|
|
|
| |
| | | |
3 Individuele oplossingen, netwerken en collectieve goederen
De stedelijke armoede was zo alomtegenwoordig, zo dodelijk drukkend, dat het
probleem onvermijdelijk en onoplosbaar leek: ‘Die onafzienbare, armzalige,
ontembare horden, van diep gezonken schepselen.’40 Bij een vraagstuk van
zo immense omvang keken de beter gesitueerden liever de andere kant op,
probeerden er niet aan te denken, en zochten argumenten om hun geweten te sussen
en de schuld te leggen bij de armen zelf of bij een komplot van manipuleerders
en monopolisten.
Wie het zich kon veroorloven, trok weg uit de buurten waar de armen woonden. Dat
was de dominante strategie van de negentiende-eeuwse stadsbewoners: verhuizen
naar rijker, schoner, ruimer en veiliger wijken - de strategie van het
individueel isolationisme. Een gezin dat in een betere buurt kon huren of kopen,
koos voor die uitweg. Zodoende reproduceerden de individuele isolationisten
ongemerkt het probleem van stedelijke armoede in andere vormen, met nieuwe en
verderreikende externe effecten. De resultante van dit individueel isolationisme
was ruimtelijke segregatie: de afzondering van de verschillende sociale klassen
in aparte woonwijken. In de loop van dit proces is de eenheid van analyse
verschoven van individuen met uiteenlopende sociale posities naar stedelijke
gebieden van verschillende sociale samenstelling. De strijd om de stedelijke
ruimte werd niet langer gestreden tussen individuen op de vierkante meter, maar
voltrok zich nu tussen verschillende stadswijken, die ieder lastige nieuwkomers
trachtten te weren of hinderlijke bedrijven probeerden weg te houden, waarbij
elke stadswijk als een collectief de status van de buurt trachtte te handhaven.
In deze strijd konden sommige buurten zich bij gebrek aan sociale cohesie,
economische middelen en politieke invloed maar nauwelijks verdedigen. Dus
behandelde de rest van de stad die wijken zoals dat het beste uitkwam, liet ze
vervallen, en loosde daar de minst gewenste elementen en meest hinderlijke
bedrijven, en droeg zodoende bij aan het ontstaan van de rampgebieden die zo
kenmerkend zijn voor de moderne grote stad. En anders werden de sloppen
simpelweg opgeruimd om plaats te maken voor verkeersstraten en luxewoningen,
zoals bij de Hausmannisation van Parijs, of voor spoorlijnen,
dokken en pakhuizen als in het Londense East End.41
Sociaal-geografisch liep de grote trend in de stadsontwikkeling van ruimtelijke
homogeniteit en sociale heterogeniteit naar ruimtelijke differentiatie in
sociaal meer homogene gebieden: ‘buurtgemeenschappen’, zoals ze sindsdien zijn
gaan heten. Deze transformatie voltrok zich door individuele beslissingen om
elders in de stad te gaan wonen - keuzen die waren ingegeven door de resultaten
van voorafgaande beslissingen, genomen door mensen die naar de stad gekomen
waren en zich overal hadden gevestigd waar goedkope woningen beschikbaar waren,
en door nog anderen die de vervallen stadsdelen verlaten hadden om naar nieuwe
en betere buurten te verhuizen.
| | | |
Deze grootschalige transformatie van de stad ging gepaard met een verandering in
afbakening en gebruik van de openbare en particuliere ruimte van straten en
woningen. Daunton heeft de ontwikkeling beschreven voor het
vroeg-negentiende-eeuwse Engeland:
Ten eerste, in het particuliere domein van de woning werden de
verschillende ruimtes niet meer door iedereen zonder onderscheid gedeeld, maar
kwam een ingekapselde en afgezonderde verblijfsvorm in zwang. Ten tweede, het
openbare domein van de stad verloor zijn cellulair karakter, dat ook altijd een
tweeslachtigheid met zich meebracht in het halfopenbaar, half-privé gebruik van
de ruimte, en kreeg een veel meer open patroon. Woningen werden meer afgesloten
en privé, en de ruimte buitenshuis werd een braak terrein, of een bindweefsel,
meer om over te steken dan om te gebruiken... De grens of de drempel tussen het
een en het ander werd minder tweeslachtig, scherper bepaald, minder
doordringbaar, minder overschrijdbaar.42
Welbewuste stadsplanning was iets ongebruikelijks, de grote kaalslag en heropbouw
in de centra van Parijs, Londen en Wenen waren grandioze uitzonderingen.43 Het officiële beleid bleef doorgaans
beperkt tot het aanwijzen van terreinen aan de rand van de stad voor nieuwe
huisvesting, en het afbreken van sloppenwijken in het hart van de stad.
Projectontwikkelaars en bouwbedrijven reageerden vooral op de manifeste vraag
naar woningen van degenen die weg wilden uit de overbevolkte binnenstad. En die
vraag was ingegeven door de ergernissen van het stadsleven, door lawaai, stank,
vuil, overbevolking, misdaad, en onderliggend door een sociale smetvrees, een
wens om verder weg te komen van armen en dus hoger boven hen.44
De hieruit voortvloeiende ruimtelijke segregatie in homogene groeperingen had
grote gevolgen voor de verschaffing van collectieve goederen. Telkens weer is de
vraag voor wélke collectiviteit een goed collectief is. De bewoners van de
nieuwe wijken waren de potentiële actores in de collectieve onderneming, en de
potentiële gebruikers van het collectieve goed; als collectiviteiten werden zij
steeds homogener in hun belangen en in hun middelen. Bovendien stond die
ruimtelijke scheiding toe om eventuele profiteurs uit andere lagen van de
bevolking uit te sluiten, eenvoudig omdat ze verderop woonden. Zo accepteerden
dan de bewoners van een redelijk welgestelde wijk een belastingverhoging om
daarmee in hun buurt betere politiebewaking of de aanleg van een park te
financieren. De armen, van belasting vrijgesteld, bleven ook van die
voorzieningen verstoken, want ze woonden te ver weg. Het was aan het
stadsbestuur om te zorgen dat zijn dienstverlening de belastingbetalers tot
voordeel strekte, een taak die danig werd verlicht doordat de
belastingplichtigen nu in duidelijk afgebakende wijken bijeenwoonden.45 Dit beleid
was ook vrijwel onontkoombaar, niet alleen omdat de welgestelden de belasting
betaalden, maar ook omdat hun vertegenwoordigers in het stadsbestuur zitting
hadden.
De stadspolitiek werd aanvankelijk gedomineerd door aristocratie en grote bur-
| | | | gerij die dikwijls ook het leeuwedeel van de grond en de
woningen in het stadscentrum bezaten. Vrij gevestigden, lagere beambten,
winkeliers, kooplieden en handwerkslieden hadden een eigen huis of huurden een
woning in de gebouwen die bezit waren van de grote huiseigenaren, en waar mensen
met bescheidener inkomens de minder comfortabele appartementen bewoonden. Deze
hechte en intieme nabijheid tussen mensen van uiteenlopende klasse en
levensstijl was vaak aangeprezen als het middel om nieuwkomers te beschaven en
de armen in het oog te houden, om de arbeiders door het nauwlettend toezicht van
hun burgerlijke buren te disciplineren en te beschermen, en om wederzijdse hulp
en ondersteuning in tijden van nood te garanderen. Maar die nabijheid hielp
vooral om de armenbelasting om te slaan over een groter aantal
belastingplichtigen in de binnenstad.46
De bevolkingsdichtheid steeg, en dus ook de huren. De huiseigenaren profiteerden
van die ontwikkeling, en dat was een reden te meer voor conservatieve kringen in
de stad om te pleiten voor het dicht bijeenwonen van kleinburgerlijke en
arbeidersgezinnen enerzijds, en nieuwkomers en paupers anderzijds. Maar de
gezinnen die zich gedwongen zagen om in de buurt van de armen te wonen hadden te
lijden onder huurverhogingen, en onder de ergernis en vernedering van het
samenleven met het grove volk - en dus verhuisden ze zodra ze de kans kregen.
De opkomst van collectieve dienstverlenende netwerken is in hoge mate bepaald
door deze segregatie. In formeel opzicht vertonen deze dienstverlenende
netwerken een hiërarchische of vertakte structuur. Een aantal eindpunten zijn
telkens met één knooppunt verbonden, zonder rechtstreekse onderlinge
verbindingen. Die knooppunten zijn onderling ook weer niet verbonden, maar staan
alle in verbinding met knooppunten van hogere orde, enzovoort, totdat de kern
van het stelsel bereikt is. Dat is meestal een grote installatie zoals een
waterreservoir, een zuiveringsinrichting voor rioolwater, een gasfabriek, een
elektriciteits- of telefooncentrale. Alleen bij tram- en busnetten zijn de
lijnen onderling verbonden, en is er niet één enkele centrale
toevoerinstallatie, behalve dan voor de elektriciteit. De afzonderlijke
gebruikers konden van deze netwerken worden uitgesloten of toegelaten tegen
betaling voor de verleende diensten: in dit opzicht vormde een stedelijk
dienstverlenend netwerk dus niet een collectief goed. Een particuliere
ondernemer of een ondernemend stadsbestuur kon immers een transportstelsel of
een waterleidingnet aanleggen, de vuilafvoer organiseren of riolen bouwen, en
van de gebruikers het geldende tarief heffen. De aanleg van een stelsel van
pijpen, kabels of rails en van de centrale installaties vergde grote
investeringen, maar de pas opgerichte spoorwegmaatschappijen boden een -
controversieel -voorbeeld voor het bijeenbrengen van de benodigde fondsen op een
kapitaalmarkt in opbouw. Toch bleven de interdependenties van het stedelijke
leven zich aan het marktmechanisme ontrekken: een stadsvervoersnet bracht
onbeheersbare externe effecten teweeg, en dat gold ook voor stadsreiniging,
watertoevoer en riolering. Wie aangesloten was, was daarmee verzekerd | | | | van hygiëne in eigen huis, maar bleef desondanks blootgesteld aan
de risico's veroorzaakt door derden die de contributie niet wilden of konden
betalen. De dilemma's van het collectiviseringsproces duurden voort.
|
40Matthew
Arnold, 1869, geciteerd in G.S. Jones, p. 221.
41‘De willekeurige en lukrake sloop en de commerciële
transformatie in negentiende-eeuws Londen hebben waarschijnlijk grotere
volksverhuizingen teweeggebracht dan de herbouw van Parijs onder Hausmann.’
G.S. Jones, p. 159. Dupuy en Knaebel, p. 36, merken over de reconstructie
van het Parijse centrum rond 1850 op: ‘In feite werden de arme en
proletarische klassen door de renovatie van het centrum gedwongen naar de
buitenwijken te emigreren, omdat zij de hoge huren die de eigenaars van de
nieuwe gebouwen vroegen niet konden opbrengen. Er werd wild gespeculeerd,
maar niet minder onstuimig voltrok zich de plotselinge segregatie van
woonplaats volgens inkomen.’ Vgl. Lis, pp. 64-73, over de krottenwijken van
Antwerpen.
42Daunton, p. 12
(cursiveringen van de auteur). Deze ‘inkapseling’ maakte de verbinding met
stedelijke netwerken voor watertoevoer, riolering e.d. zowel noodzakelijker
als eenvoudiger.
44Wagenaar beschrijft deze ontwikkeling van ‘gemengde’ naar
‘gesegmenteerde’ wijken in Amsterdam gedurende de jaren zeventig van de
negentiende eeuw: aan de Gouden Bocht van de aristocratische Herengracht was
de stank uit de grachten ondraaglijk geworden; de sloppenwijken waren
afschuwelijk overbevolkt en de arbeiders werden steeds opstandiger. De
koopmanshuizen rond het nieuwe Vondelpark boden een aangename omgeving en
werden voorzien van aansluitingen op het riool. Desalniettemin zijn Bruin en
Schijf er niet in geslaagd aanwijzingen te vinden dat ‘toenemende
vulgarisatie’ van het stadscentrum werkelijk het motief was om naar de
nieuwe parkbuurt te verhuizen, al werden de straten daar er inderdaad
deftiger op.
45Arbeiders in Londen meenden dat de politie hun buurten
veronachtzaamde en de sloppenwijken alleen maar in het oog hield om de
nabijgelegen rijkere buurten beter te beschermen; Miller, p. 92. Zie Storch
voor de haat en het verzet van de Engelse arbeidersklasse tegen
politiebemoeienis met het huiselijk en persoonlijk leven.
46Vgl. G.S. Jones,
p. 247; rond 1850 was men in Londen zeer ontstemd over ‘de “desertie” van de
rijke klassen uit de armere districten.’
|
|