|
|
|
| |
2 Cholera als paradigma van stedelijke interdependentie
In zijn reeds klassieke studie over de invloed van epidemische ziekten op de
menselijke geschiedenis schrijft William McNeill:25 ‘De zwerftocht van de cholera over de wereld
was de eerste, en in veel opzichten de belangrijkste, manifes- | | | | tatie van de verandering in ziekterelaties die de industrialisatie
teweegbracht.’ Hoewel in 1819 de gele koorts in Barcelona had toegeslagen, waren
in Europa na de laatste pestilentie van 1720 te Marseille geen epidemieën van
betekenis meer voorgekomen.26 De eerste uitbarsting van de cholera bracht dan ook grote
ontzetting. De golf van 1832 eiste 18.000 slachtoffers in Engeland, en een
zelfde aantal alleen al in Parijs.27
‘Cholera - het woord alleen al zaaide paniek!’28 In hun hulpeloosheid konden de autoriteiten
slechts een beroep doen op hogere machten: ‘Waar het de almachtige God behaagd
heeft het Verenigd Koninkrijk te bezoeken met de ziekte genaamd Cholera...’29
In de volksverbeelding van die dagen verenigde het spookbeeld van de cholera in
één grote obsessie de preoccupatie met bestaanswijzen en beproevingen van de
armen, met de sanitaire gevaren die daarin scholen voor de gevestigde burgerij,
en met de noodzaak van stedelijke sanitaire en bestuurlijke hervorming. Haast
alle stedelijke bekommernis om orde, fatsoen en reinheid kon worden samengevat
in dit paradigma van ziekte en besmetting, en tegelijk zinspeelde die notie al
op een programma van preventie. De massa-epidemieën boden daarbij een treffend
beeld voor de interdependentie tussen stadsgenoten die armen en rijken,
gevestigden en nieuwkomers, onwetenden en ontwikkelden gelijkelijk verbond.
Verwoord in de termen van de Inleiding, fungeerden de cholera-uitbarstingen als
een aanschouwelijke les in de externe effecten van individuele tekorten, in de
onzekerheid over moment en omvang van tegenslagen, en de onzekerheid over de
effectiviteit van individuele remedies. Alles leek te wijzen op de noodzaak van
collectieve en verplichte maatregelen op stedelijke schaal, ter bestrijding van
de risico's van massale besmetting.30
Aanvankelijk riep het gevaar van besmettelijke ziekte alleen wederzijdse afkeer
op tussen rijk en arm - sommige krotbewoners geloofden zelfs dat de cholera het
resultaat was van een komplot van de heersende elite om hen te vergiftigen en
uit te roeien.31 De
rijken van hun kant gaven de slachtoffers de schuld:32 ze waren overtuigd dat de infectie het gevolg was van de
verdorvenheid en de vieze gewoonten van de armen; dat de armen met hun
immoraliteit de plaag over zichzelf afriepen, en daarmee ook de gezondheid van
de rijken zelf bedreigden. Leefwijze, voeding, hygiëne, huisvesting,
seksualiteit of drankgebruik van de één waren voor anderen niet langer alleen
aanleiding tot medelijden of ergernis, maar werden steeds vaker opgevat als een
bron van reëel gevaar. Men ging beseffen dat de externe effecten van het
particuliere leven van de armen ver doorwerkten in het bestaan van de overige
bewoners: zover als de miasmatische substantie kon doordringen of ziektekiemen
konden gaan.33
Stadsbeambten en medici met een meer praktische instelling realiseerden zich dat
deze epidemieën op de een of andere manier een gevolg moesten zijn van
stedelijke vervuiling, en dat elke poging om ze te bedwingen tot falen gedoemd
was zonder een grote schoonmaak van de sloppenwijken.
Maar massale epidemieën vormden niet de enige bedreiging die de negen- | | | | tiende-eeuwse stedelingen kwelde; ook de angst voor opstand,
straatrellen en misdaad heerste alom. Ook deze dreigingen zetten de gevestigden
op tegen de bezitslozen, brachten argwaan en haat teweeg, en boden
tegelijkertijd een idioom waarin vage intuïties van onderlinge afhankelijkheid
verwoord konden worden. Het lot van de armen mocht droevig zijn, misschien wel
door hun eigen schuld, maar dit leed zou op een kwade dag op de rijken gewroken
kunnen worden: in collectieve actie zoals gewelddadige opstand tegen de
stedelijke orde en rebellie, of in al even eensgezind optreden tegen een
bijzonder mikpunt, zoals rellen tegen gehate magistraten of woekerende
winkeliers.34 Zulke uitbarstingen kwamen hooguit een of twee keer in
een mensenleven voor, maar ze leefden lang en scherp voort in de herinnering, en
bleven aanwezig in de marge van het stedelijk bewustzijn.
Tegen het einde van de eeuw was het proletariaat beter georganiseerd, en werden
deze gewelddadige onlusten opgevolgd door meer beheerste vormen van collectieve
actie, stakingen, die niet altijd vreedzaam verliepen, maar de stedelijke orde
toch minder ontwrichtten.
De kleine misdaad was een andere alomtegenwoordige plaag van het stadsleven, die
ook al opgevat werd als een bijverschijnsel van de armoede: de behoeftigen
werden uit nood tot diefstal gedreven, of hun misdaad én hun armoede werden
beide toegeschreven aan hun immorele geaardheid. De meeste misdaden werden door
enkelingen of in kleine groepjes gepleegd: het collectief bedrijf van bendes was
vooral een verschijnsel van het platteland, en de hoogtijdagen van de stedelijke
georganiseerde misdaad kwamen pas later, tegen het einde van de eeuw. Die
misdaden dupeerden de mensen een voor een, troffen individuele voorbijgangers en
de woningen van afzonderlijke gezinnen. Het typisch negentiende-eeuwse antwoord
op de stedelijke criminaliteit was echter bij uitstek collectief: verhoogde
waakzaamheid door de sinds kort ingestelde permanente politiekorpsen.
Ook de epidemieën werden gezien als een gevolg van individuele handelingen, al
ging het hier meer om zonden van omissie dan weloverwogen wandaden. Er was geen
duidelijk inzicht in de wijze waarop ziekten zich verspreidden. Maar volgens
negentiende-eeuwse opvattingen was ‘grove nalatigheid’ een oorzaak van ziekte:
mensen die vuil verspreidden, stank veroorzaakten, afval ophoopten of hun
behoefte op straat deden, vergrootten het risico van epidemieën voor het gehele
stadsgebied. En de onbedoelde resultante van deze individuele acties, of van dit
individueel gebrek aan voorzorg bracht inderdaad de collectiviteit in gevaar.
Opstand, straatrellen, misdaad en besmettelijke ziekte waren de vier ruiters van
de stedelijke Apocalyps. En het antwoord van de stadsgemeenschap op al deze
plagen was de roep om politie. In die tijd verwees de term niet alleen naar
waakzaamheid en repressie, maar ook naar veelomvattende en ingrijpende
preventieve maatregelen. Ook bleven de connotaties niet beperkt tot veiligheid
in de moderne zin van bescherming tegen diefstal en geweld; ze omvatten het
volledi- | | | | ge bereik van openbare veiligheid, met inbegrip van taken
die later afgestoten werden, zoals volksgezondheid en hygiëne, of zelfs
voorlichting. Het achttiende-eeuwse Duitse woord Polizey is
nog het beste te vertalen met ‘beheer’, en de betekenis van het Engelse woord
police in de vroege negentiende eeuw benadert die van de
hedendaagse termen ‘inspectie’ en ‘dwang’.35 Behalve in Frankrijk was een permanent politiekorps ter
handhaving van de openbare orde in het begin van de negentiende eeuw nog een
nieuwigheid.36 Rond die
tijd werden in verschillende landen permanente diensten van ‘medische politie’
opgericht voor de inspectie van sanitaire omstandigheden en het toezicht op de
naleving van maatregelen van openbare hygiëne.37 Beide soorten politie
vormden een collectief antwoord op de bedreigingen van het stadsleven: een
openbaar arrangement op stedelijke schaal bekleed met dwingende bevoegdheden en
gefinancierd uit de belastinggelden. De medische politie bleek in de grote
steden van Europa en de Verenigde Staten even effectief als de stedelijke
politiemacht. Ze legde niet alleen de armen een sanitaire discipline op, maar
deinsde er evenmin voor terug de rijken, vooral de huiseigenaren, haar
richtlijnen dwingend op te leggen.38
In toenemende mate stelden zowel de medische als de stedelijke politie het
stadsbestuur in staat om die aspecten van het gedrag der burgers te beheersen,
en dat waren er vele, die ongewenste externe effecten konden veroorzaken. Maar
de stad begon ook diensten te verlenen die de stedelijke levensomstandigheden
zelf veranderden: straatverlichting, de aanleg van verharde straten (tegen
modder en plassen), de leverantie van zuiver drinkwater, de verwijdering van
menselijke uitwerpselen, het ophalen van afval en vuilnis uit huizen en straten,
openbaar-vervoersstelsels, openbare scholen voor de armen en minder armen, en
later ook gas-, elektriciteit- en telefoonstelsels, en - zeer recentelijk -
kabelantennesystemen. De meeste van deze stedelijke voorzieningen waren opgezet
als netwerken, die elke gebruiker met een groot toeleveringscentrum verbond via
een stelsel van pijpen, kabels, draden, wegen of spoorlijnen.
In de negentiende-eeuwse, stedelijke, collectieve arrangementen spelen dus twee
begrippen een sleutelrol: het idee van politie, en het idee van een netwerk. Net
als collectieve goederen hebben ze allebei hun eigen rekenkunde voor de
toerekening van kosten en baten. Een politiemacht is in theorie het meest
zuivere collectieve goed van de twee: de waakzaamheid komt in een bepaald gebied
alle burgers zonder uitzondering ten goede, niemand kan zich aan die aandacht
onttrekken, en evenmin kan iemand uitgesloten worden van de veiligheid die
geacht wordt daaruit te resulteren. Een politiemacht is universeel in haar
voordelen, en alleen specifiek in haar straffen, althans zo zou het moeten zijn.
Een netwerk bestaat anderzijds uit heel specifieke aansluitingen die aan
individuele abonnees bepaalde voordelen kunnen verschaffen, terwijl alle
anderen, die de prijs niet betaald hebben, daarvan worden uitgesloten. Toch
creëerden deze netwerkverbindingen, zoals we nog zullen zien, externe effecten
voor diegenen die zich niet geabonneerd hadden, terwijl degenen die zonder
aansluiting bleven weer externe effecten voor de abonnees konden creëren. De
noodzakelijke in- | | | | vestering voor de infrastructuur van het netwerk
- de centrale installaties en de hoofdverbindingen - vereiste bovendien een
grootschalige financiering; ook dit bracht specifieke problemen van collectieve
actie met zich mee.
Het specifieke karakter van de dienstverlening en de bijzondere eigenschappen van
het bebouwde gebied bepaalden de problemen waarvoor het stadsbestuur zich
gesteld zag bij de aanleg van stedelijke netwerken. Veel hing ook af van de
voorgeschiedenis, van het machtsevenwicht tussen de verschillende stedelijke
klassen, van de kracht van het stadsbestuur, van de mate waarin de centrale
staat bereid was het lokaal bestuur te steunen en de plannen te subsidiëren, en
van de rijkdom of armoede van de stadsgemeenschap in haar geheel. En
ongetwijfeld speelde ook de hydrologische en demografische gesteldheid van de
stad een belangrijke rol bij de vorming en timing van stedelijke
voorzieningen.39 Maar overal stelden de voorwaarden van het
stedelijke leven zelf hun eigen beperkingen, en boden ze nieuwe mogelijkheden
voor de collectivisering van de bescherming tegen de bedreigingen van het
stedelijk bestaan.
Het doorslaggevende feit in het stadsleven was de onvermijdelijkheid van
confrontaties tussen mensen van verschillende klassen, die zich niet aan hun
wederzijdse afhankelijkheden konden onttrekken. In de economische betrekkingen
tussen kapitalistische ondernemers en arbeiders waren de laatsten aangewezen op
hun werkgevers om een loon te verdienen in ruil voor hun arbeid, zoals de
eersten afhankelijk waren van de werkende klasse om de werkkrachten te
rekruteren die hun machines bedienden. Zo hadden ook de grote huiseigenaren de
immigranten nodig om hun woningen aan te verhuren, en de nieuwkomers konden
zonder hen geen onderdak vinden. Natuurlijk waren deze afhankelijkheden bij al
hun wederkerigheid geenszins symmetrisch: voor een arbeider was het verschil
tussen het vinden of niet vinden van een baan een kwestie van voortbestaan of
verhongeren, maar of een werkgever al dan niet de geschikte man kon vinden
maakte voor hem het marginaal verschil van een machine meer of minder die
draaiend gehouden werd. Hetzelfde geldt voor een gezin dat onderdak zocht en
iemand die uit een zolderkamer een extra voordeel probeerde te slaan. Toch zijn,
in hun totaliteit, de werkgevers evenzeer afhankelijk van de arbeiders als
andersom, en dit geldt ook voor de interdependentie tussen alle huiseigenaren en
alle huurders. Maar dan nog is de afhankelijkheid van werkgevers en
huiseigenaren minder intens en direct dan die van hun tegenhangers, arbeiders en
huurders, omdat de eersten bij tegenslag meer reserves hebben om op terug te
vallen, terwijl ze zich doorgaans ook beter georganiseerd hebben, beter in staat
zijn tot coördinatie, en gemakkelijker toegang hebben tot de politieke arena.
Maar naast deze vrij algemene interdependenties bestonden er ook andere,
specifiek voor de omstandigheden van het stadsleven, en verbonden met de
openbare orde en het gebruik van de stedelijke ruimte.
|
27Vgl. Finer, p. 333;
Coleman, p. 172.
29Uit de preambule van de Cholera Act van
1832, geciteerd in Checkland, p. 3.
30Frevert schrijft:
‘De geschiedenis van de cholera - die voor Duitsland nog geschreven moet
worden - is grotendeels een geschiedenis van de klassenverhoudingen in de
burgerlijke samenleving, waarin de bezittende strata zich in toenemende mate
bedreigd voelden door de bezitsloze, “zieke” lagen van de bevolking’ (p.
128), en (p. 125): ‘Het probleem van het pauperisme - de aanwezigheid van de
armen in de stad - werd zelf weer gezien als een vreemd lichaam ( Fremdkörper), dat als een sociale ziekte moest worden
“weggesaneerd”. Het pauperisme, een tweevoudig pathologisch probleem, werd
een sociaal gevaar van de eerste orde.’ Zie ook Delaporte voor de
klasseconnotaties van de cholera in Parijs, 1832.
31Vgl. Finer, p. 349: ‘De bevolking van de
sloppen verloor al gauw het hoofd; sommigen geloofden zelfs dat de dokters
de putten vergiftigden om de bevolking uit te dunnen, en dat de inspecteurs
vooral kwamen kijken of de slachtoffers niet te slordig gekozen werden.’ In
Glasgow werd geprotesteerd tegen de verbranding van lompen in besmette
wijken (Checkland, p. 2). De Engelse armen beschouwden de choleravrees van
1832 vooral als ‘volksverlakkerij’, aangesticht door dokters die hun zakken
wilden vullen; vgl. Morris, pp. 96-101 (zie pp. 108-114 voor volksopstootjes
gedurende de epidemieën). Ook in Duitsland, meldt Frevert (pp. 130-2),
verdacht men de medici ervan dat zij de ziekte hadden verspreid om eraan te
verdienen; zij werden bedreigd, en zelfs aangevallen: de armen hadden al
zolang aan zoveel ziekten geleden zonder dat de autoriteiten zich daar druk
over maakten, dat ze tegenover deze nieuwe ziekte een fatalistische houding
aannamen, en zich kwaad maakten over het verbod op samenscholingen en
markten, dat hen ook het meest gevoelig trof. In de Verenigde Staten was het
al niet anders, schrijft Rosenberg (p. 33): ‘Artsen en stedelijke beambten
werden aangevallen en genadeloos afgetuigd.’ Chevalier, p. xxi, over Parijs
in de jaren dertig van de negentiende eeuw: ‘Onfortuinlijke voorbijgangers,
die op grond van hun ongunstige uiterlijk de schuld kregen van de
verspreiding van de ziekte en de vergiftiging van voedsel en putten, worden
op straathoeken en pleinen vermoord of in de Seine gegooid.’
32Frevert heeft het over een selbstschuld Paradigma, vgl.
pp. 137-8. Vgl. ook Rosenberg, p. 150: ‘Voor veel Amerikanen... was de
bewoner van de sloppenwijken zelf verantwoordelijk voor de vuiligheid waarin
hij leefde.’
33Een bloeiende ‘cholera-industrie’ ontstond,
die allerlei kwakzalverijen te bieden had (Frevert, p. 130). Rond het midden
van de eeuw was de toediening van constiperende middelen de
voorkeursbehandeling geworden, een remedie waarvan de schadelijke effecten
slechts beperkt werden doordat minder frequente stoelgang de kansen op
herbesmetting van de patiënt verminderde; vgl. Finer, p. 343.
34Vgl. voor dergelijke ‘strijdvaardige
samenscholingen’ de bijdragen L. Tilly en Ch. Tilly (red.), 1981 en Tilly
e.a., 1975.
35Vgl. Frevert
over medizinische Polizei, pp. 66 e.v.; Rosen, pp.
142-58.
36De Londense Metropolitan
Police Force werd in 1829 gevormd, vgl. Richter, p. 4 e.v.; vgl.
ook David Jones, pp. 107-13; A. Silver; P. Smith, pp. 15-27; en voor Parijs,
Cobb. Zie Bayley voor een vergelijkend historisch essay.
37De
oorspronkelijk zeer brede betekenis van medical police
ging zich steeds meer beperken tot de bestrijding van epidemische ziekte en
het toezicht op de volksgezondheid. In deze enge zin werd de term gedurende
de negentiende eeuw in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten gebruikt;
vgl. Rosen, p. 153. Wohl, 1977, p. 111, vermeldt dat rond 1850 de ‘sanitaire
inspecteurs’ die onder de medische ‘officier van gezondheid’ stonden ‘soms
spottend “medische politie” genoemd werden’.
38De inspectiebezoeken
van de officiers van gezondheid ‘maakten het woonhuis tot een ruimte die in
zekere zin niet langer heiliger of meer privé was dan de werkplaats, en de
invloed hiervan op de veranderende ideeën over de rechten en plichten van de
eigendom kan daarom nauwelijks overschat worden.’ Wohl, 1977, p. 116. Kalff
heeft laten zien hoe vanaf 1848 in Parijs ‘hygiënecomités’ werden gevormd
uit aanzienlijke burgers, notabelen, en academici; met hun aanzien in de
gemeenschap moesten zij de huiseigenaren overreden om de hygiënische
maatregelen op te volgen die het stadsbestuur bij gebrek aan eigen gezag nog
niet rechtstreeks kon opleggen.
39Zo bevonden kuststeden (New York bij
voorbeeld) of steden aan een rivier met getijden (zoals Liverpool) zich in
een gunstiger positie voor de afvoer van hun rioolwater dan steden in het
binnenland (zoals Manchester); vgl. Daunton, p. 255. In Amsterdam voerden de
grachten het afval naar de Zuiderzee, waar het tij nog wisselde, maar de
Jordaan, de sloppenwijk in het centrum, stond op lagere grond en kon
moeilijk afgewaterd worden, vgl. Carasso; Van Zon. Ook het heuvelachtige
karakter van Parijs veroorzaakte bijzondere problemen, want al het
afvalwater moest door de lager gelegen wijken geleid worden, vgl. Dupuy en
Knaebel. Maar overal was het voornaamste probleem dat de grenzen van
politieke eenheden niet correspondeerden met de hydrologische en
demografische entiteiten die de materiële vereisten van het sanitaire
stelsel bepaalden.
|
|