|
|
|
| |
4 Het ontstaan van het ‘aderlijk-slagaderlijk stelsel’
In de tweede helft van de negentiende eeuw nam het aantal medische en
correctionele instituties toe, het lagere-schoolstelsel werd sterk uitgebreid,
en er ontstond een keten van dienstverlenende netwerken: voor openbaar vervoer,
gasvoorziening, en enige tijd later ook voor elektriciteit en telefoon. In deze
context zijn vooral waterleiding en riolering van belang. De stedelijke
sanitaire netwerken vormen een bijzonder hoofdstuk in de sociogenese van de
verzorgingsstaat: in de loop van een jaar of vijftig kwam in alle grote steden
een uiterst kostbaar en ook zeer effectief stelsel tot stand, aanvankelijk op
particuliere en vrijwillige grondslag, maar uiteindelijk als een dwingend
arrangement onder openbaar beheer.
In de eerste helft van de negentiende eeuw waren door de bevolkingsgroei de
hygiënische omstandigheden in de steden nog verslechterd:
De primitieve rioleringsstelsels die in voorgaande eeuwen al slecht
hadden gefunctioneerd, raakten onder druk van de sterk groeiende bevolking in de
industriesteden volkomen in het ongerede... maar wat vanwege het gevaar van
besmettelijke ziekte nog erger was, dit leidde weer tot een verdere vervuiling
van de bronnen waarop de steden voor hun drinkwater waren aangewezen.47
De tastende pogingen om deze misstanden te verhelpen resulteerden ten langen
leste in een openbaar waterleiding- en rioleringnet door de hele stad. Met de
kwantitatieve en kwalitatieve verbetering van de voedseltoevoer was de
verbetering van de hygiëne de hoofdoorzaak van de drastische verandering in het
sterftecijfer toentertijd, althans volgens McKeown48.
De massale epidemieën waren in het denken van die dagen de concrete uitdrukking
van de stedelijke interdependentie, en de sanering van het stedelijk milieu was
de meest grootscheepse en aanhoudende poging om de externe effecten van
besmetting te beheersen door gemeenschappelijke en collectieve maatregelen.
Zoals al eerder is opgemerkt, werd alom aangenomen dat besmettelijke ziekten
armen en zedeloze mensen erger troffen dan ‘nette en fatsoenlijke lieden’. Maar
toch voelden ook de meest aanzienlijke en bemiddelde stadsbewoners zich niet
veilig. En bovendien wekten de epidemieën grote opschudding: de paniek sloeg
overal toe, mensen vluchtten en masse de stad uit, reizigers en handelswaar uit
besmet gebied werden in quarantaine gehouden, terwijl handel en industrie tot
stilstand dreigden te komen. De smerigste krotten en logementen werden uitgemest
of zelfs geëvacueerd, de straten werden geveegd en schoongespoeld in een
grandioze noodcampagne die, zodra het gevaar geweken | | | | leek, weer
even plotseling werd opgegeven. Maar ook wanneer de leden van de gevestigde
klasse niet voor hun leven vreesden - en de meesten bleven toch bezorgd - hadden
ze alle reden, op menselijk en zakelijk vlak, om de verschijning van
besmettelijke ziekten te duchten.
Over de verbreiding van ziekten, en vooral van de cholera, deed een aantal,
onderling strijdige, ideeën opgeld. In het vroeg-negentiende-eeuwse denken
overheerste een algemene notie van vuil en smerig leven, waarin microbiologische
categorieën nog niet scherp onderscheiden werden van morele. De meeste mensen
vermoedden vagelijk dat armoede en vervuiling op een of andere manier
samenhingen met ongezondheid en besmetting. Vooral door die vermoede gevolgen
voor de stedelijke volksgezondheid werden de levensomstandigheden en gewoonten
van de armen het onderwerp van moreel vertoog, politiek debat en
wetenschappelijk onderzoek. En in de algemeen gangbare opvattingen over ziekte
kwam het gevaar niet zozeer van een afzonderlijke kiemendrager die
geïdentificeerd, geïsoleerd of behandeld zou kunnen worden, maar van een vage,
algemene onreinheid en zedeloosheid onder armen, immigranten en vreemdelingen.
Het probleem van de stedelijke volksgezondheid was dus aanvankelijk
onverbrekelijk verbonden met het spookbeeld van de stedelijke armoede, en beide
vraagstukken werden opgevat als in wezen morele aangelegenheden.
Deze zienswijze had twee tegengestelde implicaties: enerzijds leek het probleem
reusachtig en onhanteerbaar, omdat een oplossing niets minder zou vereisen dan
een omwenteling in de levenswijze en de bestaansvoorwaarden van de grote massa
van stedelijke armen. Omdat dat een geheel onbereikbare doelstelling leek,
werkte die opvatting juist berusting en gelatenheid in de hand. Anderzijds, als
er al maatregelen getroffen werden, dan moesten die ook collectief zijn naar
aard en bereik, en dit inzicht was richtinggevend in de speurtocht naar remedies
door de hervormingsgezinde stadsbestuurders en stedelijke hygiënisten. Maar vóór
ze hun ideeën in de praktijk konden brengen, moesten de hervormers eerst met
meer specifieke en uitvoerbare voorstellen komen.
De medische deskundigen van die dagen waren het grondig oneens over de oorzaken
van epidemische ziekten en de manieren waarop die voorkomen konden worden. Een
hevig debat woedde tussen de ‘contagionisten’ en de aanhangers van de
‘miasmatheorie’. Hoewel de scheidslijnen in deze discussie lang niet zo
duidelijk waren als die termen suggereren, en ook al waren de ideeën onderling
niet geheel onverenigbaar, werd in de contagionistische benadering de oorzaak
van ziekte allereerst gezocht in levende organismen die van de ene drager aan de
andere werden doorgegeven. In de miasmatische benadering werd de oorzaak van de
ziekte gelokaliseerd op plaatsen waar afval schadelijke dampen uitwasemde.49 De beide theorieën gaven dus
aanleiding tot heel verschillend beleid. Al met al zette de contagionistische
visie mensen ertoe aan hun immuniteit te versterken door gezonde leefgewoonten
en mogelijk besmette personen te mijden. Met hun pleidooi voor quarantaine
volgden de contagionisten een oude medische traditie uit de havensteden aan de
Middellandse Zee. En die handels- | | | | beperking stuitte weer op verzet
van zakenlieden. Andere deskundigen vonden de contagionisten ouderwets, en zelfs
reactionair.50 De contagionistische benadering liep uit op een
individuele aanpak en bevorderde zo vooral de particuliere praktijkuitvoering in
de geneeskunde.
Reeds aan het begin van de eeuw hadden sommige onderzoekers een verband
gesuggereerd tussen epidemische ziekte en de vervuiling van de stedelijke
armen.51 Men geloofde dat uit bedompte lucht, rottend afval en
stilstaand water besmettelijke substanties voortkwamen. Dit ‘miasma’ zelf mocht
dan niet zintuiglijk waarneembaar zijn, de stank was er een stellig teken van.
Dus moesten dampen verdreven worden voor frisse lucht, dienden stilstaande
poelen te worden geloosd, en uitwerpselen, afval, vuil en stof te worden
opgeruimd. Dit alles vroeg dus in de eerste plaats om een grootscheepse
reinigingsoperatie van huizen en straten. In de volgende fase moesten ongezonde
woningen worden gesloopt, behoorlijke huizen gebouwd, het straatvuil geregeld
opgehaald en een netwerk van pijpleidingen aangelegd voor de toevoer van
drinkwater en de afvoer van menselijk afval: kortom, een volledig program van
verlicht stadsbestuur, in medische en technische termen bepleit door artsen,
ingenieurs en ambtenaren als het middel ter voorkoming van ziekte.
Nieuw aan deze sanitaire hervormingsvoorstellen was de manier waarop het probleem
van vervuiling gedefinieerd werd: aanvankelijk was het een kwestie van
individueel wangedrag dat door officieel vermaan of stedelijke verordening
gecorrigeerd moest worden, maar halverwege de eeuw was het veranderd in het
collectief probleem van het stadsvuil uit woningen en bedrijven, dat alleen te
verhelpen was met een combinatie van overheidsinspectie, wettelijke dwang en
vooral openbare werken.
Door een praktisch programma op te stellen, wisten de sanitaire hervormers het
vraagstuk terug te brengen tot hanteerbare - maar nog steeds ontzagwekkende -
proporties: wat altijd beschouwd was als de tragiek van het stedelijk bestaan,
als een politiek en moreel probleem in de eerste plaats, werd nu geformuleerd
als een bestuurlijk en technisch karwei, dat de stadshygiënisten wel zouden
weten te klaren. Waar zij het als hun taak zagen gezondheid te brengen in een
zieke gemeenschap, en zich slechts door wetenschap en rede wilden laten leiden,
achtten zij zich gerechtigd om tot in het kleinste en meest intieme detail
regels op te stellen voor de individuele burger: ‘De hygiëne had zichzelf van
instrument tot wetgever verheven.’52
De cholera-epidemieën van 1832 en 1849 doordrongen het grote publiek van de
dringende noodzaak van stedelijke gezondheidsmaatregelen. Maar zelfs de paniek
van die jaren was niet voldoende om de vereiste hervormingen teweeg te brengen.
Zodra de massale uitbarsting van cholera was uitgeraasd, werden de sanitaire
noodmaatregelen stilaan opgegeven, en de gezondheidsraden ontbonden of van hun
vergaande bevoegdheden ontdaan. Zo ging het na de grote epidemie van 1832, en
opnieuw na 1849. Maar rond die tijd neigde de bestuurlijke en medische opinie in
West-Europa en de Verenigde Staten al in meerderheid | | | | naar de
miasmatheorie: cholera en andere besmettelijke ziekten werden, zo dacht men,
veroorzaakt door uitwasemingen die opstegen uit vuilnis, stilstaand water en
bedompte lucht - de onafscheidelijke metgezellen van stedelijke armoede. En ook
al kon de armoede op korte termijn niet worden opgeheven, men kon althans
trachten haar bijwerkingen in te dammen. Dat kon alleen door de nieuwe
technieken van stedelijke watervoorziening en riolering toe te passen. Na het
midden van de eeuw begon de miasmatheorie terrein te verliezen om geleidelijk
plaats te maken voor een verbeterde en empirisch gefundeerde versie van de
contagionistische zienswijze, die tot dan toe algemeen als verouderd werd
beschouwd. Toch had de miasmatische benadering in de tussentijd geleid tot een
veel radicaler en effectiever hervormingsprogramma dan de in wezen
individualistische benadering van de contagionisten ooit had kunnen
realiseren.53 Een aantal ondernemende technici, medici en
stadsbestuurders had radicale plannen voor stadshygiëne uitgewerkt: Virchow in
Berlijn, Von Pettenkofer in München, Villermé en Parent-Duchâtelet in Parijs,
Liernur in Amsterdam, Shattuck in Boston, en, als belangrijkste, Chadwick in
Londen.
Zij allen waren het erover eens dat vuilnis en menselijke uitwerpselen constant
en meteen uit de stad moesten worden afgevoerd. Ze beseften pas geleidelijk dat
dit een permanente en toereikende toevoer van vers water vereiste om de straten
schoon te spoelen en vuilnis, afval en uitwerpselen te verwijderen.54 Dat ook schoon drinkwater een absolute noodzaak voor de
volksgezondheid was drong langzamer tot de autoriteiten door. Pas in de jaren
zestig van de negentiende eeuw bereikte dit idee de status van een onomstreden
vastgesteld wetenschappelijk feit.55 En het
leverde een extra en doorslaggevend argument voor een fijn vertakt toevoernet
van stromend schoon water, dat voortaan van een hogere kwaliteit moest zijn dan
het water dat alleen maar diende om door te spoelen en schoon te spuiten. De
autoriteiten begonnen nu ook te beseffen dat de enorme toename van de
hoeveelheid afvalwater, waarop het stedelijke vuilnis werd afgevoerd, de bronnen
voor de stedelijke watertoevoer nog verder vervuilde. Er moest dus meer aandacht
worden besteed aan de uitstroom van afvalwater, dat verder stroomafwaarts of op
grotere afstand van de stad geloosd moest worden, terwijl het schone water
betrokken werd uit meer afgelegen en zuiverder bronnen.
Het volledige succes van de stedelijke hygiënistenbeweging kan blijken uit het
feit dat het vandaag de dag bij niemand zou opkomen om het drinkwater te laten
besmetten door rioleringswater. Maar een goede eeuw geleden leek een dergelijke
vervuiling minder bedreigend dan het gevaar van miasma, de uitwasemingen van
mesthopen en stilstaande poelen. Zelfs nieuw geconstrueerde
rioleringsinstallaties loosden hun inhoud vaak nog vlak bij en stroomopwaarts
van de inlaten voor het drinkwater. De chemici die met het testen van het water
belast waren troffen daar geen schadelijke substanties in aan - hun
meetapparatuur kon die nog niet aantonen.56
In Frankrijk hadden de hygiënisten zich verzameld onder de leus tout
à l'égout, | | | | en propageerden de verwijdering van al het
afval, inclusief menselijke uitwerpselen, via de open straatgoten en het
ondergrondse rioleringsstelsel, waarbij een forse waterstroom voor de afvoer
moest zorgen.57 In Parijs werd net als
elders veel en heftig gedebatteerd over de vraag of afvalwater, straatvuil,
afval uit woningen en menselijke uitwerpselen afzonderlijk dienden te worden
afgevoerd, of samen in één groot rioleringsstelsel. Als er al voorzieningen
waren voor menselijke uitwerpselen, dan bestonden die doorgaans uit beerputten
waarvan de inhoud in de grond rondom sijpelde, of uit vaten die van tijd tot
tijd werden opgehaald, in Amsterdam met de ‘Boldoot’-kar. Boeren uit de omgeving
kwamen zo nu en dan langs en leegden de beerputten of poeptonnen om de inhoud
als gier te gebruiken. Menselijke uitwerpselen waren altijd al als waardevolle
substantie beschouwd die ook moest worden bewaard voor nuttig gebruik, als mest.
De huidige stadsbewoners zien hun faecaliën liefst zo snel, volledig en
onopvallend mogelijk verdwijnen, en een zekere gehechtheid aan eigen
uitwerpselen wordt mensen nu al gauw aangewreven als een blijk van fixatie op
infantiele anale neigingen. Maar in een nog niet zo ver verwijderd verleden was
het algemeen gebruikelijk om faecaliën op te potten, als mest te gebruiken, of
aan langskomende boeren te verkopen. Ontlasting was inderdaad geld, en dit
verklaart, met de kosten van sanitaire hervorming, het verzet tegen aansluiting
op de rioleringen, die mensen van hun eigen produktie beroofden en ze er nog
voor lieten betalen ook. Pas tegen de tijd dat de ontlasting deze evidente
sociale functies was kwijtgeraakt, kwam Freud ertoe een aanhoudende
belangstelling voor faecaliën terug te voeren op een individuele psychologische
‘fixatie’. Gleichmann wijst erop dat de stedelijke sanering gepaard ging met een
‘sanering van de taal’:
Naarmate de afstand tot vuilnis en menselijke uitwerpselen
toeneemt, met de vorming van steeds langere ketens van interactie tussen mensen
en hun afval, met de interventie van meer en meer sanitaire specialisten tussen
henzelf en hun ontlasting, verkeren mensen steeds minder vaak in de gelegenheid
om over deze zaken te spreken.58
Maar ondertussen werd het zich opstapelende afval een steeds groter probleem voor
het stedelijk publiek:59 ‘Ontlasting obsedeert de menselijke verbeelding,’
schrijft Corbin60 als hij een
‘drempelverlaging in de reuktolerantie’ opmerkt, in termen die sterk doen denken
aan Elias' beschrijving van de algemene, verlaging van de ‘pijnlijkheidsdrempel’
op lange termijn, die hij als één aspect van het civilisatieproces
beschouwt.61
Het lijdt geen twijfel dat de levensomstandigheden in de overvolle steden voor
veel mensen aan het begin van de negentiende eeuw in een snel tempo
verslechterden, maar dit feit is op zichzelf niet voldoende om te verklaren dat
mensen aanstoot begonnen te nemen aan geuren en beelden die al zo lang een
alomtegenwoordig bijverschijnsel van het stadsleven waren geweest. Het vuil werd
meer en meer geassocieerd met pauperisme en met vreemdelingen, met alles dat
‘onbekend’ en ‘laag’ was. Artsen versterkten nog eens het verband tussen de
stedelijke zelfkant en vuil, zonde en ziekte. Toen | | | | eenmaal
voldoende schoon water beschikbaar was voor de rijken om te wassen, te schrobben
en te spoelen, konden zij zich permitteren om zich boven sociaal minderen te
verheffen door lichamelijke en huiselijke reinheid en geurloosheid. Het sociale
onderscheid werd voortaan ook gemaakt in termen van reinheid, en de ‘andere
helft’ werd meer en meer gezien als ‘de talloze ongewassenen’.62
Het voorstel om menselijke faecaliën snel en spoorloos te verwijderen stuitte op
onverwacht hevig en verontwaardigd verzet, dat alleen te begrijpen is uit deze
archaïsche opvattingen van lichaamsafval. En verrassenderwijs transponeerde het
meest vernieuwende en radicale hervormingsplan precies dezelfde begrippen uit de
individuele menselijke stofwisseling naar de metropolis als één grote
bloedsomloop.
De bevindingen van de Duitse chemicus Liebig hadden stevige wetenschappelijke
ondersteuning geboden aan de oude ideeën over de bruikbaarheid van menselijke
ontlasting en ander organisch afval als mest.63
Het was de Engelse hervormer Chadwick die deze constateringen verwerkte in een
omvattend plan voor een stedelijke kringloop: ‘het aderlijk-slagaderlijk
stelsel’. Een constante stroom van vers water moest de stad binnengepompt
worden, om via een systeem van steeds fijner vertakte leidingen te worden
verspreid over alle afzonderlijke huishoudens, waar het zou worden gebruikt om
te drinken, ermee te koken en te wassen, en vervolgens zou worden afgevoerd via
een parallel maar strikt gescheiden rioleringsnetwerk waarin ook menselijke
uitwerpselen werden weggespoeld met stromend water; bovendien konden ook
industrieel afval en straatvuil, die met eveneens ingepompt schoon water werden
weggespoeld, via deze riolen worden afgevoerd. Het afvalwater zou dan uit de
stad worden geleid en verwerkt, de organische bestanddelen verspreid over de
velden in de omgeving als vloeibare mest of in vaste vorm als korrels. De aldus
bemeste akkers moesten een verbeterde oogst opleveren, waarmee de uitdijende
stad kon worden gevoed. De volmaakte kringloop van stedelijke stofwisseling.
|
48McKeown, p. 153, voegt hieraan toe: ‘De daling van het sterftecijfer werd
door immunisering of therapie niet wezenlijk beïnvloed vóór 1935, toen
sulfonamiden beschikbaar kwamen.’
49Zie Pelling voor een bespreking van het medische debat in
Engeland; vgl. Delaporte voor Frankrijk.
50Omstreeks 1800 verwierp bij voorbeeld
Noah Webster de berichten dat lerse immigranten de gele koorts naar New York
gebracht hadden als ‘vulgaire praatjes die een schande zijn voor dit
tijdperk van wetenschap en filosofie... waar ik me streng tegen te weer zou
willen stellen, is de neiging van mensen om alle kwaden van het leven te
herleiden tot een vreemde bron, terwijl de oorzaken zich in hun eigen land,
hun eigen huizen, hun eigen boezems bevinden.’ Geciteerd in Rosenkrantz, p.
3. In Frankrijk had het Spaanse beleid van cordons
sanitaires langs de gemeenschappelijke grens tot heftig verzet geleid.
Vgl. la Berge.
51Vgl. bijv. Coleman over het pionierswerk van
Villermé.
52Murard en Zylberman,
p. 63. De auteurs laten de nauwe verbanden zien tussen de Franse
‘hygiënistenbeweging’ en vroege ideeën over sociale techniek in de
geneeskunde (Pasteur), sociologie (Durkheim) en het politieke denken
(Saint-Simon): ‘Een reductie van alle politieke vragen tot kwesties van
hygiëne.’ De ontdekking van het besmettingsmechanisme maakte een einde aan
deze bijna onbeperkte ambities, doordat de prioriteit zich van de
volksgezondheid verplaatste naar de persoonlijke hygiëne, en van de
stedelijke techniek naar een individualistische geneeskunde. Vgl. ook Starr,
p. 100: ‘Een groot deel van de geschiedenis van de volksgezondheid is een
verslag van de conflicten over de grenzen van haar mandaat.’ En, p. 196,
(geciteerd uit Rosenkranz): ‘De “scheidslijn” tussen de oude en de nieuwe
ideologieën over volksgezondheid was een expliciete ontkenning van de
verantwoordelijkheid voor sociale hervormingen.’ En ook: ‘Misschien
illustreert niets beter de beweging in de volksgezondheid van de omgeving
naar het individu dan de groeiende nadruk op individuele gezondheidstests.’
p. 192; vgl. ook Rosenkranz, p. 73.
53Deze ‘historische ironie’ is vooral
schijn - zoals Pelling heeft laten zien waren de werkelijke posities in het
wetenschappelijk debat veel gecompliceerder p. 299 et
passim.
54Een constante toevoer van water onder druk was ook nodig om
branden effectief te kunnen blussen. Er was bovendien geen gevaar dat de
pijpen gestolen zouden worden, zelfs niet in de armere buurten, omdat het
water onder hoge druk fungeerde als een ‘politie van de pijp’. Binnie, p.
1.
55De Britse arts John
Snow bevestigde zijn theorie dat cholera werd overgebracht door een in het
water levende ziektekiem in 1854 toen hij het optreden van de ziekte kon
herleiden tot de organische besmetting van de plaatselijke watertoevoer, de
beruchte Broad Street-pomp. ‘Het resultaat van de jaren
vijftig was de toespitsing van Chadwicks algemene veroordeling van alle vuil
op één bijzondere soort: het vuil dat door mensen werd voortgebracht.’
Pelling, p. 245. De controverse duurde echter voort, totdat Koch de
specifieke ziektekiem identicifeerde als Vibrio cholerae
(die al in 1854 door Pacini ontdekt was; vgl. Pelling, p. 3).
56In de
Verenigde Staten was rond 1880 nog ‘de aanvaarde theorie... dat water
zichzelf reinigde wanneer het rioolafval verdund was en over voldoende
afstand op de stroom was meegevoerd’. Rosenkrantz, p. 81.
58Gleichmann, 1979b, p.
110
59Finer, pp. 212-3, schrijft: ‘De
abruptheid waarmee het Engelse volk voor het eerst een gezichts- en
reukvermogen leek te verwerven en zich realiseerde dat het op een mesthoop
leefde, moet worden toegeschreven aan het schokeffect van de
industrialisering.’
61Elias, 1982 (vol. 2), pp. 302-11.
62Ongeveer zeventig jaar later vermeldt George Orwell de
uitdrukking the great unwashed in The Road to
Wigan Pier, nog steeds met enige verlegenheid, ditmaal over het
hardnekkige superioriteitsbesef dat zijn ouders hem in zijn jeugd hadden
ingeprent.
63Liernurs
voorstellen voor een rioleringsstelsel in Amsterdam leidden tot een strijd,
‘alsof hij de grondvesten der maatschappij had willen ondermijnen,’ Knuttel,
geciteerd in Koot. Zoals velen vóór hem, was Liernur tegen de gecombineerde
verwijdering van menselijke uitwerpselen en ander vast afval samen met
afval- en regenwater, om sanitaire en economische redenen. Hij stelde voor
het vaste afval met luchtdruk te laten opzuigen in een stelsel van pijpen
die per honderd huizen met een centraal reservoir verbonden zouden worden,
waarvandaan een ‘locomobiel’ het zou wegpompen om het in de vorm van
mestkorrels (‘poudrette’) op het land in de omgeving te deponeren. Alleen in
Amsterdam werd het stelsel op grote schaal toegepast (100.000 huizen rond
1890), maar het grootste deel van het afval werd simpelweg in open water
geloosd. Na 1900 kregen waterclosets en een gecombineerd, met water gespoeld
rioleringsstelsel de overhand; Van Zon, pp. 101-29. De laatste
grachtenpanden werden pas in 1987 op de stadsriolering aangesloten.
|
|