonder onderscheid
hebben opgehoopt. Een en hetzelfde gebouw kan aan de achterzijde van een
binnenhof een aristocratische woning bevatten, waar het leven zich op nobele
wijze afspeelt, en aan de luidruchtige en smerige straatkant duistere
winkels of huurappartementen, sommige in burgerlijke stijl, andere arm, en
weer andere, vaak op de vlieringen, zelfs miserabel.’ Geciteerd in Butler
& Noisette, p. 55.
7In Wenen kende men de griasler die in de stadsriolen leefden, vgl. Bergman, en de
morgensterren en voddenrapers die de vuilnishopen afschuimden en zich in
latere jaren dan ook heftig zouden verzetten tegen het regelmatig ophalen
van vuilnis en afval, vgl. La Berge, p. 224, over Parijs.
|
|