|
|
|
| |
1 Migratie en de strijd om de stedelijke ruimte
Urbanisatie is een proces van voortdurende absorptie van immigranten, maar ook
van een niet aflatende strijd tussen de ‘gevestigde’ stedelijke bevolking en de
recent gearriveerde stedelijke ‘buitenstaanders’.8 Voor de gezeten burgers vertegenwoordigden deze nieuwkomers
tegelijk een kans en een bedreiging: ze waren bruikbaar als arbeiders,
winstgevend als klanten, rekruteerbaar als politieke aanhangers, en zelf ook
vaak ingenieuze ondernemers - een aspect van stedelijke migratie dat vaak over
het hoofd gezien wordt.9 Maar die immigranten werden indertijd ook als een bedreiging gezien
en als ‘barbaren, wilden, nomaden’ voor wie in de stad geen plaats was.10 Hun
plattelandsmanieren - die men grof en lomp vond - kwamen in botsing met de meer
wereldse zeden van de stad. Ook al omdat bij diefstal of beroving de verdenking
altijd het eerst op de nieuwkomers viel, werden zij beschouwd als een gevaar
voor de stedelijke veiligheid. | | | | Het oude stedelijke proletariaat
vreesde concurrentie van hun goedkope arbeidskracht.11 De meest
verbreide en ingeslepen houding van de gevestigde stadsbewoners tegenover de
nieuwkomers was dat ze maar zo snel mogelijk moesten verdwijnen, door lijfelijke
verwijdering,12 of door ze te veranderen in stadsmensen als alle
anderen. Maar omdat de nieuwe immigranten niet uit de stad geweerd of verjaagd
konden worden13
moesten ze wel op de een of andere manier worden gehuisvest, in de hoop dat ze
zich vroeger of later aan het stadsleven zouden aanpassen. Dit kwam er steeds
vaker op neer dat de armen en immigranten in gescheiden stadswijken werden
afgezonderd. Zelfs waar het stedelijke hervormingsbeleid gericht leek op de
sociale verbetering van paupers en nieuwkomers, bleek het in de praktijk de
sociale en ruimtelijke segregatie te versterken.
Afzonderlijke stedelingen konden hun nieuwe buren niet wegjagen, en ze konden
evenmin veel bijdragen aan hun transformatie. De onmiddellijke nabijheid van die
ongenode vreemdelingen wekte gedurige ergernis en een voortdurende angst voor
sociale botsingen en fysiek geweld.14 Juist deze aanhoudende wrijving tussen de gevestigden en de
buitenstaanders in de uitdijende stad bracht mensen ertoe om eigener beweging of
in collectieve bewegingen de maatregelen te nemen die het moderne stadsleven
zozeer hebben gevormd, en die hebben bijgedragen aan het ontstaan van de
medische en sociale voorzieningen die voorafgingen aan de huidige
verzorgingsstaat.
Het moderne stadsleven verloopt in talloos veel ontmoetingen die de stedeling met
een minimum aan conflict en ergernis moet weten te hanteren. Daarin wordt
voorzien door nieuwe scheidslijnen te trekken en duidelijker de grenzen te
markeren tussen de mensen die zo dicht opeengepakt leven. In de vroegindustriële
steden woonden rijken en armen door elkaar. Werk en gezinsleven speelden zich af
in dezelfde of aangrenzende ruimten. De straten vormden een natuurlijk
verlengstuk van de woningen, en de onderkomens van de armen waren ternauwernood
afgeschermd van gemeenschappelijke binnenplaatsen, latrines, trappenhuizen en
gangen. Dat kon er nog mee door zolang mensen precies wisten wat ze van elkaar
konden verwachten, zolang ze status en beroep van hun medeburgers konden
herkennen aan hun kleding en uiterlijke verschijning, zolang ze hun meerderen
respecteerden, vrede hadden met hun eigen maatschappelijke positie, en zich
hielden aan de regels voor het gebruik van gemeenschappelijke ruimten en de
vermijding van overlast.15 En zelfs dan
ging het soms verkeerd.
Het stadsleven betekende altijd al een gedurige wederzijdse irritatie. De vrij
plotselinge toestroom van nieuwkomers maakte dat nog erger. Niet alleen doordat
nu meer mensen een zelfde ruimte moesten delen, maar ook omdat de immigranten
aanstoot gaven, oningewijd als ze waren in de edele steedse kunst overlast te
vermijden (of het anderen straffeloos te bezorgen). En bovendien, al waren ze
heel wat ergernis gewend, de stedelingen werden overrompeld door de | | | | snelheid en de omvang van de stedelijke immigratie, juist omdat die nieuwe en
ongewone irritaties opriep.
In toenemend aantal werden mensen opeengepakt in de grote woonkazernes en hotels in de oude stadskern, die tot de laatste hoeken en
gaten waren gevuld.16 Op de begane grond woonde meestal een burgergezin, daarboven
woonde een kleine middenstander, een onderwijzer, een klerk, een winkelier met
vrouw en kinderen. De bovenste etages waren onderverdeeld in optrekjes die
werden verhuurd aan een winkelbediende, een gouvernante, een kleermaker. De
zolder was nog weer afgetimmerd in kleine hokjes waar een leerjongen, meid,
naaister of student een bed en een stoel kon neerzetten. Ook de souterrains
werden verhuurd, en in de vochtige kelders leefden vaak arme gezinnen met acht
of tien op één kamer zonder licht of frisse lucht.17
Iedereen was op dezelfde voorzieningen aangewezen, als die er al waren. Er werd
gekookt op kolenvuur en rook, as, stof en afval moesten ergens blijven, de
bewoners hadden een wasplaats nodig en een plek om hun waswater te lozen, en ze
moesten hun uitwerpselen kwijt. Het kon nog erger: als de bewoners een kamer om
beurten gebruikten, de ene ploeg 's nachts, de andere overdag. Het kwam voor dat
er helemaal geen water was, en dat men zich alleen ontlasten kon op de mesthoop,
in de goot of een verborgen hoekje in de achtertuin.
Bij de armen voltrok het grootste deel van het gezinsleven zich onder de ogen en
oren van anderen. Mensen deden hun was op de binnenplaats, en troffen hun
vrienden op straat, deden zaken, maakten ruzies of zochten hun pleziertjes in de
gemeenschappelijke gangen en trappenhuizen. Ze waren niet gewend hun zaken voor
zich te houden, binnenshuis, en daar hadden ze ook nauwelijks de ruimte voor -
als het al iets uit zou maken, want één deur verder was alles vrijwel letterlijk
te verstaan. Armen en immigranten waren vaak luidruchtig, opvliegend, zochten
ruzie en dronken graag. Dat alles kon niet verhuld worden, en werd ook niet
beschouwd als intiem of geheim. Het huiselijk leven speelde zich heel openlijk
af, en dat ergerde weer mensen die zo'n levenswijze afwezen en meenden dat wie
zich eraan te buiten ging, dat op zijn minst voor de buren moest verbergen.
Degenen die er aanstoot aan namen hadden het gevoel dat de nabijheid van hun
sociaal minderen op de een of andere manier ook henzelf omlaaghaalde: een
‘sociale smetvrees’18 die nog
krachtiger gewerkt kan hebben dan ergernis over de feitelijke overlast. Wat zo
vernederend was aan deze situaties, was het onmiskenbaar onvermogen van de
gevestigde burgers om de omgeving waarin zij hun sociale rol speelden passend te
ensceneren, en om hun optreden te beschermen tegen storing door vreemde
indringers. De ‘nette gezinnen’ hadden het gevoel dat ze over één kam geschoren
werden met hun ‘onfatsoenlijke’ buren. En men mag rustig aannemen dat de meeste
landelijke immigranten en stedelijke armen zich van hun kant betutteld en
ingekapseld voelden door de neerbuigende en regelzuchtige bemoeials die zich
boven hen verheven achtten.
Thuis, maar ook op straat, moest onder omstandigheden van fysieke nabijheid de
sociale afstand bewaard of hersteld worden. Alleen de allerrijksten kon- | | | | den het zich veroorloven om zich in hun herenhuizen te verschansen
en, in hun rijtuigen weggedoken of door hun bedienden beschermd, de straten van
de stad te doorkruisen. En ook zij hadden soms smaad, hatelijke opmerkingen en
beledigingen van voorbijgangers te duchten. De minder gefortuneerde
stadsbewoners konden het ruw gewoel van de stadsstraten niet ontlopen, liepen
dagelijks het risico van onaangename ontmoetingen en werden voortdurend door
venters en bedelaars aangeklampt. Ze moesten hun persoon tegen aanvallen
beschermen, hun bezit tegen diefstal, en hun waardigheid tegen hoon en
smaad.19 Weer anderen -
maar vaak ging het om dezelfde personen in een andere hoedanigheid - zochten in
de openbare ruimten ruw vermaak, opwindende ontmoetingen en soms een vlugge
winst, buit of romance.
De negentiende-eeuwse stadsstraten, grotendeels onverhard en met open goten,
waren smerig, bezaaid met afval, smal en overvol, rumoerig en doortrokken van
allerlei geuren van vuilnis, keukens, open riolen en werkplaatsen in de
openlucht. Dieren - honden, maar ook kippen, geiten en varkens - scharrelden
onbeheerd rond: zij aten ten minste meer afval op dan ze zelf produceerden. De
meeste straten werden niet geveegd, en als er al sprake was van riolen, dan
waren dat doorgaans open voren in het midden van de straat, vol dierlijke en
menselijke uitwerpselen.
Het stadsleven had ook nog te lijden van een overvloed van kleine werkplaatsen in
en tussen de huurkazernes. Een slager slachtte zijn dieren op de binnenplaats,
een leerlooier maakte er zijn huiden schoon; een ketellapper of smid oefende
zijn luidruchtig ambacht uit op de trap voor het huis; een timmerman of
schoenmaker had zijn zaak op de stoep gevestigd en belemmerde de doorgang.
Klanken, geuren en dampen alom, en overal stuitte men op afval en vuilnis. De
fabrieken, dikwijls in het hart van de stad, maakten een oorverdovend kabaal en
braakten hun zwarte rook uit, stortten hun smerige afval in de rivieren en
kanalen van de stad. Het verkeer was nog drukker en lawaaiiger dan nu, de
rijtuigen ratelden over de kinderkopjes, botsten op losliggende stenen of goten
en kwamen in de modder vast te zitten.
De menselijke ellende was in de straten van de stad zichtbaar en vaak opzichtig
aanwezig.20
Massa's mensen waren volkomen berooid, zonder hoop op verbetering, velen waren
ziek, misvormd of invalide: ze zaten op de stoepen, sliepen in portieken of
onder bruggen en vaak stierven ze daar ook. Analfabete en ongeschoolde jongeren
hingen op straat rond, op zoek naar een hap eten om de dag door te komen.
Verwaarloosde en ondervoede kinderen zwierven doelloos door de straten. Tot aan
het eind van de eeuw bleef de kindersterfte ontstellend groot. Oudere mensen
werden vaak aan hun lot overgelaten, zonder pensioen of medische zorg, en
niemand die voor ze zorgde. De ellende van de Victoriaanse steden werd ten
slotte een nachtmerrie voor de tijdgenoten, het onderwerp voor een literair
genre van aanklacht en hervorming.21
Mensen konden onder die omstandigheden inderdaad maar moeilijk op hun ponteneur
blijven staan. Vooral vrouwen liepen het gevaar van ongewenste con- | | | | frontaties, en dat was dikwijls al voldoende reden om openbare plaatsen niet
langer zonder geleide te bezoeken. Waar strikte beperkingen golden voor de
verschijning van vrouwen in het openbaar, moesten vrouwen die zich toch op
straat vertoonden dus wel onfatsoenlijk zijn, en die veronderstelling gaf mannen
een excuus om haar aan te spreken.22 Die
vrijpostigheid weerhield dan weer de vrouwen die het vermijden konden, om in het
openbaar te verschijnen zonder chaperon.23
Het openbaar vervoer - schuiten en paardetrams - bracht mensen van zeer
uiteenlopende achtergrond in een kleine ruimte bijeen, en ook dit werd dikwijls
als een inbreuk op de eigen persoonlijke waardigheid gezien door wie zich boven
zijn medepassagiers verheven voelde maar om financiële redenen deze ongewenste
nabijheid van vreemdelingen niet ontlopen kon. In deze trams vonden klerken,
winkeliers, ambachtslieden en hun vrouwen zich - vaak voor het eerst van hun
leven - samengepakt met mensen van lager stand, zoals venters,
fabrieksarbeiders, viswijven of dokwerkers, en dit alleen al veroorzaakte veel
ergernis en zorg om eigen status.24
Samenvattend: de immigratie naar stedelijke gebieden voegde aan het vertrouwde
ongemak nieuwe en ongewende tegenslagen en tekorten toe in de levens van zowel
nieuwkomers als gevestigde burgers. Juist de ruimtelijke dichtheid en
economische verbondenheid intensiveerden en vergrootten de externe effecten van
individuele tekorten en tegenslagen, en maakten het vrijwel onmogelijk voor
iedereen - behalve de zeer rijken - om zich te isoleren van de gevolgen van
andermans handelingen en wederwaardigheden. En net zo was het vaak heel moeilijk
om anderen van de voordelen uit te sluiten die men zelf had verworven en
betaald.
Het stadsleven bracht zo zijn eigen onzekerheden met zich mee: misdaad,
straatgeweld, rebellie, de onvoorspelbare cycli van de stedelijk-industriële
arbeidsmarkt, en massale epidemieën. Voor geen van deze tegenslagen bestonden
ook maar enigszins betrouwbare remedies.
De stedelijke bevolking was verbonden door steeds langere en hechtere
interdependentieketens, die de onderlinge externaliteiten versterkten. En al was
het besef van die externaliteiten op zijn best vaag, het kon niemand ontgaan dat
deze onderlinge afhankelijkheid de armen en rijken, de gevestigden en
buitenstaanders verbond. In het negentiende-eeuwse stedelijke bewustzijn vond
die samenhang een nieuwe en obsederende uitdrukking in het spookbeeld van de
cholera.
|
8Vgl.
Elias en Scotson, vooral Elias' inleiding bij de Nederlandse editie van
1976.
9Vgl. O. Handlin, 1979, pp.
65-9.
10Chevalier, p. 517 en passim.
11Vgl. G.S. Jones, p. 146: des te meer omdat men dacht dat de stedelijke
armen ‘gedegenereerd’ waren, in vergelijking met de ‘gezondere’ en wellicht
meer gezeggelijke plattelandsbevolking; vgl. pp. 127 e.v.
12Vgl. Cobb, pp. 241-2, voor een
mislukte poging rond 1800 in Parijs; een meer recent en subtiel plan was de
verwijdering van ‘asociale’ en ‘onaanvaardbare’ gezinnen naar daarvoor
bestemde gebieden waar ze onder streng toezicht werden geplaatst; vgl. De
Regt, pp. 19-239.
13Veel regeringen van in een hoog tempo
urbaniserende landen hebben getracht de desertie van het platteland in hun
greep te krijgen, maar pas in de twintigste eeuw ontstonden de technieken
die hen daartoe in staat stelden, bijv. in de Sovjetunie en China.
14Recente
onderzoekingen bevestigen deze negentiende-eeuwse angsten en stereotypen
niet. Integendeel, M. Anderson constateert dat in het midden van de
negentiende eeuw meer dan de helft van de Engelse stadsbevolking ergens
anders dan in de woonplaats geboren was, en dat ‘de meeste uit het Verenigd
Koninkrijk afkomstige migranten over voldoende vaardigheden, middelen en
contacten beschikten om het leven in de steden aan te kunnen’ (p. 89). De
leren, daarentegen, hadden wél met achterstelling en discriminatie te
kampen.
15Vgl. Loflands ideeën over de
historische transformatie van de stedelijke openbare orde, treffend
samengevat in haar hoofdstuktitels: ‘De preïndustriële stad: ordening naar
verschijning; De vroeg-industriële stad: verwarring en de dynamiek van
verandering; De moderne stad: ruimtelijke ordening.’
16Vgl. Burnett, p. 65: ‘Doorgaans vond
men onderdak in bestaande, vaak oude huizen waar ooit welgestelde, zij het
niet echt rijke families gewoond hadden, maar die nu vervallen waren tot
pensions in alle gradaties van respectabiliteit en onfatsoen. Ze maakten
deel uit van het proces van stedelijk verval, waarin vanaf het einde der
achttiende eeuw de meer welgestelde klassen het lawaai, het vuil en de stank
van de overbevolkte stadscentra achter zich lieten voor de rust en sociale
homogeniteit van de voorsteden, waardoor een leegte ontstond die al spoedig
tot overlopens toe werd opgevuld door nieuwe golven migranten.’ Zie O.
Handlin, 1982, pp. 366-372, voor de Verenigde Staten, Geist voor
Berlijn.
17Vgl.
Burnett, pp. 58 e.v.; zie Verdoorn, pp. 226-40, voor Amsterdam.
20Parijs spande aan het begin van de
negentiende eeuw misschien wel de kroon; vgl. Cobb, Chevalier.
21Vgl. Boyer voor de
Verenigde Staten, Wohl, 1977, 1983, voor Engeland, Chevalier voor Frankrijk
(Parijs).
22Prostitutie was veel
opvallender en wijder verbreid in de stad, jonge arbeidsters en immigrantes
hadden er vaak een bijverdienste aan; vgl. Cobb, pp. 234-9. Hierdoor werd
het moeilijker op het eerste gezicht al ‘fatsoenlijke’ vrouwen van
‘onbetamelijke’ te onderscheiden; vgl. ook Trudgill.
23Vgl.
‘Uitgaansbeperking en uitgaansangst’ in De Swaan, 1982.
24Vgl. Van Daalen, die
een studie heeft gemaakt van de klachten door geërgerde passagiers van de
Amsterdamse trammaatschappij rond 1900. Ze onderzocht ook de klachten die
burgers tot de autoriteiten richtten over burenoverlast, en die het
stadsbestuur wellicht mede ertoe hebben aangezet om sanitaire maatregelen te
treffen en een gezondheidsdienst in te stellen.
|
|